Uitspraak · Strafrecht

Rechtbank 's-Gravenhage, 23 maart 2009

ECLI:NL:RBSGR:2009:BI2444Zaaknummer 09/750009-06 en 09/750007-07

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/750009-06 en 09/750007-07
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Veroordeling 40 jarige Rwandees Joseph M. tot 20 jaar gevangenisstraf wegens foltering (meermalen met de dood als gevolg) ten tijde van de genocide in Rwanda in 1994. Hoofdstuk 1: Korte omschrijving van de aan verdachte verweten zeven strafbare feiten, primair ten laste gelegd als oorlogsmisdrijf subsidiair als foltering. Hoofdstuk 2: De Nederlandse rechter heeft op grond van artikel 3 (oud) van de Wet Oorlogsstrafrecht (WOS), respectievelijk artikel 5 van de Uitvoeringswet Folteringsverdrag (UFV) rechtsmacht. Hierbij is van belang dat verdachte in Nederland was ten tijde van de start van het onderzoek tegen hem. Hoofdstuk 3: Exposé van (de historische achtergrond van) de genocide in Rwanda in 1994. Hoofdstuk 4: De persoon van de verdachte. Verdachte wordt in de publicatie van het vonnis aangeduid als Joseph M. Hij heeft, zoals in Rwanda niet ongebruikelijk, een andere achternaam dan zijn (inmiddels overleden) vader; de achternaam van de vader is Murakaza. Hoofdstuk 5: Verslag van en verantwoording over het strafrechtelijk onderzoek. De rechtbank wijst de kritiek van de verdediging op de kwaliteit van het onderzoek van de hand. Hoofdstuk 6: Uiteenzetting over de waardering van het bewijs door getuigen. De rechtbank formuleert, daarbij onder meer aansluitend bij het arrest van het gerechtshof ’s-Gravenhage in de zaak K. (LJN BC 6068) een kader voor de toetsing van de geloofwaardigheid van de getuigen en betrouwbaarheid van hun verklaringen. Hoofdstukken 7 t/m 9: Bewezenverklaring van de aan verdachte verweten misdrijven tegen (i) een Duitse arts en diens Tutsi-vrouw welke met hun enkele maanden oude baby op de vlucht waren voor de genocide en (ii) de inzittenden van een ambulance (een Hutu-chauffeur, twee Tutsi-vrouwen met hun (ten minste vier) jonge kinderen en een 12-jarig Tutsi-meisje), welke op de vlucht waren voor de genocide. De twee Tutsi-vrouwen en hun kinderen zijn daarbij met machetes en knuppels om het leven gebracht. Hoofdstukken 10 t/m 14: Vrijspraak van betrokkenheid van verdachte bij de overige aan hem verweten misdrijven wegens gebrek aan (betrouwbaar) bewijs. Hoofdstuk 15: De rechtbank komt tot het oordeel dat de misdrijven die verdachte heeft gepleegd niet als oorlogsmisdrijven zijn aan te merken. De daarvoor vereiste nauwe samenhang (nexus) tussen deze misdrijven en de gewapende strijd in Rwanda tussen het regeringsleger van Rwanda (de RAF) en het (voornamelijk uit Tutsi’s bestaande) rebellenleger van het Rwandan Patriotic Front, ontbreekt. De rechtbank stelt voorop dat de strafbaarstelling van oorlogsmisdrijven burgers beoogt te beschermen tegen de gevolgen van een oorlog tussen strijdende legermachten. Zij stelt vast dat in de prefectuur waar verdachte zijn misdrijven pleegde geen gevechtshandelingen plaatsvonden tussen de RAF en het RPF, dat verdachte geen militaire functie had, dat verdachte geen invloed had op het verloop van de gevechtshandelingen dan wel in speciale relatie tot stond het regeringsleger en dat zijn misdrijven geen enkel militair doel dienden en niet bijdroegen aan de verwezenlijking van het uiteindelijke doel van de RAF in haar strijd met het RPF. De rechtbank onderkent dat de gewapende strijd tegen het RPF het Rwandese regime een voorwendsel gaf voor etnisch geweld tegen de Tutsi-bevolking en dat de propaganda van dit regime, waarin alle Tutsi’s werden vereenzelvigd met het RPF, verdachte een motief en een vrijbrief verschafte voor zijn misdrijven. Deze enkele omstandigheid acht zij echter onvoldoende om een nexus aan te nemen. Hoofdstuk 16: De rechtbank komt tot het oordeel dat verdachte, een burger, zich heeft schuldig gemaakt aan folteringshandelingen, welke door overheidsfunctionarissen waren uitgelokt en opzettelijk toegelaten (strafbaar gesteld in artikel 2 onder b UFV). In dit hoofdstuk wordt per bestanddeel (mishandeling in de zin van de UFV, de kwaliteit van de dader als overheidfunctionaris, vrijheidsberoving van het slachtoffer, de eis dat de mishandeling plaatsvindt met een bijzonder oogmerk) aangegeven wat daaronder dient te worden volstaan en vervolgens het voorhanden bewijs daaraan getoetst. Dat gebeurt ook met de vereisten voor de deelnemingsvormen “uitlokken”en “opzettelijk toelaten”. Hoofdstuk 18: De vorderingen van drie benadeelde partijen. Ten aanzien van de ontvankelijkheid is het recht van toepassing zoals dat gold voor de invoering van de wet-Terwee. Naar dat recht behoeft een vordering van een beledigde partij niet eenvoudig van aard te zijn om in een strafgeding te kunnen worden behandeld. De vorderingen van de Duitse arts en zijn vrouw worden toegewezen, elk tot het destijds geldende maximale bedrag van thans euro 680,67. De vordering van een nabestaande wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat verdachte van het betreffende feit wordt vrijgesproken. Hoofdstuk 19: Strafmotivering. De rechtbank overweegt onder meer dat de kwalificatie van het handelen van verdachte als foltering, meermalen met de dood als gevolg, zijn handelen niet minder ernstig maakt dan wanneer hij daarvoor had kunnen worden berecht ter zake van genocide dan wel de feiten gekwalificeerd hadden kunnen worden als oorlogsmisdrijven. Zij heeft bij de op te leggen straf mede in aanmerking genomen de straftoemeting bij het Rwanda-tribunaal en de huidige wijze van tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf, waarbij ‘levenslang’ in de praktijk in beginsel ook echt ‘levenslang’ is (zie onder meer het advies van de RSJ d.d. 1 december 2006 en de aanvulling daarop d.d. 20 april 2008 alsmede de conclusie van A-G mr. Knigge van 30 september 2008 (LJN BF741). De rechtbank overweegt dat van een concreet recidivegevaar niet is gebleken en legt verdachte een gevangenisstraf op van 20 jaar, hoewel hiermee in onvoldoende mate recht wordt gedaan aan de ernst van de door hem gepleegde feiten.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1 primair, 2 primair, 2 subsidiair, 3 primair tenlastegelegde feiten alsmede de bij dagvaarding II onder 1 primair (a, b en c), 1 subsidiair (a, b en c), 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1 subsidiair en 3 subsidiair tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 subsidiair op dagvaarding I:

medeplegen van foltering, terwijl een ambtenaar of een anderszins ten dienste van de overheid werkzame persoon in de uitoefening van zijn functie zulks heeft uitgelokt en zulks opzettelijk heeft toegelaten, meermalen gepleegd;

en

medeplegen van foltering, terwijl een ambtenaar of een anderszins ten dienste van de overheid werkzame persoon in de uitoefening van zijn functie zulks heeft uitgelokt en zulks opzettelijk heeft toegelaten, terwijl het feit de dood tengevolge heeft, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3 subsidiair op dagvaarding I:

medeplegen van foltering, terwijl een ambtenaar of een anderszins ten dienst van de overheid werkzame persoon in de uitoefening van zijn functie zulks heeft uitgelokt en zulks opzettelijk heeft toegelaten, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een GEVANGENISSTRAF voor de duur van 20 JAREN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op: 8 augustus 2006;

in voorlopige hechtenis gesteld op: 10 augustus 2006;

verklaart de beledigde partij A. Harorimana niet-ontvankelijk in zijn vordering tot schadevergoeding;

wijst de vorderingen tot schadevergoeding van de beledigde partijen [beledigde partij 1] en [beledigde partij 2] toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan:

- [beledigde partij 1] een bedrag van € 680,67 en

- [beledigde partij 2] een bedrag van € 680,67;

met veroordeling tevens in de kosten door de beledigde partijen gemaakt, tot deze uitspraak als kosten voor rechtsbijstand voor de beledigde partijen tezamen begroot op € 9.378,93, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. Elkerbout, voorzitter,

Veldt-Foglia en Sluiter, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. Otten en Van der Steen, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 maart 2009.

mrs. Sluiter en Van der Steen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

LANDELIJK PARKET

vordering tot wijziging van de tenlastelegging

(artikel 313 Wetboek van Strafvordering)

parketnummer: 09/750009-06

De officier van justitie van het Landelijk Parket;

gezien de dagvaarding in de zaak tegen

Joseph M.,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

wonende [adres]

thans gedetineerd in de PI Haaglanden, Penitentiair Complex Scheveningen

Unit 1 's-Gravenhage;

van oordeel dat de tenlastelegging nader dient te worden omschreven in dier voege dat de tenlastelegging thans komt te luiden als hieronder vermeld:

aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

Feit 1

hij op of omstreeks 13 april 1994, althans op (één) (of meer) tijdstip(pen) in de periode van 6 april 1994 tot 1 juli 1994, in Birogo en/of Mugonero, althans in de provincie (prefectuur) Kibuye, althans in Rwanda,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en)

(telkens) de wetten en de gebruiken van de oorlog heeft geschonden,

- terwijl van dat feit/die feiten (telkens) de dood of zwaar lichamelijk letsel van (een) ander(en) te duchten was en/of

- terwijl dat feit/die feiten (telkens) inhielden het een ander dwingen iets te doen of te dulden of niet te doen en/of

- terwijl dat feit/die feiten (telkens) de dood van (een) ander(en) tengevolge heeft/hebben gehad en/of

- terwijl dat feit/die feiten (telkens) zwaar lichamelijk letsel van (een) ander(en) tengevolge heeft/hebben gehad en/of

- terwijl dat feit/die feiten (telkens) geweldpleging met verenigde krachten tegen een of meer perso(o)n(en) inhield(en) en/of

- terwijl dat feit/die feiten uiting was/waren van een politiek van stelselmatige terreur en/of wederrechtelijk optreden tegen de bevolkingsgroep der Tutsi's,

hierin bestaande dat hij, verdachte toen en (al)daar (telkens) in strijd met

- het internationaal gewoonterecht en/of

- het bepaalde in het "gemeenschappelijk" artikel 3 van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en/of

- het bepaalde in (artikel 4 van) het Tweede Aanvullend Protocol bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 betreffende de bescherming van slachtoffers van niet-internationale gewapende conflicten

als deelnemer aan en/of behorende tot één van de strijdende partijen en/of als burger in een niet-internationaal gewapend conflict (tussen de strijdkrachten van de Rwandese staat en het Rwandees Patriottisch Front (RPF)) op plaatsen op het grondgebied van Rwanda (opzettelijk) tezamen en in vereniging met (een) ander(en)

(meermalen) een aanslag op het leven en/of lichamelijke geweldpleging heeft gepleegd tegen (en/of) (in het bijzonder) heeft gedood en/of heeft verminkt en/of wreed (onmenselijk) heeft behandeld en/of heeft gemarteld en/of heeft gedreigd met één of meer van bovengenoemde daden ten aanzien van één of meer perso(o)n(en) die (toen) niet (meer) rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnam(en) (te weten burger(s)),

welk(e) aanslag(en) op het leven en/of doden en/of lichamelijke geweldpleging en/of verminking en/of wrede (onmenselijke) behandeling en/of marteling en/of bedreiging daarmee, hierin bestonden dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen,

- de inzittenden van een ambulance, althans een auto, waaronder [getuige 1] en/of [getuige 2] en/of Dativa (de vrouw van Gerard Muhutu) en/of één of meer van haar kind(eren) en/of Brigitte (de vrouw van Anaclet Munyanziza) en/of één of meer van haar kind(eren) heeft gedwongen, althans opdracht heeft gegeven, te stoppen en/of (vervolgens) zich naar Mugonero te begeven en/of

- tijdens de rit van Birogo naar Mugonero deze ambulance/auto heeft omsingeld en/of omsingeld gehouden en/of (daarbij) wapens (vuurwapens en/of machete(s) en/of knuppel(s) en/of messen) getoond en/of

- (dreigend) op de buitenkant van de ambulance/auto heeft geslagen en/of (dreigend) heeft geschreeuwd en/of (dreigend) heeft gescholden (met woorden als Inkotanyi/kakkerlakken) en/of

- (vervolgens) (in Mugonero) bovengenoemde inzittenden tot uitstappen heeft gedwongen, althans opdracht heeft gegeven uit te stappen en/of

- (dreigend) (voor [getuige 1] hoorbaar) heeft gezegd: "voordat de kakkerlakken gedood worden, moet eerst de chauffeur gedood worden" en/of "We zijn blij dat we deze vrouwen hebben gevonden; we gaan deze mooie vrouwen in de open lucht vermoorden", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of

- (vervolgens) voornoemde Dativa en/of voornoemde Brigitte en/of voornoemde kind(eren) heeft geslagen en/of (neer)gehakt met (een) machete(s) en/of knuppel(s) en/of ander(e) wapen(s) en/of

- (vervolgens) (één of meer van voornoemde kinderen) (na hen aldus geslagen en/of neergehakt te hebben) in het Kivumeer heeft geworpen,

tengevolge waarvan deze Dativa (de vrouw van Gerard Muhutu) en/of één of meer van haar kind(eren) en/of Brigitte (de vrouw van Anaclet Munyanziza) en/of één of meer van haar kind(eren) is/zijn overleden en/of deze [getuige 1] en/of [getuige 2] en/of één of meer van deze kind(eren) (zwaar) lichamelijk letsel heeft/hebben ondervonden

artikel 8 Wet Oorlogsstrafrecht (oud)

subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 13 april 1994, althans op (één) (of meer) tijdstip(pen) in de periode van 6 april 1994 tot 1 juli 1994, in Birogo en/of Mugonero, althans in de provincie (prefectuur) Kibuye, althans in Rwanda,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen

meermalen, althans eenmaal, (telkens) (opzettelijk) (zwaar) heeft mishandeld en/of (opzettelijk) teweeg heeft gebracht een toestand van hevige angst en/of een andere vorm van ernstige geestelijke ontreddering, (bij) (een) perso(o)n(en) die van zijn/haar/hun vrijheid was/waren beroofd,

te weten [getuige 1] en/of [getuige 2] en/of Dativa (de vrouw van Gerard Muhutu) en/of één of meer van haar/hun kind(eren) en/of Brigitte (de vrouw van Anaclet Munyanziza) en/of één of meer van hun kind(eren)

met het oogmerk om bovengenoemde perso(o)n(en) vrees aan te jagen en/of uit minachting voor diens/hun aanspraken op een menselijke gelijkwaardigheid,

terwijl dat feit/die feiten (telkens) de dood van (een) ander(en) tengevolge heeft/hebben gehad

door toen en aldaar

- de inzittenden van een ambulance, althans een auto, waaronder [getuige 1] en/of [getuige 2] en/of Dativa (de vrouw van Gerard Muhutu) en/of één of meer van haar kind(eren) en/of Brigitte (de vrouw van Anaclet Munyanziza) en/of één of meer van haar kind(eren), bij Birogo tot stoppen te dwingen en/of

- te dwingen, althans opdracht te geven, zich naar Mugonero te begeven en/of

- tijdens de rit van Birogo naar Mugonero deze ambulance/auto te omsingelen en/of omsingeld te houden en/of (daarbij) wapens (vuurwapens en/of machete(s) en/of knuppel(s)) te tonen en/of (dreigend) op de buitenkant van de ambulance/auto te slaan en/of (dreigend) te schreeuwen en/of (dreigend) te schelden (met woorden als Inkotanyi/kakkerlakken) en/of

- (vervolgens) de inzittenden van deze ambulance/auto in Mugonero tot uitstappen te dwingen, althans opdracht te geven om uit te stappen en/of

- (dreigend) (voor [getuige 1] hoorbaar) te zeggen: "voordat de kakkerlakken gedood worden, moet eerst de chauffeur gedood worden" en/of "We zijn blij dat we deze vrouwen hebben gevonden; we gaan deze mooie vrouwen in de open lucht vermoorden", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of

- (vervolgens) hen te dwingen, althans opdracht te geven, op een rij te gaan staan (terwijl zij omsingeld werden (gehouden)) en/of

- hen (aldus) in een situatie te brengen waarin zij langdurig voor hun leven en/of het leven van hun familie en/of vrienden en/of bekenden hebben moeten vrezen en/of

