Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 6 oktober 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:9660Zaaknummer BRE 26/2971

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
6 oktober 2026
Publicatiedatum
23 oktober 2026
Zaaknummer
BRE 26/2971
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Verkeersbesluit aanwijzen parkeerplaatsen ten behoeve van opladen elektrische voertuigen. Motiveringsgebrek.

De rechtbank:

- draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;

- stelt het college in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- stelt eiser in de gelegenheid binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van V.J. Wuijten, griffier, op 6 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser] , uit [plaats] , eiser
  2. Procesverloop
  3. Beoordeling door de rechtbank
  4. Besluitvorming
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing
  7. Bent u het niet eens met deze uitspraak?

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 26/2971 T

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. drs. B.A.G. Bordes),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk (het college), verweerder.

Procesverloop

1. Bij besluit van 3 november 2025 (het primaire besluit) heeft het college zes parkeerplaatsen aangewezen voor het opladen van elektrische voertuigen binnen de gemeente Waalwijk.

1.1.

Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het besluit van 3 april 2026 op het bezwaar van eiser (bestreden besluit) is het college bij het besluit gebleven.

1.2.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.3.

De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door ing. [vertegenwoordiger college 1] en mr. [vertegenwoordiger college 2].

1.4.

Eiser heeft na de zitting nog een door hem ingevuld formulier proceskosten ingezonden. Omdat het onderzoek aan het einde van de zitting is gesloten, laat de rechtbank de inhoud van dit formulier buiten beschouwing.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten

2. De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten. Eiser woont aan [adres 1] in [plaats]. De gemeente [plaats] voert een faciliterend en stimulerend beleid voor elektrisch aangedreven voertuigen en heeft hiervoor een plankaart opgesteld met locaties waar een laadpaal kan worden geplaatst. [straat 1], [straat 1], [straat 2], [straat 3] en [straat 4] vormen een samenhangend gebied voor parkeren.

Besluitvorming

3. Het college heeft een verkeersbesluit genomen tot het aanwijzen van zes parkeerplaatsen voor het opladen van elektrische voertuigen in de gemeente [plaats], waaronder twee parkeerplaatsen ter hoogte van [adres 2] in [plaats]. Hiervan wordt één parkeerplaats daadwerkelijk ingericht als gereserveerd voor het opladen van elektrische voertuigen en, bij voldoende gebruik, zal de tweede parkeerplaats als zodanig worden ingericht. De rechtbank beoordeelt in deze zaak uitsluitend of het college de twee parkeerplaatsen ter hoogte van [adres 2] in [plaats] heeft mogen aanwijzen als parkeerplaatsen voor het opladen voor elektrische voertuigen. De overige locaties in het verkeersbesluit worden niet door eiser bestreden.

Toetsingskader

4. In artikel 18 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) is de bevoegdheid om een verkeersbesluit te nemen vastgelegd. Het college is volgens het eerste lid, onder d, van dit artikel bevoegd om een verkeersbesluit te nemen voor zover het wegen omvat die niet in beheer zijn van het Rijk, een provincie of een waterschap.

4.1.

Op grond van artikel 21 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (Babw) vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit.

4.2.

Het college heeft beoordelingsruimte bij de beantwoording van de vraag wat nodig is ter bescherming van de verkeersbelangen, genoemd in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994.[_467aa73c-f8f6-4989-9bd7-8ed0c0925b39] Het college dient dit naar behoren te motiveren. Afhankelijk van de beroepsgronden gaat de bestuursrechter in op de vraag of de manier waarop het college van die beoordelingsruimte gebruik heeft gemaakt in overeenstemming is met het recht. Daarbij moet de bestuursrechter nagaan of het college redelijkerwijs de beoordelingsruimte op die manier heeft kunnen invullen. Nadat het college heeft vastgesteld wat naar zijn oordeel nodig is, gelet op de betrokken verkeersbelangen, moet het de uitkomst van die beoordeling afwegen tegen de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het verkeersbesluit. Bij die afweging heeft het bestuursorgaan beleidsruimte. De bestuursrechter gaat niet na of hij in het concrete geval tot hetzelfde besluit zou zijn gekomen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of (de uitkomst van) de belangenafweging die ten grondslag ligt aan het besluit onevenredig is in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen (artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb)

4.3.

