Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 30 juli 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:8312Zaaknummer C/02/449283 / KG ZA 26-323

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
C/02/449283 / KG ZA 26-323
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Kort geding, Rekestprocedure
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Uitvoering beschikking bodemprocedure. Verkoop van de gemeenschappelijke woning.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1

veroordeelt de vrouw om alle adviezen van de makelaar op te volgen voor het

verkoopklaar maken van de woning, gelegen aan [adres] te [plaats 2], en om alles te gehengen en gedogen dat nodig is in het kader van de verkoop en levering van deze woning, waaronder begrepen het openstellen van de woning voor bezichtigingen door de makelaar en potentiële kopers, het opruimen en het schoonmaken van de woning;

5.2

veroordeelt de vrouw om, binnen 24 uur na betekening van dit vonnis een sleutel waarmee de makelaar toegang kan krijgen tot de woning op het kantoor van de makelaar af te geven en op deze wijze de makelaar - nadat de komst van de makelaar per mail voorafgaand is kenbaar gemaakt - toegang te verlenen tot de woning als dit nodig is om invulling te geven aan zijn verkoopactiviteiten van de woning;

5.3

veroordeelt de vrouw om aan de man een dwangsom te betalen van € 250,= voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de onder 5.1 en 5.2 uitgesproken hoofdveroordelingen voldoet, tot een maximum van € 15.000,= is bereikt;

5.4

veroordeelt de vrouw om, indien een kandidaat-koper naar het oordeel van de makelaar op redelijk te achten voorwaarden bereid is tot aankoop van de woning over te gaan, binnen één week na een daartoe strekkend verzoek van de hiervoor bedoelde makelaar of de man, het koopcontract te ondertekenen;

5.5

veroordeelt de vrouw om, in geval van verkoop van de woning, binnen één week na een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van de man, haar volledige medewerking te verlenen aan de eigendomsoverdracht van (haar aandeel in) de onroerende zaak en - voor zover dit daartoe rechtens noodzakelijk is - te verschijnen voor de passerend notaris, zulks op een door de notaris te bepalen datum en plaats, en haar medewerking te verlenen aan het doen verlijden van een (notariële) akte strekkende tot eigendomsoverdracht;

5.6

bepaalt - voor het geval de vrouw in gebreke blijft om aan de onder 5.4 en 5.5 uitgesproken veroordelingen te voldoen - dat dit vonnis in de plaats treedt van de wilsverklaringen en/of toestemmingen en/of handtekeningen van de vrouw die nodig zijn om de verkoop en levering van de woning aan een derde te bewerkstelligen;

5.7

veroordeelt de vrouw om de woning in geval van een verkoop uiterlijk 48 uur vóór de dag van eigendomsoverdracht te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, onder afgifte van alle sleutels aan de passerend notaris;

5.8

veroordeelt de vrouw, indien zij niet vrijwillig aan de hiervoor gegeven veroordeling tot ontruiming voldoet en de man de ontruiming met inschakeling van een gerechtsdeurwaarder zelf bewerkstelligt, aan de man de kosten van de ontruiming te voldoen op vertoning van en conform de specificatie van die kosten in het proces-verbaal van ontruiming;

5.9

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.10

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.F.A.J.M. Haerkens-Wouters, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026 in tegenwoordigheid van mr. H.M.F. Bishop-van Kollenburg, griffier.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het geschil
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats Breda

Zaaknummer: C/02/449283 / KG ZA 26-323

Vonnis in kort geding van 30 juli 2026

in de zaak van

[de man],

wonende te [plaats 1] (Griekenland),

eisende partij,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M.T.E. Kranenburg,

tegen

[de vrouw],

wonende te [plaats 2],

gedaagde partij,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A.F. Braun.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 24 juni 2026 met producties 1 tot en met 11;- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 6;- de zitting van 16 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;- de pleitaantekeningen van de man.

2 De feiten

2.1

Partijen zijn op [datum] 2011 in Preveza, Griekenland, met elkaar gehuwd. Uit hun huwelijk zijn geboren de thans nog minderjarige kinderen:

- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2012,

- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2014.

