Uitspraak · Bestuursrecht
Raad van State, 28 oktober 2026
ECLI:NL:RVS:2026:6328Zaaknummer 202505652/1/A3
- Instantie
- Raad van State
- Datum uitspraak
- 28 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 202505652/1/A3
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 30 november 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Veldhoven het verzoek van [appellant] om verstrekking van documenten op grond van artikel 5.5 van de Wet open overheid (Woo) gedeeltelijk ingewilligd. Tijdens de raadsvergadering van 8 februari 2022 heeft wethouder V. van Wieren - Kraayvanger een verklaring namens het zogenoemde wethouderscollectief naar buiten gebracht over uitspraken die [appellant] gedaan zou hebben. Deze uitspraken zijn volgens het wethouderscollectief door [appellant] in de periode tussen maart 2018 en 8 februari 2022 gedaan. Op 18 september 2023 heeft [appellant] op grond van artikel 42 van het Reglement van Orde hierover schriftelijke vragen aan het college gesteld. Het college heeft haar bij brief van 17 oktober 2023 laten weten niet inhoudelijk op haar brief te reageren. [appellant] heeft daarna, op 27 oktober 2023, een Woo-verzoek ingediend bij het college waarbij zij heeft verzocht om kopieën van de volgende documenten:
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. bevestigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 8 mei 2025 in zaak nr. 24/2293;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 24 september 2025 in zaak nr. 24/2293, voor zover de rechtbank het college van burgemeester en wethouders van Veldhoven heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 1.814,00;
IV. bevestigt deze uitspraak voor het overige;
V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Veldhoven tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 4.280,25, waarvan
- € 4.203,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
- € 77,25 is toe te rekenen aan reiskosten;
VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Veldhoven aan [appellant] het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 289,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.D. Westerbaan, griffier.
w.g. Van Ravels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Westerbaan
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026
1050
Volledige tekst
202505652/1/A3.
Datum uitspraak: 28 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Veldhoven,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 24 september 2025 in zaak nr. 24/2293 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Veldhoven.
Procesverloop
Bij besluit van 30 november 2023 heeft het college het verzoek van [appellant] om verstrekking van documenten op grond van artikel 5.5 van de Wet open overheid (Woo) gedeeltelijk ingewilligd.
Bij besluit van 11 april 2024 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij tussenuitspraak van 8 mei 2025 (tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld een in die uitspraak geconstateerd gebrek aan het besluit van 11 april 2024 te herstellen.
Bij brief van 19 juni 2025 heeft het college de motivering van dat besluit aangevuld.
Bij uitspraak van 24 september 2025 (einduitspraak) heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 11 april 2024 vernietigd. Verder heeft de rechtbank bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven.
Tegen deze uitspraken heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Het college heeft stukken ingediend en verzocht om geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 8:29, zesde lid, van de Awb is van rechtswege toestemming verleend om mede op grondslag van de vertrouwelijke stukken uitspraak te doen. De Afdeling heeft kennisgenomen van de stukken.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 7 oktober 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. drs. A.C.M. Brom, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.R.P. Bastiaans, advocaat in Maastricht-Airport, en door [gemachtigde], zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Tijdens de raadsvergadering van 8 februari 2022 heeft [wethouder] een verklaring namens het zogenoemde wethouderscollectief naar buiten gebracht over uitspraken die [appellant] gedaan zou hebben. Deze uitspraken zijn volgens het wethouderscollectief door [appellant] in de periode tussen maart 2018 en 8 februari 2022 gedaan. Op 18 september 2023 heeft [appellant] op grond van artikel 42 van het Reglement van Orde hierover schriftelijke vragen aan het college gesteld. Het college heeft haar bij brief van 17 oktober 2023 laten weten niet inhoudelijk op haar brief te reageren. [appellant] heeft daarna, op 27 oktober 2023, een Woo-verzoek ingediend bij het college waarbij zij heeft verzocht om kopieën van de volgende documenten:
1. "De verspreidde beschadigde informatie via social media alsmede de persberichten;
2. De ongefundeerde beschuldigen naar- en de imagoschade aan collega’s; en
3. Het overzicht van de data van de vele gesprekken die volgens het wethouderscollectief met raadslid [appellant] gehouden zouden zijn alsmede het overzicht met bijbehorende locaties alsmede het overzicht van de aanwezige participanten aan dit gesprek."
