Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24 juli 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:6718Zaaknummer BRE 24/3430
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 24 juli 2026
- Publicatiedatum
- 5 augustus 2026
- Zaaknummer
- BRE 24/3430
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Dagloon WIA.
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Vermunt, griffier op 24 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
Op grond van artikel 7, eerste lid, van de WIA is verplicht verzekerd de werknemer.
Op grond van artikel 8, eerste lid, van de WIA, voor zover hier van belang, is werknemer de werknemer in de zin van de Ziektewet.
Op grond van artikel 13, eerste lid, van de WIA, voor zover hier van belang, wordt voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte die tot volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid heeft geleid, is ingetreden.
Artikel 13, derde lid, van de WIA bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur met betrekking tot de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zonodig afwijkende regels worden gesteld. Deze nadere regels zijn vastgesteld in het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen.
Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit)
In artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit is bepaald dat onder referteperiode in dit hoofdstuk de periode wordt verstaan van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, of die eindigt, in geval de arbeidsongeschiktheid is ingetreden in gelijktijdige dienstbetrekkingen, op de laatste dag van het aangiftetijdvak dat het eerst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid is geëindigd.
In artikel 15, eerste lid, van het Dagloonbesluit is bepaald dat voor de toepassing van dit hoofdstuk de werknemer geacht wordt zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover een werkgever van dat loon opgave heeft gedaan.
In artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit is het volgende bepaald.
Het dagloon van uitkeringen op grond van de Wet WIA en de WAO is de uitkomst van de volgende berekening:
(A – B + C) / D
waarbij:
A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers;
B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die in de referteperiode als loon zijn uitbetaald ten laste van een opgebouwd bedrag en de bedragen die in die periode als loon zijn uitbetaald ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag;
C staat voor de in de referteperiode opgebouwde bedragen ten behoeve van vakantiebijslag dan wel ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag; en
D staat voor 261.
In artikel 27e, eerste lid van het Dagloonbesluit is bepaald dat de artikelen 5, 12e, 16 en 18 zoals deze luidden op 31 december 2021, blijven van toepassing op uitkeringen waarvan de eerste rechtdag is gelegen voor 1 januari 2022.
In artikel 27, tweede lid, van het Dagloonbesluit is bepaald dat onder eerste rechtdag voor wat betreft de WIA wordt verstaan de dag dat recht op uitkering is ontstaan.
Ziektewet (ZW)
Op grond van artikel 3, eerste lid, van de ZW voor zover van belang, is werknemer de natuurlijke persoon die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.
Op grond van artikel 6, eerste lid, onder b van de Ziektewet, wordt als dienstbetrekking niet beschouwd de arbeidsverhouding van degene die als vrijwilliger al dan niet tegen loon werkzaamheden verricht bij de brandweer.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/3430
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R.W. van Voorst Vader),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. M.B.A. van Grinsven).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de vaststelling van het dagloon op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Eiser is het niet eens met de vaststelling van het dagloon. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het dagloon correct is vastgesteld. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond.
Procesverloop
2. Bij besluit van 26 oktober 2023 heeft het UWV aan eiser, met ingang van 26 september 2023, een uitkering op grond van de WIA toegekend van € 601,24 bruto per maand, exclusief vakantiegeld. In de beslissing op het bezwaar van 23 februari 2024 (bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Het onderzoek is ter zitting geschorst. Op 1 mei 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. De rechtbank heeft daarna schriftelijk de uitspraaktermijn verlengd.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of het UWV het dagloon van de WIA-uitkering van eiser op goede gronden per 26 september 2023 heeft vastgesteld op € 196,44. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Feiten
4. Eiser is met ingang van 1 oktober 2004 als onderhoudsmonteur werkzaam geweest bij de [werkgever 1]. Daarnaast heeft hij vanaf 1 januari 2013 als vrijwilliger werkzaamheden verricht bij de [werkgever 2]. Op 28 september 2021 heeft eiser zich ziekgemeld. Na een wachttijd van 104 weken voor de WIA, is hij medisch en arbeidskundig beoordeeld. Hij is 100% arbeidsongeschikt bevonden.