Het college hoeft de absolute noodzaak van een verkeersbesluit niet aan te tonen, maar moet wel motiveren welk verkeersbelang in de zin van artikel 2 WVW met het besluit wordt gediend en inzichtelijk maken op welke wijze alle betrokken belangen tegen elkaar zijn afgewogen.[_058e546f-b6d2-4286-9311-fd45ef90d1bb]

Beroepsgronden

5. Eiser voert – zakelijk weergegeven- aan dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom juist de gekozen locatie aan [straat 1] geschikt en noodzakelijk is. Daarnaast betoogt hij dat het college de belangen onvoldoende kenbaar heeft afgewogen.

Heeft het college voldoende gemotiveerd welk verkeersbelang in de zin van artikel 2 WVW met het besluit wordt gediend?

6. De rechtbank stelt vast dat het college in de besluitvorming niet inzichtelijk heeft gemaakt welke belangen zijn gediend met het nemen van het verkeersbesluit. Ook ter zitting heeft het college onvoldoende duidelijkheid hierover gegeven. Het college heeft in het bestreden besluit in navolging van de commissie bezwaarschriften alleen aangeven dat het belang bij het verkeersbesluit is gelegen in het (blijvend) voorzien in een toereikende oplaadinfrastructuur.

6.1.

In het primaire besluit is daarentegen opgenomen dat het verkeersbesluit kan leiden tot het beperken van de door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of nadelige gevolgen voor het milieu zoals bedoeld in de Wet Milieubeheer, maar dit is niet onderbouwd. Daarnaast zou de maatregel volgens het primaire besluit strekken tot het verzekeren van de veiligheid op de weg, het beschermen van weggebruikers en passagiers en het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten en gebieden. De rechtbank is van oordeel dat het college met zijn besluitvorming onvoldoende heeft onderbouwd waarom deze verkeersbelangen van artikel 2 van de WVW met het bestreden besluit worden gediend.

6.2.

Hiermee is sprake van een motiveringsgebrek. Het is aan het college om dit gebrek te herstellen, door nader te onderbouwen welk belang(en) uit artikel 2 van de WVW ten grondslag ligt of liggen aan het verkeersbesluit.

Heeft het college voldoende inzichtelijk gemaakt op welke wijze alle betrokken belangen tegen elkaar zijn afgewogen?

7. Gelet op het hiervoor vermelde toetsingskader moet het college bij het nemen van een verkeersbesluit de verkeersbelangen in kaart brengen en zich de vraag stellen in welke mate die belangen bij het besluit moeten worden betrokken. Vervolgens moet het college die belangen tegen elkaar afwegen.

7.1.

De rechtbank stelt vast dat in dit geval sprake is van het proactief plaatsen van een laadpaal, zoals het college ook op de zitting heeft bevestigd. Op grond van artikel 7, eerste lid van de Beleidsregels oplaadinfrastructuur elektrische voertuigen [plaats] 2023 (Beleidsregels) heeft het college de locaties, waar een of meerdere oplaadpunten in het kader van proactief plaatsen mogen worden geplaatst, vastgelegd op een plankaart. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het college op aanvraag een ontheffing proactief plaatsen kan verlenen. Volgens het vierde lid wordt de aanvraag voor een ontheffing mede geacht in te houden een aanvraag tot het nemen van een verkeersbesluit voor het aanwijzen van een of meerdere benodigde parkeerplaatsen.

7.2.

Het college heeft ter zitting toegelicht dat [naam] conform de Beleidsregels een aanvraag heeft ingediend voor een ontheffing en dat het college deze heeft verleend. De rechtbank kan dit niet beoordelen omdat stukken hierover in het dossier ontbreken. Bovendien zijn de plankaart met aangewezen locaties voor het proactief plaatsen van laadpalen en het prognosemodel dat hieraan ten grondslag ligt, volgens het college niet openbaar toegankelijk.