2.2

Bij beschikking van deze rechtbank van 15 maart 2024 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Verder is, voor zover nu van belang, de beslissing tot afwikkeling van het huwelijksvermogen aangehouden. Voornoemde beschikking is op 5 augustus 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.3

Bij beschikking van 30 januari 2025 heeft de rechtbank met betrekking tot de woning het volgende beslist:

“3.1. gelast de wijze van verdeling van de echtelijke woning, gelegen aan de [adres] te [plaats 2], als volgt:

- de woning dient te worden verkocht en geleverd aan een derde. Partijen dienen uiterlijk binnen een termijn van twee weken te rekenen vanaf de datum van deze beschikking gezamenlijk opdracht tot verkoop van de woning te geven aan [makelaar 1] te [plaats 2];

- indien partijen niet uiterlijk binnen deze termijn gezamenlijk een verkoopopdracht hebben gegeven aan de makelaar, is ieder van partijen afzonderlijk bevoegd deze makelaar - mede als vertegenwoordiger van de ander - opdracht tot verkoop te geven;

- partijen zullen in onderling overleg met de makelaar de vraagprijs, die dient te zijn gebaseerd op de woningmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, bepalen;

- indien partijen er niet binnen twee weken na de opdrachtverlening aan de makelaar in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, zal de makelaar de woning te koop mogen aanbieden tegen een marktconforme vraagprijs;

- partijen zullen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zover die prijs volgens beide partijen de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, dan zal de makelaar dit bindend kunnen bepalen;

- als de verkoopprijs bindend is vastgesteld zijn beide partijen verplicht hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning;

- na verkoop moet met de verkoopopbrengst de hypothecaire geldlening(en) worden

afgelost en de aan de verkoop verbonden kosten worden betaald; het eventuele restant moeten partijen bij helfte delen, dan wel voor zover er een restschuld ontstaat, moeten zij ieder de helft daarvan dragen.”

2.4

De woning wordt nog niet ter verkoop aangeboden.

3 Het geschil

3.1

De man vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en op de dag en minuut, in aanvulling op het bepaalde in de beschikking van 30 januari 2025 met zaaknummers C/02/399080 FA RK 22-2891 (echtscheiding) en C/02/421927 FA RK 24-2032 (verdeling) en de daarin onder punt 3.1 gelaste wijze van verdeling van de echtelijke woning, gelegen aan [adres] te [plaats 2]:

A. de vrouw te veroordelen om alle adviezen van de makelaar op te volgen voor het

verkoopklaar maken van de woning en zij alles moet gehengen en gedogen dat nodig is in het kader van de verkoop en levering van de woning, waaronder ook moet worden begrepen het openstellen van de woning voor bezichtigingen door de makelaar en potentiële kopers, het opruimen en schoonmaken van de woning;

B. de vrouw te veroordelen om, binnen 24 uur na datum afgifte van het ten deze te wijzen vonnis een sleutel waarmee de makelaar toegang kan krijgen tot de woning op het kantoor van de makelaar af te geven en op deze wijze de makelaar - nadat de komst van de makelaar per mail voorafgaand is kenbaar gemaakt - toegang te verlenen tot de woning als dit nodig is om invulling te geven aan zijn verkoopactiviteiten van de woning;

C. de vrouw te veroordelen om, indien een kandidaat-koper naar het oordeel van de makelaar op redelijk te achten voorwaarden bereid is tot aankoop van de woning over te gaan, binnen één week na een daartoe strekkend verzoek van de hiervoor bedoelde makelaar of de man, het koopcontract te ondertekenen;

D. de vrouw te veroordelen om, in geval van verkoop van de woning, binnen één week na een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van de man, haar volledige medewerking te verlenen aan de eigendomsoverdracht van haar aandeel in de onroerende zaak en - voor zover dit daartoe rechtens noodzakelijk is - te verschijnen voor de passerend notaris, zulks op een door de notaris te bepalen datum en plaats, en haar medewerking te verlenen aan het doen verlijden van een (notariële) akte strekkende tot eigendomsoverdracht;

E. te bepalen dat wanneer de vrouw in gebreke blijft aan de onder sub A.. en B uitgesproken veroordelingen te voldoen, na herhaald verzoek tot medewerking door de makelaar, de vrouw een dwangsom verbeurt van € 500,= per dag of gedeelte daarvan dat haar medewerking uitblijft tot een maximum van € 15.000,= aan dwangsommen;

F. te bepalen dat wanneer de vrouw in gebreke blijft, na herhaald verzoek tot medewerking door de makelaar of notaris, te voldoen aan de onder sub C. en D. uitgesproken veroordelingen, voor het verstrekken van de verkoopopdracht aan de makelaar en het ondertekenen van de verkoopopdracht door de vrouw het ten deze te wijzen vonnis op grond van artikel 3:300 lid 1 BW dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van de vrouw en dat het af te geven vonnis