2. Bij besluit van 30 november 2023 heeft het college vijf documenten openbaar gemaakt, met uitzondering van persoonsgegevens op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo. Over de onder 1 en 2 van haar verzoek genoemde documenten heeft het college zich op het standpunt gesteld dat dit al openbare informatie betreft, zodat de Woo daarop niet van toepassing is. Bij besluit van 11 april 2024 is het college bij dit besluit gebleven. Verder heeft het college zich op het standpunt gesteld dat [appellant] haar Woo-verzoek in haar bezwaarschrift heeft uitgebreid en dat deze uitbreiding niet in behandeling wordt genomen.
3. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat [appellant] het Woo-verzoek in bezwaar heeft uitgebreid en dat het college deze uitbreiding in haar besluitvorming buiten beschouwing kon laten. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de gevraagde informatie genoemd onder 1 en 2 van haar verzoek gaat over openbaar toegankelijke informatie die niet is opgemaakt of ontvangen door het college en daarom niet valt onder de reikwijdte van de Woo. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het college, door het enkel verwijzen naar vaste rechtspraak, onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat het belang bij het niet bekend maken van de informatie over de betrokken ambtenaren in dit geval zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat het college voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe naar de documenten is gezocht en dat de door het college gevoerde zoekslag volledig is geweest. De rechtbank stelt het college in de gelegenheid om alsnog te motiveren welke gegevens beschermd moeten worden en per document te motiveren waarom in dat document de gegevens niet openbaar gemaakt kunnen worden.
4. Bij brief van 19 juni 2025 heeft het college de motivering van het besluit van 11 april 2024 aangevuld. De rechtbank heeft in de einduitspraak geoordeeld dat het college met de aanvullende motivering afdoende heeft gemotiveerd waarom de zwartgelakte persoonsgegevens niet openbaar gemaakt mogen worden. Daarmee heeft het college volgens de rechtbank voldaan aan de opdracht en het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek hersteld.
Hoger beroep
5. [appellant] is het niet eens met de tussenuitspraak en de einduitspraak. Zij heeft haar standpunt uitgebreid uiteengezet. De kern van haar betoog gaat over vijf, door haar als volgt aangeduide onderwerpen: 1) precisering van het verzoek in bezwaar, 2) de reikwijdte van de Woo, 3) meer stukken, 4) de rechtbank heeft ten onrechte haar zienswijze niet bij de beoordeling betrokken en 5) het ten onrechte inroepen van de weigeringsgrond van artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo
Het verzoek
6. [appellant] betoogt dat de rechtbank in de tussenuitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat zij het Woo-verzoek in haar bezwaarschrift heeft uitgebreid en dat het college deze uitbreiding bij haar besluitvorming buiten beschouwing kon laten. Zij voert hiertoe aan dat het voor het college zonder meer duidelijk was waarom dit Woo-verzoek was ingediend en waarop dit Woo-verzoek zag. Aan het Woo-verzoek ging namelijk een brief van 18 september 2023 vooraf, waarin zij expliciet om informatie heeft verzocht. Het college heeft bij brief van 17 oktober 2023 aangegeven de opgevraagde informatie niet te verstrekken. Het Woo-verzoek heeft zij ingediend als een direct gevolg hiervan. Voor zover zij haar verzoek niet geheel concreet heeft verwoord, was het college gehouden om een nadere verduidelijking te vragen. Dat heeft het college nagelaten. Daarom heeft zij in bezwaar slechts de opgevraagde documenten verduidelijkt, aldus [appellant].
