Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24 juli 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:8090Zaaknummer C/02/449089 / JE RK 26-1015

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
24 juli 2026
Publicatiedatum
22 oktober 2026
Zaaknummer
C/02/449089 / JE RK 26-1015
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

NO verklaard in verzoek vervallen verklaren schriftelijke aanwijziging. Omgangsregeling vastgesteld op verzoek van de GI.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing, althans het fictieve weigeringsbesluit;

6.2.

bepaalt dat er een omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader zal gelden op grond waarvan zij gerechtigd zijn tot het hebben van indirect contact, bestaande uit het sturen van een kaartje, een foto of een brief, en waarbij de regie over deze regeling en over een eventuele uitbreiding daarvan bij de GI ligt;

6.3.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Haas als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 De verzoeken
  4. 4 De standpunten
  5. 6 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/449089 / JE RK 26-1015

Datum uitspraak: 24 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verzoek tot vervallen verklaring schriftelijke aanwijzing en vaststelling omgangsregeling

in de zaak van

[de vader],

hierna te noemen: de vader,

wonende in [plaats 1],

advocaat: mr. N.P.M. Planthof te Goes,

betreffende de minderjarige:

[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2017 te [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [plaats 2],

STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING, gevestigd te Eindhoven,

hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI),

FAMILIE [de pleegouders],

hierna te noemen: de pleegouders,

wonende te [plaats 3].

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,

hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift strekkende tot vervallenverklaring fictief weigeringsbesluit en vaststelling omgangsregeling met bijlagen, ontvangen op 2 juni 2026;

- het verweerschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 14 juli 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:

- mr. Planthof, advocaat, namens de vader;

- de moeder;

- twee vertegenwoordigsters van de GI;

- een vertegenwoordiger van de Raad.

De vader is, hoewel tijdig en correct opgeroepen, niet verschenen.

De pleegouders zijn, met bericht van afmelding, niet verschenen.

1.3.

De kinderrechter heeft de minderjarige [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft de kinderrechter een brief gestuurd. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] in haar brief heeft geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1.

[minderjarige] is erkend door de vader.

2.2.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.3.

Bij beschikking van 17 oktober 2023 van de kinderrechter van deze rechtbank is

[minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 17 oktober 2023 en tot 17 oktober 2024. Tevens is bij dezelfde beschikking een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 17 oktober 2023 en tot 17 april 2024.

2.4.

Bij beschikking van 27 maart 2024 van de kinderrechter van deze rechtbank is de

machtiging om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening

voor pleegzorg verlengd met ingang van 17 april 2024 en tot 17 oktober 2024.

2.5.

Bij beschikking van 9 oktober 2024 van de kinderrechter van deze rechtbank is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 17 oktober 2024 en tot 17 oktober 2025. Ook is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 17 oktober 2024 en tot 17 april 2025. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.

2.6.

Bij beschikking van 2 april 2025 van de kinderrechter van deze rechtbank is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 17 april 2025 en tot 17 oktober 2025.

2.7.

Bij beschikking van 14 oktober 2025 van de kinderrechter van deze rechtbank is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 17 oktober 2025 en tot 17 oktober 2026. Ook is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 17 oktober 2025 en tot 17 oktober 2026.

2.8.

[minderjarige] verblijft op grond van de voornoemde machtiging in een netwerkpleeggezin (bij grootouders moederszijde).

3 De verzoeken

3.1.

De vader verzoekt, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. De schriftelijke aanwijzing, althans het fictieve weigeringsbesluit d.d. 12 mei 2026

(twee weken na het verzoek van de vader op 28 april 2026), vervallen te verklaren;

II. Te bepalen dat [minderjarige] en de vader recht op omgang met elkaar hebben op de

volgende wijze, dan wel op een zodanige wijze als de rechtbank in goede justitie

juist acht:

  • De eerste vier weken twee keer per week één uur omgang onder begeleiding van een derde;
  • De daaropvolgende vier weken twee keer per week twee uur omgang onder begeleiding van een derde;
  • De daaropvolgende vier weken twee keer per week vier uur omgang onder begeleiding van een derde;
  • De daaropvolgende vier weken twee keer per week vier uur omgang zonder begeleiding;
  • Na de vier weken één keer per week acht uur omgang zonder begeleiding.
3.2.

De GI voert verweer tegen het verzoek van de vader en verzoekt de rechtbank:

I. primair de vader niet-ontvankelijk te verklaren in het verzoek tot vervallen

verklaren van een fictief weigeringsbesluit;

II. subsidiair dit verzoek af te wijzen;

III. primair de door vader verzochte omgangsregeling af te wijzen;

IV. subsidiair een omgangsregeling vast te stellen inhoudende een indirect contact

zoals het sturen van een kaartje, foto of brief en daarbij te bepalen dat de regie

over deze regeling en een eventuele uitbreiding of stopzetting in het belang van

[minderjarige] bij de GI ligt.

