Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen

BJJI

Huidige tekst

Artikel 42 BJJI

Geldt sinds 1 januari 2021

  1. 1

    Artikel 41, derde en vierde lid, is niet van toepassing op brieven door de jeugdige gericht aan of afkomstig van: a.leden van het Koninklijk Huis; b.de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal, leden daarvan, de Nederlandse leden van het Europese Parlement of een commissie uit een van beide parlementen; c.Onze Minister; d.justitiële autoriteiten; e.de Nationale ombudsman; f.de inspecteurs van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd; g.de Raad, een commissie daaruit of leden of buitengewone leden daarvan; h.de commissie van toezicht, een beklagcommissie, of leden daarvan; i.organen, of leden daarvan, die krachtens een wettelijk voorschrift of een in Nederland geldend verdrag: 1°. bevoegd zijn tot kennisneming van klachten of behandeling van met een klacht aangevangen zaken; dan wel 2°. zijn belast met het houden van toezicht op justitiële jeugdinrichtingen; j.diens rechtsbijstandverlener; k.diens reclasseringsmedewerker of medewerkers van de gecertificeerde instelling; l.diens ouders of voogd, stiefouder of pleegouders, behoudens ingeval zwaarwegende belangen van de jeugdige zich daartegen verzetten; m.andere door Onze Minister of de directeur aan te wijzen personen of instanties.

  2. 2

    Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de wijze van verzending van brieven aan en door de in het eerste lid genoemde personen en instanties.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Er zijn nog geen uitspraken aan dit artikel gekoppeld.

Zoek op deze artikelverwijzing

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.