- voor de ondertekening van de leveringsovereenkomst door de vrouw - op grond van het tweede lid in de plaats treedt van de medewerking (handtekening) van de vrouw aan de notariële akte van levering en alle daarmee verband houdende stukken en in verband daarmee de termijn als bedoeld in artikel 3:301 lid 1 sub b BW te bepalen op veertien dagen;

G. te bepalen dat de vrouw de woning in geval van een verkoop uiterlijk 48 uur vóór de dag van eigendomsoverdracht onder afgifte van alle sleutels aan de passerend notaris ontruimd dient te hebben met alle daarin aanwezige personen en zaken;

H. te bepalen dat wanneer de vrouw in gebreke blijft aan de sub G. uitgesproken veroordeling te voldoen, de kosten van nadere maatregelen tot ontruiming voor rekening komen van de vrouw.

3.2

De man legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de vrouw weigert mee te werken aan verkoop van de woning. Volgens de man heeft hij spoedeisend belang bij zijn vorderingen, omdat partijen geen uitvoering kunnen geven aan de verdere financiële afwikkeling van het huwelijk zolang de woning niet is verkocht. Dit geeft stress en spanningen, hetgeen zijn weerslag heeft op de kinderen. Verder heeft hij zijn aandeel in de woning nodig om zijn eigen leven weer op te kunnen bouwen. De vrouw heeft voldoende tijd gehad om te onderzoeken of zij de woning kan overnemen. Bovendien is de woning inmiddels meer waard geworden, zodat verkoop in het belang van beide partijen is.

3.3

De vrouw voert verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de man, althans deze te beperken /aan te vullen met een termijn voor de vrouw om de financiering voor toedeling van de woning aan haar te realiseren, met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure. De vrouw voert daartoe, samengevat, het volgende aan. Sinds de beschikking van 30 januari 2025 is sprake van gewijzigde omstandigheden. Zij heeft een arbeidscontract gekregen voor onbepaalde tijd waarmee voor haar de financiële mogelijkheid is ontstaan om de woning toegedeeld te krijgen. Om dit te onderzoeken heeft zij [makelaar 2] te [plaats 2] gevraagd de huidige waarde van de woning te bepalen. Volgens het verkooprapport bedraagt de waarde van de woning € 364.000,=. Rekening houdend met de hypotheekschuld van € 156.342,= bedraagt het aandeel van de man in de overwaarde € 103.829,=. Aangezien zij nog vorderingen op de man heeft met betrekking tot verdeling van de appartementen in Griekenland, de verdeling van de aandelen van de B.V. en achterstallige kinderalimentatie, hoeft zij de man nog maar een bedrag van € 50.536,34 te betalen. Volgens de beheertoets die een financieel adviseur heeft gemaakt, kan zij de overname van de woning waarschijnlijk financieren. Zij vindt het dan ook redelijk dat zij nog een periode van vier maanden krijgt om de financiering op basis van bovenstaande uitgangspunten te realiseren. Lukt dit niet, dan zal zij meewerken aan de verkoop van de woning. Verkoop van de woning betekent echter het verlies van de veilige en vertrouwde woning voor de kinderen, die erg te lijden hebben onder de echtscheiding. Het is met name voor hen van belang dat de woning behouden blijft. Daarnaast zal het voor haar moeilijk zijn een andere woning aan te kopen of een woning te huren, omdat zij niet op korte termijn in aanmerking komt voor een sociale huurwoning en de huurprijzen voor een particuliere huurwoning aanzienlijk zijn.

3.4

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1

Aan de Nederlandse rechter komt in deze procedure rechtsmacht toe. De voorzieningenrechter past in deze kort gedingprocedure Nederlands recht toe.

4.2

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Artikel 254 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat in alle spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, de voorzieningenrechter bevoegd is deze te geven. Er is sprake van spoedeisend belang als, in dit geval, van de man niet kan worden gevergd dat hij een bodemprocedure afwacht. Daarnaast moet een afweging van de belangen van beide partijen plaatsvinden. De spoedvoorziening kan pas worden verleend als wordt geoordeeld dat de belangen van de man zwaarder wegen dan de belangen van de vrouw. De beoordeling van het spoedeisend belang en de belangenafweging kunnen gelijktijdig plaatsvinden. Bij die beoordeling vindt de voorzieningenrechter de volgende feiten en omstandigheden belangrijk.

