Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994

Ur AWR

Huidige tekst

Artikel 23 Ur AWR

Geldt sinds 28 januari 2014

  1. 1

    De inspecteur legt een voorlopige aanslag op, indien het bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld, na verrekening van voorheffingen en reeds opgelegde voorlopige aanslagen, zulks naar zijn mening rechtvaardigt.

  2. 2

    De bepaling van het bedrag van een voorlopige aanslag is een schatting. Voor de inkomstenbelasting kan deze schatting worden gedaan op grond van de gegevens die hebben gediend ter vaststelling van de meest recente belastingaanslag over het meest recente belastingjaar. Voor de vennootschapsbelasting kan deze schatting worden gedaan op grond van het gemiddelde van de gegevens die hebben gediend ter vaststelling van de meest recente belastingaanslagen over de twee meest recente belastingjaren. De inspecteur houdt zo veel mogelijk rekening met wijzigingen in de wettelijke bepalingen betreffende de heffing van belasting en met andere wijzigingen die voor de heffing van belasting van belang kunnen zijn. Indien: a.een wijziging als bedoeld in de vierde volzin niet, niet tijdig, niet juist of niet volledig in de automatisering is of kan worden doorgevoerd waardoor hiermee bij de vaststelling van de voorlopige aanslag geen of niet op de juiste wijze rekening is gehouden; en b.het bedrag van de voorlopige aanslag niet aanmerkelijk afwijkt van het bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld, na verrekening van voorheffingen en reeds opgelegde voorlopige aanslagen; kan de inspecteur afzien van het aanvullen van de voorlopige aanslag, ook op een daartoe strekkend verzoek van de belastingplichtige. In dat geval wordt met de wijzigingen uiterlijk bij het vaststellen van de aanslag rekening gehouden.

  3. 3

    De voorlopige aanslag van een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, wordt, over het jaar waarin het voegingstijdstip valt, alsmede die over het daaropvolgende jaar, vastgesteld alsof de moedermaatschappij en de dochtermaatschappij gedurende de twee voorafgaande jaren reeds verenigd waren.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2020:534Parket bij de Hoge Raad, 27 mei 2020 (belastingrecht)

    In geschil is of het Hof het herzieningsverzoek van de Inspecteur heeft mogen toewijzen en of het Hof vervolgens met juistheid heeft geoordeeld dat de Inspecteur terecht de informatiebeschikking…

  • ECLI:NL:PHR:2011:BP3011Parket bij de Hoge Raad, 25 november 2011 (belastingrecht)

    Beslissing overeenkomstig HR 28 oktober 2011, nr. 10/02166, LJN BP3068.

  • ECLI:NL:PHR:2011:BP3053Parket bij de Hoge Raad, 25 november 2011 (belastingrecht)

    Beslissing overeenkomstig HR 28 oktober 2011, nr. 10/02166, LJN BP3068. Art. 7:1a Awb. Prorogatie toegestaan uit overwegingen van proceseconomie hoewel niet aan alle [wettelijke] voorwaarden is…

  • ECLI:NL:PHR:2011:BP3082Parket bij de Hoge Raad, 11 november 2011 (belastingrecht)

    Art. 13, 30j en 65 AWR. Art. 3:4, 6:2, letter b, en 6:12, lid 1 (tekst tot 1 oktober 2009) Awb. Vergoeding van heffingsrente wegens handelen in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Zelfde…

  • ECLI:NL:RBZWB:2025:2927Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14 mei 2025 (belastingrecht)

    Vergoeding van belastingrente inzake aanslag IB/PVV.

  • ECLI:NL:GHDHA:2025:152Gerechtshof Den Haag, 15 januari 2025 (belastingrecht)

    Artikelen 6:5 en 6:6 Awb; bezwaren tegen de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2017, 2018 en 2019 en bezwaren tegen de voorlopige aanslagen IB/PVV voor de jaren 2020, 2021 en 2022 terecht…

  • ECLI:NL:RBDHA:2023:10430Rechtbank Den Haag, 7 juli 2023 (belastingrecht)

    De beroepen zien op de voor de jaren 2017, 2018 en 2019 opgelegde aanslagen IB/PVV en de voor de jaren 2020, 2021 en 2022 opgelegde voorlopige aanslagen IB/PVV. De rechtbank is van oordeel dat…

  • ECLI:NL:GHARL:2019:10477Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 december 2019 (belastingrecht)

    VPB. Het in rekening brengen van belastingrente dient te worden beperkt tot de periode waarin de Belastingdienst niet over het geld heeft beschikt.

43 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.