6.1. De Afdeling stelt vast dat [appellant] in haar bezwaarschrift onder meer heeft verzocht om "documenten die een onderbouwing geven van het gestelde patroon", "onderzoeksverslagen waaruit zou blijken dat de aanklachten en verspreide informatie ongegrond zouden zijn", "onderbouwingen waaruit zou blijken dat de door haar geuite beschuldigingen daadwerkelijk ongefundeerd zijn" en "een kostenoverzicht alsmede de bijbehorende kopieën van de facturen van de inhuur van advocaten en mediators". De Afdeling is, evenals de rechtbank, van oordeel dat deze door [appellant] in het bezwaarschrift genoemde documenten niet aangemerkt kunnen worden als een specificering van het verzoek, zoals onder 1 weergegeven, maar wel als uitbreiding daarvan. Daarbij acht de Afdeling van belang dat het verzoek van 27 oktober 2023 zodanig concreet is dat voor het college geen aanleiding bestond om [appellant] te verzoeken haar verzoek te preciseren. Dat een briefcorrespondentie aan het Woo-verzoek voorafging, betekent niet dat het college de daarin aangeduide informatie bij de beoordeling van het Woo-verzoek had moeten betrekken.
6.2. Het betoog slaagt niet.
Reikwijdte Woo
7. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank in de tussenuitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat delen van haar verzoek gaan over openbaar toegankelijke informatie die niet is opgemaakt of ontvangen door het college en daarom niet onder de reikwijdte van de Woo valt. Zij voert daartoe aan dat de uitspraken uit het wethouderscollectief gebaseerd moeten zijn op bewijsmateriaal. Daarom moeten er, volgens haar, printscreens zijn gemaakt, dan wel moet de informatie op andere wijze zijn opgeslagen. Op de zitting bij de Afdeling heeft [appellant] nog aangevoerd dat het college dit in ieder geval in het kader van de zorgvuldigheidsplicht gedaan zou moeten hebben. De rechtbank heeft daarom miskend dat sprake is van het moeten vervaardigen van gegevens die niet in bestaande documenten zijn neergelegd. Daarbij heeft het college ook al geweigerd om deze documenten openbaar te maken toen ze daarom verzocht in haar brief van 18 september 2023.
7.1. Artikel 2.1 van de Woo definieert publieke informatie als informatie dat is neergelegd in documenten die berusten bij een orgaan, persoon of college als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van die wet. De verzoeken om "de verspreidde beschadigde informatie via social media alsmede de persberichten" en "de ongefundeerde beschuldigen naar- en de imagoschade aan collega’s" hebben betrekking op openbaar toegankelijke informatie die niet is opgemaakt of ontvangen door het college. Op de zitting bij de Afdeling heeft het college toegelicht dat de wethouders slechts hebben kennisgenomen van berichten op de sociale media van [appellant]. Hiervan hebben zij geen printscreens gemaakt. Deze informatie valt daarom niet onder de reikwijdte van de Woo. Het college was dan ook niet gehouden verwijzingen naar deze documenten op te nemen. Dat het college, of individuele wethouders, kennis hebben genomen van deze informatie, betekent niet dat deze informatie daarmee is neergelegd in een door een bestuursorgaan opgemaakt of ontvangen schriftelijk stuk. De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat er geen verplichting bestaat om gegevens, zoals printscreens of verwijzingen naar sociale mediaberichten, te vervaardigen die niet in bestaande documenten zijn neergelegd. De vraag of het college dit wel had moeten doen, is niet relevant in deze procedure. Verder is wat [appellant] heeft aangevoerd over de wijze van beantwoording van de vragen die [appellant] op grond van artikel 42 van het Reglement van Orde aan het college heeft gesteld, niet relevant voor het beoordelingskader van de Woo. De rechtbank heeft in gelijke zin geoordeeld.
7.2. Het betoog slaagt niet.
Meer stukken
8. [appellant] betoogt dat de rechtbank in de tussenuitspraak ook ten onrechte heeft geoordeeld dat de door het college uitgevoerde zoekslag volledig is geweest. Zij voert daartoe aan dat het college ten onrechte documenten heeft achtergehouden. Op de zitting bij de Afdeling heeft zij hierover aangevoerd dat er Whatsapp-berichten verstuurd moeten zijn om de bedoelde berichten op sociale media onder de aandacht van de wethouders te brengen. [appellant] verwijst verder naar een e-mail van 14 juli 2021 met een uitnodiging voor een gesprek voorafgaand aan de bespreking op 16 juli 2021 "over het gedrag van een raadslid". Deze bespreking is geannuleerd, maar als een bespreking wordt geannuleerd, dan moet dit aan de andere betrokkenen zijn meegedeeld met reden van annulering. Op de zitting bij de Afdeling heeft zij hierover nog aangevoerd dat annuleringen van de burgemeester bijgehouden moeten worden, omdat wat een burgemeester doet niet geheim mag zijn. Verder moet de tekst van het wethouderscollectief vooraf intern zijn afgestemd, maar documenten die tot de totstandkoming van de verklaring van het wethouderscollectief hebben geleid, ontbreken, aldus [appellant].