- (vervolgens) Dativa (de vrouw van Gerard Muhutu) en/of één of meer van haar kind(eren) en/of Brigitte (de vrouw van Anaclet Munyanziza) en/of één of meer van haar kind(eren) te slaan en/of (neer) te hakken met (een) machete(s) en/of knuppel(s) en/of ander(e) wapen(s) en/of

- één of meer van voornoemde kinderen (na hen aldus geslagen en/of neergehakt te hebben) in het Kivumeer te werpen

tengevolge waarvan deze Dativa (de vrouw van Gerard Muhutu) en/of één of meer van haar kind(eren) en/of Brigitte (de vrouw van Anaclet Munyanziza) en/of één of meer van haar kind(eren) is/zijn overleden

terwijl deze gedragingen van dien aard waren dat zij het beoogde doel konden bevorderen en

(tijdens en of in de weken en of maanden voorafgaand aan de tenlastegelegde periode in Rwanda) werden uitgelokt door

- giften en/of

- beloften en/of

- misbruik van gezag en/of

- geweld en/of

- bedreiging en/of

- misleiding en/of

- door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen

- (in elk geval door gebruikmaking van een der in artikel 47 eerste lid, onder 2 van het Wetboek van strafrecht vermelde middelen) en/of

opzettelijk werden toegelaten door

(een of meer) ambtena(a)r(en) of anderszins ten dienste van de Rwandese overheid werkzame perso(o)n(en) in de uitoefening van zijn/hun functie te weten:

- Eén of meer leden van de regering, waaronder Jean Kambanda als premier en/of Eliézer Niyitegeka als minister van Informatie en/of - (Eén of meer leden van) de strijdkrachten van de Rwandese staat en/of

- Clément Kayishema als prefect van Kibuye en/of

- Charles Sikubwabo als burgemeester van Gishyita en/of

- Mikaeli Muhimana als conseiller van Gishyita en/of

- andere burgemeesters en/of

- prefecten en/of

- (andere) overheidsvertegenwoordigers

(zijnde (een) ambtena(a)r(en) en/of (een) andere ten dienste van de (Rwandese) overheid werkzame perso(o)n(en))

welk uitlokken en/of toelaten hierin bestond dat:

a) deze personen (tezamen en in vereniging) (publiekelijk)

- hebben opgeroepen tot en/of instructies hebben gegeven en/of wapens hebben gegeven en/of vervoersmiddelen hebben geleverd voor geweld tegen de Tutsi bevolkingsgroep en/of

- publiekelijk de boodschap hebben uitgedragen dat Tutsi's handlangers zijn van de RPF, althans vijanden en/of

- zelf hebben deelgenomen aan dat geweld en/of

- de aanvallers van Tutsi's structureel onbestraft hebben gelaten en/of

- (één of meer) Hutu's die weigerden deel te nemen aan het geweld tegen Tutsi's hebben bestraft of/en laten bestraffen en/of hebben gedreigd hen te bestraffen;

- (en aldus misbruik hebben gemaakt van hun (overheids)positie om in (geheel) Rwanda, althans de prefectuur Kibuye, Hutu's aan te zetten tot haat en/of geweld tegen de Tutsi bevolkingsgroep)

en/of

b) (een of meer) leden van de strijdkrachten van de Rwandese staat aanwezig waren bij de boven beschreven handelingen tegen de inzittenden van de ambulance/auto en niet ingrepen;

artikel 2 aanhef sub b jo artikel 1 van de Uitvoeringswet Folteringsverdrag

Feit 2

hij op of omstreeks 15 en/of 16 en/of 17 april 1994, althans op (één) (of meer) tijdstip(pen) in de periode van 6 april 1994 tot 1 juli 1994, in Mugonero, althans in de provincie (prefectuur) Kibuye, althans in Rwanda,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en)

(telkens) de wetten en de gebruiken van de oorlog heeft geschonden,

- terwijl van dat feit/die feiten (telkens) de dood of zwaar lichamelijk letsel van (een) ander(en) te duchten was en/of

Volledige tekst

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers 09/750009-06 en 09/750007-07

Datum uitspraak: 23 maart 2009

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte:

Joseph [M.],

geboren te [geboorteplaats] (Rwanda) op [geboortedatum]1968,

adres: [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haaglanden, Penitentiair Complex Scheveningen Huis van Bewaring Unit 2.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 13, 14, 16, 17, 20, 21, 23, 24, 27, 28 oktober, 3, 10, 11, 17, 18, 19, 24 november, 1 en 4 december 2008, 2 februari en 9 maart 2009.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. H.C.M. van Bruggen en W.N. Ferdinandusse en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. A.B.G.T. von Bóné, advocaat te Rotterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

Hoofdstuk 1: De beschuldiging en de eis

1. Verdachte staat terecht voor betrokkenheid bij ernstige strafbare feiten die zouden zijn gepleegd in Rwanda in de periode april tot en met juli 1994. Deze feiten zijn omschreven in de dagvaardingen met de parketnummers 09/750009-06 (dagvaarding I)(1) en 09/750007-07 (dagvaarding II)(2). De beide dagvaardingen zijn gevoegd behandeld.

2. De beschuldigingen op dagvaarding I houden kort gezegd het volgende in:

I: Verdachte heeft samen met anderen op of omstreeks 13 april 1994 in Birogo (prefectuur Kibuye) een ambulance tot stoppen gedwongen. Deze ambulance werd bestuurd door [getuige 1] en daarin zaten twee Tutsi-vrouwen (Dativa en Brigitte) met hun kinderen en een meisje met de naam [getuige 2]. Nadat de ambulance had moeten stoppen, heeft verdachte samen met anderen deze gedwongen naar het nabijgelegen Mugonero te rijden. Tijdens deze rit is de ambulance omsingeld door belagers waarbij wapens zijn getoond en is er op de ambulance geslagen. Tevens schreeuwden de mensen die de ambulance omsingelden woorden als 'Inkotanyi'. In Mugonero zijn de inzittenden gedwongen om uit te stappen. Daarbij zijn dreigementen geuit onder meer door te zeggen "Voordat de kakkerlakken gedood worden, moet eerst de chauffeur gedood worden". Vervolgens zijn de twee Tutsi-vrouwen en hun kinderen geslagen/ neergehakt met machetes, knuppels en/of andere wapens. Ten gevolge hiervan hebben alle inzittenden langdurig voor hun leven moeten vrezen, zijn de twee Tutsi-vrouwen en hun kinderen overleden (waarna een aantal van deze kinderen in het Kivumeer is gegooid) en hebben [getuige 1] en [getuige 2] (zwaar) lichamelijk letstel ondervonden.

II: Verdachte heeft samen met anderen op 16 april 1994 in Mugonero met allerlei wapens Tutsi-burgers, waaronder vrouwen en kinderen, die zich op het Zevendedags Adventistencomplex bevonden, aangevallen. Verdachte en anderen hebben op deze burgers geschoten, hen met machetes, knuppels en andere wapens neergehakt en geslagen en traangas geworpen in gebouwen waarin een deel van de Tutsi's zich had verstopt. Aldus zijn deze personen in een situatie gebracht waarin zij langdurig voor hun leven en het leven van hun familie en vrienden en bekenden hebben moeten vrezen. Tengevolge van deze aanval is een groot aantal van hen overleden en hebben één of meer van hen (zwaar) lichamelijk letsel opgelopen.

III: Verdachte heeft samen met anderen op 27 april 1994 in Mugonero aan [getuige 3], haar partner [getuige 4] en hun baby [B1] bij een wegversperring de doorgang geweigerd. Aan hen zijn openlijk wapens getoond en is voor hen hoorbaar geweest dat er gesproken werd in bewoordingen zoals 'kakkerlak(ken)', 'Kijk maar goed naar die Tutsi-vrouw, dat zijn het soort mensen die de president hebben vermoord', 'Wil je soms als een Tutsi worden behandeld', 'Je mag kiezen of je in Kibingo, in Mugonero of in Gishyita gedood wordt', 'Kijk eens hoe slecht die Tutsi's zijn, ze lachen zelfs als we ze gaan doden' en 'Hutu-power'. Ten gevolge hiervan werd [getuige 3] in een situatie gebracht waarin zij langdurig voor haar leven en het leven van haar zoon heeft moeten vrezen, terwijl zij door dit handelen bovendien ernstig in het openbaar werd vernederd. [getuige 4] werd hierbij in een situatie gebracht waarbij hij langdurig moest vrezen voor het leven van zijn partner, [getuige 3], en het leven van zijn zoon, [zoon], terwijl hij door dit handelen bovendien ernstig in het openbaar werd vernederd.

3. De beschuldigingen op dagvaarding II houden kort gezegd het volgende in:

Ia: Verdachte heeft samen met anderen op 13 mei 1994 op of nabij de Muyira heuvel, in het gebied Bisesero, een vrouw genaamd Consolata Mukamurenzi vastgepakt, naar de grond geduwd en tegen haar gezegd: 'Als je niet vertelt waar ze zijn, zullen we jou vermoorden. Als je het wel vertelt, zullen we jou met rust laten.' Vervolgens heeft verdachte tegen zijn mededaders gezegd dat zij haar mochten verkrachten en dat hij hun veiligheid zou garanderen. Zijn mededaders hebben haar toen meermalen verkracht. Vervolgens heeft verdachte een bajonet in haar vagina gestoken en met een vuurwapen kogels in haar rug en hoofd geschoten, tengevolge waarvan zij is overleden.

Ib: Verdachte heeft samen met anderen op 16 april 1994 Marie Mukagatare en Gertrude Mukamana, die op de vlucht voor het grootschalig geweld tegen de Tutsi bevolkingsgroep hun toevlucht hadden genomen tot een kamer van het ziekenhuis van het Adventistencomplex van Mugonero, bedreigd door een vuurwapen op hen te richten. Vervolgens heeft hij tegen hen gezegd: 'Wij hebben jullie al lange tijd gevraagd om seks met ons te hebben. Toen weigerden jullie. Nu kunnen jullie niet meer weigeren.' Vervolgens heeft hij beide vrouwen verkracht en hun keel doorgesneden met een mes, tengevolge waarvan zij zijn overleden.

Ic: Verdachte heeft samen met anderen, op of omstreeks 14 april 1994 in het ziekenhuis van het Adventistencomplex van Mugonero, een vrouw genaamd Kayitesi geslagen, vastgepakt en verkracht.

II: Verdachte heeft samen met anderen, in de periode 6 april tot en met 1 juli 1994 in de prefectuur Kibuye drie kleinkinderen van [getuige 5] en [getuige 6] weggehaald uit het huis van hun grootouders, waarna er niets meer van deze kleinkinderen is vernomen.

4. Al deze feiten zijn - kort gezegd - primair tenlastegelegd als oorlogsmisdrijven (artikel 8 Wet Oorlogsstrafrecht(3), hierna: WOS) en subsidiair als foltering (artikel 1 en 2 Uitvoeringswet Folteringverdrag(4), hierna: UFV).

5. Het Openbaar Ministerie heeft gevorderd dat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van het in dagvaarding II onder 1b tenlastegelegde en wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte de overige tenlastelegde feiten op beide dagvaardingen zoals primair tenlastegelegd, heeft begaan. Het Openbaar Ministerie heeft voorts gevorderd dat de rechtbank verdachte zal veroordelen tot levenslange gevangenisstraf.

Hoofdstuk 2: Rechtsmacht

1. Al deze feiten waren oorspronkelijk aan verdachte ook tenlastegelegd als genocide. Op 24 juli 2007 heeft de rechtbank beslist dat Nederland geen rechtsmacht heeft om verdachte hiervoor te berechten.(5) Het gerechtshof 's-Gravenhage is op 17 december 2007 eveneens tot deze beslissing gekomen.(6) De Hoge Raad heeft de tegen deze beslissing door het Openbaar Ministerie ingestelde cassatie verworpen.(7)

2. De rechtbank zal, hoewel dit punt tijdens de behandeling van de zaak niet tot debat heeft geleid, eerst onderzoeken of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft over de feiten zoals deze thans zijn tenlastegelegd. Zoals zij in voormelde beslissing d.d. 24 juli 2007 heeft overwogen bezit verdachte niet de Nederlandse nationaliteit, evenmin als de in de tenlastelegging genoemde slachtoffers, wordt verdachte verweten dat hij de feiten in Rwanda heeft gepleegd en ontbreekt een ander (specifiek) Nederlands belang.

3. Anders echter dan ten aanzien van het misdrijf genocide heeft de Nederlandse wetgever respectievelijk in de WOS en de UFV voorzien in universele rechtsmacht voor de delicten oorlogsmisdrijven en foltering welke in 1994 zijn gepleegd.

4. Artikel 3 (oud) WOS luidde ten tijde van de tenlastegelegde feiten:

"Onverminderd het te dien aanzien in het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Militair Strafrecht bepaalde is de Nederlandse strafwet toepasselijk:

1°. op ieder, die zich buiten het rijk in Europa schuldig maakt aan een misdrijf omschreven in de artikelen 8 en 9 (...)."

5. De Hoge Raad heeft recentelijk bevestigd dat aan de Nederlandse rechter op grond van deze bepaling voor oorlogsmisdrijven universele rechtsmacht toekomt.

"Vooropgesteld moet worden dat sedert de inwerkingtreding van het Verdrag het handelen in strijd met art. 3 van het Verdrag het in art. 8 WOS omschreven misdrijf oplevert en dat - naar volgt uit de beschikking van de Hoge Raad van 11 november 1997, LJN ZD0857, NJ 1998, 463 - in zodanig geval op grond van art. 3 (oud) WOS aan de Nederlandse rechter zogenoemde universele rechtsmacht toekomt."(8)

6. Artikel 5 UFV luidde ten tijde van de tenlastegelegde feiten:

"De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich buiten Nederland aan een van de in artikelen 1 en 2 van deze wet omschreven misdrijven schuldig maakt."

7. De Hoge Raad heeft in zijn arrest in de zaak-Bouterse over de in de in dit artikel gevestigde universele rechtsmacht voor foltering, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis bij het wetsontwerp UFV, overwogen:

"8.4 (...) dat de wetgever bij de invoering van de rechtsmachtregel van art. 5 Uitvoeringswet folteringverdrag niet verder heeft willen gaan dan waartoe Nederland gehouden is op grond van art. 5, eerste en tweede lid, van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende bestraffing.

8.5. Daaruit volgt dat de vervolging en berechting in Nederland van de vermoedelijke dader van een feit in de zin van de art. 1 en 2 Uitvoeringswet folteringverdrag dat in het buitenland is begaan, alleen mogelijk zijn indien daartoe een in dat Verdrag genoemd aanknopingspunt voor de vestiging van rechtsmacht aanwezig is, bijvoorbeeld omdat de vermoedelijke dader dan wel het slachtoffer Nederlander is of daarmee gelijkgesteld moet worden, of omdat de vermoedelijke dader zich ten tijde van zijn aanhouding in Nederland bevindt."(9)

8. De rechtbank is van oordeel dat deze beperking van de uitoefening van de universele rechtsmacht ook dient te gelden te aanzien van de rechtsmacht voor oorlogsmisdrijven in de gevallen als omschreven onder art. 3 sub 1 (oud) WOS.

9. Inmiddels heeft de wetgever in artikel 2 lid 1 onder a Wet internationale misdrijven (hierna: WIM)(10) de uitoefening van de universele rechtsmacht voor alle in de WIM opgenomen internationale misdrijven (waaronder oorlogsmisdrijven en foltering) beperkt tot die gevallen waarin de verdachte zich in Nederland bevindt. Deze wettelijke bepaling houdt - voor zover van belang - het volgende in:

"Artikel 2:

1. Onverminderd het te dien aanzien in het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Militair Strafrecht bepaalde is de Nederlandse strafwet toepasselijk:

a. op ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een van de in deze wet omschreven misdrijven, wanneer de verdachte zich in Nederland bevindt;

(...)"

10. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de WIM geeft voor deze keuze van de wetgever de volgende redenen:

"Er zijn goede redenen aan te voeren voor de beperking van de universele rechtsmacht tot verdachten die aanwezig zijn op het grondgebied van de staat. Ten eerste wordt berechting bij verstek, zonder enig aanknopingspunt met de zaak (feit gepleegd op het grondgebied, verdachte is onderdaan e.d.), over het algemeen niet juist geacht. Verder kan berechting bij verstek gemakkelijk tot jurisdictieconflicten leiden met staten die wel een aanknopingspunt met de zaak hebben. Deze jurisdictieconflicten kunnen een effectieve internationale samenwerking voor de berechting van internationale misdrijven ondermijnen, onder andere door de regel dat een land dat zelf in een bepaalde zaak vervolging heeft ingesteld, niet zal overgaan tot het verlenen van kleine rechtshulp in diezelfde zaak aan een ander land (zie ten onzent artikel 552l, eerste lid, onder c, Sv)."(11)

11. Verdachte bevond zich ten tijde van het initiëren van onderzoeks- en vervolgingshandelingen jegens hem in Nederland.

12. De rechtbank heeft derhalve op grond van het bepaalde in art. 3 (oud) WOS en art. 5 UFV rechtsmacht terzake van de aan verdachte verweten oorlogsmisdrijven en foltering.

