Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 18 juni 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:6616Zaaknummer C/02/449314 / FA RK 26-3092 (beroep) en C/02/449309 / KG ZA 26-324

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
21 augustus 2026
Zaaknummer
C/02/449314 / FA RK 26-3092 (beroep) en C/02/449309 / KG ZA 26-324
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Mondelinge uitspraak, Proces-verbaal, Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Wth - kortsluiten vovo afwijzen beroep ogg

2 Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond,

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

3 Overwegingen

3.1

Weergave bestreden besluit, verzoek en beroep

3.1.1

Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan verzoeker een huisverbod opgelegd voor de duur van tien dagen (van 13 juni 2026, 14:00 uur, tot 23 juni 2026, 14:00 uur) op grond van de Wth. Het huisverbod is opgelegd voor de woning aan [adres]. Het huisverbod omvat tevens een verbod voor verzoeker om gedurende die periode van tien dagen contact op te nemen met achterblijfster.

Verweerder heeft aan het besluit ten grondslag gelegd dat de aanwezigheid van verzoeker in die woning (een vermoeden van) een ernstig en onmiddellijk gevaar (hierna: het gevaar) oplevert voor de veiligheid van achterblijfster.

3.1.2

Het verzoek strekt ertoe de rechtsgevolgen van het bestreden besluit te schorsen voor de resterende duur van dat besluit. Het beroep strekt ertoe het bestreden besluit te vernietigen.

3.2

Kortsluiten

3.2.1

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.2.2

Op grond van artikel 8:86, eerste lid van de Awb kan, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

3.2.3

De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zodat zij onmiddellijk uitspraak zal doen op het beroep.

3.3

Spoedeisend belang

3.3.1

De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang, zodat verzoeker kan worden ontvangen in zijn verzoek. Het feit dat het huisverbod nog van kracht is, brengt spoedeisendheid met zich mee.

3.4

Beoordeling gronden

3.4.1

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wth, kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.

Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9.

3.4.2

Verzoeker stelt dat de situatie onvoldoende ernstig was om een huisverbod te rechtvaardigen. Verzoeker betwist dat hij fysiek geweld heeft gebruikt. Daarbij wijst verzoeker erop dat de strafzaak tegen hem is geseponeerd. Verzoeker stelt verder dat het bestreden besluit grotendeels is gebaseerd op verklaringen en vermoedens. Er is geen objectief bewijs dat een onmiddellijk gevaar rechtvaardigt. Verzoeker is mede-eigenaar van de woning en wordt door het huisverbod ernstig geraakt doordat hij geen gebruik kan maken van zijn eigen woning. Hij ondervindt hierdoor grote praktische en financiële gevolgen. Tot slot stelt verzoeker dat zijn belangen onvoldoende zijn meegewogen en dat de opgelegde maatregel onevenredig is.

3.4.3.

Verweerder heeft aangevoerd dat de burgemeester op basis van het ingevulde formulier Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld (RiHG) en het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van de hulpofficier van justitie en de bij achterblijfster geconstateerde verwondingen tot de conclusie heeft kunnen komen dat er op 12 juni 2026 wel degelijk sprake is geweest van een geweldsincident.

3.4.4.

Gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Wth en hetgeen verzoeker aanvoert, zal de voorzieningenrechter eerst beoordelen of verweerder in dit geval bevoegd was om het tijdelijk huisverbod op te leggen.

3.4.5.

Uit het proces-verbaal van bevindingen, het RiHG en het verhandelde ter zitting blijkt dat er op 12 juni 2026 sprake was van een ruzie tussen verzoeker en achterblijfster in de woning in [plaats] waar zij samen met hun baby (geboren op [geboortedag] 2026) wonen. Tijdens deze ruzie was sprake van hoog opgelopen emoties, verbaal geweld en heeft verzoeker achterblijfster ten minste vastgepakt/vastgehouden, waarbij achterblijfster zich heeft geprobeerd zich los te rukken. Daarbij zijn krassen ontstaan op haar lichaam. De ruzie is zo hoog opgelopen dat de buren de politie hebben gebeld en de politie ter plaatse is gekomen. Achterblijfster heeft ook aangifte gedaan. Dat de strafzaak is geseponeerd doet aan het vorenstaande niet af. Volgens vaste jurisprudentie is het niet vereist dat bij het opleggen van een huisverbod wordt vastgesteld of aannemelijk is dat er strafbare feiten zijn gepleegd. Een ernstig vermoeden van ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van een persoon in de woning is voldoende.

