Verdrag nopens het wegverkeer

Huidige tekst

Artikel III Verdrag nopens het wegverkeer

Geldt sinds 19 oktober 1952

III Verdere vereisten a Stuurinrichting. Elk motorrijtuig is voorzien van een sterke stuurinrichting, waarmede het motorrijtuig gemakkelijk, snel en zeker kan worden gewend. b Achteruit-kijkspiegel. Elk motorrijtuig is voorzien van tenminste een achteruit-kijkspiegel van doelmatige afmetingen en zo opgesteld, dat de bestuurder in staat is van zijn zitplaats de weg aan de achterzijde van het voertuig te zien. Deze verplichting geldt echter niet voor motorrijwielen met of zonder zijspan. c Geluidssignalen. Elk motorrijtuig is uitgerust met tenminste een toestel tot het geven van geluidssignalen van voldoende sterkte, welk toestel niet mag zijn een bel, een gong, een sirene of ander schel klinkend toestel. d Ruitenwissers. Elk motorrijtuig, uitgerust met een voorruit, is voorzien van tenminste een doelmatige ruitenwisser, welke werkt zonder dat hij bij voortduring door de bestuurder bewogen behoeft te worden. Deze verplichting geldt echter niet voor motorrijtuigen met of zonder zijspan. e Voorruiten. Voorruiten moeten zijn vervaardigd van duurzaam, goed doorzichtig materiaal, dat ingeval van breuk geen scherpe splinters geeft. Voorwerpen mogen door dit materiaal niet verwrongen gezien worden. f Inrichting om achteruit te rijden. Elk motorrijtuig met een ledig gewicht van meer dan 400 kilogram (900 lbs.) is voorzien van een inrichting om achteruit te rijden, welke van de bestuurderszitplaats in werking kan worden gesteld. g Geluiddemper. Elk motorrijtuig is voorzien van een geluiddemper ter voorkoming van buitensporig of uitzonderlijk lawaai, welke bij voortduring werkt en waarvan de werking door de bestuurder tijdens het rijden niet kan worden onderbroken. h Banden. De wielen van motorrijtuigen en hun aanhangwagens zijn voorzien van luchtbanden, dan wel van een andere soort banden van gelijke veerkracht. i Inrichting om te voorkomen, dat een voertuig van een helling naar beneden rijdt. Elk motorrijtuig met een toegestaan maximum gewicht van meer dan 350 kg. (7700 lbs.) moet, wanneer het zich beweegt door een bergachtige streek van een land, waar de nationale wetgeving zulks voorschrijft, een inrichting met zich voeren in de vorm van een wig of stootblok, waarmede voorkomen kan worden, dat het motorrijtuig achterwaarts of naar voren wegrijdt. j Algemene bepalingen. 1. Voorzover mogelijk mag het voortbewegings-werktuig met toebehoren van een motorrijtuig noch gevaar voor brand of ontploffing medebrengen noch schadelijke gassen of hinderlijke reuk of geluiden voortbrengen noch gevaar veroorzaken ingeval van een aanrijding. 2. Elk motorrijtuig is zo ingericht, dat de bestuurder voldoende uitzicht heeft naar voren, naar links en naar rechts, om veilig te kunnen rijden. 3. De bepalingen betreffende remmen en verlichting zijn niet van toepassing op invalidewagens, welke voldoen aan de nationale voorschriften omtrent remmen, verlichting en reflectoren van het land, waar zij zijn ingeschreven. Voor deze bepaling wordt onder „invalidewagen” verstaan een motorrijtuig met een ledig gewicht van niet meer dan 300 kg. (700 lbs.) en een snelheid van niet meer dan 30 km. (19 mijl) per uur, dat speciaal ontworpen en gebouwd (niet enkel geschikt gemaakt) is voor gebruik door een persoon, die aan een lichamelijk gebrek lijdt en dat gewoonlijk door zulk een persoon wordt gebruikt.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Er zijn nog geen uitspraken aan dit artikel gekoppeld.

Zoek op deze artikelverwijzing

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.