Hoofdstuk 3: Rwanda

Inleiding

1. Tussen 6 april en midden juli 1994 zijn in Rwanda honderdduizenden Rwandezen om het leven gebracht. De schattingen door deskundigen van het aantal slachtoffers lopen uiteen; de meeste komen op zeshonderdduizend tot - het meest waarschijnlijk - achthonderdduizend doden(12), ongeveer 10% van de gehele bevolking. De overgrote meerderheid van de slachtoffers behoorde tot de Tutsi-bevolkingsgroep. Naar schatting is in die 100 dagen 75% van de Rwandese Tutsi's vermoord. Deze massamoord geschiedde, zoals in vele (wetenschappelijke) publicaties onbetwist is vastgesteld en door het Rwanda-tribunaal(13) in een groot aantal vonnissen steeds unaniem is uitgesproken, met het doel de Tutsi-bevolking als zodanig uit te roeien. Er kan dan ook geen twijfel over bestaan dat in deze maanden van 1994 in Rwanda een genocide plaats vond. In de woorden van de Kamer van Beroep van het Rwanda-tribunaal(14): "The fact of the Rwandan genocide is part of world history, a fact as certain as any other, a classic instance of a 'fact of common knowledge'."

2. Gedurende dezelfde ongeveer 100 dagen werd op het grondgebied van Rwanda een gewapend conflict uitgevochten tussen het Rwandese regeringsleger (Forces Armées du Rwanda, hierna FAR) en de strijdkrachten van het Rwandan Patriotic Front (hierna RPF), het voornamelijk uit (nakomelingen van) in voorafgaande decennia uit Rwanda gevluchte Tutsi's bestaande rebellenleger. Het RPF was een gestructureerd en gedisciplineerd leger dat stond onder een verantwoordelijk bevel; het had een erkende commandostructuur met aan het hoofd generaal Paul Kagame.(15)

3. Verdachte verbleef in deze periode in het huis van zijn ouders in Mugonero, een dorp in de préfecture Kibuye in het westen van Rwanda. In dit deel van Rwanda werd niet gevochten tussen eenheden van de RAF en het RPF. In de visie van het Openbaar Ministerie heeft verdachte de hem verweten gedragingen echter wel gepleegd in nauwe samenhang met de oorlog tussen deze strijdende partijen en zijn deze dus oorlogsmisdrijven. Het Openbaar Ministerie verwijt verdachte tevens dat deze misdrijven uitingen waren van de politiek van stelselmatige terreur tegen de Tutsi-bevolking die ook in Mugonero en omgeving in alle hevigheid woedde.

4. De rechtbank zal in dit hoofdstuk een kort exposé geven van de (politiek-)historische achtergrond van het drama dat zich in de periode van 6 april tot midden juli 1994 in Rwanda voltrok. Ook zal zij in grote lijnen het verloop van deze gruwelijke gebeurtenissen schetsen. Zij baseert zich hierbij op zowel publiek toegankelijke bronnen, welke als geschriften onderdeel uitmaken van het strafdossier(16), als op enkele ten behoeve van deze strafzaak opgestelde rapporten.(17) De rechtbank beperkt zich in haar uiteenzetting tot wat onmisbaar is voor een goede waardering van de (context van de) aan verdachte tenlastegelegde feiten. In deze uiteenzetting wordt daarom nauwelijks aandacht besteed aan de rol van internationale actoren (met name Frankrijk, België, de Verenigde Staten, de buurlanden van Rwanda, de (Veiligheidsraad van de) Verenigde Naties en de Organisatie van Afrikaanse Eenheid).

Periode tot 6 april 1994

5. In haar eerste vonnis (in de zaak Akayesu) heeft de Kamer van Berechting van het Rwanda-tribunaal een gedetailleerde uiteenzetting gegeven van de geschiedenis van Rwanda.(18) De rechtbank citeert hieronder (delen van) paragrafen uit dit vonnis over de koloniale periode en het dekolonisatieproces, toegespitst op de verhouding tussen de verschillende bevolkingsgroepen.

"80. Prior to and during colonial rule, first, under Germany, from about 1897, and then under Belgium which, after driving out Germany in 1917, was given a mandate by the League of Nations to administer it, Rwanda was a complex and an advanced monarchy. The monarch ruled the country through his official representatives drawn from the Tutsi nobility. Thus, there emerged a highly sophisticated political culture which enabled the king to communicate with the people.

81. Rwanda then, admittedly, had some eighteen clans defined primarily along lines of kinship. The terms Hutu and Tutsi were already in use but referred to individuals rather than to groups. In those days, the distinction between the Hutu and Tutsi was based on lineage rather than ethnicity. Indeed, the demarcation line was blurred: one could move from one status to another, as one became rich or poor, or even through marriage.

82. Both German and Belgian colonial authorities, if only at the outset as far as the latter are concerned, relied on an elite essentially composed of people who referred to themselves as Tutsi's, a choice which, according to Dr. Alison Desforges, was born of racial or even racist considerations. In the minds of the colonizers, the Tutsi looked more like them, because of their height and colour, and were, therefore, more intelligent and better equipped to govern.

83. In the early 1930s, Belgian authorities introduced a permanent distinction by dividing the population into three groups which they called ethnic groups, with the Hutu representing about 84% of the population, while the Tutsi (about 15%) and Twa (about 1%) accounted for the rest. In line with this division, it became mandatory for every Rwandan to carry an identity card mentioning his or her ethnicity. The Chamber notes that the reference to ethnic background on identity cards was maintained, even after Rwanda's independence and was, at last, abolished only after the tragic events the country experienced in 1994.

85. From the late 1940s, at the dawn of the decolonization process, the Tutsi became aware of the benefits they could derive from the privileged status conferred on them by the Belgian colonizers and the Catholic church. They then attempted to free themselves somehow from Belgian political stewardship and to emancipate the Rwandan society from the grip of the Catholic church. The desire for independence shown by the Tutsi elite certainly caused both the Belgians and the church to shift their alliances from the Tutsi to the Hutu, a shift rendered more radical by the change in the church's philosophy after the second world war, with the arrival of young priests from a more democratic and egalitarian trend of Christianity, who sought to develop political awareness among the Tutsi-dominated Hutu majority.

87. In 1956, in accordance with the directives of the United Nations Trusteeship Council, Belgium organized elections on the basis of universal suffrage in order to choose new members of local organs, such as the grassroots representative Councils. With the electorate voting on strictly ethnic lines, the Hutu of course obtained an overwhelming majority and thereby became aware of their political strength. The Tutsi, who were hoping to achieve independence while still holding the reins of power, came to the realization that universal suffrage meant the end of their supremacy; hence, confrontation with the Hutu became inevitable.

88. Around 1957, the first political parties were formed and, as could be expected, they were ethnically rather than ideologically based. (...)"

6. In november 1959 liepen de politieke spanningen hoog op en kwam het tot een eerste uitbarsting van etnisch geweld. Honderden Tutsi's vonden de dood en vele duizenden Tutsi's zochten hun toevlucht in de omringende landen. De ongeregeldheden resulteerden in het einde van de Tutsi-monarchie en de proclamatie van de (Eerste) Republiek door Grégoire Kayibanda, leider van de Mouvement Démocratique Républicain Parmehutu (hierna: MDR Parmehutu), de verreweg grootste politieke partij, die zichzelf (letterlijk) definieerde als een beweging exclusief van en voor Hutu's. Op 1 juli 1962 werd Rwanda officieel onafhankelijk. Kayibanda werd president.

7. Ook de beginjaren van deze Eerste Republiek werden gekenmerkt door etnisch geweld. De slachtoffers waren voornamelijk Tutsi's. Het MDR Parmehutu-regime stelde overheersing door de Hutu's, het "meerderheidsvolk" (rubanda nyamwinshi) dat immers 85% van de bevolking uitmaakte, gelijk aan democratie en predikte een agressieve en exclusieve Hutu-solidariteit.(19) In deze jaren werden door Tutsi-vluchtelingen regelmatig op kleine schaal guerrilla-aanvallen uitgevoerd in Rwanda. Dit leidde steeds tot vergeldingsacties tegen de Tutsi-bevolking, veelal aangemoedigd door de autoriteiten en/of uitgevoerd door Rwandese legereenheden. Dit geweld dreef opnieuw duizenden Tutsi's in ballingschap. In deze cyclus van geweld, vlucht en gewapende invallen werden in de jaren 1961-1967 ongeveer 20.000 Tutsi's vermoord en vluchtten ongeveer 300.000 Tutsi's naar de omringende landen. Uit deze periode stamt het gebruik onder Hutu's de Tutsi's-invallers "inyenzi", kakkerlakken, te noemen.(20) Ook in deze tijd begonnen Hutu-autoriteiten de in Rwanda woonachtige Tutsi's ervan te beschuldigen dat zij handlangers ("ibyitso") van deze invallers waren.(21) In 1972-1973 volgde opnieuw een periode van hevig etnisch geweld tegen Tutsi's en de vlucht van weer grote aantallen van hen naar de omringende landen.(22)

8. Deze - en ook de latere - ontwikkelingen in Rwanda kunnen niet los worden gezien van die in buurland Burundi, in de woorden van het OAU-rapport: "Its partner on a deadly seesaw".(23) Ook Burundi had een koloniaal bestuur gekend van eerst Duitsland en later België. Ook in Burundi bestond de bevolking voor ongeveer 85% uit Hutu's en 15 % uit Tutsi's. En ook Burundi werd in 1962 onafhankelijk.(24) Anders echter dan in Rwanda bleef in Burundi de Tutsi-minderheid aan de macht. Het OAU-rapport vat de ontwikkelingen in Burundi als volgt samen:

"Since 1962, Burundi's Tutsi minority has dominated successive governments, the army and other security forces, the judiciary, the educational system, the news media, and the business world. In Rwanda, such domination was seen to legitimize the country's own rigid quota system. In Burundi, it has led to a state of almost permanent conflict. The decades-long struggle for power between the elites of the two groups has led to the deaths of hundreds of thousands of Burundians, most of them civilians. Repeated Hutu challenges to Tutsi domination have been followed each time by vicious reprisals by the Tutsi army and police against Hutu civilians that were invariably disproportionate to the original provocation. In the years between independence and the genocide in Rwanda, no fewer than seven giant waves of killings occurred in Burundi: in 1965, 1969, 1972, 1988, 1991, 1992, and 1993."(25)

En over de wisselwerking tussen de ontwikkelingen in beide landen schrijft dit rapport:

"Victimization of the Tutsi in one country was first aggravated by, and then used to justify, persecution of the Hutu in the other country and vice versa. Each act of repression in the one state became the pretext for a renewed round of killing in the other. Such retaliation was fuelled by the constant refugee movements across the shared border, the inflammatory tales told by all who fled, and the eagerness felt by many of them to join in any attempts to wreak revenge from their new refuge. Perhaps refugees were also emboldened by yet another perverse, common characteristic of the two nations: In both countries, massacres by governments went largely unpunished, and a pervasive culture of impunity began to complement the growing culture of violence that was emerging."(26)

9. Voornamelijk regionale tegenstellingen binnen de Hutu-elite leidden in 1973 in Rwanda tot de val van het regime van Kayibanda. Generaal Juvénal Habyarimana, chef-staf van het Rwandese leger, greep de macht en riep de Tweede Republiek uit. In 1975 richtte hij de Mouvement Révolutionnaire National pour le Développement (MRND) in het leven, een partij waarvan iedere Rwandees vanaf de geboorte lid was.(27) Enkele jaren later werd Rwanda ook formeel een één-partij staat. Het regime van Habyarimana maakte een eind aan het etnisch geweld, maar niet aan het beleid van systematische discriminatie tegen de Tutsi's en het bleef Tutsi-bannelingen niet toegestaan terug te keren naar Rwanda. Toen Hutu's uit andere regio's dan die van de president (het noord-westen) steeds meer werden uitgesloten van belangrijke posities in het bestuur en het leger en de economische situatie verslechterde, werd het regime in toenemende mate geconfronteerd met onvrede onder de bevolking en oppositie door dissidente Hutu's.

10. Inmiddels hadden Rwandese bannelingen in Uganda en Kenia (voornamelijk Tutsi's) in december 1987 het RPF opgericht. De doelstellingen van het Front, een politieke organisatie met een militaire vleugel, waren verzekering van het recht van alle Tutsi-bannelingen terug te keren naar Rwanda en beëindiging van het één-partij regime van Habyarimana.(28) Op 1 oktober 1990 vielen vanuit Uganda enkele duizenden RPF-strijders (het noordoosten van) Rwanda binnen. Daarmee begon een gewapende strijd tussen de troepen van het RPF en het Rwandese leger, die - weliswaar onderbroken door onderhandelingen en wapenstilstanden - voortduurde tot juli 1994. De aanval van 1 oktober 1990 werd door het regeringsleger succesvol afgeslagen en het RPF slaagde er ook daarna (in de periode tot 6 april 1994) niet in een groot deel van het grondgebied van Rwanda blijvend te veroveren. Maar, in de woorden van het OAU-rapport:

"Even those sympathetic to the invaders' cause acknowledge that the attack triggered a series of pivotal consequences that ultimately led, step by step, to the genocide. In the words of one human right group, "...it is beyond dispute that the invasion ... was the single most important factor in escalating the political polarization of Rwanda."(29)

11. De militaire operaties van het RPF in voornamelijk het noordoosten van Rwanda, welke gepaard gingen met misdrijven tegen de burgerbevolking, genereerden, in samenhang met een cynische anti-Tutsi propaganda door de Rwandese regering een grote stroom Hutu-vluchtelingen naar het centrum van Rwanda. In 1990 waren dit er ongeveer 300.000, in begin 1993, na een nieuwe grootschalige RPF-aanval, nog eens ongeveer 1 miljoen.(30) Het OAU-rapport beschrijft hoe de invasie en de guerrillaoorlog de invloed van radicale Hutu-facties in de regering en het leger versterkten, de reeds grote economische problemen verergerden en bovenal geloofwaardigheid gaven aan de op machtsbehoud gerichte etnische strategie van het regime(31), meer in het bijzonder de kleine kring rond Habyarimana welke bekend stond als de Akazu (het kleine huis)(32):

"The invasion gave an ethnic strategy immediate credibility. The carefully inculcated fears about Tutsi conspiracies - fears about alleged plots to regain control of the republic and launch merciless attacks on all Hutu - that had been dormant for so many years were deliberately revived. The nation was reminded that the Tutsi were, from the first, the "other"; they were all alien invaders. Was is therefore not self-evident that all Tutsi were accomplices of the invaders? Any question of class or geographical division among Hutu had to be submerged in a common front against the devilish intruders. It was not difficult for the government to exploit its own failures in order to rally the majority behind them. In a country where so many had so little land, it took little ingenuity to convince Hutu peasants that the newcomers would reclaim lands they had left long before and on which Hutu farmers had immediately settled."(33)

12. Vanaf oktober 1990 werden regelmatig bloedbaden aangericht onder Tutsi's. Het OAU-rapport meldt hierover:

"On virtually each occasion, they were carefully organized. On each occasion, scores of Tutsi were slaughtered by mobs and militiamen associated with different political parties, sometimes with the involvement of the police and army, incited by the media, directed by local government officials, and encouraged by some national politicians."(34)

Hier is reeds zichtbaar wat zich vanaf 6 april 1994 in volle omvang zou tonen: massamoorden op Tutsi's louter vanwege hun etniciteit, georganiseerd en gestimuleerd door de autoriteiten, uitgevoerd door Hutu-burgers en milities, daartoe aangezet door een giftige anti-Tutsi-propaganda en bijgestaan door politie en leger.

13. In juni 1991 werd president Habyarimana, geconfronteerd met de oorlog met het RPF, groeiende politieke onvrede, verdere economische verslechtering en zware internationale politieke druk - Rwanda was militair afhankelijk van Frankrijk en economisch van verschillende donorlanden - gedwongen de vorming van oppositiepartijen toe te staan en vredesonderhandelingen te beginnen met het RPF. In april 1992 werd een regering gevormd bestaande uit de MRND (inmiddels Mouvement Révolutionnaire National pour la Démocratie et le Développement (MRNDD) geheten) en enkele voormalige oppositiepartijen. De MRNDD was daarin de grootste partij, maar wel een minderheid. Mede als reactie op deze ontwikkelingen vormden radicale Hutu de Coalition pour la Défense de la République (CRD), een partij die zich nog extremer opstelde dan Habyarimana, bij verschillende gelegenheden fel tegen hem opponeerde en hierdoor grote invloed uitoefende op de MRNDD. Ondanks deze kritiek werkten CRD en MRNDD ook vaak samen.(35)

14. De nieuwe regering voerde vanaf juni 1992 in Arusha (Tanzania) onderhandelingen met het RPF over een vredesregeling en een nieuwe machtsverdeling in Rwanda. Dit leidde tot deelakkoorden over de repatriëring van vluchtelingen, de integratie van de strijdkrachten van de FAR en het RPF en, op 4 augustus 1993, tot de ondertekening van een definitief akkoord op grond waarvan een brede overgangsregering gevormd zou gaan worden van de MRNDD, de voormalige oppositiepartijen en het RPF.(36) Deze aan Habyarimana afgedwongen akkoorden stuitten op fel verzet bij de Akazu, voor wie uitvoering van de akkoorden verlies van macht zou betekenen, en de CRD en versterkten de polarisatie in het land. Bijna alle voormalige oppositiepartijen spleten uiteen in gematigde en zogenoemde Hutu Power-vleugels, welke laatste zich schaarden aan de zijde van de verder radicaliserende MRNDD en de CDR.