Voorts heeft achterblijfster ter zitting toegelicht dat er al langer spanningen zijn in de relatie, dat zij niets goed kan doen en door de man onder druk wordt gezet. Zij heeft eveneens verteld te willen gaan scheiden. De voorzieningenrechter leidt hieruit af dat er sprake was van meer dan een gewone ruzie. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt ook dat er eerder een melding is gemaakt van een ruzie tussen verzoeker en achterblijfster en dat er meerdere politiemutaties van geweld bestaan met betrekking tot de man.

3.4.6.

De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat er op het moment dat het huisverbod werd opgelegd voldoende grond was om aan te nemen, althans ernstig te vermoeden, dat de verdere aanwezigheid van verzoeker in de woning op dat moment ernstig en onmiddellijk gevaar zou opleveren voor de (emotionele) veiligheid van achterblijfster (en de baby).

3.4.7.

Vervolgens zal de voorzieningenrechter beoordelen of verweerder op een redelijke wijze gebruik heeft gemaakt van die bevoegdheid. De rechter toetst dat terughoudend, omdat het hier een bevoegdheid betreft die de wetgever aan de burgemeester heeft opgelegd.

3.4.8.

Duidelijk is dat er sprake is geweest van een (gewelds)incident op 12 juni 2026. Vast staat dat er al langere tijd sprake is van spanningen tussen verzoeker en achterblijfster en dat er door verzoeker druk wordt uitgeoefend op achterblijfster, hetgeen ook ter zitting door de voorzieningenrechter wordt geconstateerd wanneer verzoeker tijdens de mondelinge behandeling meermaals probeert met achterblijfster afspraken te maken. Gezien de situatie zoals hiervoor beschreven is de voorzieningenrechter verder van oordeel dat het niet onredelijk is dat verweerder op 13 juni 2026 verzoeker de toegang tot de woning voor tien dagen heeft ontzegd. Verweerder kon inschatten dat een huisverbod hier noodzakelijk was en omdat er ook een baby in de woning verblijft, is het niet onredelijk dat verweerder ervoor gekozen heeft om verzoeker een huisverbod op te leggen, in plaats van aan achterblijfster, zijnde de moeder, waarvan niet in geschil is dat zij het merendeel van de zorg heeft voor de baby en daarnaast ook alle spullen van de baby zich in de woning bevinden.

3.4.9.

Het tijdelijk huisverbod, dat ook een tijdelijk contactverbod inhoudt, is een maatregel die moet zorgen voor rust en veiligheid, voor het voorkomen van verdere escalaties en het op gang brengen van hulp. Met het opleggen van het huisverbod heeft verweerder de situatie tijdelijk tot rust gebracht. Gelet op het belang van achterblijfster en het kind van partijen vindt de voorzieningenrechter dat niet onredelijk.

3.4.10.

Ingevolge artikel 6, derde lid, van de Wth betrekt de rechter bij de beoordeling van het huisverbod tevens de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het opleggen van het huisverbod.

3.4.11.

Voor wat betreft de huidige situatie is de voorzieningenrechter niet gebleken dat het huisverbod moet worden opgeheven. Verzoeker staat, zo heeft hij verklaard, open voor hulpverlening en wil hierover in gesprek met Veilig Thuis, maar wilde eerst de uitkomst van de zitting afwachten. De voorzieningenrechter vindt het te vroeg om het huisverbod op te heffen. De hulpverlening is nog niet op gang gekomen en er zijn nog geen concrete veiligheidsafspraken gemaakt om nieuwe escalaties te voorkomen. Gelet hierop is handhaving van het huisverbod nog steeds noodzakelijk.

3.4.12.

Gelet op het voorgaande zal het beroep tegen de oplegging van het huisverbod ongegrond worden verklaard en zal het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening worden afgewezen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Dijkman en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juni 2026 in tegenwoordigheid van De Pooter, griffier, en op schrift gesteld op 2 juli 2026.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op het beroep, kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Ontstaan en verloop van de procedure
  2. 2 Beslissing
  3. 3 Overwegingen

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Middelburg

Zaaknummers: C/02/449314 / FA RK 26-3092 (beroep) en C/02/449309 / KG ZA 26-324 (voorlopige voorziening)

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

18 juni 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening en het beroep

in de zaken tussen

[verzoeker],

ten tijde van het opleggen van het huisverbod wonende op het [adres], thans elders verblijvende,

verzoeker,

en

de burgemeester van de gemeente Bergen op Zoom,

zetelende te Bergen op Zoom,

verweerder,

gemachtigde: [gemachtigde],

in welke zaken belanghebbende is:

[achterblijfster] ,echtgenote van verzoeker,

wonende te [adres],

hierna ook: achterblijfster.