4.3

In de bodemprocedure is bij beschikking van 30 januari 2025, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de woning moet worden verkocht aan een derde en dat partijen binnen twee weken te rekenen vanaf de datum van die beschikking gezamenlijk opdracht tot verkoop van de woning moeten geven aan [makelaar 1] te [plaats 2]. De vrouw is niet in hoger beroep gekomen van deze beschikking en deze is (inmiddels) in kracht van gewijsde gegaan. Dit betekent in beginsel dat partijen uitvoering moeten geven aan de beschikking. In die beschikking is verder onder meer bepaald dat partijen binnen twee weken opdracht moeten geven tot verkoop van de woning. Deze bepaling zegt iets over de door de rechtbank beoogde voortgang van het verkoopproces. Inmiddels is bijna anderhalf jaar verstreken. Uit de stellingen van partijen en de overgelegde stukken blijkt dat partijen in de tussentijd hebben gecorrespondeerd over de uitvoering van de beschikking, waarbij de vrouw heeft aangegeven dat zij de woning wenst over te nemen, maar partijen hebben daar geen overeenstemming over bereikt. Evenmin heeft de vrouw een verkoopopdracht aan de makelaar verstrekt. Ook in dit kort geding heeft de vrouw aangegeven dat zij de woning wil overnemen. De stelling van de vrouw dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, vormt echter geen juridische grondslag om van de beschikking van 30 januari 2025 af te wijken. Daar komt bij dat de vrouw onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij daadwerkelijk financieel in staat is de woning over te nemen. In de door haar overgelegde beheertoets is uitgegaan van een waardebepaling van de woning die meer dan een jaar oud is. Gelet op de huidige woningmarkt is het niet uitgesloten dat de woning inmiddels meer waard is. Verder is de vrouw - bij het vaststellen van het door haar te financieren bedrag - ervan uitgegaan dat de door haar gestelde vorderingen op de man (met betrekking tot de appartementen in Griekenland, de aandelen in de B.V. en de achterstallige kinderalimentatie) volledig in mindering komen op het aandeel van de man in de overwaarde van de woning. Enkel onder deze specifieke omstandigheden zou het inkomen van de vrouw nét genoeg zijn om de overname te kunnen financieren. Echter, gesteld noch gebleken is dat partijen het erover eens zijn dat de vrouw de door haar gestelde vorderingen op de man mag verrekenen met zijn aandeel in de overwaarde van de woning. Nog daargelaten dat een beheertoets slechts een eerste verkenning is in het hele financieringstraject. De voorzieningenrechter begrijpt dat de vrouw de woning graag wil behouden voor de kinderen. Echter, een echtscheiding brengt zowel voor de (aanstaande) ex-echtgenoten als voor hun eventuele (minderjarige) kinderen veranderingen met zich. Zo betekent een echtscheiding vaak dat een of beide echtgenoten moeten verhuizen. Hoewel kinderen heel veerkrachtig zijn, is het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat partijen ernaar streven om zo snel mogelijk een nieuwe stabiele situatie voor hen te creëren. Daarvoor is, gelet op voormelde omstandigheden, nodig dat de gezamenlijke woning zal worden verkocht. In dat kader overweegt de voorzieningenrechter dat de echtscheidingsprocedure tussen partijen al is aangevangen op 1 juli 2022. De vrouw had toen geen baan en wist, althans had er rekening mee moeten houden, dat zij de woning zou moeten verlaten. Uit de beschikking van 30 januari 2025 blijkt dat de vrouw in de echtscheidingsprocedure heeft geprobeerd meer tijd te krijgen. Haar verzoek om de woning voor een periode van drie jaar onverdeeld te laten is echter afgewezen, omdat zij ook op dat moment geen inkomen had en zij onvoldoende onderbouwd had dat er een reëel perspectief was dat zij de woning op korte termijn zou kunnen overnemen. De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat de woning moest worden verkocht. De vrouw wist toen zeker dat zij de woning moest verlaten.

4.4

De voorzieningenrechter is op grond van voorgaande omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, van oordeel dat de man spoedeisend belang heeft bij verkoop van de woning en dat zijn belang zwaarder weegt dan het belang van de vrouw bij behoud van de huidige situatie totdat een eventuele bodemprocedure is afgerond. Dit betekent voor de vorderingen van de man het volgende.

4.5

De vorderingen van de man onder A., B., C., D., G. en H. zullen worden toegewezen op de wijze als hierna in het dictum verwoord.

4.6

De onder E. gevorderde dwangsom zal worden toegewezen, met dien verstande dat deze zal worden gematigd tot een bedrag van € 250,= per dag met een maximum van

€ 15.000,=.