8.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer bij hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch bij dat bestuursorgaan berust. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1272, onder 8.1.
8.2. Daargelaten of het college over documenten, die tot de totstandkoming van de verklaring van het wethouderscollectief hebben geleid, beschikt, blijkt uit de tekst van het Woo-verzoek niet dat documenten over de totstandkoming van de verklaring van het wethouderscollectief onder het verzoek vallen. Het college heeft verder op de zitting bij de Afdeling toegelicht dat in mailboxen van de wethouders is gezocht naar stukken die binnen de reikwijdte van het verzoek vallen, en dat dit onderzoek ook betrekking had op de verwijderde mailboxen van de vertrokken wethouders. Met de enkele stelling dat er ook Whatsapp-berichten zouden moeten zijn, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat er meer documenten die binnen de reikwijdte van haar verzoek vallen bij het college berusten. Verder heeft [appellant], met de enkele stelling dat bij het annuleren van een afspraak van de burgemeester, dit altijd in zijn agenda wordt aangegeven met een reden erbij, ook niet aannemelijk gemaakt dat er meer documenten onder het college berusten. Bovendien valt een dergelijke annuleringsafspraak niet onder de reikwijdte van het Woo-verzoek. [appellant] heeft immers slechts verzocht om een overzicht van gesprekken die gehouden zouden zijn. Het gesprek van 16 juli 2021 heeft geen feitelijke doorgang gehad. [appellant] heeft ook geen aanknopingspunten gegeven waaruit zou blijken dat dit anders zou zijn. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat nog meer documenten waar het verzoek betrekking op heeft bij het college berusten.
8.3. Het betoog slaagt niet. De conclusie is dat de betogen niet tot vernietiging van de tussenuitspraak leiden.
Zienswijze
8.4. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank in de einduitspraak ten onrechte haar zienswijze over de aanvullende motivering uit de brief van 19 juni 2025 niet in haar beoordeling heeft meegenomen. Zij is daardoor in haar belangen geschaad, omdat de rechtbank de proceskostenveroordeling onjuist heeft vastgesteld. Op de zitting bij de Afdeling heeft zij toegelicht dat de rechtbank daarom nog 0,5 punt extra had moeten toekennen bij de berekening van de proceskosten.
8.5. Bij brief van 8 juli 2025 heeft de rechtbank [appellant] verzocht om binnen vier weken na datum van verzending een zienswijze op de aanvullende motivering uit de brief van 19 juni 2025 in te dienen. De Afdeling stelt vast dat [appellant] bij e-mail van 5 augustus 2025, en daarmee tijdig, een zienswijze heeft ingediend. De rechtbank heeft daarom ten onrechte de zienswijze van [appellant] niet in de beoordeling meegenomen. De Afdeling stelt echter vast dat de standpunten uit de zienswijze integraal onderdeel uitmaken van het hogerberoepschrift. De Afdeling zal hieronder die gronden alsnog beoordelen. Hoewel de rechtbank de zienswijze ten onrechte niet heeft meegenomen, verbindt de Afdeling hieraan daarom geen gevolgen.
8.6. De rechtbank heeft door het niet meenemen van de zienswijze de proceskostenveroordeling onjuist vastgesteld. Voor het indienen van een zienswijze had de rechtbank nog 0,5 punt extra moeten toekennen. De rechtbank had daarom de proceskostenveroordeling moeten baseren op in totaal 2,5 punten. De Afdeling zal dit alsnog doen, zodat de in beroep opgekomen proceskosten worden vastgesteld op een bedrag van in totaal €2.335,00 voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
8.7. Het betoog slaagt.
Artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo
9. Tot slot betoogt [appellant] dat de rechtbank in de einduitspraak ten onrechte heeft geoordeeld dat het college heeft voldaan aan de opdracht en het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek heeft hersteld. Zij voert daartoe aan dat bij alle documenten de naam bovenaan de Outlookafspraak is weggelakt, omdat deze persoon uit [persoon]de van zijn of haar functie niet in de openbaarheid zou treden. Dit is volgens [appellant] onjuist. Naar alle waarschijnlijkheid was deze persoon namelijk wel betrokken bij de overleggen.