Met het besluit van 26 oktober 2023 is aan eiser vanaf 26 september 2023 een loongerelateerde WGA-uitkering van € 601,24 bruto per maand toegekend. Daarbij is rekening gehouden met overige inkomsten.
Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Hij heeft aangegeven het niet eens te zijn met de hoogte van de uitkering. Het dagloon is ongunstig berekend, aangezien er geen rekening is gehouden met de vergoedingen die hij ontving voor zijn werkzaamheden bij de brandweer. Ook is het UWV niet uitgegaan van het SV-loon over de referteperiode van
€ 45.453,82, maar slechts van een bedrag van € 43.714,59.
Bestreden besluit
5. Met het bestreden besluit heeft het UWV het bezwaar ongegrond verklaard. Volgens het UWV is het dagloon juist berekend. Bij de vaststelling van de hoogte van de uitkering is uitgegaan van het loon dat eiser voordat hij ziek werd heeft ontvangen over de periode van 1 september 2020 tot en met 31 augustus 2021, bij de [werkgever 1]. Daarbij is uitgegaan van de loongegevens die van de Belastingdienst zijn ontvangen. In deze periode heeft eiser een SV-loon ontvangen van € 43.714,59 bruto. Dat dit loon onjuist zou zijn kan UWV niet volgen.
Er is bij de berekening geen rekening gehouden met de inkomsten die zijn ontvangen bij de brandweer. De werkzaamheden bij de brandweer betreffen geen verzekeringsplichtige arbeid in de zin van de Wet WIA. Bij de vaststelling van de hoogte van de uitkering wordt daarom geen rekening gehouden met de inkomsten die uit deze werkzaamheden zijn ontvangen. Het dagloon is correct vastgesteld.
Beroepsgronden
6. Eiser stelt dat in de referteperiode van 1 september 2020 tot en met 31 augustus 2021 € 45.453,82 aan SV-loon is ontvangen. De arbeidsdeskundige nam dit bedrag ook op in zijn rapportage en bij optelling van de in de loonstaat vermelde gegevens blijkt dit bedrag ook. Een deel van zijn loon ontving eiser van zijn werkgever via een deelbetaling Individueel Keuzebudget (IKB) bij wijze van vakantiegeld. In december 2020 liet hij een ander deel IKB als extra inkomen uitbetalen. Niet is bekend om welke reden het in de CAO als extra inkomen benoemde bedrag van december 2020 wordt aangemerkt als EPS/AVVB.
Ter zitting heeft eiser erop gewezen dat het UWV ten onrechte rekening heeft gehouden met de factor C (opgebouwd IKB). Dit bedrag is lager dan het bedrag dat in de referteperiode aan IKB is uitbetaald. Hierdoor valt het loon lager uit. In dit verband heeft eiser ter zitting gewezen op de IKB-instructie van het UWV die gold vanaf 6 juli 2017. Op grond van deze instructie wordt bij een IKB-budget uitgegaan van het daadwerkelijk uitbetaalde SV-loon, zoals dat in de polis staat. Als een werkgever de kolommen VT en/of EPS toch heeft gevuld, dan worden deze gegevens niet gebruikt en wordt alleen uitgegaan van de kolom SV-loon. Dit was beleid tot 1 januari 2022.
Eiser stelt daarnaast dat de vergoeding die eiser kreeg van de Veiligheidsregio Zeeland was belast en dat deze ten onrechte niet is meegenomen in de dagloonberekening.
Het UWV heeft zich op het standpunt gesteld dat het dagloon correct is berekend. Bij de berekening is uitgegaan van de gegevens in de polisadministratie. De berekening is gemaakt aan de hand van de hoofdregel van artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit. In die hoofdregel is een correctie opgenomen met betrekking tot vakantietoeslag (VT) en EPS/AVWB (extra periode salaris/arbeidsvoorwaardenbedrag). De IKB-instructie is niet van toepassing.
Vergoeding vrijwillige brandweer
7. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn inkomsten als vrijwilliger bij de brandweer bij de Veiligheidsregio ten onrechte niet bij de berekening van het dagloon zijn betrokken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Het UWV heeft er naar het oordeel van de rechtbank terecht op gewezen dat op grond van artikel 7 van de WIA de werknemer verplicht verzekerd is en dat in artikel 8 van de WIA voor het begrip werknemer wordt verwezen naar dit begrip in de Ziektewet (Zw). In artikel 3 van de Zw is bepaald dat een werknemer is de natuurlijke persoon die in privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking staat. In artikel 6, eerste lid onder b van de Zw is bepaald dat niet als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van degene die als vrijwilliger al dan niet tegen loon werkzaamheden verricht bij de brandweer.
