Regeling uitkeringen niet-pensioengerechtigden van land- en zeemacht 1948, Stb. I 543

Huidige tekst

Artikel 5 Regeling uitkeringen niet-pensioengerechtigden van land- en zeemacht 1948, Stb. I 543

Geldt sinds 27 juli 1974

  1. 1

    De uitkering, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a, b, c, of d, bedraagt: 1°. voor een weduwe, bedoeld onder a of b van het eerste lid van dat artikel, vierhonderd procent van het pensioen, dat zij zou hebben ontvangen, indien zij aan een der Weduwenwetten voor de land- en zeemacht 1909 aanspraak op pensioen had kunnen ontlenen; 2°. voor een weduwe, bedoeld onder c of d van het eerste lid van dat artikel, driehonderd vijftig procent van het pensioen, dat zij zou hebben ontvangen, indien zij aan de Weduwenwet voor de Rijkswerklieden 1914 aanspraak op pensioen had kunnen ontlenen; een en ander zonder de verhoging, bedoeld in de wet van 29 Mei 1920 ( Staatsblad no. 283).

  2. 2

    De uitkering, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder e, bedraagt vijf zevende gedeelten van de uitkering, welke aan de overledene krachtens dit besluit is of had kunnen worden toegekend.

  3. 3

    De uitkering bedoeld in de vorige leden gaat, zonder toepassing van artikel 6 c, niet te boven een bedrag van een duizend vierhonderd gulden per jaar, indien het betreft een weduwe van een officier of een gewezen officier, en een bedrag van duizend gulden per jaar, indien het betreft een andere weduwe.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Er zijn nog geen uitspraken aan dit artikel gekoppeld.

Zoek op deze artikelverwijzing

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.