Kernenergiewet

KEW

Huidige tekst

Artikel 21 KEW

Geldt sinds 1 januari 2024

  1. 1

    Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter bescherming van de bij of krachtens artikel 15b aangewezen belangen regels worden gesteld met betrekking tot daartoe bij de maatregel aangewezen categorieën van splijtstoffen, ertsen, inrichtingen of uitrustingen dan wel onderdelen van inrichtingen of uitrustingen. Bij de maatregel kan worden bepaald dat daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen.

  2. 2

    Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de bij artikel 15 gestelde verboden in daarbij aangewezen categorieën van gevallen niet gelden met betrekking tot splijtstoffen, ertsen, inrichtingen of uitrustingen, behorende tot een bij die maatregel aangewezen categorie.

  3. 3

    Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de buitengebruikstelling en ontmanteling van bij of krachtens die maatregel aangewezen categorieën van inrichtingen als bedoeld in artikel 15, onder b. Bij of krachtens de maatregel kan worden bepaald dat daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen.

  4. 4

    Ten aanzien van bij de regels te stellen voorschriften zijn de bij of krachtens artikel 5.34, eerste en tweede lid, van de Omgevingswet gestelde regels over activiteiten als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, van die wet, alsmede artikel 13.5, eerste tot en met vijfde lid, van die wet van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat bij toepassing van het tweede lid het stellen van financiële zekerheid slechts kan worden voorgeschreven in de vorm van het sluiten van een verzekering tegen aansprakelijkheid voor schade, voortvloeiend uit de nadelige gevolgen voor de bij of krachtens artikel 15b aangewezen belangen, die de inrichting veroorzaakt.

  5. 5

    Indien bij een maatregel krachtens het eerste lid tevens toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, kan de verplichting worden opgelegd tot het melden van de handelingen ten aanzien waarvan de bij artikel 15 gestelde verboden niet gelden.

  6. 6

    De artikelen 4.4, eerste lid, 4.5 en 4.22, tweede lid, van de Omgevingswet zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder "Onze Minister" wordt verstaan: Onze Ministers van Infrastructuur en Milieu en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tezamen.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:RVS:2008:BD0363Raad van State, 23 april 2008 (bestuursrecht)

    Bij besluit van 28 maart 2007 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) het verzoek van de stichting Stichting Greenpeace Nederland (hierna…

  • ECLI:NL:RVS:2006:AW1253Raad van State, 5 april 2006 (bestuursrecht)

    Bij brief van 2 maart 2006 heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een besluit op haar aanvraag om toepassing van bestuurlijke handhavingsmaatregelen vanwege overtreding van…

  • ECLI:NL:RVS:2005:AU0399Raad van State, 3 augustus 2005 (bestuursrecht)

    Bij besluit van 22 september 2004, kenmerk SAS/2004084087, hebben verweerders krachtens artikel 15, aanhef en onder b, van de Kernenergiewet aan appellante sub 2 vergunning verleend voor het…

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.