15. Op 23 oktober 1993 werd in Burundi de kort daarvoor democratisch gekozen eerste Hutu-president Melchior Ndandaye door Tutsi-militairen van het Burundese leger vermoord. In de bloedbaden die daarop volgden werden naar schatting 50.000 Burundezen, zowel Hutu's als Tutsi's, vermoord en ontvluchtten een kleine 1 miljoen Hutu's het land, zeer velen van hen naar Rwanda. Deze gebeurtenissen gaven opnieuw voedsel aan de vrees onder Rwandese Hutu voor (overheersing door) Tutsi's, welke vrees door tegenstanders van de in Arusha overeengekomen machtsverdeling met het RPF volledig werd uitgebuit. President Habyarimana's eigen MRNDD en de CDR stelden de Arusha-akkoorden in een gemeenschappelijke verklaring aan de kaak als "verraad".(37) De strijd tussen de aanhangers van Hutu Power en gematigden, die implementatie van de Arusha-akkoorden nastreefden, werd heviger en gewelddadiger.(38)

16. Er is een overweldigende hoeveelheid bewijs voor de vaststelling dat Hutu-extremisten vanaf 1990 de Hutu-bevolking voortdurend en systematisch hebben aangezet tot haat tegen hun Tutsi-landgenoten.(39) De rechtbank citeert hier wederom het OAU-rapport:

"A constant barrage of virulent anti-Tutsi hate propaganda began to fill the air. It was designed to be inescapable, and it succeeded. From political rallies, government speeches, newspapers, and a flashy, new radio station, poured vicious, pornographic, inflammatory rhetoric designed to demonize and dehumanize all Tutsi. With the active participation of well-known Hutu insiders, some of them at the university, new media were founded that dramatically escalated the level of anti-Tutsi demagoguery."(40)

17. Berucht waren publicaties in de krant Kangura. In december 1990 verscheen daarin een artikel onder de titel "Beroep op het geweten van de Hutu's". Het artikel opende met de stelling dat de Tutsi-extremisten die in oktober Rwanda hadden aangevallen (dat wil zeggen het RPF) vertrouwden op de steun van "van infiltranten in het land en de medeplichtigheid van Tutsi's in het land". Vervolgens werden de Tutsi's afgeschilderd als bloeddorstig en machtsbelust en de Hutu's opgeroepen ferm en waakzaam te zijn tegen de Tutsi-vijand "die onder ons is en zijn tijd afwacht om ons op een geschikt moment te decimeren";(41) het artikel eindigt met de "Tien geboden voor de Hutu's", waarin onder meer wordt opgeroepen geen medelijden meer te hebben met de Tutsi's. Ook in veel latere artikelen in Kangura werden de - dus: alle - Tutsi's afgeschilderd als "inyenzi" (kakkerlakken), "inkotanyi" (leden van de RPF), "ibyitso" (handlangers); vijanden waartegen de Hutu zich moest verdedigen zonder genade te tonen.(42)

18. Dezelfde boodschap werd vanaf midden 1993 uitgedragen in uitzendingen van het mede door enkele leden van de Akazu opgerichte en heel snel zeer populair geworden radiostation Radio-Télévision Libre des Milles Collines (RTLMC). Dit radiostation werd door de CDR gebruikt om propaganda te verspreiden.(43) Volgens deskundige Des Forges speelde dit radiostation "de belangrijkste rol bij het overtuigen van Rwandezen dat Tutsi's vijanden waren die geëlimineerd moesten worden".(44)

19. Ook partijbijeenkomsten vormden een podium voor het verkondigen van de boodschap dat alle Tutsi's ibyitso waren van het RPF en dat de Hutu's zich tegen hen moesten verdedigen. In een bewaard gebleven toespraak van een vice-president van de MRNDD, Léon Mugesera, tegen partijmilitanten is het volgende te horen:

"En wat gaan we doen aan die medeplichtigen (ibyitso) hier die hun kinderen naar de RPF sturen? Waarom wachten we en ontdoen we ons niet van deze families? (...) We moeten zelf verantwoordelijkheid nemen en dit schorem uitroeien... De fatale fout die we maakten in 1959 was om ze [de Tutsi's's] weg te laten komen... Ze horen in Ethiopië en we hebben een korte weg terug voor ze, door ze in de Nyabarongo rivier te gooien... Ik benadruk dit punt. We moeten handelen. ...Roei ze allemaal uit!"(45)

Een aankondiging van de komende genocide.

20. Een opvallend element in de anti-Tutsi-propaganda was de voortdurende waarschuwing aan Hutu-mannen zich niet te laten verleiden door Tutsi-vrouwen. Tutsi-vrouwen, zo was de boodschap, waren het geheime seksuele wapen dat de inkotanyi inzetten om Rwanda te veroveren en volgens het eerste van de hierboven genoemde "Tien geboden" was iedere Hutu-man die een Tutsi-vrouw huwde, haar tot zijn concubine maakte of haar als secretaresse in dienst nam een verrader.(46)

21. Na de overgang naar een meerpartijensysteem (zie hierboven in paragraaf 13) richtten enkele politieke partijen aan hen gelieerde jongerengroepen op. De jongerenbeweging van de MRND(D) werd Interahamwe ("zij die tezamen staan" dan wel "zij die tezamen aanvallen") genoemd. Deze groepen hielpen bij het organiseren van partijbijeenkomsten, zorgden voor publiciteit en verspreidden propagandamateriaal. In het sterk gepolariseerde en toenemend gewelddadige politieke klimaat werden de jongerengroepen ook steeds vaker ingezet als knokploegen om bijeenkomsten van rivaliserende partijen te verstoren en leden daarvan aan te vallen. Gaandeweg breidden de Interahamwe hun gewelddadige acties uit tot aanvallen op Tutsi-burgers, georganiseerd door de autoriteiten en uitgevoerd in samenwerking met soldaten.(47) Vanaf 1992 werden bovendien door het leger, dat volledig onder controle stond van Hutu-extremisten, militaire trainingen gegeven aan Interahamwe en werden onder hen wapens en munitie gedistribueerd. De Interahamwe werd zo een gewapende militie die ingezet werd tegen politieke tegenstanders (gematigde Hutu's) en Tutsi-burgers. De jeugdbeweging van de CRD, de Izapuzamugambi ('zij die hetzelfde doel hebben' danwel 'zij die één doel hebben'), speelde een soortgelijke rol.

22. Vanaf oktober 1990 begonnen politieke en militaire leiders te spreken over de noodzaak van burgerzelfverdediging tegen een mogelijk verder oprukken van het RPF-leger. Begin 1994 stelde een commissie van legerofficieren een geheim plan van aanpak hiervoor op, genaamd Organisation de l' Auto-Défence Civile. Centraal daarin stond dat het leger en de burgerlijke autoriteiten in geval van hervatting van de gewapende strijd zouden samenwerken met leiders van de MRND en de daarmee geallieerde partijen (en dus ook de milities daarvan)(48) bij het mobiliseren en bewapenen van de burger (lees: de Hutu-bevolking). Al dan niet in het kader van dit plan werden in de jaren 1993 en 1994 op grote schaal vuurwapens verspreid aan de gemeenten en werden er in de periode van januari 1993 tot en maart 1994 3.385.000 kilogram machetes geïmporteerd, hetgeen ruim de dubbele hoeveelheid was van voorgaande jaren.(49)

23. Rwanda stond van oudsher bekend om zijn sterk hiërarchisch gestructureerd, fijnmazig en in administratief opzicht uitermate efficiënt bestuursapparaat. Het land was opgedeeld in 11 prefecturen, met elk aan het hoofd een préfect die zijn instructies kreeg van de regering (meer in het bijzonder de minister van binnenlandse zaken). Op zijn beurt gaf de préfect instructies aan zijn sub-préfecten en bourgméstres, die veelal zowel politiek leider als bestuurder waren van de communes in zijn préfecture.(50) De burgemeesters instrueerden vervolgens de conseillers van de secteurs binnen hun gemeenten. Deze secteurs waren op hun beurt weer opgedeeld in cellules (700 à 1000 personen per cellule) met elk een chef de cellule aan het hoofd.(51)

24. Rwanda stond van oudsher er ook om bekend dat de bevolking zeer gezagsgetrouw was.(52) Deze extreme cultuur van gehoorzaamheid aan hogere autoriteiten leidde ertoe dat Rwandezen gewoon waren alle orders van hogerhand volgzaam uit te voeren. Zeker onder het regime van Habyarimana was er een strikte gehoorzaamheid onder meer bij het uitvoeren van ontwikkelingsgerelateerde activiteiten tot op het laagste niveau van de administratieve organisatie van het land, de lokale gemeenschap.(53) Sommigen hebben dit, aldus het OAU-rapport, wel beschreven als "a culture of blind obedience".(54)

6 april -midden juli 1994

25. Begin april 1994 waren de Arusha-akkoorden nog steeds niet geïmplementeerd en president Habyarimana - zijn land geteisterd door politiek geweld en economisch aan de rand van een bankroet(55) - stond onder zware internationale druk dit alsnog te doen. Op 6 april 1994 reisde hij af naar Dar es Salaam (Tanzania) voor een ontmoeting hierover met staatshoofden van de omringende landen. Toen hij diezelfde avond naar huis terugkeerde werd zijn vliegtuig dat net de daling naar het vliegveld van Kigali had ingezet, neergeschoten door een vanaf de grond afgevuurde raket. Het vliegtuig stortte neer op het terrein van zijn presidentiële paleis. Alle inzittenden, waaronder president Ntaryamira van Burundi en enkele belangrijke medewerkers van president Habyarimana, kwamen om het leven. Tot op heden is niet opgehelderd wie verantwoordelijk was voor het neerschieten van het vliegtuig.(56)

26. Wat daarna gebeurde is als volgt kort samengevat in de uitspraak van de Kamer van Berechting van het Rwanda-tribunaal in de zogenoemde 'Media-trial'(57):

"On 6 April, the plane carrying President Habyarimana was shot down, a crime for which responsibility has not been established. Within hours, killings began. Soldiers and militia began systematically slaughtering Tutsi's. The Presidential Guard, backed by militia, murdered government officials and leaders of the political opposition. On 7 April 1994, the RPF renewed combat with government forces. (...)

On 9 April 1994, an interim government was sworn in, with Jean Kambanda as Prime Minister. A meeting of prefects took place on 11 April, and on 12 April the Minister of Defence appealed through the radio for Hutu unity, saying partisan interests must be set aside in the battle against the common enemy, the Tutsi's. On 16 April, the military chief of staff and the prefet best known for opposing the killings were replaced. This prefet was later executed. Three bourgmestres and a number of other officials who sought to stop the killings were also killed, in mid-April or shortly after. In the instructions given to the population, killing was known as "work", and machetes and firearms were described as "tools". In the first days of killing, assailants sought out and killed targeted individuals, Tutsi's and Hutu political opponents. Roadblocks were set up to catch Tutsi's trying to flee. Subsequently a different strategy was implemented: driving Tutsi's out of their homes to churches, schools, or other public sites where they were then massacred in large-scale operations. In mid-May the strategy turned to tracking down the last surviving Tutsi's, who had successfully hidden in ceilings, holes, or the bush, or who had been protected by their status in the community. Throughout the killing, Tutsi's women were often raped, tortured and mutilated before they were killed."

27. De genocide was, zoals hieruit kan worden afgeleid, geen spontane uitbarsting van etnisch geweld, maar een door de overheid georganiseerde massamoord op een deel van de eigen bevolking met het doel die bevolkingsgroep voor eens en voor altijd uit te roeien. Het OAU-rapport beschrijft dit als volgt:

"(...) A clique of Rwandan Hutu consciously intended to exterminate all Tutsi in the country, specifically including women and children so that no future generations would ever appear. (...)"(58)

En:

"(...) The Rwandan genocide did not occur by chance. It demanded an overall strategy, scrupulous planning and organization, control of the levers of government, highly motivated killers, the means to butcher vast numbers of people, the capacity to identify and kill the victims, and tight control of the media to disseminate the right messages both inside and outside the country. This diabolical machine had been created piecemeal in the years after the 1990 invasion, accelerating in the second half of 1993 with the signing of the Arusha accords and the assassination in Burundi by Tutsi soldiers of its democratically-elected Hutu President. In theory at least, everything was ready and waiting when the President's plane went down."(59)

28. Hoewel de voorbereidingen voor het burgerzelfverdedigingsprogramma nog niet waren afgerond toen de strijd op 7 april 1994 aanwakkerde, waren de richtlijnen duidelijk genoeg om het proces in werking te kunnen zetten: de interim-regering, de leger- en burgerautoriteiten (het regionale en lokale gezagsapparaat), politieke partijen, de milities en de media werkten nauw samen: als eenheid.(60) De interim-regering (Hutu-power leiders) gaven prefecten opdrachten, die op hun buurt de instructies doorgaven aan de bourgemestres. Deze burgemeesters instrueerden op hun buurt de conseillers en chefs de cellules van respectievelijk de secteurs en de cellules, die de instructies tenslotte doorgaven aan de bevolking die op deze wijze de manschappen inbrachten.(61) Daarnaast gebruikten de politieke leiders hun autoriteit en macht om hun milities te verzamelen en van wapens te voorzien en het land in te sturen daar waar zij nodig waren.(62) Ook hoge militairen stuurden de gendarmes en de milities in een zeer efficiënte manier naar die gedeeltes van het land waar hun inzet nodig was.(63) Daarnaast brachten de leden van de strijdkrachten militaire know-how in.

29. De propaganda van de regering werd ook na 6 april 1994 in alle hevigheid voortgezet. De radio-uitzendingen bleven oproepen tot haat tegen de Tutsi-bevolking. De uitzendingen van RTLM werd zeer druk beluisterd. De radio werd ook op grote schaal gebruikt om instructies te geven aan onder meer de Interahamwe. Opvallend in de radio-oproepen was het taalgebruik wat moest onderstrepen dat het land belegerd werd; Hutu's werden daarom opgeroepen "zichzelf te verdedigen" door hun "gereedschappen" te gebruiken bij hun "werk" tegen "de medeplichtigen van de vijand".(64) De Kamer van Berechting van het Rwanda-tribunaal heeft over de uitzendingen van RTLM in de 'Media-trial' als volgt geoordeeld:(65)

"486. The Chamber finds that RTLM broadcasts engaged in ethnic stereotyping in a manner that promoted contempt and hatred for the Tutsi population. RTLM broadcasts called on listeners to seek out and take up arms against the enemy. The enemy was identified as the RPF, the Inkotanyi, the Inyenzi, and their accomplices, all of whom were effectively equated with the Tutsi ethnic group by the broadcasts. After 6 April 1994, the virulence and the intensity of RTLM broadcasts propagating ethnic hatred and calling for violence increased. These broadcasts called explicitly for the extermination of the Tutsi ethnic group."

30. Overal in Rwanda werden wegversperringen opgericht. Uit zowel de recente uitspraak van de Kamer van Berechting van de Rwanda-tribunaal in de zaak Bagosora e.a. ('Military I'), als de rapporten van Des Forges(66) en Clingendael blijkt dat er een onderscheid dient te worden gemaakt tussen wegversperringen opgericht door het leger en de overige wegversperringen die werden opgericht door burgerlijke autoriteiten dan wel burgers al dan niet met toestemming van de autoriteiten. De wegversperringen opgericht en bemand door het leger bevonden zich dichtbij de frontlinie/ legerposities.(67) De overige wegversperringen waren het meest gevaarlijk en dienden uitsluitend om vluchtende Tutsi's aan te houden en vervolgens standrechtelijk te elimineren. De selectie van Tutsi's was voornamelijk gebaseerd op identiteitsbewijzen.(68)

31. Talloze Hutu's waren de gewillige uitvoerders van het genocidale beleid van de overheid. Volgens de deskundige Des Forges was angst de grootste drijfveer voor deelname van gewone Rwandezen in de aanval op de Tutsi's. Een angst die gebaseerd was op de wijdverspreide en onjuiste veronderstelling dat alle Tutsi's vanzelfsprekend aanhangers zouden zijn van het RPF en bereid zouden zijn het RPF te sturen bij zijn militaire opmars.(69)

32. Op het slagveld ondertussen verliep de strijd tussen de FAR en het RPF desastreus voor het regeringsleger. Vanuit zijn noordoostelijke basis veroverde het RPF-leger in korte tijd grote delen van het grondgebied van Rwanda. Op 4 juli nam het Kigali in.(70) Medio juli was de tegenstand van de RAF definitief gebroken, ontvluchtte de interim-regering het land en kondigde het RPF een staakt-het-vuren af. De op 1 oktober 1990 begonnen burgeroorlog eindigde in een totale overwinning van het RPF. De opmars van het RPF-leger naar het westen (waaronder de prefecture Kibuye) en zuidwesten van het land werd voorlopig nog gestuit door de aanwezigheid (vanaf eind juni) van een door Frankrijk geleide troepenmacht in de door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties goedgekeurde Opération Turquoise, welke tot doel had in dit deel van Rwanda een beveiligde zone te vestigen. Vanaf eind augustus, na het vertrek van de buitenlandse troepen, kwam ook dit (laatste) deel van Rwanda onder het gezag van het RPF.