1 Ontstaan en verloop van de procedure

1.1

Bij besluit van 13 juni 2026 heeft verweerder een huisverbod als bedoeld in de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth) opgelegd aan verzoeker.

1.2

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft verzoeker op 14 juni 2026 beroep ingesteld. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen ten aanzien van het besluit.

1.3

Op 17 juni 2026 heeft verweerder de volgende stukken ingediend:

- het besluit mandaatverlening burgemeester;

- het proces-verbaal van bevindingen van de hulpofficier van justitie (hovj) en

- het ingevulde formulier Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld.

1.4

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2026. Aanwezig waren:

- verzoeker;

- verweerder, vertegenwoordigd door de gemachtigde de heer [gemachtigde];

- achterblijfster;

- de heer [persoon 1], medewerker van de politie;

- mevrouw [persoon 2], medewerkster Veilig Thuis.

1.5

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden van de beslissing luiden als volgt.

2 Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond,

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

3 Overwegingen

3.1

Weergave bestreden besluit, verzoek en beroep

3.1.1

Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan verzoeker een huisverbod opgelegd voor de duur van tien dagen (van 13 juni 2026, 14:00 uur, tot 23 juni 2026, 14:00 uur) op grond van de Wth. Het huisverbod is opgelegd voor de woning aan [adres]. Het huisverbod omvat tevens een verbod voor verzoeker om gedurende die periode van tien dagen contact op te nemen met achterblijfster.

Verweerder heeft aan het besluit ten grondslag gelegd dat de aanwezigheid van verzoeker in die woning (een vermoeden van) een ernstig en onmiddellijk gevaar (hierna: het gevaar) oplevert voor de veiligheid van achterblijfster.

3.1.2

Het verzoek strekt ertoe de rechtsgevolgen van het bestreden besluit te schorsen voor de resterende duur van dat besluit. Het beroep strekt ertoe het bestreden besluit te vernietigen.

3.2

Kortsluiten

3.2.1

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.2.2

Op grond van artikel 8:86, eerste lid van de Awb kan, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

3.2.3

De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zodat zij onmiddellijk uitspraak zal doen op het beroep.

3.3

Spoedeisend belang

3.3.1

De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang, zodat verzoeker kan worden ontvangen in zijn verzoek. Het feit dat het huisverbod nog van kracht is, brengt spoedeisendheid met zich mee.

3.4

Beoordeling gronden

3.4.1

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wth, kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.

Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9.

3.4.2

Verzoeker stelt dat de situatie onvoldoende ernstig was om een huisverbod te rechtvaardigen. Verzoeker betwist dat hij fysiek geweld heeft gebruikt. Daarbij wijst verzoeker erop dat de strafzaak tegen hem is geseponeerd. Verzoeker stelt verder dat het bestreden besluit grotendeels is gebaseerd op verklaringen en vermoedens. Er is geen objectief bewijs dat een onmiddellijk gevaar rechtvaardigt. Verzoeker is mede-eigenaar van de woning en wordt door het huisverbod ernstig geraakt doordat hij geen gebruik kan maken van zijn eigen woning. Hij ondervindt hierdoor grote praktische en financiële gevolgen. Tot slot stelt verzoeker dat zijn belangen onvoldoende zijn meegewogen en dat de opgelegde maatregel onevenredig is.

3.4.3.

Verweerder heeft aangevoerd dat de burgemeester op basis van het ingevulde formulier Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld (RiHG) en het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van de hulpofficier van justitie en de bij achterblijfster geconstateerde verwondingen tot de conclusie heeft kunnen komen dat er op 12 juni 2026 wel degelijk sprake is geweest van een geweldsincident.

3.4.4.

Gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Wth en hetgeen verzoeker aanvoert, zal de voorzieningenrechter eerst beoordelen of verweerder in dit geval bevoegd was om het tijdelijk huisverbod op te leggen.

3.4.5.