Gelet hierop heeft het UWV de vergoeding die eiser ontving voor zijn werkzaamheden als vrijwilliger bij de brandweer terecht niet bij de berekening van het dagloon betrokken, omdat geen sprake is van verzekeringsplichtige arbeid in de zin van de WIA. Dat de vergoeding die eiser kreeg werd belast, leidt niet tot een ander oordeel.
Berekening van het dagloon
8. Op grond van de in het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit) gehanteerde dagloonsystematiek wordt het dagloon gebaseerd op het loon dat in een periode in het verleden, de referteperiode, feitelijk is verdiend en waarover tevens premie is betaald. In artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit is bepaald, voor zover hier van belang, dat onder referteperiode in dit hoofdstuk wordt verstaan de periode van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden.
De eerste ziektedag van eiser was 28 september 2021, zodat de referteperiode loopt van 1 september 2020 tot en met 31 augustus 2021. Dit is tussen partijen niet in geschil.
Volgens eiser is het UWV uitgegaan van een onjuist SV-loon en had dit
€ 45.453,82 moet zijn. In het verweerschrift heeft het UWV nader toegelicht dat het UWV ook van dit SV-loon in de referteperiode uitgaat. Voor de vaststelling van het dagloon is uitgegaan van de gegevens in de polisadministratie. Op grond van artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit geldt voor de dagloonberekening de volgende hoofdregel:
Dagloon = [A-B+C] / D waarbij:A= het loon dat betrokkene in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers;
B= de bedragen aan vakantietoeslag en/of EPS/AVWB die betrokkene in het refertejaar heeft genoten;
C = de opgebouwde bedragen aan vakantiebijslag en/of EPS/AVWB;
D = 261 dagen.
In de hoofdregel vindt een correctie plaats met betrekking tot de vakantietoeslag en extra periode salaris (EPS)/ arbeidsvoorwaardenbedrag (AVWB) die afzonderlijk van het periodieke loon wordt gereserveerd en betaald. De correctie houdt in dat de feitelijk genoten vakantietoeslag en/of EPS/AVWB in mindering wordt gebracht en het (verlaagde) loon verhoogd wordt met de opgebouwde bedragen aan vakantietoeslag en/of EPS/AVWB.
Dit leidt tot de volgende berekening van het dagloon:
Loon SV (totaal) = € 45.453,82 (A)
VT en EPS/AVWB genoten (totaal) = € 8.059,07 (B) -/-
VT en EPS/AVWB opgebouwd (totaal) = € 6.319,84 (C) +
Totaal = € 43.714,59
Delen door 261 (D) = € 167,49
Dit is het dagloon per 28 september 2021. Na indexatie bedraagt het WIA-dagloon per 26 september daardoor € 196,44, aldus het UWV.
De rechtbank stelt vast dat het UWV terecht en op juiste wijze de hoofdregel van artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit heeft toegepast. Niet is gebleken dat het UWV van onjuiste gegevens is uitgegaan of dat de berekening onjuist is.
Met betrekking tot het standpunt van eiser dat op grond van de IKB-instructie uitgegaan moet worden van het daadwerkelijk uitbetaalde SV-loon en geen rekening gehouden moet worden met de ingevulde kolommen VT/EPS oordeelt de rechtbank als volgt.
Het UWV heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat genoemde IKB-instructie niet geldt bij de dagloonvaststelling van eiser.
Tussen partijen is niet geschil dat de IKB-instructie geldig was tot 1 januari 2022.
Het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen is bij besluit van 19 februari 2021 per 1 januari 2022 gewijzigd als gevolg van de introductie van het begrip arbeidsvoorwaardenbedrag.[_9877ddcd-fb7d-4f67-9c8a-76f549cdba33] Daarbij is de huidige hoofdregel van artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit opgenomen.