33. De rechtbank zal later in dit vonnis uitvoerig aandacht besteden aan de verwevenheid van (het verloop van) de burgeroorlog en de genocide en de betekenis daarvan voor de beantwoording van de vraag of verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan oorlogsmisdrijven. Zij maakt er hier reeds melding van dat de Kamer van Berechting van het Rwanda-tribunaal zich in haar eerste vonnis (de zaak Akayesu) expliciet de vraag heeft gesteld of, zoals in sommige kringen werd betoogd,(71) de massaslachtingen onder de Tutsi's(72) alleen maar onderdeel uitmaakten van de oorlog tussen de RAF en het RPF. In de paragrafen 127 en 128 heeft zij deze vraag als volgt beantwoord:

"127. Finally, in response to the question posed earlier in this chapter as to whether the tragic events that took place in Rwanda in 1994 occurred solely within the context of the conflict between the RAF and the RPF, the Chamber replies in the negative, since it holds that the genocide did indeed take place against the Tutsi's group, alongside the conflict. The execution of this genocide was probably facilitated by the conflict, in the sense that the fighting against the RPF forces was used as a pretext for the propaganda inciting genocide against the Tutsi's, by branding RPF fighters and Tutsi's civilians together, through dissemination via the media of the idea that every Tutsi's was allegedly an accomplice of the Inkotanyi. Very clearly, once the genocide got under way, the crime became one of the stakes in the conflict between the RPF and the RAF. In 1994, General Kagame, speaking on behalf of the RPF, declared that a cease fire could possibly not be implemented until the massacre of civilians by the government forces had stopped.

128. In conclusion, it should me stressed that although the genocide against the Tutsi's occurred concomitantly with the above-mentioned conflict, it was, evidently, fundamentally different from the conflict. The accused himself stated during his initial appearance before the Chamber, when recounting a conversation he had with one RAF officer and Silas Kubwimana, a leader of the Interahamwe, that the acts perpetrated by the Interahamwe against Tutsi's civilians were not considered by the RAF officer to be a nature to help the government armed forces in the conflict with the RPF. Note is also taken of the testimony of witness KK which is in the same vein. This witness told the Chamber that while she and the children were taken away, an RAF soldier allegedly told persons who were persecuting her that "instead of going to confront the Inkotanyi at the war front, you are killing children, although children know nothing; they have never done politics". The Chamber's opinion is that the genocide was organized and planned not only by members of the RAF, but also by the political forces who were behind the "Hutu-power", that it was executed essentially by civilians including the armed militia and even ordinary citizens, and above all, that the majority of the Tutsi's victims were non-combatants, including thousands of women and children, even foetuses. The fact that the genocide took place while the RAF was in conflict with the RPF, can in no way be considered as an extenuating circumstance for it."(73)

34. Het OAU-rapport schrijft in dit verband: "For three weeks, the conspirators attempted to hide the rural genocide from the outside world. Shrewd manipulators of the media, the Hutu Power leaders blamed the carnage on civil war, which confused foreign correspondents who knew little about the real situation."(74)

35. Des Forges heeft hierover opgemerkt dat vanaf het begin de oorlog verweven was met genocide omdat de overheidsambtenaren de vijand eerder in etnische dan in zuiver politieke of militaire termen omschreef.(75) Het Clingendael-rapport spreekt in dit verband van een politicide: gedurende de eerste fase van de genocide werd aan de hand van lijsten de gehele politieke oppositie (ongeacht hun etnische afkomst) vermoord. Omdat dit zich afspeelde ten tijde van de strijd tussen het oprukkende rebellenleger van de RPF en het regeringsleger FAR, konden de moorden langere tijd worden voorgesteld en verdedigd als 'onbedoelde' neveneffecten van de oorlog. Deze mystificatie van de werkelijkheid werd maandenlang als dekmantel door de interim-regering aan de buitenwereld gepresenteerd.(76)

36. De snelle opmars van het RPF, zoals hiervoor omschreven in paragraaf 32, en de daaropvolgende totale ineenstorting van het Hutu-bewind dreef miljoenen Hutu's op de vlucht, ongeveer 2 miljoen van hen vluchtten naar de buurlanden, velen naar Zaïre.(77) Eén van hen was Joseph M.

Hoofdstuk 4: De persoon van de verdachte

1. Verdachte is op 1 juli 1968 geboren in [geboorteplaats](Rwanda) als zoon van Eli Murakaza en [F1]. Op zeer jonge leeftijd is hij verhuisd naar Mugonero in de préfecture Kibuye in het westen van Rwanda. Hij heeft één broer (Obed Ruzindana) en acht zussen ([F2], [F3], [F4], [F5], [F6], [F7], [F8] en [F9]). Zijn vader was oorspronkelijk bourgmestre van [geboorteplaats], maar na een auto-ongeluk waarbij hij gehandicapt is geraakt, is hij een (handels)onderneming in Mugonero gestart. Het gezin is Hutu.

2. Verdachte heeft de basisschool deels doorlopen op het Zevendedags Adventistencomplex te Mugonero en is daarna naar een internaat in Kigali gegaan voor zijn middelbare schoolopleiding. Na de middelbare school heeft hij drie jaar bouwkunde gestudeerd in Bari (Italië).

3. Verdachte is eind 1992 teruggekeerd naar Rwanda. Hij ging werken in de onderneming van zijn vader en verbleef daarvoor afwisselend in Mugonero en Kigali. De onderneming van Elie Murakaza omvatte onder meer een winkel in het centrum van Mugonero, een koffie-exportonderneming in Kigali en koffie- en bananenplantages in de omgeving van Mugonero. In de winkel werden onder andere levensmiddelen, huisraad en bouwproducten verkocht. Verdachte bediende de klanten in de winkel in Mugonero, kocht de winkelvoorraad in en inspecteerde, samen met zijn vader, de diverse plantages in de omgeving.

4. De familie Murakaza was zeer welvarend en stond in hoog aanzien bij de bevolking van Mugonero en omstreken.

5. Medio juli 1994 is verdachte via Zaïre gevlucht naar Kenia. Zijn broer en een aantal zussen zijn in die periode ook naar het buitenland gevlucht. Op 20 september 1996 werd Obed Ruzindana in Nairobi (Kenia), in aanwezigheid van [verdachte], aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij de genocide. Ruzindana werd op 21 mei 1999 door de Kamer van Berechting van het Rwanda-tribunaal veroordeeld tot 25 jaar gevangenisstraf wegens genocide(78), welk vonnis is bevestigd door de Kamer van Beroep(79). Hij zit momenteel zijn straf uit in Mali. Eén van de zussen van verdachte, [F2], een voormalig rechter in Kigali, is door de rechtbank van Gitarama (Rwanda) veroordeeld tot de doodstraf wegens misdrijven gepleegd tijdens de genocide. Deze straf is later omgezet in een levenslange gevangenisstraf. De ouders van [verdachte] hebben in de gevangenis gezeten op beschuldiging van betrokkenheid bij de genocide. Zij zijn beiden vrijgelaten, verdachtes vader wegens gebrek aan bewijs en zijn moeder (tijdelijk) wegens ziekte. Na zijn detentie is Elie Murakaza overleden; [F1] heeft Rwanda verlaten.

6. [F8], [F7] en [F3] verblijven momenteel in Finland. [F6] en [F4] wonen met hun moeder in Frankrijk en [F5] woont in de Verenigde Staten. [F9] verblijft als vluchteling in Congo.

Hoofdstuk 5: Het onderzoek

Inleiding

1. Een strafzaak als deze is geen alledaagse in de praktijk van de Nederlandse strafrechter. Niet alleen heeft deze te oordelen over misdrijven gepleegd tijdens de genocide in Rwanda in 1994, over verklaringen van getuigen afkomstig uit een ver buitenland en over verklaringen afgelegd tegenover buitenlandse instanties, ook het tijdsbestek waarin het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad is in verhouding met andere zaken zeer groot. Het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen op 21 november 2006 en is gesloten op 9 maart 2008. Er hebben 13 pro forma zittingen plaatsgevonden en de inhoudelijke behandeling heeft zich over 21 zittingsdagen uitgespreid. Verdachte heeft vanaf zijn aanhouding ca. 2 jaar en zeven maanden in voorlopige hechtenis doorgebracht alvorens eindvonnis is gewezen.

2. De rechtbank ziet in de bijzondere aard van deze zaak, het complexe onderzoek dat heeft plaatsgevonden en de lengte van de procedure, aanleiding om bij het eindvonnis (en niet alleen in de processen-verbaal) verslag te doen van en verantwoording af te leggen over het onderzoek dat in deze zaak is verricht. Daarbij zal overwegend de chronologische volgorde van het onderzoek worden aangehouden. Ten aanzien van de inhoudelijke behandeling zal de indeling van het hoofdstuk thematisch zijn. Van de zijde van de verdediging is forse kritiek geuit - met name op het Openbaar Ministerie - met betrekking tot de kwaliteit van het onderzoek. De rechtbank zal in dit hoofdstuk ook op die kritiek ingaan.

Verloop van de procedure

IND procedure

3. Verdachte is op 11 november 1998 met een vals Oegandees paspoort onder de - eveneens valse - naam [valse naam] vanuit Kenia naar Nederland gereisd. Hij heeft bij aankomst in Nederland asiel aangevraagd en is gehoord door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).(80) Op 1 juli 1999 vond een nader verhoor plaats en verdachte verklaarde toen - verkort en zakelijk weergegeven - als volgt.(81) Verdachte was in juli 1994 uit zijn woonplaats Mugonero gevlucht omdat het RPF (zie hoofdstuk 3) de Hutu's uitmoordde. Hij was een sympathisant van de MRND en verwachtte - omdat hij Hutu is - dat hij bij terugkeer in Rwanda zou worden gedood door het RPF. Verdachte vreesde ook voor zijn leven, omdat hij bij het Rwanda-tribunaal als getuige à décharge had opgetreden in de rechtszaak tegen zijn broer, Obed Ruzindana. Daarnaast was hij bang om door het RPF opgepakt te worden, omdat dat ook met familieleden van hem (zijn zus, broer en ouders) was gebeurd. Ten slotte verwachtte hij door het regime te worden vervolgd, omdat hij een academicus is, aldus verdachte tegenover de IND.

4. Op 12 augustus 1999 heeft de Staatssecretaris van Justitie het verzoek van verdachte tot toelating tot Nederland dan wel tot het verkrijgen van een vergunning tot verblijf afgewezen, omdat er geen enkel vermoeden bestond dat verdachte in Rwanda gegronde reden had om te vrezen voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin.(82) Tegen deze beschikking heeft verdachte een bezwaarschrift ingediend.(83) De rechtbank is niet bekend of en zo ja wanneer een beslissing op bezwaar is genomen en hoe die beslissing luidt. Wel blijkt uit het dossier dat een aantal jaren later, op 8 februari 2005, aan (de gemachtigde van) verdachte is medegedeeld dat zijn dossier voor behandeling was overgedragen aan de "Unit 1F" van de IND, omdat er aanwijzingen bestonden dat artikel 1F van het Verdrag betreffende de Status van Vluchtelingen(84) op de asielaanvraag van toepassing was.(85)

5. Op 14 februari 2006 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken een individueel ambtsbericht over verdachte uitgebracht.(86) In dit ambtsbericht staat onder meer het volgende:

2. (...) Wel is duidelijk dat betrokkene de leiding had bij een blokkade die 50 meter van de woning in Mugonero was opgericht en dat hij een groep militairen begeleidde bij hun vertrek tot aanval en mensenjacht. Er bestaan talloze getuigenverklaringen tegen betrokkene en zijn broer dat zij bij de genoemde blokkade beslisten over leven en dood van anderen.

3. Er bestaan sterke redenen om te veronderstellen dat betrokkene betrokken is geweest bij moordpartijen in Rwanda in 1994. Tegen betrokkene werd een reeks aan beschuldigingen geuit, te weten:

(...)

Eigenhandig een persoon genaamd Murego te hebben gedood na met hem in onmin te zijn geraakt;

Opdracht hebben gegeven Tutsi's te doden in een ambulance in de buurt van de blokkade in Mugonero

5. Betrokkene is in de regio Kibuye in directe staat van beschuldiging gesteld voor deelname in de genocide door de gacaca van Gabiro, district Mahembe, wijk Rusenyi.

6. Voor zover bekend, is er geen bevelschrift tegen betrokkene uitgevaardigd, maar het is zeer waarschijnlijk dat dit zal gebeuren.

Overige informatie:

(...)

Vrijwel alle ondervraagde bronnen waren stellig over het feit dat betrokkene heeft deelgenomen aan de massamoord in Mugonero.

Onderzoek door de Nationale Recherche vóór de aanhouding van verdachte

6. Op 18 mei 2006 heeft de IND het dossier van verdachte overgedragen aan het Landelijk Parket.(87) Het Landelijk Parket heeft het dossier op 23 mei 2006 vervolgens in handen gesteld van de Nationale Recherche, Team Internationale Misdrijven (TIM), en haar opgedragen om een onderzoek in te stellen naar mogelijke strafbare gedragingen van verdachte. De Nationale Recherche heeft openbare bronnen geraadpleegd, onder andere via internet,(88) en de telecommunicatiediensten waarvan verdachte gebruik maakte, opgenomen.(89)

Contact tussen het Openbaar Ministerie en het Rwandese Parquet Général

7. Na dit onderzoek is het Landelijk Parket in overleg getreden met het Parquet Général in Rwanda. Bij het Parquet Général bleek verdachte bekend in een onderzoek van het Provinciale Parket van Cyangugu (zuidwest Rwanda) in 1999. Aan dit onderzoek was geen opsporingsprioriteit toegekend, omdat verdachte in het buitenland verbleef en het Parquet Général zich concentreerde op de vervolging en berechting van reeds aangehouden verdachten in Rwanda. Het Openbaar Ministerie heeft op 14 juni 2006 een eerste rechtshulpverzoek gedaan aan de Rwandese autoriteiten en verzocht om toestemming om in Rwanda getuigen te horen.(90) Naar aanleiding van dit rechtshulpverzoek hebben de Rwandese autoriteiten, op eigen initiatief, de getuigen uit het zogenoemde 'Cyangugu-dossier' opnieuw gehoord.(91)

Vervolg van het onderzoek door de Nationale Recherche

8. Met toestemming van de Rwandese autoriteiten heeft de Nationale Recherche in de periode van 22 juli tot en met 5 augustus 2006 in Rwanda twaalf getuigen gehoord.(92) Acht van hen kwamen in het 'Cyangugu-dossier' voor en de andere vier kwam de politie op het spoor naar aanleiding van de verklaringen van deze getuigen.(93) De getuigenverhoren die de Nationale Recherche in Rwanda afnam, gaven ook aanleiding tot het horen van getuigen buiten Rwanda. Bijvoorbeeld: getuige [getuige 7], die voorkwam in het 'Cyangugu-dossier', verklaarde over een Duitse arts en zijn gezin die "bij de slagboom van verdachte" met de dood zouden zijn bedreigd. (94) Via onderzoek op het internet werden de naam en het adres van deze Duitse arts bekend - [getuige 4] - en vervolgens zijn de arts en zijn vrouw opgespoord en als getuigen gehoord (zie ook hoofdstuk 8: misdrijven tegen het gezin [getuigen 3 en 4]).

Aanhouding van verdachte

9. Verdachte is, met toestemming van de officier van justitie, op 7 augustus 2006 in Amsterdam aangehouden wegens verdenking van het plegen van oorlogsmisdrijven.(95) Direct na de aanhouding heeft de rechter-commissaris doorzoekingen ter inbeslagneming verricht in de woning waar verdachte was aangehouden alsmede in zijn eigen woning. In de woning van verdachte zijn aangetroffen en in beslaggenomen: diverse artikelen, dvd's en boeken over de genocide in Rwanda, een computer met een grote hoeveelheid emailberichten (van en aan personen die van betrokkenheid bij de genocide worden verdacht), het Rwandese paspoort van verdachte en drie lijsten van genocide-verdachten (waarop de naam [verdachte] of Joseph Murakaza overigens niet voorkomt).