4 De standpunten

4.1.

[minderjarige] heeft in haar brief geschreven dat zij haar vader niet kent, maar wel nieuwsgierig is naar hoe hij eruit ziet. Daarom zou zij wel een keer een foto van hem willen zien. Het maakt haar niet wanneer dat gebeurt. Daarna zou zij misschien wel een keer met haar vader willen bellen zonder beeld, samen met haar begeleidster [persoon]. [minderjarige] wil niet dat er net zoals met haar moeder een contactregeling met haar vader wordt bepaald, omdat zij hem niet kent.

4.2.

Namens de vader wordt naar voren gebracht dat hij zich kan vinden in hetgeen door de GI is aangegeven in het verweerschrift en ter zitting. De vader wil dan ook graag dat het verzoek van de GI tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader inhoudende een indirect contact zoals het sturen van een kaartje, foto of brief en daarbij te bepalen dat de regie over deze regeling en een eventuele uitbreiding of stopzetting in het belang van [minderjarige] bij de GI ligt, wordt toegewezen.

4.3.

De GI voert verweer tegen het verzoek van de vader en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar het ingediende verweerschrift. Daaruit blijkt, kort samengevat, dat de GI de vraag van de vader niet heeft opgevat als een verzoek waarop de GI binnen twee weken een beslissing moet nemen en dat anders kan worden opgevat als een fictief weigeringsbesluit, omdat de vader niet is belast met het gezag over [minderjarige] en de procedure rondom een schriftelijke aanwijzing derhalve niet op hem van toepassing is. De vader dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn verzoek tot het vervallen verklaren van de schriftelijke aanwijzing, althans het fictieve weigeringsbesluit, dan wel dient dit verzoek te worden afgewezen. Voorts geeft de GI aan dat er inmiddels al 3,5 jaar geen contact meer is geweest tussen [minderjarige] en de vader en dat [minderjarige] zich momenteel in een kwetsbare fase in haar leven bevindt nu zij recent is gestart met traumabehandeling en psychotherapie krijgt. De opbouw die de vader voorstelt voor het contact met [minderjarige] is dus veel te snel en niet in het belang van [minderjarige]. Bovendien vindt de GI onbegeleid contact tussen [minderjarige] en haar vader gelet op de eerdere vrees voor ontvoering van [minderjarige] door de vader naar het buitenland ongepast. Als [minderjarige] de wens heeft om haar vader te leren kennen, zal de GI daar uiteraard naar handelen. Daarom verzoekt de GI een omgangsregeling vast te stellen tussen [minderjarige] en de vader inhoudende een indirect contact zoals het sturen van een kaartje, foto of brief en daarbij te bepalen dat de regie over deze regeling en een eventuele uitbreiding of stopzetting in het belang van [minderjarige] bij de GI ligt.

4.4.

De moeder geeft tijdens de zitting aan dat zij het belangrijk vindt dat er naar de wensen van [minderjarige] wordt geluisterd. De moeder vindt het begrijpelijk dat [minderjarige] geen contactregeling met haar vader wil, omdat hij lang uit beeld is geweest. Daar moet volgens de moeder uiteindelijk wel naartoe worden gewerkt, want de vader heeft net zoveel recht op contact met [minderjarige] als de moeder. Bovendien is eerder door de rechtbank bepaald dat de mogelijkheden voor contact tussen [minderjarige] en de vader moeten worden onderzocht als de vader (emotioneel) beschikbaar is voor [minderjarige] en capabel is om contact met haar te hebben. Als dat het geval is, kan er wat de moeder betreft in kleine stapjes worden toegewerkt naar contact tussen hen. De vader verdient een kans daartoe, aldus de moeder. Desgevraagd benoemt de moeder dat zij contact met de vader heeft over [minderjarige]. Dat vindt zij belangrijk voor [minderjarige]. De ouders zijn niet van plan om weer samen te komen. De moeder vindt het tot slot geen goed idee om de regie over het contact tussen de vader en [minderjarige] bij de GI te beleggen, omdat de GI volgens de moeder niet erg voortvarend te werk gaat.

4.5.