Uit het proces-verbaal van bevindingen, het RiHG en het verhandelde ter zitting blijkt dat er op 12 juni 2026 sprake was van een ruzie tussen verzoeker en achterblijfster in de woning in [plaats] waar zij samen met hun baby (geboren op [geboortedag] 2026) wonen. Tijdens deze ruzie was sprake van hoog opgelopen emoties, verbaal geweld en heeft verzoeker achterblijfster ten minste vastgepakt/vastgehouden, waarbij achterblijfster zich heeft geprobeerd zich los te rukken. Daarbij zijn krassen ontstaan op haar lichaam. De ruzie is zo hoog opgelopen dat de buren de politie hebben gebeld en de politie ter plaatse is gekomen. Achterblijfster heeft ook aangifte gedaan. Dat de strafzaak is geseponeerd doet aan het vorenstaande niet af. Volgens vaste jurisprudentie is het niet vereist dat bij het opleggen van een huisverbod wordt vastgesteld of aannemelijk is dat er strafbare feiten zijn gepleegd. Een ernstig vermoeden van ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van een persoon in de woning is voldoende.

Voorts heeft achterblijfster ter zitting toegelicht dat er al langer spanningen zijn in de relatie, dat zij niets goed kan doen en door de man onder druk wordt gezet. Zij heeft eveneens verteld te willen gaan scheiden. De voorzieningenrechter leidt hieruit af dat er sprake was van meer dan een gewone ruzie. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt ook dat er eerder een melding is gemaakt van een ruzie tussen verzoeker en achterblijfster en dat er meerdere politiemutaties van geweld bestaan met betrekking tot de man.

3.4.6.

De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat er op het moment dat het huisverbod werd opgelegd voldoende grond was om aan te nemen, althans ernstig te vermoeden, dat de verdere aanwezigheid van verzoeker in de woning op dat moment ernstig en onmiddellijk gevaar zou opleveren voor de (emotionele) veiligheid van achterblijfster (en de baby).

3.4.7.

Vervolgens zal de voorzieningenrechter beoordelen of verweerder op een redelijke wijze gebruik heeft gemaakt van die bevoegdheid. De rechter toetst dat terughoudend, omdat het hier een bevoegdheid betreft die de wetgever aan de burgemeester heeft opgelegd.

3.4.8.

Duidelijk is dat er sprake is geweest van een (gewelds)incident op 12 juni 2026. Vast staat dat er al langere tijd sprake is van spanningen tussen verzoeker en achterblijfster en dat er door verzoeker druk wordt uitgeoefend op achterblijfster, hetgeen ook ter zitting door de voorzieningenrechter wordt geconstateerd wanneer verzoeker tijdens de mondelinge behandeling meermaals probeert met achterblijfster afspraken te maken. Gezien de situatie zoals hiervoor beschreven is de voorzieningenrechter verder van oordeel dat het niet onredelijk is dat verweerder op 13 juni 2026 verzoeker de toegang tot de woning voor tien dagen heeft ontzegd. Verweerder kon inschatten dat een huisverbod hier noodzakelijk was en omdat er ook een baby in de woning verblijft, is het niet onredelijk dat verweerder ervoor gekozen heeft om verzoeker een huisverbod op te leggen, in plaats van aan achterblijfster, zijnde de moeder, waarvan niet in geschil is dat zij het merendeel van de zorg heeft voor de baby en daarnaast ook alle spullen van de baby zich in de woning bevinden.

3.4.9.

Het tijdelijk huisverbod, dat ook een tijdelijk contactverbod inhoudt, is een maatregel die moet zorgen voor rust en veiligheid, voor het voorkomen van verdere escalaties en het op gang brengen van hulp. Met het opleggen van het huisverbod heeft verweerder de situatie tijdelijk tot rust gebracht. Gelet op het belang van achterblijfster en het kind van partijen vindt de voorzieningenrechter dat niet onredelijk.

3.4.10.

Ingevolge artikel 6, derde lid, van de Wth betrekt de rechter bij de beoordeling van het huisverbod tevens de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het opleggen van het huisverbod.

3.4.11.

Voor wat betreft de huidige situatie is de voorzieningenrechter niet gebleken dat het huisverbod moet worden opgeheven. Verzoeker staat, zo heeft hij verklaard, open voor hulpverlening en wil hierover in gesprek met Veilig Thuis, maar wilde eerst de uitkomst van de zitting afwachten. De voorzieningenrechter vindt het te vroeg om het huisverbod op te heffen. De hulpverlening is nog niet op gang gekomen en er zijn nog geen concrete veiligheidsafspraken gemaakt om nieuwe escalaties te voorkomen. Gelet hierop is handhaving van het huisverbod nog steeds noodzakelijk.

3.4.12.

Gelet op het voorgaande zal het beroep tegen de oplegging van het huisverbod ongegrond worden verklaard en zal het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening worden afgewezen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Dijkman en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juni 2026 in tegenwoordigheid van De Pooter, griffier, en op schrift gesteld op 2 juli 2026.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op het beroep, kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.