Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 16 juni 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:6542Zaaknummer C/02/449178 / FA RK 26-3016
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 16 juni 2026
- Publicatiedatum
- 21 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/02/449178 / FA RK 26-3016
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
IBS
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
| Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026 door mr. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van Schellenbach, griffier en op schrift gesteld op 30 juni 2026. |
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/449178 / FA RK 26-3016
Datum uitspraak: 16 juni 2026
Beschikking voortzetting inbewaringstelling
op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1983 in [geboorteplaats],
hierna te noemen betrokkene,
wonend in [plaats],
advocaat mr. M.A.W. Ketelaars LLM. uit Helmond.
1 Het verloop van de procedure
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 12 juni 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 juni 2026. Daarbij zijn gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
- [persoon 1], behandelaar;
- [betrokkene], vader van betrokkene;
- [persoon 2], behandelaar.
Tevens tijdens de zitting aanwezig, maar niet gehoord:
- [persoon 3], begeleider.
2 Wat vaststaat
Betrokkene verblijft met een inbewaringstelling bij [accommodatie]. De burgemeester van Laarbeek heeft de inbewaringstelling op 11 juni 2026 afgegeven.
3 Het verzoek
Het CIZ verzoekt de rechtbank een machtiging tot voorzetting van de inbewaringstelling te verlenen voor de duur van zes weken.
4 De standpunten
Betrokkene brengt naar voren dat hij zich het begin van de opname niet meer kan herinneren. Op dit moment gaat het beter en onderneemt hij weer meer activiteiten, zoals wandelen en zwemmen. Daarnaast geeft betrokkene aan het niet vervelend te vinden om nog wat langer op de afdeling te verblijven.
Behandelaar [persoon 1] verklaart dat betrokkene in een korte tijd een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Betrokkene is veel bezig met sporten en werkzaamheden in de tuin. Daarnaast wordt gekeken naar een passende woonplek voor betrokkene, aangezien de vorige woonomgeving als te onrustig werd ervaren. Er is momenteel geen sprake van een onmiddellijk dreigend ernstig nadeel. Voorts is betrokkene bereid om op vrijwillige basis op de afdeling te verblijven. Om die reden acht de behandelaar een voortzetting van de inbewaringstelling niet noodzakelijk.
Behandelaar [persoon 2] onderschrijft het standpunt van behandelaar [persoon 1].
De vader van betrokkene brengt naar voren dat terugkeer naar de vorige woonplek lastig is vanwege de aanwezige drukte en prikkels, waar betrokkene naar zijn mening niet goed mee kan omgaan. Wel geeft hij aan dat zijn voorkeur uitgaat naar een woonvoorziening in de nabijheid van zijn eigen woonomgeving, zodat er voldoende betrokkenheid en ondersteuning kan blijven.
De advocaat voert aan dat betrokkene bereid is om op vrijwillige basis op de afdeling te verblijven, maar dat hij bang is dat men daar aan zijn eetstoornis zal werken. Daarnaast brengt de advocaat namens betrokkene naar voren dat hij daardoor niet achter zijn eigen gedrag staat.
5 De beoordeling
Op grond van artikel 37 van de Wzd in samenhang gelezen met artikel 38 en artikel 39 van de Wzd kan de rechter op verzoek van het CIZ met betrekking tot een cliënt een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling verlenen, indien de burgemeester ten aanzien van deze cliënt op grond van artikel 29, eerste en tweede lid, van de Wzd een last tot inbewaringstelling heeft afgegeven.
De rechtbank wijst de gevraagde machtiging af. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
Uit de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, is gebleken dat betrokkene leidt aan een verstandelijke beperking, autisme en conversie.
Tijdens de zitting licht de behandelaar toe dat er geen noodzaak meer wordt gezien voor het verlengen van de inbewaringstelling. Betrokkene werkt goed mee in de behandeling en de samenwerking verloopt naar behoren. Er is geen sprake meer van een onmiddellijk dreigend ernstig nadeel. Daarnaast wordt onderzocht welke passende woonvorm voor betrokkene beschikbaar is, welke in een vrijwillig kader kan worden gerealiseerd.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel, dat nu geen noodzaak meer wordt gezien tot voortzetting van de inbewaringstelling, niet is voldaan aan de wettelijke vereisten om de inbewaringstelling voort te zetten. Het verzoek dient derhalve afgewezen te worden.
6 De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
| Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026 door mr. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van Schellenbach, griffier en op schrift gesteld op 30 juni 2026. |
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.