Contact tussen het en het Rwanda-tribunaal

10. Het Openbaar Ministerie heeft bij brief van 11 augustus 2006 aan de Aanklager van het Rwanda-tribunaal, S. Rapp, melding gemaakt van de aanhouding van verdachte en de Aanklager gevraagd zijn wensen ten aanzien van de vervolging van verdachte kenbaar te maken. Vervolgens is er in de maanden augustus en september 2006 meermalen contact geweest tussen het Openbaar Ministerie en de Aanklager. Hierbij is onder meer ter sprake gekomen dat het Rwanda-tribunaal, gelet op resolutie 1503 (2003) en resolutie 1534 (2004) van de VN Veiligheidsraad, zijn zaken moest gaan afronden en verdachte niet zelf kon berechten. Evenmin behoorde uitlevering van verdachte aan Rwanda tot de mogelijkheden. Het Openbaar Ministerie heeft de Aanklager er daarbij ook op gewezen dat het niet mogelijk was verdachte ter zake van de genoemde feitelijke gedragingen te vervolgen wegens genocide, nu de Nederlandse wetgeving ten aanzien van feiten gepleegd voor oktober 2003 geen universele rechtsmacht voor dit misdrijf kent. Verder zijn de mogelijkheden die de Nederlandse wet biedt om strafvervolging over te nemen besproken alsmede de mogelijkheden van het Rwanda-tribunaal om strafvervolging aan nationale instanties over te dragen. Het Openbaar Ministerie en de Aanklager waren het er over eens dat een zogenoemde `prosecutor's referral´ de aangewezen weg was om de strafvervolging van verdachte wegens genocide aan Nederland over te dragen. Dit heeft geresulteerd in een brief van de Aanklager van 3 oktober 2006 aan de ambassadeur van Nederland in Dar es Salaam te Tanzania met het verzoek het in de bijlage vervatte "request to accept transfer for national prosecution from the Prosecutor of the international criminal tribunal for Rwanda to the minister of justice of the Kingdom of the Netherlands" van 29 september 2006 door te sturen. De Minister van Justitie heeft dit verzoek, dat ziet op de 'prosecution for the crimes of genocide and complicity in genocide', op 27 november 2006 toegewezen en de officier van justitie bij het Landelijk Parket gemachtigd de strafvervolging tegen verdachte over te nemen.(96)

Onderzoek door de Nationale Recherche na de aanhouding van verdachte

11. Het Openbaar Ministerie heeft aan de Finse autoriteiten toestemming gevraagd om de drie in Finland woonachtige zussen van verdachte te horen.(97) Het Finse National Bureau of Investigation heeft hierop geantwoord dat deze drie getuigen te kennen hadden gegeven dat zij, in verband met hun familierelatie met verdachte, geen verklaring tegenover de Nederlandse autoriteiten wilden afleggen.(98) Het Openbaar Ministerie heeft voorts aan de Franse autoriteiten verzocht om twee andere zussen en de moeder van verdachte te horen.(99) Deze drie personen hebben een verklaring afgelegd bij de Nationale Recherche. Voorts is met toestemming van het Rwanda-tribunaal de Nationale Recherche afgereisd naar Arusha (Tanzania) en Mali om negen getuigen te horen, die zich in detentie bevonden als verdachte of veroordeelde van het tribunaal, waaronder de broer van verdachte.(100) Deze getuigen zijn in opdracht van het Openbaar Ministerie gehoord omdat zij mogelijk voor verdachte ontlastend konden verklaren.(101) De broer van verdachte, Obed Ruzindana, heeft geweigerd om een verklaring af te leggen.(102)

12. Na de aanhouding van verdachte is de Nationale Recherche vijf maal naar Rwanda afgereisd. Tijdens deze reizen werden getuigen gehoord, plaatsen-delict bezocht en gefotografeerd en metingen verricht. Daarnaast heeft de Nationale Recherche een getuige in Frankrijk(103), een getuige in Zwitserland(104) en twee getuigen in Finland gehoord.(105)

Gerechtelijk vooronderzoek I

13. Op 12 oktober 2006 heeft de rechter-commissaris, op vordering van de officier van justitie, een gerechtelijk vooronderzoek ingesteld ten aanzien van de zaak met parketnummer 09/750009-06 (hierna GVO I).(106) De feiten op de vordering betroffen, kort gezegd, misdrijven tegen de inzittenden van de ambulance alsmede tegen het gezin [getuigen 3 en 4] en misdrijven gepleegd tijdens de aanval op het Zevendedags Adventistencomplex. Deze misdrijven waren primair tenlastegelegd als oorlogsmisdrijven en subsidiair als foltering.

14. Op 7 november 2006 heeft de rechter-commissaris mevrouw dr. A. des Forges als deskundige benoemd teneinde een onderzoek in te stellen ter beantwoording van diverse door de rechter-commissaris geformuleerde vragen over de situatie in Rwanda voorafgaand en gedurende de genocide in de periode april t/m juli 1994.(107) Het deskundigenrapport van A. des Forges is op 20 november 2006 ontvangen.

15. De rechter-commissaris heeft in Rwanda in de periode van 11 tot en met 18 november 2006 op eigen initiatief en in aanwezigheid van de raadsman en het Openbaar Ministerie drie getuigen gehoord in het kader van dit gerechtelijk vooronderzoek.

Eerste pro forma zitting van de rechtbank

16. Verdachte is gedagvaard om op 21 november 2006 ter zitting te verschijnen. De feiten op de dagvaarding waren dezelfde als op de vordering tot het instellen van het GVO I (zie hiervoor). Deze zitting had een pro forma karakter. Verdachte en zijn raadsman waren aanwezig. De verdediging heeft toen geen onderzoekswensen kenbaar gemaakt. De rechtbank heeft de rechter-commissaris opdracht gegeven als getuigen te horen: [getuige 1], [getuige 8], [getuige 10], [getuige 7] en [getuige 15] - de getuigen waarvan de rechter-commissaris reeds ambtshalve had besloten deze te horen - en voorts die onderzoekshandelingen te verrichten die zij noodzakelijk achtte.

Gerechtelijk vooronderzoek II

17. Het Openbaar Ministerie heeft op 5 januari 2007 een tweede gerechtelijk vooronderzoek (hierna: GVO II) gevorderd ten aanzien van de feiten die staan vermeld op de tweede dagvaarding. Deze feiten betreffen de verkrachtingen van en moorden op een aantal vrouwen en de misdrijven tegen de kleinkinderen [naam getuige 5]. Verder zijn in deze dagvaarding alle feitencomplexen, ook die van de eerste dagvaarding, mede tenlastegelegd als genocide. De rechter-commissaris heeft deze vordering bij beschikking van 11 januari 2007 afgewezen voor zover de aan de verdachte verweten gedragingen in de vordering als genocide zijn gekwalificeerd en voor het overige toegewezen.(108)

Pro forma zittingen

18. Op 12 februari 2007 heeft een tweede pro forma zitting plaatsgevonden. Verdachte en zijn raadsman waren toen niet aanwezig. Ondanks een schriftelijk verzoek van de rechtbank om op 5 maart 2007 ter zitting te verschijnen teneinde onderzoekswensen kenbaar te maken, is de raadsman van verdachte, evenmin als verdachte, ter zitting verschenen. Op die zitting heeft de rechtbank aan de rechter-commissaris opdracht gegeven om a) als getuigen (à charge) te horen [getuige 9], [getuige 14] en [getuige 20], b) het Zevendedags Adventistencomplex te schouwen en c) 18 getuigen à décharge te horen in Congo-Brazzaville en Kameroen (deze getuigen had de raadsman aan de rechter-commissaris opgegeven). De raadsman heeft eerst bij brief van 10 mei 2007 zijn onderzoekswensen aan de rechtbank kenbaar gemaakt. De raadsman heeft toen onder andere verzocht aan het strafdossier toe te voegen de verklaringen die de tot dan toe gehoorde getuigen bij andere instanties hadden afgelegd als verdachte of getuigen. Het ging om verklaringen afgelegd ten overstaan van de gacaca, de justitiële autoriteiten in Rwanda, het Rwanda-tribunaal en de justitiële autoriteiten in de Verenigde Staten van Amerika (hierna: VS). De raadsman heeft toegelicht waarom hij deze verklaringen aan het dossier toegevoegd wenste te zien: op die manier kon de consistentie worden getoetst van de opeenvolgende verklaringen die een getuige tegenover verschillende instanties had afgelegd.

19. De onderzoekswensen van de verdediging zijn uitvoerig aan bod geweest ter zitting van 11, 16 en 21 mei 2007 in aanwezigheid van de raadsman en verdachte. Voor deze zitting heeft het Openbaar Ministerie een tweede dagvaarding uitgebracht. De feiten op deze dagvaarding waren dezelfde als op de vordering tot het instellen van het GVO II (zie hiervoor). Het Openbaar Ministerie heeft op de zitting van 16 mei 2007 ingestemd met het verzoek van de raadsman door getuigen elders afgelegde verklaringen aan het dossier toe te voegen en daarbij meegedeeld dat rechtshulpverzoeken hiertoe reeds gereed lagen. Tevens hebben het Openbaar Ministerie en de verdediging tijdens deze pro forma zittingen (deels schriftelijk) standpunten ingenomen over de vraag of de rechtbank rechtsmacht toekwam terzake van het misdrijf van genocide. Zowel het Openbaar Ministerie als de verdediging hebben daarbij ook schriftelijke vragen van de rechtbank beantwoord.

20. Op de daarop volgende pro forma zittingen - 24 juli, 8 oktober en 20 december 2007, 18 februari, 23 april, 11 juli en 5 september 2008 - is steeds, in aanwezigheid van de raadsman en verdachte, over de voortgang van het onderzoek gesproken.

Onderzoek door de rechter-commissaris in opdracht van de rechtbank

21. Op 19 maart 2007 heeft de rechter-commissaris de plaatselijke toestand op het Zevendedags Adventistencomplex geschouwd, de kerk in de buurt van de 'École primair de Ngoma', de twee bruggen bij Mugonero en het marktplein in Mugonero. Bij de schouw waren aanwezig de officier van justitie, de raadsman van verdachte alsmede de Nationale Recherche.

22. In mei 2007 is de rechter-commissaris afgereisd naar Kameroen teneinde zeven (van de 18 door de raadsman opgegeven) getuigen te horen. Drie getuigen zijn gehoord.(109) De overige vier getuigen hebben geen gehoor gegeven aan de oproeping tot verhoor.(110) In de periode van mei tot en met juni 2007 heeft de rechter-commissaris vier getuigen à décharge gehoord in Brazzaville (Congo).(111) De overige getuigen, die in Congo gehoord zouden worden, zijn niet verschenen.(112)

23. De rechter-commissaris heeft in totaal zeven rogatoire reizen naar Rwanda gemaakt teneinde, in opdracht van de rechtbank, getuigen te horen. Daarnaast heeft de rechter-commissaris nog een getuige gehoord in Zwitserland(113), een getuige in Frankrijk(114), en drie getuigen in Nederland.(115)

24. Tijdens de pro forma zitting op 24 juli 2007 heeft de rechtbank aan de procespartijen medegedeeld dat zij naar aanleiding van het deskundigenrapport van A. des Forges - door tussenkomst van de rechter-commissaris - enkele aanvullende vragen aan de deskundige zou voorleggen. De rechtbank heeft het Openbaar Ministerie en de raadsman in de gelegenheid gesteld om eveneens aanvullende vragen voor de deskundige in te dienen. De antwoorden van de deskundige op de vragen van de rechtbank, officier van justitie en de raadsman heeft de rechtbank in december 2007 ontvangen.(116)

25. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om verbalisant [verbalisant 1], van de Nationale Recherche, ter zitting te horen over de aanleiding van het onderzoek, de wijze waarop het onderzoek is verlopen en de manier waarop de Nationale Recherche bepaalde getuigen 'op het spoor' is gekomen. Op 18 februari 2008 heeft de rechtbank het verzoek om [verbalisant 1] voornoemd ter zitting te horen, afgewezen, maar de raadsman wel de gelegenheid gegeven om - via de rechter-commissaris - verbalisant [verbalisant 1] terzake schriftelijke vragen voor te leggen. [Verbalisant 1] heeft de vragen van de raadsman vervolgens schriftelijk beantwoord.

Algemene opmerkingen met betrekking tot de getuigenverhoren

26. De Nationale Recherche en de rechter-commissaris hebben een groot aantal getuigen gehoord. Bij de gang van zaken rond de getuigenverhoren maakt de rechtbank de volgende opmerkingen.

Vergoedingen & vervoer

27. Medewerkers van het Parquet Général hebben, op verzoek van het Openbaar Ministerie, de getuigen die de Nationale Recherche en de rechter-commissaris in Rwanda hebben gehoord, getraceerd en voor verhoor naar Kigali gebracht.(117) Voor deze organisatie is gekozen in verband met de veiligheid van de getuigen; als het Openbaar Ministerie een paar blanke Nederlandse rechercheurs het veld had ingestuurd om getuigen te gaan zoeken en horen, was in de hele omgeving direct duidelijk geweest wie er als getuige optrad in deze zaak.(118) De getuigen die de Nationale Recherche heeft gehoord, hebben geen vergoeding ontvangen voor het afleggen van een verklaring; wel heeft de Nationale Recherche op de dag(en) van verhoor gezorgd voor eten en drinken. De Nationale Recherche heeft aan het Parquet Général de reis- en verblijfkosten van de getuigen vergoed. Deze kosten werden schriftelijk door een door de Procureur-Generaal aangewezen administratief medewerker van het Parquet Général aan de Nationale Recherche verantwoord.(119) Tijdens de laatste reis van de Nationale Recherche hebben vijf getuigen verzocht om in aanmerking te komen voor een vergoeding terzake van inkomstenderving als gevolg van het getuigenverhoor. Het Parquet Général heeft de getuigen de gevraagde vergoeding toegekend. Na overleg met het Openbaar Ministerie heeft de Nationale Recherche deze kosten (een totaalbedrag van 7000 RF) aan het Parquet Général vergoed.(120)

De getuigen à décharge die de rechter-commissaris in Congo en Kameroen heeft gehoord hebben allen een onkostenvergoeding ontvangen. Het bedrag van deze vergoeding is vastgesteld overeenkomstig de door de VN-Straftribunalen gehanteerde berekening. De getuigen in Congo ontvingen ieder € 16 en de getuigen in Kameroen € 40.

28. De rechter-commissaris heeft tijdens de rogatoire reis van 26 maart tot en met 3 april 2008 drie getuigen gehoord. Deze verhoren duurden meerdere dagen. De getuigen kregen een dagvergoeding waarvan de hoogte door de hoofdaanklager van het Parquet Général was vastgesteld op (ongeveer) € 7.(121) Hetzelfde geldt voor de getuigen die de rechter-commissaris in december 2008 en januari 2009 heeft gehoord. [Getuige 18], door de rechter-commissaris in Zwitserland gehoord, heeft een vergoeding ontvangen van de door hem gemaakte kosten conform de Zwitserse regels hiervoor.

Psycholoog & maatschappelijk werk(st)er

29. Bij geen van de verhoren door de Nationale Recherche is een psycholoog betrokken geweest. Bij sommige verhoren door de rechter-commissaris is een traumapsycholoog aanwezig geweest om bijstand te verlenen aan de getuigen voorzover deze daaraan behoefte hadden en om de rechter-commissaris desgevraagd van advies te dienen. De rechter-commissaris heeft ten behoeve van de tweede rogatoire reis naar Rwanda een Rwandese maatschappelijk werkster ingeschakeld die voor de getuigen beschikbaar was voor en na de verhoren en in de pauzes.(122) Bij de verhoren van de getuigen à décharge is geen psycholoog of maatschappelijk werk(st)er aanwezig geweest.

Telefonisch contact tussen de raadsman en verdachte

30. Op 11 oktober 2006 heeft de rechter-commissaris op grond van artikel 177 Sv aan de politie opdracht gegeven om te onderzoeken of een video- en/of audioverbinding tot stand kon worden gebracht tussen de plaats van (getuigen)verhoor in Rwanda en het Huis van Bewaring waar verdachte zich op dat moment bevond, teneinde verdachte in de gelegenheid te stellen op die manier bij de verhoren van de getuigen 'aanwezig' te zijn.(123) Dit bleek niet mogelijk.(124) De rechter-commissaris heeft vervolgens de raadsman bij ieder verhoor, tijdens de onderbrekingen, in de gelegenheid gesteld om telefonisch contact met zijn cliënt te onderhouden via een door de rechter-commissaris beschikbaar gestelde telefoon.

