Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering

Huidige tekst

Artikel 11 Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering

Geldt sinds 27 juni 1959

De rechterlijke autoriteit, tot welke de rogatoire commissie is gericht, is verplicht die uit te voeren en daarbij dezelfde dwangmiddelen te bezigen als voor de uitvoering ener rogatoire commissie van de autoriteiten van de aangezochte Staat of van een daartoe door een belanghebbende partij gedaan verzoek. Deze dwangmiddelen behoeven niet noodzakelijk aangewend te worden, wanneer het betreft de verschijning van de partijen in geding. De verzoekende autoriteit wordt, op haar verlangen, verwittigd van de dag en de plaats waar de gevraagde handeling zal worden verricht, opdat de belanghebbende partij in staat zij daarbij tegenwoordig te zijn. De uitvoering der rogatoire commissie kan slechts worden geweigerd: 1. indien de authenticiteit van het stuk niet vaststaat; 2. indien in de aangezochte Staat het uitvoeren der rogatoire commissie niet behoort tot de bevoegdheden der rechterlijke macht; 3. indien de Staat, op wiens grondgebied de uitvoering zou moeten plaats hebben, oordeelt, dat deze op zijn souvereiniteit of op zijn veiligheid inbreuk zou kunnen maken.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Er zijn nog geen uitspraken aan dit artikel gekoppeld.

Zoek op deze artikelverwijzing

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.