Overeenkomst nopens de meting van binnenvaartuigen

Huidige tekst

Artikel 4 Overeenkomst nopens de meting van binnenvaartuigen

Geldt sinds 14 augustus 1979

  1. 1

    Voor de meting van een vaartuig worden de maten aan het vaartuig zelf gemeten. Het te meten deel van het vaartuig is het deel dat begrepen is tussen het vlak van de grootste diepgang, tot welke het vaartuig zal kunnen varen, en hetzij het vlak van inzinking van het ledige vaartuig, bepaald volgens paragraaf 1 van artikel 7 van deze Bijlage, hetzij het horizontale vlak, gaande door het laagste punt van de romp van het vaartuig.

  2. 2

    De lengte en breedte worden in centimeters uitgevoerd, de hoogte in millimeters.

  3. 3

    Het te meten deel van het vaartuig wordt door horizontale vlakken of door vlakken, gaande door een rechte lijn die de snijlijn van de vlakken, bedoeld in paragraaf 1 van dit artikel, vormt, verdeeld in schijven. De dikte van de schijven moet, in verband met de vorm van de romp, op zodanige wijze worden gekozen, dat voldoende nauwkeurigheid bij de berekening van het volume is gewaarborgd; de afstand tussen de horizontale vlakken of de gemiddelde dikte van de schijven tussen de elkaar snijdende vlakken moet, voor de berekening van het volume in de gevormde delen, constant zijn en in de regel 10 cm.

  4. 4

    Men verkrijgt de inhoud van een schijf, begrensd door horizontale vlakken, door de halve som van de oppervlakken van het boven- en het ondervlak met de dikte te vermenigvuldigen. De inhoud van een schijf, begrensd door elkaar snijdende vlakken, wordt op dezelfde wijze verkregen, waarbij als gemiddelde dikte de lengte van de verticale lijn tussen het boven- en ondervlak, gaande door het zwaartepunt van het middenvlak van de schijf, wordt genomen; ter vereenvoudiging kan men echter voor al de schijven de lengte nemen van de verticale lijn die gaat door een gemiddeld zwaartepunt.

  5. 5

    Voor het berekenen van het oppervlak van ieder vlak verdeelt men het oppervlak in delen van dezelfde lengte door ordinaten loodrecht op de lengteas van het vaartuig; in het middengedeelte, dat in het algemeen duidelijk rechthoekig is, evenals in elk der uiteinden voor en achter, is het aantal vakken tenminste vier; daarenboven wordt het oppervlak van de uitstekende einden vóór en achter, indien nodig, afzonderlijk berekend.

  6. 6

    Bij de berekening van de oppervlakken die door gebogen lijnen worden begrensd, gebruikt men de regel van Simpson; voor de uitstekende einden in voor- en achterschip kan men echter de gebogen lijnen gelijkstellen met bekende krommen als ellips, parabool en dergelijke.

  7. 7

    In het geval waarin het verloop van de oppervlakken voldoende regelmatig is, kan men zich beperken tot het berekenen van een aantal oppervlakken, voldoende om de kromme van verschillen van de oppervlakken van de doorsneden, of van zekere delen van deze doorsneden, in samenhang met hun hoogteligging te ontwerpen en de andere oppervlakken daarvan afleiden.

  8. 8

    Het quotiënt, verkregen door de inhoud van een schijf te delen door haar gemiddelde dikte, uitgedrukt in centimeters, wordt geacht de verplaatsing van het vaartuig te zijn voor iedere centimeter inzinking over de hoogte van deze schijf.

  9. 9

    Voor de schepen waarvan de bestemming zodanig is, dat men voor het bepalen van de lading in geen geval zal afgaan op gegevens bij verschillende diepgang, kan men, op uitdrukkelijk verzoek van de aanvrager van de meting, het invullen van de tabellen van rubriek 33 in de meetbrief achterwege laten.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Er zijn nog geen uitspraken aan dit artikel gekoppeld.

Zoek op deze artikelverwijzing

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.