Beïnvloeding en verdwijning van getuigen

31. Zoals hierboven vermeld heeft de rechtbank ter zitting van 21 november 2006 opdracht gegeven aan de rechter-commissaris om onder andere de getuigen [getuige 7] en [getuige 15] te horen. De Nationale Recherche en de rechter-commissaris hebben deze twee getuigen niet (nader) kunnen horen, omdat deze getuigen onvindbaar bleken. Ten tijde van de tweede pro forma zitting van 12 februari 2007 heeft het Openbaar Ministerie aan de orde gesteld dat er aanwijzingen waren dat verdachte en/of zijn broer probeerde(n) getuigen te beïnvloeden en dat de twee genoemde getuigen waren "verdwenen". Voorafgaand aan deze zitting heeft het Openbaar Ministerie stukken met deze aanwijzingen aan de rechtbank en de verdediging ter hand gesteld.

32. In de loop van het onderzoek is duidelijk geworden dat er grote druk is uitgeoefend op een aantal getuigen om niet naar waarheid te verklaren. De rechtbank heeft - op grond van hierna te noemen feiten en omstandigheden - vastgesteld dat de familie van verdachte bij de verdwijning van de hiervoor genoemde twee getuigen en de op ook andere getuige uitgeoefende druk betrokken is geweest en dat verdachte hierover (in ieder geval achteraf) door zijn zus is geïnformeerd.

33. De relevante feiten en omstandigheden zijn de volgende.

34. In november 2006 heeft de getuige [getuige 1], getuige in de zaak over de misdrijven tegen de inzittenden van de ambulance, telefonisch tegenover de Nationale Recherche verklaard dat er geruchten 'in het dorp' - de rechtbank gaat er vanuit dat hij het heeft over het dorp Mugenero - rondgingen dat [getuige 7] en [getuige 15] naar het buitenland waren gevlucht, omdat zij geen verklaringen meer in de zaak tegen verdachte wilden aflegen. [Getuige 1] had gehoord dat de groep van [verdachte] er iets mee te maken had, omdat diens broer, Obed Ruzindana, telefonisch contact had gehad met mensen in de omgeving. [Getuige 1] had het vermoeden dat [getuige 7] en [getuige 15] naar het buitenland waren gebracht om ervoor te zorgen dat zij hun verklaring zouden "intrekken", aldus [getuige 1] tegenover de Nationale Recherche.(125)

35. Daarnaast verklaarde [getuige 1] dat hij een maand daarvoor benaderd was door [getuige 21] die hem vertelde dat de broer van verdachte hem het land uit wilde hebben, zodat hij geen verklaring meer kon afleggen. Nadat [getuige 1] had geweigerd om mee te werken, heeft Obed Ruzindana contact opgenomen met [naam] - waarmee wordt bedoeld [getuige 28] - (126), een vriend van [getuige 1]. Obed Ruzindana heeft [getuige 28] opdracht gegeven om [getuige 1] "vriendelijk te vragen zijn verklaring te veranderen": [getuige 1] moest zeggen dat de ambulance moest omkeren op bevel van de militairen die samen werkten met Ruzindana in plaats van op bevel van Joseph. [Getuige 28] heeft het verzoek van Obed Ruzindana aan [getuige 1] overgebracht, maar hij adviseerde [getuige 1] ook om contact op te nemen met de Rwandese autoriteiten omdat hij bang was voor Obed Ruzindana.(127) [Getuige 1] voelde zich onveilig, omdat hij niet akkoord was gegaan met het voorstel van Obed Ruzindana en daarom heeft hij contact opgenomen met M. Kagiraneza, Aanklager van het Parquet Général te Kigali.(128)

36. In november 2006 heeft de Nationale Recherche [getuige 21] ook gehoord. Hij verklaarde dat hij Obed Ruzindana kende via [F 10], die in hetzelfde dorp heeft gewoond. [F 10] is de zoon van [F 3] en dus een neef van verdachte. [F 10] had contact met hem opgenomen, omdat hij wilde weten wat de mensen over verdachte hadden gezegd tijdens de gacaca. [Getuige 21] vertelde [F 10] dat [getuige 1] had verklaard over een incident bij een slagboom. Kort hierna nam Obed Ruzindana contact op met [getuige 21] met het verzoek om [getuige 1] te benaderen om hem de vragen of hij inderdaad een dergelijke verklaring had afgelegd en om te informeren of hij zijn verklaring niet in wilde trekken. Als [getuige 1] het zou willen, zou Obed Ruzindana hem helpen om "zich te verplaatsen". [Getuige 21] heeft [getuige 1] benaderd, maar deze zei dat hij zijn verklaring niet meer kon veranderen en dat [getuige 7] degene was die een verklaring had afgelegd over [de betrokkenheid van verdachte bij] een moordpartij in Mugonero.(129)

37. [Getuige 21] heeft ook verklaard dat hij op verzoek van Obed Ruzindana [getuige 7] opgezocht heeft, waarna [getuige 7] en Obed Ruzindana een telefoongesprek hebben gevoerd via de mobiele telefoon van [getuige 21]. Hij kon niet goed horen wat er gezegd werd, maar hij hoorde [getuige 7] het volgende tegen Obed Ruzindana zeggen: "Ja, dat is goed, geen probleem". Hierna heeft [getuige 21] [getuige 7] niet meer gezien.(130)

38. Uit de historische gegevens van de GSM van [getuige 21] in de periode van september tot en met november 2006 blijkt dat er zowel inkomende als uitgaande gesprekken zijn geweest met Obed Ruzindana.(131)

39. [Getuige 29], de partner van getuige [getuige 7], en [getuige 30], de vrouw van getuige [getuige 15] hebben in maart 2007 tegenover de Nationale Recherche bevestigd dat hun mannen sinds begin september 2006 verdwenen zijn.(132) [Getuige 29] verklaarde daarnaast dat haar man haar had verteld dat hij weg zou gaan net als [F 10] (de neef van Obed Ruzindana en verdachte).(133) Deze getuigen zijn onvindbaar gebleken.(134)

40. Uit afgeluisterde tapgesprekken blijkt het volgende:

Op 3 januari 2007 sprak verdachte met zijn zus, [F3]. In dit gesprek vertelde zij verdachte dat zij onlangs met iemand gesproken had die het volgende tegen haar had verteld: "die chauffeur van de ambulance was de meest venijnige". Hierop vroeg verdachte aan zijn zus wie de chauffeur van de ambulance was. [F3] antwoordde hierop: "Je weet wel dat het om drie mensen gingen...die wij van tevoren hebben geweten ... die twee zijn kunnen ontvluchten en toen ze de andere benaderde gaf dit verhaal aan de autoriteiten door... hij was benaderd om mee te ontvluchten maar hij weigerde mee te werken... en hij meldde het...en de persoon die het telefoonnummer had gegeven werd ook geterroriseerd en hij vertelde uiteindelijk alles ...en degene die heeft ze geholpen om het land te ontvluchten zou vermoord zijn...in ieder geval is hij niet meer traceerbaar".(135)

41. In een gesprek van verdachte met zijn broer, Obed Ruzindana, op 7 januari 2007 komt de volgende passage voor:

Verdachte: Voor de rest...zal ik op de hoogte zijn van wat is gezegd een paar dagen geleden.

Ruzindana: Zo gaat het, zullen die mensen van Arusha alles jou laten zien?

Verdachte: Alles...Alles...De namen ken ik al...en binnenkort beschik ik over allerlei informatie...alles wat die...[B3] en anderen hebben gezegd.

Ruzindana: Die [B3]...ik ken ze allemaal.

Verdachte: Alle die informatie krijg ik morgen.

Ruzindana: Ongeacht of de getuigenis belastend of ontlastend?

Verdachte: Alles...ik ken ze allemaal.

Ruzindana: Een paar dagen geleden hebben ze ook 5 andere mensen in Rwanda verhoord...onder welke die persoon die heeft de spullen gestolen...en hij heeft ook gesproken...ik krijg alle informatie morgen.

Verdachte: Alles zou ik morgen krijgen.(136)

42. Op grond van het vorenstaande staat vast dat zowel [F3] als Obed Ruzindana begin januari 2007 op de hoogte waren van (in ieder geval een deel van de inhoud van) de verklaringen die verschillende getuigen tegen verdachte hebben tot dan toe hadden afgelegd en het feit dat er nog getuigen gehoord zouden worden. Verder staat vast dat zowel [getuige 21] als [getuige 28] door de broer van verdachte zijn benaderd om getuigen te verzoeken hun verklaringen aan te passen in het voordeel van verdachte. Hierbij werden beloftes gedaan in ruil voor het veranderen van de verklaringen.

43. Van de getuigen waarvan vaststaat dat deze zijn benaderd, is één getuige bij zijn verklaring gebleven ([getuige 1]); de andere twee getuigen ([getuige 7] en [getuige 15]) zijn verdwenen en konden derhalve niet (nader) gehoord worden door de Nationale Recherche en de rechter-commissaris. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard zijn proces niet inhoudelijk met zijn familie te hebben besproken.(137) Uit het bovenstaande blijkt het tegendeel.

44. De rechtbank acht deze gang van zaken rond de beïnvloeding en verdwijning van getuigen uitermate schokkend en zorgwekkend.

45. Ook uit verklaringen van andere getuigen in het dossier, zoals [getuige 8](138), [getuige 22](139) en [getuige 17](140), blijkt dat de angst voor de familie van verdachte, met name voor Obed Ruzindana, diepgeworteld is.

Verkrijging van 'buitenlandse stukken'

Algemeen

46. Zoals hiervoor vermeld heeft de raadsman verzocht om aan het strafdossier toe te voegen de verklaringen die de tot dan toe gehoorde getuigen bij andere instanties hadden afgelegd, te weten ten overstaan van de gacaca, de justitiële autoriteiten in Rwanda, het Rwanda-tribunaal en de justitiële autoriteiten in de Verenigde Staten van Amerika (hierna: VS) en heeft het Openbaar Ministerie van meet af aan duidelijk gemaakt dat het zich zou inspannen om deze verklaringen te verkrijgen. In de loop van het onderzoek zijn aan het dossier toegevoegd verklaringen die getuigen in de onderhavige zaak hebben afgelegd tegenover onderzoekers c.q. rechters van het Rwanda-tribunaal, Amerikaanse en Canadese autoriteiten, en de gacaca. Hoe lastig het vaak was voor het Openbaar Ministerie om de diverse verklaringen in handen te krijgen en welke tijd daar steeds mee gemoeid was, moge blijken uit het volgende.

Stukken van het Rwanda-tribunaal

47. Het Rwanda-tribunaal heeft aan het Openbaar Ministerie op verschillende momenten gedurende het strafproces verklaringen ter beschikking gesteld die getuigen in deze zaak voor onderzoekers en/of rechters van dat tribunaal hebben afgelegd in de hoedanigheid van verdachte of getuige. Het Openbaar Ministerie is op het probleem gestuit dat het voor het Rwanda-tribunaal niet van meet af aan duidelijk was dat het Openbaar Ministerie de verklaringen wenste in te brengen in een openbaar strafproces in Nederland. Op 21 december 2007 heeft de Aanklager van het Rwanda-Tribunaal een motie bij de Kamer van Berechting van het Rwanda-tribunaal ingediend teneinde te bewerkstelligen dat de verklaringen aan het Openbaar Ministerie ter beschikking werden gesteld (disclosure).(141) Op 4 maart 2008 besliste de Kamer van Berechting dat deze verklaringen weliswaar verstrekt mochten worden, maar dat de beschermende maatregelen die voor de desbetreffende getuigen golden mutatis mutandis van kracht bleven in enige procedure voor de Nederlandse justitiële autoriteiten.(142) Aldus was niet toegestaan dat de rechtbank de verklaringen zou voorhouden op een openbare terechtzitting of als bewijsmiddel zou opnemen in het vonnis.(143) Na overleg met het Openbaar Ministerie heeft de Aanklager van het Rwanda-tribunaal vervolgens op 17 juli 2008 aan de Kamer van Berechting gevraagd om opheffing van deze beschermende maatregelen.(144) De Nationale Recherche heeft alle getuigen die het betrof, individueel toestemming gevraagd om de voor hen geldende beschermende maatregelen op te heffen. Allen hebben deze toestemming gegeven. Op 13 augustus 2008 heeft de Kamer van Berechting vervolgens alle beschermende maatregelen opgeheven, waardoor de verklaringen vanaf dat moment gebruikt konden worden in een openbaar strafproces in Nederland.(145) Vóór de pro forma zitting van 5 september 2008 heeft het Openbaar Ministerie vijf ordners met verklaringen van getuigen, voor wie de beschermende maatregelen hadden gegolden, aan het dossier toegevoegd. Het Openbaar Ministerie had in juli 2008 de verklaringen van de getuigen, die niet onder de beschermende maatregelen vielen, reeds aan de rechtbank en de verdediging verstrekt.

48. Kort voor aanvang van de inhoudelijke behandeling heeft de raadsman een witness statement van getuige [getuige 8], afgelegd tegenover onderzoekers van het Rwanda-tribunaal, aan de rechtbank overgelegd. Deze verklaring heeft de rechtbank vervolgens in het dossier gevoegd.(146) Tijdens de inhoudelijke behandeling heeft het Openbaar Ministerie nog drie witness statements, afgelegd door getuige [getuige 24] tegenover onderzoekers van het Rwanda-tribunaal, in het dossier gevoegd.(147)

Stukken uit de Verenigde Staten en Canada

49. Het Openbaar Ministerie heeft twee rechtshulpverzoeken aan de VS gestuurd en daarbij de verklaringen van drie getuigen in de zaak tegen Enos Kagabe opgevraagd. In eerste instantie zijn de verklaringen ontvangen die twee van de drie(148) getuigen tegenover Amerikaanse politieambtenaren in Rwanda hadden afgelegd. Het bleek echter dat deze getuigen ook ter terechtzitting in de VS waren gehoord. De weergave van een verhoor ter terechtzitting wordt in de VS neergelegd in transcripts. Dit zijn letterlijke weergaven van de ter zitting gestelde vragen en antwoorden. Het Openbaar Ministerie heeft deze transcripts vervolgens bij de Amerikaanse justitiële autoriteiten opgevraagd. Op 20 december 2007 bleek dat de contactambtenaar van het Ministerie van Justitie de zgn. casefile had ontvangen. Indien er inderdaad transcripts beschikbaar waren, zouden deze zich in de casefile moeten bevinden. Tijdens de pro forma zitting van 23 april 2008 bleek dat de contactambtenaar inderdaad transcripts had gevonden, maar dat hij nog op toestemming wachtte om deze documenten door te sturen naar Nederland. Het Openbaar Ministerie kon op dat moment niet voorspellen wanneer deze toestemming verkregen zou worden.

50. Tijdens de pro forma zitting van 11 juli 2008 heeft het Openbaar Ministerie meegedeeld dat de verklaringen van twee getuigen uit de VS bij het Landelijk Parket waren aangekomen, maar dat deze verklaringen incompleet bleken. Navraag wees uit dat een gedeelte van deze verklaringen mogelijk verloren was gegaan bij een overstroming en de verklaring van de derde getuige bij dezelfde overstroming in zijn geheel verloren was gegaan. Tijdens de inhoudelijke behandeling heeft het Openbaar Ministerie medegedeeld dat een gedeelte van de verklaringen toch weer 'boven water' was gekomen, maar dat er nu bezwaar aan de kant van de Amerikaanse autoriteiten was gerezen met betrekking tot het gebruik van deze stukken in een Nederlands strafproces: de Amerikaanse autoriteiten stelden zich op het standpunt dat de al toegezonden verklaringen abusievelijk waren verstrekt.(149) Na het pleidooi van de raadsman heeft het Openbaar Ministerie alsnog toestemming vanuit de VS gekregen en zijn de door de VS verstrekte transcripts in het dossier gevoegd.(150)

51. Met betrekking tot de verklaringen die getuigen in deze zaak hadden afgelegd in Canada, heeft de rechtbank de verklaring van één getuige ontvangen. Tijdens de pro forma zitting van 5 september 2008 werd duidelijk dat de Canadese autoriteiten weigerden de verklaring van de tweede getuige te overleggen aangezien dit het Canadese onderzoek zou kunnen schaden. De De eerste verklaring is kennelijk abusievelijk verstrekt door de Canadese autoriteiten.

Stukken van de gacaca

52. In 1996 is in Rwanda een wet aangenomen waarin de vervolging van genocide-verdachten op nationaal niveau werd geregeld.(151) Begin 2000 waren ongeveer 2.500 personen berecht door rechtbanken in Rwanda en wachtten er nog 120.000 mensen op hun proces in overvolle gevangenissen.(152) De overheid heeft in 2000 de traditionele rechtbank, de gacaca, nieuw leven ingeblazen om de werkdruk van de nationale rechtbanken te verlichten.(153) Een gacaca is een traditionele vorm van geschillenbeslechting in de gemeenschap en de term betekent letterlijk 'gazon' of 'gras' en verwijst naar het feit dat de partijen en de leden van de gacaca op het gras zaten tijdens de procedure.

