Huidige tekst
Artikel V Verdrag nopens het wegverkeer
V Overgangsbepalingen De bepalingen van Deel I, Deel II en Deel III, onder e, van deze Bijlage zijn van toepassing op elk motorrijtuig, dat voor het eerst wordt ingeschreven meer dan twee jaar na het in werking treden van dit Verdrag, alsmede op elke door zulk een motorrijtuig getrokken aanhangwagen. Op motorrijtuigen, welke voor het eerst worden ingeschreven binnen twee jaar na het in werking treden van dit Verdrag, worden deze bepalingen van toepassing na verloop van vijf jaar na het in werking treden van dit Verdrag; hetzelfde geldt met betrekking tot aanhangwagens. Intussen zijn de navolgende bepalingen van toepassing: a. Elk motorrijtuig is voorzien hetzij van twee onderling onafhankelijke remmen, hetzij van een rem met twee onderling onafhankelijke bedieningsorganen, waarvan de een werkt ook al is de andere onklaar, een en ander met dien verstande, dat in elk geval behoorlijk doeltreffende en snelwerkende remmen worden gebruikt. b. Elk afzonderlijk rijdend motorrijtuig is van het vallen der duisternis af en gedurende de nacht aan de voorzijde voorzien van tenminste twee witte lichten, links en rechts aangebracht, en aan de achterzijde van een rood licht. Voor motorrijwielen zonder zijspan mag het aantal lichten aan de voorzijde tot één worden verminderd. c. Elk motorrijtuig is eveneens voorzien van een of meer inrichtingen, waarmede de weg over voldoende afstand vooruit doeltreffend verlicht kan worden, tenzij de twee hierboven voorgeschreven lichten reeds aan deze voorwaarde voldoen. Indien het motorrijtuig in staat is sneller dan 30 km. (19 mijl) per uur te rijden, moet bedoelde afstand tenminste 100 meter (325 voet) bedragen. d. Lampen, welke verblindend licht kunnen geven, zijn voorzien van een inrichting om de verblindende uitwerking weg te nemen bij het tegenkomen van andere weggebruikers of bij elke andere gelegenheid, dat zulks nuttig is. Bij het wegnemen van de verblindende uitwerking moet er evenwel voldoende licht overblijven om de weg over een afstand van tenminste 25 meter (80 voet) helder te verlichten. e. Motorrijtuigen, welke aanhangwagens voortbewegen, zijn, voorzover betreft de verlichting aan de voorzijde, aan dezelfde voorschriften onderworpen als afzonderlijke motorrijtuigen; het rode achterlicht wordt gevoerd aan de achterzijde van de aanhangwagen.