9.1. Het college heeft ter uitvoering van de tussenuitspraak in de brief van 19 juni 2025 een aanvullende motivering gegeven en per document gemotiveerd dat de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen volgens haar zwaarder weegt dan het publieke belang bij openbaarmaking van hun persoonsgegevens voor eenieder. Het college legt uit dat het gaat om persoonsgegevens van medewerkers die niet vanwege hun functie in de openbaarheid treden en om persoonsgegevens van een externe adviseur.
9.2. Op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder e van de Woo blijft het openbaar maken van informatie achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
9.3. Over de weggelakte naam bovenaan alle documenten, heeft het college toegelicht dat die persoon is verzocht om de zoekslag te maken in de agenda en om de afspraken aan te leveren in een pdf, zodat deze afspraken openbaar gemaakt konden worden. Op het moment dat er van een afspraak in Outlook een pdf wordt gemaakt, wordt de naam van degene die dit uitvoert bovenaan het bericht geplaatst. Deze persoon is volgens het college ook niet aanwezig geweest bij de bijeenkomsten. Nu het hier gaat om een persoon die niet wegens zijn functie in de openbaarheid treedt, was het aan [appellant] om aannemelijk te maken dat het belang van de openbaarheid zwaarder weegt dan het belang van de persoonlijke levenssfeer van deze persoon. Daar is zij niet in geslaagd. Het college heeft openbaarmaking van deze naam dus terecht geweigerd.
Ten aanzien van document 1
9.4. [appellant] voert over document 1 aan dat een voornaam niet herleidbaar is tot een persoon. Op de zitting bij de Afdeling heeft zij hierover gesteld dat in het algemeen geldt dat met enkel een voornaam niet duidelijk is over wie het gaat. Daarvoor is tenminste ook een achternaam vereist. Daarnaast is het niet geloofwaardig dat de persoon van wie de naam is weggelakt geen deelnemer was aan het overleg. Verder is er volgens [appellant] geen enkel belang voor de betreffende personen om hun namen niet openbaar te maken, omdat medewerkers van de gemeente op LinkedIn zelf publiekelijk maken dat zij werken bij de gemeente Veldhoven.
9.5. Het college heeft in het besluit van 19 juni 2025 toegelicht dat intern is gesproken over het inplannen van een afspraak. De naam van degene met wie dat is overlegd, is zwartgelakt, omdat deze persoon niet uit [persoon]de van zijn functie in de openbaarheid treedt. Anders dan [appellant] heeft aangevoerd, betekent de enkele omstandigheid dat het gaat om een voornaam niet dat deze ambtenaar als vertegenwoordiger van de gemeente in de openbaarheid treedt. Voor zover [appellant] heeft aangevoerd dat een aantal namen al openbaar is, omdat deze namen te achterhalen zijn op LinkedIn, overweegt de Afdeling als volgt. Dat een aantal medewerkers hun namen en werkzaamheden in het openbaar op LinkedIn delen, betekent niet dat zij wegens hun functie in de openbaarheid treden. Deze informatie is op LinkedIn geplaatst door de medewerker zelf, als privépersoon, en niet namens of onder verantwoordelijkheid van het college. Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3253, onder 5.2. De vraag of iemand deelnemer was aan het overleg, is verder niet van belang bij artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo. Met wat [appellant] heeft aangevoerd, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat het belang van de openbaarheid zwaarder weegt dan het belang van de persoonlijke levenssfeer van deze personen. Het college heeft openbaarmaking van deze namen dus terecht geweigerd.
Ten aanzien van document 3
9.6. [appellant] voert over document 3 aan dat externe adviseurs, net als advocaten, door hun functie in de openbaarheid treden. Het wel of niet bijdragen aan een goede en democratische bestuursvoering is geen criterium om de naam van een externe adviseur niet openbaar te maken. Daarom kan bij een externe adviseur geen sprake zijn van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Verder is de naam van [persoon] van de Provincie Noord-Brabant openbaar gemaakt, terwijl het college ook aangeeft dat de afspraak met haar niet in de agenda is opgenomen in verband met de vertrouwelijkheid van deze afspraak. Omdat het college voor haar naam geen beroep doet op de weigeringsgrond, is sprake van willekeur en tegenstrijdigheden in het besluit, aldus [appellant].
