Europees Verdrag betreffende uitlevering

Huidige tekst

Artikel 2 Europees Verdrag betreffende uitlevering

Geldt sinds 12 april 1982

Feiten die tot uitlevering kunnen leiden 1 Tot uitlevering zullen kunnen leiden feiten die krachtens de wetten van de verzoekende Partij en van de aangezochte Partij strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of met een maatregel welke vrijheidsbeneming medebrengt, met een maximum van ten minste een jaar of met een zwaardere straf. Wanneer er binnen het gebied van de verzoekende Partij een straf of een maatregel is opgelegd moet die straf of die maatregel ten minste de duur van vier maanden hebben. 2 Indien het verzoek om uitlevering betrekking heeft op verscheidene, afzonderlijke feiten die alle krachtens de wet van de verzoekende en van de aangezochte Partij strafbaar zijn gesteld met vrijheidsstraf of met een maatregel welke vrijheidsbeneming medebrengt, maar waarvan sommige niet voldoen aan de voorwaarde met betrekking tot de hoogte van de straf, is de aangezochte Partij bevoegd de uitlevering eveneens voor deze laatste feiten toe te staan. Deze bevoegdheid geldt ook met betrekking tot feiten die slechts met geldstraffen worden bedreigd. 3 Iedere Verdragsluitende Partij wier wetgeving de uitlevering voor bepaalde in het eerste lid van dit artikel bedoelde strafbare feiten niet toestaat, kan -- voor zover het haar betreft -- deze strafbare feiten van de werking van dit Verdrag uitsluiten. 4 Iedere Verdragsluitende Partij die van de mogelijkheid, voorzien in het derde lid van dit artikel, gebruik wil maken, doet bij de nederlegging van haar akte van bekrachtiging of toetreding aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa een lijst van de strafbare feiten waarvoor uitlevering wordt toegestaan of een lijst van de strafbare feiten waarvoor uitlevering niet wordt toegestaan, toekomen, een en ander met vermelding van de wettelijke voorschriften die uitlevering toestaan dan wel uitsluiten. De Secretaris-Generaal van de Raad doet deze lijsten aan de andere ondertekenende regeringen toekomen. 5 Indien later andere strafbare feiten door de wetgeving van een Verdragsluitende Partij van uitlevering worden uitgesloten, geeft die Partij hiervan kennis aan de Secretaris-Generaal van de Raad, die de andere ondertekenende regeringen ter zake inlicht. Deze kennisgeving heeft eerst gevolg na afloop van een termijn van drie maanden, te rekenen van de datum van ontvangst door de Secretaris-Generaal. 6 Iedere Partij die van de in de beide voorgaande leden voorziene mogelijkheid gebruik heeft gemaakt, kan te allen tijde strafbare feiten die van de werking van dit Verdrag waren uitgesloten, daaraan onderwerpen. Zij brengt deze wijzigingen ter kennis van de Secretaris-Generaal van de Raad, die deze aan de andere ondertekenende regeringen mededeelt. 7 Iedere Partij kan het beginsel van wederkerigheid toepassen met betrekking tot strafbare feiten die krachtens dit artikel van de werking van dit Verdrag zijn uitgesloten.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Eerst de Hoge Raad, daarna de nieuwste uitspraken die naar dit artikel verwijzen.

  • ECLI:NL:PHR:2008:BC9965Parket bij de Hoge Raad, 22 april 2008 (strafrecht)

    Uitlevering. HR ambtshalve: De bestreden uitspraak houdt in strijd met art. 28.3 Uw niet een genoegzame vermelding in van de feiten waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan. N.a.v. een door de…

  • ECLI:NL:PHR:2004:AR2448Parket bij de Hoge Raad, 2 november 2004 (strafrecht)

    OM-cassatie tegen afwijzing vordering verlof ex art. 552p.2 Sv. Rechtshulp inhoudende toepassing van dwangmiddelen en tijdstip van strafbaarheid van de feiten in Nederland. Voor de beantwoording van…

  • ECLI:NL:HR:2003:AL3336Hoge Raad, 14 oktober 2003 (strafrecht)

    1. Eisen aan cassatiemiddel in uitleveringszaak. 2. Verhouding EUV en BUV in verband met Nederlands voorbehoud.

  • ECLI:NL:PHR:2003:AL3336Parket bij de Hoge Raad, 14 oktober 2003 (strafrecht)

    1. Eisen aan cassatiemiddel in uitleveringszaak. 2. Verhouding EUV en BUV in verband met Nederlands voorbehoud.

  • ECLI:NL:RBAMS:2026:9327Rechtbank Amsterdam, 17 september 2026 (europees strafrecht)

    Uitleveringszaak Servië. Veroordeling bij verstek: artikel 3 van het Tweede Aanvullend Protocol bij het EUV en artikel 5, derde lid, UW staan niet aan uitlevering in de weg. Uitlevering toelaatbaar.

  • ECLI:NL:RBAMS:2026:9099Rechtbank Amsterdam, 10 september 2026 (internationaal strafrecht)

    Uitleveringsverzoek uit Turkije. Uitlevering deels toelaatbaar verklaard en deels ontoelaatbaar verklaard wegens verjaring.

  • ECLI:NL:RBAMS:2026:6350Rechtbank Amsterdam, 18 juni 2026 (europees strafrecht)

    Executie uitlevering Montenegro; uitlevering toelaatbaar.

  • ECLI:NL:RBAMS:2025:1985Rechtbank Amsterdam, 26 maart 2025 (internationaal strafrecht)

    Uitleveringszaak ter vervolging uit Turkije toelaatbaar. Genoegzaamheidsverweer verworpen: feiten genoegzaam omscheven en elektronisch ondertekende authentieke akte.

69 uitspraken verwijzen naar dit artikel.

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.