4.7

De vordering onder F. zal worden afgewezen voor zover de vordering ziet op een beslissing ex artikel 3:300 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) met betrekking tot het verstrekken door de vrouw van een verkoopopdracht aan de makelaar. De man vordert immers niet om de vrouw te veroordelen een dergelijke opdracht te verstrekken. Overigens is in de beschikking van 30 januari 2025 bepaald dat ieder van partijen afzonderlijk bevoegd is de makelaar - mede als vertegenwoordiger van de ander - opdracht tot verkoop te geven, indien de ander niet uiterlijk binnen de gestelde termijn een verkoopopdracht heeft gegeven aan de makelaar, zodat de man met betrekking tot de verkoopopdracht geen belang (meer) heeft bij een beslissing op grond van artikel 3:300 BW. Voor het overige zal de vordering onder F. worden toegewezen op de wijze als hierna in het dictum verwoord.

4.8

De man heeft geconcludeerd tot het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van het vonnis op de minuut en op alle dagen en uren. Deze vordering zal worden afgewezen. Aangezien een grosse zal worden verstrekt, heeft de man geen belang bij uitvoerbaarheid op de minuut. Daarnaast heeft de man niet onderbouwd welk belang hij erbij heeft dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad op alle dagen en uren wordt verklaard.

4.9

De voorzieningenrechter hecht er tenslotte aan op te merken dat het voorgaande niet weg neemt dat de vrouw haar financiële mogelijkheden om de woning over te nemen verder kan onderzoeken en dat zij – indien blijkt dat zij in staat is de woning te financieren – net als andere potentiële kopers mee kan doen aan het verkoopproces.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1

veroordeelt de vrouw om alle adviezen van de makelaar op te volgen voor het

verkoopklaar maken van de woning, gelegen aan [adres] te [plaats 2], en om alles te gehengen en gedogen dat nodig is in het kader van de verkoop en levering van deze woning, waaronder begrepen het openstellen van de woning voor bezichtigingen door de makelaar en potentiële kopers, het opruimen en het schoonmaken van de woning;

5.2

veroordeelt de vrouw om, binnen 24 uur na betekening van dit vonnis een sleutel waarmee de makelaar toegang kan krijgen tot de woning op het kantoor van de makelaar af te geven en op deze wijze de makelaar - nadat de komst van de makelaar per mail voorafgaand is kenbaar gemaakt - toegang te verlenen tot de woning als dit nodig is om invulling te geven aan zijn verkoopactiviteiten van de woning;

5.3

veroordeelt de vrouw om aan de man een dwangsom te betalen van € 250,= voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de onder 5.1 en 5.2 uitgesproken hoofdveroordelingen voldoet, tot een maximum van € 15.000,= is bereikt;

5.4

veroordeelt de vrouw om, indien een kandidaat-koper naar het oordeel van de makelaar op redelijk te achten voorwaarden bereid is tot aankoop van de woning over te gaan, binnen één week na een daartoe strekkend verzoek van de hiervoor bedoelde makelaar of de man, het koopcontract te ondertekenen;

5.5

veroordeelt de vrouw om, in geval van verkoop van de woning, binnen één week na een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van de man, haar volledige medewerking te verlenen aan de eigendomsoverdracht van (haar aandeel in) de onroerende zaak en - voor zover dit daartoe rechtens noodzakelijk is - te verschijnen voor de passerend notaris, zulks op een door de notaris te bepalen datum en plaats, en haar medewerking te verlenen aan het doen verlijden van een (notariële) akte strekkende tot eigendomsoverdracht;

5.6

bepaalt - voor het geval de vrouw in gebreke blijft om aan de onder 5.4 en 5.5 uitgesproken veroordelingen te voldoen - dat dit vonnis in de plaats treedt van de wilsverklaringen en/of toestemmingen en/of handtekeningen van de vrouw die nodig zijn om de verkoop en levering van de woning aan een derde te bewerkstelligen;

5.7

veroordeelt de vrouw om de woning in geval van een verkoop uiterlijk 48 uur vóór de dag van eigendomsoverdracht te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, onder afgifte van alle sleutels aan de passerend notaris;

5.8

veroordeelt de vrouw, indien zij niet vrijwillig aan de hiervoor gegeven veroordeling tot ontruiming voldoet en de man de ontruiming met inschakeling van een gerechtsdeurwaarder zelf bewerkstelligt, aan de man de kosten van de ontruiming te voldoen op vertoning van en conform de specificatie van die kosten in het proces-verbaal van ontruiming;

5.9

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.10

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.F.A.J.M. Haerkens-Wouters, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026 in tegenwoordigheid van mr. H.M.F. Bishop-van Kollenburg, griffier.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.