De Raad adviseert de door de vader verzochte omgangsregeling af te wijzen. [minderjarige] heeft een belaste voorgeschiedenis en bevindt zich in een complexe situatie doordat zij bij haar grootouders opgroeit en een contactregeling heeft met haar moeder, waardoor zij al klem zit in haar loyaliteit richting de verschillende opvoeders. Ook volgt [minderjarige] momenteel traumatherapie, hetgeen veel van haar vraagt. Uit de brief van [minderjarige] blijkt wel dat zij nieuwsgierig is naar haar vader, hetgeen ook logisch is. Daarom zou zij een keer een foto van haar vader te zien moeten krijgen. Als zij daar positief op reageert, zou er gebeld kunnen worden met haar vader, met begeleiding erbij. Aan de hand van het verloop daarvan kan worden bekeken hoe het contact verder kan worden opgestart en ingevuld. De regie daarover dient bij de GI te worden belegd. Een verdergaande omgangsregeling vastleggen vindt de Raad op dit moment niet in het belang van [minderjarige].

5. De beoordeling

Ten aanzien van het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing

5.1.

Op grond van artikel 1:264, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de met het gezag belaste ouder de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren. Een schriftelijke aanwijzing moet worden beschouwd als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. In dat kader moet de kinderrechter beoordelen of het besluit zorgvuldig tot stand is gekomen, of de relevante belangen kenbaar zijn afgewogen en of het besluit deugdelijk is gemotiveerd.

5.2.

Een schriftelijke aanwijzing van de GI richt zich enkel op de met het gezag belaste ouder. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat de vader [minderjarige] heeft erkend, maar niet is belast met het gezag over haar. Dit betekent dat de vader geen belang heeft bij een vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing van de GI, hetgeen tijdens de zitting door de advocaat van de vader is bevestigd. De kinderrechter zal de vader daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing, althans het fictieve weigeringsbesluit.

Ten aanzien van het verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling

5.3.

Ingevolge artikel 1:265g lid 1 BW kan de kinderrechter gedurende de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang wijzigen of vaststellen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.

5.4.

De kinderrechter overweegt in dit kader als volgt. Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is het de kinderrechter gebleken dat [minderjarige] al veel heeft meegemaakt in haar jonge leven. Zij is op jonge leeftijd getuige geweest van geweldsincidenten, spanningen en ruzies tussen haar ouders. Daarbij is het de kinderrechter gebleken dat de vader in het verleden zeer agressief is geweest naar de moeder en haar na het verbreken van hun relatie veelvuldig heeft gestalkt en bedreigd, waarna hij een contact- en straatverbod opgelegd heeft gekregen. Daarnaast waren er destijds zorgen over een mogelijke ontvoering van [minderjarige] door de vader naar het buitenland. Ook was er sprake van schoolverzuim bij [minderjarige]. Al het voorgaande heeft er toe geleid dat [minderjarige] in oktober 2023 onder toezicht is gesteld van de GI en sindsdien middels een machtiging tot uithuisplaatsing bij haar grootouders moederszijde verblijft.

5.5.

Het is de kinderrechter verder uit de overgelegde stukken en het gesprek ter zitting gebleken dat er tussen [minderjarige] en de moeder contact plaatsvindt volgens een vastgestelde contactregeling. Tussen [minderjarige] en de vader is er inmiddels al 3,5 jaar geen contact meer geweest. Gelet daarop, de eerdere forse zorgen en nu [minderjarige] zich momenteel in een kwetsbare fase in haar leven bevindt doordat zij traumatherapie ondergaat en psychotherapie volgt, vindt de kinderrechter het met de Raad en de GI niet in het belang van [minderjarige] om een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] vast te stellen conform het verzoek van de vader. Namens de vader is daar tijdens de zitting mee ingestemd en is vervolgens verzocht een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] vast te stellen conform het verzoek van de GI. De kinderrechter vindt het van groot belang dat een eventueel contactherstel tussen [minderjarige] en de vader zorgvuldig zal verlopen en dat daarbij wordt aangesloten bij de behoeften en de belastbaarheid van [minderjarige]. De door de GI verzochte zorgregeling komt daar naar het oordeel van de kinderrechter aan tegemoet. De belangen van [minderjarige] staan hierbij voorop. Daarom zal de kinderrechter deze omgangsregeling, conform het advies van de Raad, vaststellen. Dat betekent dat er een omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader zal gelden, op grond waarvan zij gerechtigd zijn tot het hebben van indirect contact, bestaande uit het sturen van een kaartje, een foto of een brief, en waarbij de regie over deze regeling en over een eventuele uitbreiding daarvan bij de GI ligt.

Uitvoerbaar bij voorraad

5.6.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing, althans het fictieve weigeringsbesluit;

6.2.

bepaalt dat er een omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader zal gelden op grond waarvan zij gerechtigd zijn tot het hebben van indirect contact, bestaande uit het sturen van een kaartje, een foto of een brief, en waarbij de regie over deze regeling en over een eventuele uitbreiding daarvan bij de GI ligt;

6.3.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Haas als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.