7.3.

De rechtbank heeft deze stukken echter wel nodig om tot een beoordeling te kunnen komen van de vraag of het college tot een redelijke afweging van alle betrokken belangen is gekomen en in redelijkheid heeft kunnen menen dat het verkeersbesluit niet onevenredig is in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

7.4.

Hoewel het college in het bestreden besluit verwijst naar de Beleidsregels, is het naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende duidelijk waar het college de locatiekeuze op heeft gebaseerd. Het college heeft immers niet inzichtelijk gemaakt dat de locatie daadwerkelijk is aangegeven op de plankaart, hoe zij tot deze keuze is gekomen en hoe de locatie zich verhoudt tot bestaande laadfaciliteiten in de wijk. Zonder die informatie heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat er behoefte is aan een laadpaal of laadpalen op deze locatie en op grond waarvan het heeft ingeschat dat er op deze locatie vraag naar extra laadvoorzieningen wordt verwacht. Het college moet de inhoud van de plankaart ten aanzien van deze locatie daarom, zoals ter zitting voorgesteld, met een schermafbeelding alsnog aantonen en daarnaast de gegevens overleggen op grond waarvan op de betrokken locatie de oplaadpunten in het kader van pro-actief plaatsen mogen worden geplaatst. Daarbij is van belang dat uit de afbeelding zelf of uit nadere gegevens op te maken moet zijn op welke datum de plankaart is vastgesteld en op welk moment de betreffende locatie dus is aangewezen.

7.5.

Daarnaast draagt de rechtbank het college op om de aanvraag van [naam] en de door het college verleende ontheffing aan te leveren. Dit ligt immers naar eigen zeggen van het college op de zitting ten grondslag aan het verkeersbesluit. Verder kan de rechtbank de stelling van het college dat bij de beoordeling van de parkeerdruk rekening is gehouden met de aanwezigheid van de drie gehandicaptenparkeerplaatsen, niet volgen. De rechtbank ziet dit namelijk niet expliciet in het parkeeronderzoek terug. Het college moet nader onderbouwen op welke manier de aanwezigheid van drie gehandicaptenparkeerplaatsen bij het parkeerdrukonderzoek is meegewogen.

7.6.

Op basis van het bestreden besluit en de Beleidsregels kan de rechtbank vooralsnog niet beoordelen of het college de verkeersbelangen op juiste gronden heeft afgewogen. De rechtbank merkt hierbij op dat dit niet wil zeggen dat zij van oordeel is dat de Beleidsregels op zichzelf onredelijk zijn, of dat het college onder geen beding een verkeersbesluit had mogen nemen. Het college moet in dit geval beter onderbouwen hoe het proactief plaatsen zich verhoudt tot de Beleidsregels.

Conclusie en gevolgen

8. Uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, volgt dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel zoals is opgenomen in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Volgens artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

8.1.

Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit.

8.2.

Om het gebrek te herstellen, moet het college onderbouwen welke verkeersbelangen uit artikel 2 van de WVW aan het besluit ten grondslag liggen en alsnog de plankaart die ziet op de betrokken locatie, een nadere onderbouwing van deze locatiebepaling, de aanvraag van [naam] en de verleende ontheffing bij de rechtbank aanleveren. Daarnaast vraagt de rechtbank het college om nader te onderbouwen op welke manier de aanwezigheid van drie gehandicaptenparkeerplaatsen bij het parkeerdrukonderzoek is meegewogen.

8.3.

De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak. Als het college hiervan geen gebruik wil maken, dan moet het college dit binnen twee weken aan de rechtbank meedelen. Als het college wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. Daarna zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

8.4.

Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.

8.5.

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;

- stelt het college in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- stelt eiser in de gelegenheid binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van V.J. Wuijten, griffier, op 6 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

  1. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 4 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:647.
  2. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:589.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.