Uit het overgangsrecht, zoals dit is opgenomen in artikel 27e van het Dagloonbesluit, volgt dat het oude artikel 16 van het Dagloonbesluit, zoals dat luidde op 31 december 2021, van toepassing blijft op uitkeringen waarvan de eerste rechtdag is gelegen voor 1 januari 2022. Met eerste rechtdag wordt voor de WIA bedoeld de dag dat recht op uitkering is ontstaan. Dat betekent dat de nieuwe wijze van berekenen van het dagloon geldt als het recht op uitkering ontstaat na 1 januari 2022. Dat is in deze zaak het geval. De WIA-uitkering van eiser is ingegaan per 26 september 2023. De stelling van eiser dat de referteperiode is gelegen voor 1 januari 2022 en dat om die reden de IKB-instructie die tot 1 januari 2022 van kracht was van toepassing is en dat daarom enkel kan worden uitgegaan van de kolom ‘SV-loon’ kan, gelet op het voorgaande, niet worden gevolgd.
Het UWV heeft pas in beroep het bestreden besluit voldoende gemotiveerd door nader aan te geven welke berekening aan het bestreden besluit ten grondslag ligt en hoe het bedrag van € 43.714,59 tot stand is gekomen. Er is dus sprake van een motiveringsgebrek. De rechtbank passeert dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Het is aannemelijk dat eiser niet is benadeeld, omdat de nadere motivering geen wijziging brengt in het bestreden besluit. Wel bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond.
Omdat er sprake is van een motiveringsgebrek en artikel 6:22 van de Awb is toegepast, moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt hij een vergoeding voor zijn proceskosten. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,00. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,00.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Vermunt, griffier op 24 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
Op grond van artikel 7, eerste lid, van de WIA is verplicht verzekerd de werknemer.
Op grond van artikel 8, eerste lid, van de WIA, voor zover hier van belang, is werknemer de werknemer in de zin van de Ziektewet.
Op grond van artikel 13, eerste lid, van de WIA, voor zover hier van belang, wordt voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte die tot volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid heeft geleid, is ingetreden.
Artikel 13, derde lid, van de WIA bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur met betrekking tot de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zonodig afwijkende regels worden gesteld. Deze nadere regels zijn vastgesteld in het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen.
Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit)
In artikel 13, eerste lid, van het Dagloonbesluit is bepaald dat onder referteperiode in dit hoofdstuk de periode wordt verstaan van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, of die eindigt, in geval de arbeidsongeschiktheid is ingetreden in gelijktijdige dienstbetrekkingen, op de laatste dag van het aangiftetijdvak dat het eerst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid is geëindigd.
In artikel 15, eerste lid, van het Dagloonbesluit is bepaald dat voor de toepassing van dit hoofdstuk de werknemer geacht wordt zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover een werkgever van dat loon opgave heeft gedaan.
In artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit is het volgende bepaald.
Het dagloon van uitkeringen op grond van de Wet WIA en de WAO is de uitkomst van de volgende berekening:
(A – B + C) / D
waarbij:
A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers;
B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die in de referteperiode als loon zijn uitbetaald ten laste van een opgebouwd bedrag en de bedragen die in die periode als loon zijn uitbetaald ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag;
C staat voor de in de referteperiode opgebouwde bedragen ten behoeve van vakantiebijslag dan wel ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag; en
D staat voor 261.
In artikel 27e, eerste lid van het Dagloonbesluit is bepaald dat de artikelen 5, 12e, 16 en 18 zoals deze luidden op 31 december 2021, blijven van toepassing op uitkeringen waarvan de eerste rechtdag is gelegen voor 1 januari 2022.
In artikel 27, tweede lid, van het Dagloonbesluit is bepaald dat onder eerste rechtdag voor wat betreft de WIA wordt verstaan de dag dat recht op uitkering is ontstaan.
Ziektewet (ZW)
Op grond van artikel 3, eerste lid, van de ZW voor zover van belang, is werknemer de natuurlijke persoon die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.
Op grond van artikel 6, eerste lid, onder b van de Ziektewet, wordt als dienstbetrekking niet beschouwd de arbeidsverhouding van degene die als vrijwilliger al dan niet tegen loon werkzaamheden verricht bij de brandweer.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.