Huidige tekst
Artikel 1 Regeling uitkeringen niet-pensioengerechtigden van land- en zeemacht 1948, Stb. I 543
Een vrijwillig dienend militair van land- of zeemacht, die met ingang van een datum vóór 1 Juli 1925 uit de militaire dienst is ontslagen en op de datum van zijn ontslag een werkelijke dienst in de zin der Pensioenwetten voor de land- en zeemacht 1922 kon doen gelden van ten minste: a.tien jaren, voor zover hij vóór 1 Januari 1954 de leeftijd van zestig jaren had bereikt, b.zeven jaren, voor zover hij op of na 1 Januari 1954 de onder a genoemde leeftijd heeft bereikt, c.vijf jaren, heeft, behoudens het bepaalde in artikel 7, recht op een uitkering, mits: 1°. hij niet is ontslagen onder omstandigheden, bedoeld in het eerste en tweede lid van artikel 4 dezer wetten; 2°. hij niet is of wordt herplaatst in een betrekking, welke uitzicht geeft op pensioen krachtens een der genoemde wetten, de Pensioenwet 1922 ( Stb. 240), de Pensioenwet voor de Spoorwegambtenaren 1925 ( Stb. 194), de Algemene burgerlijke pensioenwet of de Spoorwegpensioenwet.