9.7. Het standpunt van [appellant] over externe adviseurs, die - volgens haar - net als advocaten, in de openbaarheid treden, volgt de Afdeling niet. De Afdeling heeft eerder geoordeeld dat advocaten niet zonder meer vanuit hun functie in de openbaarheid treden (zie de uitspraak van de Afdeling van 10 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4322, onder 4.2). Het door [appellant] naar voren gebrachte argument leidt dus niet tot de conclusie dat externe adviseurs zonder meer vanuit hun functie in de openbaarheid treden. Ook overigens ziet de Afdeling onvoldoende grond voor het oordeel dat externe adviseurs in het algemeen, zonder meer wegens hun functie in de openbaarheid treden. [appellant] heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat het belang van de openbaarheid in dit geval zwaarder weegt dan het belang van de persoonlijke levenssfeer van de externe adviseur. Het college heeft openbaarmaking van deze naam dus terecht geweigerd. Wat betreft de naam van [persoon] van de Provincie Noord-Brabant heeft het college tijdens de hoorzitting in bezwaar op 14 maart 2024 al toegelicht dat haar naam per ongeluk niet is gelakt. Dat het college op dit punt een fout heeft gemaakt, betekent niet dat sprake is van willekeur of interne tegenstrijdigheden in de besluitvorming.
Ten aanzien van document 4
9.8. [appellant] voert over document 4 aan dat de zwartgelakte naam onder het kopje ‘verplichte deelnemers’ staat en dat daar normaal gesproken, zoals blijkt uit document 1, 3 en 5, de naam van de raadsgriffier staat. Vermoedelijk is dat hier ook het geval. De raadsgriffier treedt wel uit [persoon]de van zijn functie in de openbaarheid en dus heeft het college de naam ten onrechte gelakt.
9.9. De Afdeling stelt vast dat de zwartgelakte naam onder het kopje ‘verplichte deelnemers’ niet de naam van de raadsgriffier is. Het college heeft toegelicht dat de betreffende functie van deze persoon niet gericht is op extern functioneren. Het gaat hier dan ook niet om een persoon die wegens zijn functie in de openbaarheid treedt. [appellant] heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat het belang van de openbaarheid zwaarder weegt dan het belang van de persoonlijke levenssfeer van deze persoon. Het college heeft daarom openbaarmaking van deze naam terecht geweigerd.
Ten aanzien van document 2 en 5
9.10. [appellant] heeft over document 2 en document 5 aangevoerd dat deze documenten buiten de reikwijdte van het Woo-verzoek vallen. Wat zij daarover heeft aangevoerd, behoeft dan ook geen bespreking.
9.11. Het betoog slaagt niet. Gelet op al het voorgaande volgt de Afdeling het oordeel van de rechtbank dat het college juiste toepassing heeft gegeven aan artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo. De lakkingen betreffen namen van personen die niet wegens hun functie in de openbaarheid treden. De Afdeling ziet in wat [appellant] naar voren heeft gebracht geen aanleiding anders te oordelen.
Conclusie
10. Het hoger beroep is, gelet op wat hiervoor onder 8.6 is overwogen, gegrond. De Afdeling bevestigt de tussenuitspraak van de rechtbank. De Afdeling vernietigt de einduitspraak voor zover de rechtbank een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. De einduitspraak wordt voor het overige bevestigd.
11. Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. bevestigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 8 mei 2025 in zaak nr. 24/2293;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 24 september 2025 in zaak nr. 24/2293, voor zover de rechtbank het college van burgemeester en wethouders van Veldhoven heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 1.814,00;
IV. bevestigt deze uitspraak voor het overige;
V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Veldhoven tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 4.280,25, waarvan
- € 4.203,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
- € 77,25 is toe te rekenen aan reiskosten;
VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Veldhoven aan [appellant] het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 289,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.D. Westerbaan, griffier.
w.g. Van Ravels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Westerbaan
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2026
1050
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.