53. Elke gacaca wordt gevormd door een Generale Assemblee, bestaande uit alle leden van de gemeenschap. De Generale Assemblee kiest uit haar midden negen rechters en vijf plaatsvervangers. De uitspraak van een gacaca-rechtbank kan worden aangevochten bij een gacaca-hof. De gacaca werkt in twee fases: in de eerste fase worden de verklaringen verzameld van zowel daders als slachtoffers. In de tweede fase worden de verdachten in verschillende categorieën ingedeeld en berecht. De categorieën zijn afhankelijk van de zwaarte van het misdrijf.

54. Op 9 juli 2007 heeft het Openbaar Ministerie een rechtshulpverzoek aan Rwanda gericht ter verkrijging van de gacaca-verklaringen van 14 getuigen.(154) In de periode van 31 juli 2007 tot en met 15 augustus 2007 was de Nationale Recherche hiervoor in Rwanda. Tijdens dit onderzoek heeft de Nationale Recherche diverse gacaca-cahiers ontvangen van de Rwandese autoriteiten. De gacaca-verklaringen zijn meestal met de hand opgetekend in doorlopende cahiers of dossiers.(155) Onder de stukken bevonden zich aanklachten tegen verdachte bij de gacaca van de secteur Uwingabo, regio Karongi(156) en bij de gacaca van de secteur Cyanya en Gitovu, regio Karongi(157), en een veroordeling van verdachte tot 15 jaar gevangenisstraf bij de gacaca in de secteur Gishyita, regio Karongi.(158) Verdachte werd in het laatstgenoemde stuk aangeduid als een 'categorie 1'-verdachte; dat wil zeggen behorend tot de zwaarste categorie van genocide-verdachten.

55. Op de pro forma zitting van 18 februari 2008 heeft de raadsman aangegeven dat er - voor zover hij kon overzien - in ieder geval nog drie gacaca-verklaringen in het dossier ontbraken en het Openbaar Ministerie verzocht deze alsnog aan het dossier toe te voegen. Het Openbaar Ministerie heeft dit toegezegd. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting van 23 april 2008 heeft het Openbaar Ministerie voorts toegezegd dat het de Nationale Recherche nader onderzoek zou laten doen naar eventuele gacaca-verklaringen in Mugozi. Tijdens die zitting heeft het Openbaar Ministerie bij de rechtbank en de verdediging aandacht gevraagd voor de moeilijkheden waarvoor het zich gesteld zag in zijn zoektocht naar gacaca-verklaringen. Zo bestaat er geen centraal opslagsysteem voor gacaca-stukken, zijn zij met de handgeschreven en zijn verklaringen niet op naam opgeslagen. Alle stukken moeten één voor één bekeken worden "in de hoop de namen van de getuigen en/of verdachte in de stapels papieren te herkennen". In maart en mei 2008 heeft de Nationale Recherche nog aanvullende gacaca-stukken ontvangen.(159) Op 16 mei 2008 is de Nationale Recherche naar het kantoor van de gacaca van Mugozi te Kibingo gegaan teneinde de gacaca-verklaringen van drie getuigen te verkrijgen. Ter plaatse bleek dat de administratie en de opslag van getuigenverklaringen van dien aard was, dat het zoeken een zeer arbeidsintensieve en tijdrovende actie zou zijn. Omdat het niet mogelijk was om de administratie in een afzienbare periode te doorzoeken, is in overleg met het Openbaar Ministerie besloten de zoekactie te staken.(160)

56. Tijdens de inhoudelijke behandeling is gebleken dat de datering van de gacaca-verklaringen onduidelijk is. Bij veel verklaringen staat namelijk niet vermeld wanneer deze verklaringen zijn afgelegd. De Nationale Recherche heeft hierop een aanvullend proces-verbaal opgemaakt met enkele aanknopingspunten voor de rechtbank en de procespartijen om de verklaringen enigszins te kunnen dateren.(161)

Inhoudelijke behandeling van de zaak

57. Met de inhoudelijke behandeling van de zaak kon niet eerder worden gestart dan in oktober 2008, omdat tot die tijd nog een groot aantal buitenlandse verklaringen 'in de pijplijn' zat en het dossier derhalve nog niet compleet was. Het uitstel van de inhoudelijke behandeling tot oktober 2008 hield geen verband met het arrest van de Hoge Raad dat zou verschijnen over de kwestie van de rechtsmacht terzake van genocide in deze zaak. Dat arrest werd gewezen op 21 oktober 2008, kort na de start van de inhoudelijke behandeling. Zoals gezegd heeft de Hoge Raad bevestigd hetgeen de rechtbank op 24 juli 2007 had beslist, te weten dat de Nederlandse strafrechter geen rechtsmacht heeft voor zover de aan verdachte tenlastegelegde feiten het misdrijf van genocide betroffen.(162) De rechtbank had er overigens wel, via een schriftelijk verzoek aan de president van de Hoge Raad, op aangedrongen dat de zaak, met het oog op de inhoudelijke behandeling, met voorrang zou worden behandeld. In dat verzoek heeft de president van de Hoge Raad bewilligd.

58. De inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzittingen van 13, 14, 16, 17, 20, 21, 23, 24, 27, 28 oktober, 3, 10, 11, 17, 18, 19, 24 november, 1 en 4 december 2008, 2 februari en 9 maart 2009. De volgende aspecten van de inhoudelijke behandeling behoeven vermelding danwel een korte bespreking.

Tolken

59. Verdachte, een universitair geschoolde man die inmiddels meer dan tien jaar in Nederland verblijft, begrijpt de Nederlandse taal uitstekend en spreekt deze ook redelijk goed. Dit bleek reeds vrijwel aan het begin van het onderzoek ter terechtzitting. Niet alleen had de Nationale Recherche verdachte steeds in de Nederlandse taal gehoord, omdat verdachte kenbaar had gemaakt deze taal goed te begrijpen en voldoende te spreken en geen bezwaar te hebben tegen een verhoor in het Nederlands, ook uit de reacties van verdachte - al dan niet non-verbaal - op het verhandelde ter zitting bleek dat verdachte het Nederlands probleemloos kon volgen. Op verzoek van de verdediging was ter zitting niettemin steeds een tolk Kinyarwanda beschikbaar. De rechtbank heeft het aan verdachte overgelaten om te beslissen op welke momenten hij bijstand van de tolk wenste. Zo is niet al het verhandelde ter zitting steeds vertaald. Tijdens de inhoudelijke behandeling is de rechtbank opgevallen dat verdachte de tolk regelmatig verbeterde, indien deze iets in zijn visie niet goed vertaalde of de tolk hielp met het vinden van de juiste Nederlandse woorden of uitdrukkingen, indien hij de indruk had dat de tolk deze niet meteen paraat had. Daarnaast heeft verdachte zich ook regelmatig rechtstreeks in de Franse en Nederlandse taal naar de rechtbank geuit.

Proceshouding van verdachte

60. Verdachte is na zijn aanhouding zeventien keer gehoord door de Nationale Recherche. Hij heeft tijdens de eerste zes verhoren verklaard over zijn persoonlijke omstandigheden, zijn familieleden, de omgeving waar hij woonde en werkte in Rwanda etcetera en hij heeft deze verklaringen ook ondertekend. Na het zesde verhoor heeft verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen en de verklaringen niet meer willen ondertekenen. Vanaf het derde verhoor heeft de Nationale Recherche de verklaringen van verdachte met audio- en/of visuele apparatuur opgenomen.

61. Tijdens de pro forma zitting van 11 juli 2008 heeft verdachte verklaard dat hij de inhoud zijn strafdossier "voor 100%" kent en dat hij bereid is om tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak de vragen van de rechtbank te beantwoorden. Hij heeft gezegd graag te willen meewerken aan het onderzoek.(163)

62. Vanaf de tweede dag van de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting - op 14 oktober 2008 - heeft verdachte zich met enige regelmaat op zijn zwijgrecht beroepen, wanneer de rechtbank hem vragen stelde, ook als het om vragen ging waar verdachte eerder in de procedure wel antwoord op had gegeven. Op vragen van het Openbaar Ministerie heeft verdachte zich nagenoeg altijd op zijn zwijgrecht beroepen. De rechtbank heeft verdachte voorgehouden dat hij zelf meerdere malen, in de aanloop tot de inhoudelijke behandeling, kenbaar heeft gemaakt dat er bij de verhoren door de Nationale Recherche misverstanden waren ontstaan, die hij ter terechtzitting zou willen ophelderen. Tijdens de inhoudelijke behandeling heeft verdachte echter desgevraagd niet toegelicht om welke onderdelen van de verhoren het dan ging en in welke zin hij deze wenste aan te vullen of te wijzigen. Verdachte heeft meermalen verzucht dat hij wil en hoopt dat "de waarheid boven tafel komt" en dat het Openbaar Ministerie en de rechter-commissaris daar "niet naar op zoek zijn geweest". Desgevraagd heeft verdachte verklaard er wel van overtuigd te zijn dat de rechtbank op zoek is naar de waarheid. De rechtbank heeft verdachte in dit verband voorgehouden dat hij niet behulpzaam is bij deze zoektocht, als hij zich bij cruciale vragen op zijn zwijgrecht beroept, hetzij omdat verdachte dat zelf wil hetzij op advies van zijn raadsman. Hierdoor zou allicht het idee kunnen ontstaan dat verdachte niet op zoek is naar de waarheid en dat hij ten aanzien van bepaalde punten het beter vindt dat de rechtbank de waarheid niet te weten komt. Verdachte heeft zijn proceshouding hierop echter niet aangepast.

63. Verdachte heeft tijdens de inhoudelijke behandeling van zijn zaak verklaard over de situatie in zijn woonplaats Mugonero tijdens de genocide. Kort samengevat heeft hij verklaard dat hij niet gemerkt heeft dat er in het dorp onderscheid werd gemaakt tussen Hutu's en Tutsi's(164), dat hij zelf niet wist wie in zijn dorp Hutu of Tutsi was(165), dat hij - na zijn terugkomst uit Italië - niets gemerkt heeft van toegenomen spanningen of problemen tussen Hutu's en Tutsi's166, dat hij niets heeft gemerkt van haatpropaganda tegen Tutsi's(167), dat hij geen gewelddadigheden heeft gezien(168), dat hij in Mugonero nooit Interahamwe heeft gezien(169). Kortom, Mugonero was volgens verdachte tijdens de genocide een rustige plek, waar Hutu's en Tutsi's vreedzaam naast elkaar leefden zonder dat etniciteit een rol speelde in het dagelijks leven. De enige vorm van onveiligheid in het dorp kwam van mensen die op de vlucht waren geslagen voor de oorlog tussen de RAF en het RPF, aldus verdachte.(170)

64. Het behoeft geen betoog dat deze uitlatingen van verdachte, welke een volledige ontkenning van de realiteit inhouden, en de hiervoor beschreven opstelling ter zitting invloed hebben gehad en kleuring hebben gegeven aan de wijze waarop de inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft deze kennelijk leugenachtige verklaringen van verdachte overigens niet bij enige bewijsoverweging betrokken. Ten slotte wordt hier nog gemeld dat verdachte zich ter zitting heeft laten ontvallen dat de rechtbank zich niet alleen zou moeten afvragen of Hutu's de Tutsi's hebben doodgemaakt maar ook 'wat de Tutsi heeft gedaan om de dood te verdienen'. Gevraagd om een uitleg hiervan heeft verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen.

Het horen van getuigen in het algemeen

65. De rechtbank heeft in de aanloop naar de inhoudelijke behandeling meermalen aan het Openbaar Ministerie en de verdediging de vraag voorgelegd of zij getuigen ter zitting wensten te horen. Beide hebben deze vraag steeds ontkennend beantwoord. De rechtbank heeft geen noodzaak gezien om ambtshalve getuigen ter zitting te doen verschijnen.

66. Wel heeft het Openbaar Ministerie, op 20 december 2007, de rechtbank in overweging gegeven om één van de zittingsrechters als rechter-commissaris te benoemen om in Rwanda twee getuigen te horen. Het Openbaar Ministerie heeft uitgesproken dat het - in zijn visie - zou bijdragen "aan de scherpte van het referentiekader" van de rechtbank indien een van de zittingsrechters zelf zou ervaren hoe de verhoren verlopen, onder welke omstandigheden de rechter-commissaris tot dan toe gewerkt had en om Rwanda met eigen ogen te zien. De raadsman heeft zich uitdrukkelijk bij dit voorstel aangesloten.

67. De rechtbank heeft na beraad op dit punt, ter zitting van 18 februari 2008, aan partijen medegedeeld dat zij geen gebruik zou maken van de bevoegdheid om één van de zittingsrechters als rechter-commissaris aan te wijzen. De motieven van het Openbaar Ministerie en de raadsman om tot een dergelijke benoeming over te gaan, acht de rechtbank begrijpelijk en relevant maar houden in dat aldus één van de zittingsrechters een soort schouw zou houden. Hiervoor is de bevoegdheid een zittingsrechter als rechter-commissaris aan te wijzen echter niet bedoeld. Bovendien bepaalt artikel 318 Sv dat het verplaatsen van de terechtzitting voor een gerechtelijke plaatsopneming slechts mogelijk is binnen het rechtsgebied van de rechtbank. Daarnaast is de concrete toegevoegde waarde van het verhoor door één van de zittingsrechters van juist de twee genoemde getuigen niet gebleken. Terzijde merkt de rechtbank op deze plaats op dat het in WIM-zaken de voorkeur zou verdienen indien de rechtbank ook kan schouwen op plaatsen buiten het eigen rechtsgebied. Dit kan bijvoorbeeld van belang zijn om te kunnen beoordelen wat een getuige al dan niet heeft kunnen zien of horen vanaf een bepaalde (verstop)plek.

Het horen van de getuige Adrien Harorimana

68. Zoals gezegd heeft de rechtbank geen noodzaak gezien getuigen op te laten roepen en heeft het Openbaar Ministerie meermalen desgevraagd aangegeven evenmin getuigen ter zitting te willen horen. Dit werd voor het Openbaar Ministerie echter anders, toen bekend werd dat Adrien Harorimana als beledigde partij en nabestaande van één van de slachtoffers van de aan verdachte verweten misdrijven ter zitting zou verschijnen. Bij brief van 2 oktober 2008 heeft het Openbaar Ministerie de rechtbank en de verdediging medegedeeld dat het voornemens was om Adrien Harorimana als getuige op te roepen voor de behandeling ter terechtzitting. Ter zitting heeft het Openbaar Ministerie toegelicht dat met het oog op collusiegevaar, de kans op beïnvloeding van getuigen door verdachte en/of zijn familie en de mogelijk onevenredige belasting die een verhoor ter zitting voor een getuige zou kunnen meebrengen, aanvankelijk was besloten in het geheel geen getuigen ter zitting op te roepen. Nu Adrien Harorimana zich als beledigde partij had gevoegd in het strafproces tegen verdachte, hij had aangegeven in ieder geval ter zitting te zullen verschijnen in zijn hoedanigheid van beledigde partij en nabestaande en zich ook bereid had verklaard om als getuige ter zitting op te treden, speelden de bezwaren tegen een verhoor ter zitting een minder grote rol. Het Openbaar Ministerie heeft voorts uitgelegd dat het de getuige ter zitting wenste te doen horen teneinde "de betrouwbaarheid van de getuige te onderstrepen". Daarnaast zou de getuige bij de rechtbank "begrip kunnen kweken voor de contextuele situatie in Rwanda en de mogelijk cultuurverschillen".(171) De raadsman heeft zich verzet tegen het horen van de getuige.(172)

69. De rechtbank heeft ter terechtzitting vastgesteld dat de getuige Adrien Harorimana volgens de rechter-commissaris was 'afgehoord'(173) en dat deze geen vragen had belet ten tijde van het verhoor van deze getuige. De rechtbank heeft ter zitting uitgesproken dat zij aan de zijde van het Openbaar Ministerie weliswaar een vervolgingsbelang bij het horen van deze getuige aanwezig achtte, namelijk het belang van het onderstrepen van de betrouwbaarheid van deze getuige, maar dat zij bij voorbaat reeds kon aangeven dat zij geen vragen aan deze getuige zou hebben.(174) Ter terechtzitting van 23 oktober 2008 heeft het Openbaar Ministerie meegedeeld dat niet langer werd vastgehouden aan het verzoek getuige Adrien Harorimana te horen. De getuige is niet ter zitting gehoord.

Beledigde partijen

70. Als beledigde partijen hebben zich gevoegd [getuige 4] en [getuige 3] (feit 3 op dagvaarding I) en Adrien Harorimana (feit 1 op dagvaarding II). Zij allen hebben vorderingen tot schadevergoeding ingediend en zijn, bijgestaan door hun raadsvrouw mr. Zegveld, ter terechtzitting verschenen om hun vorderingen toe te lichten.

Spreekrecht

71. Sinds 1 januari 2005 hebben slachtoffers van bepaalde strafbare feiten het recht om een schriftelijke slachtofferverklaring in te dienen of om mondeling in de rechtszaal een verklaring af te leggen: het spreekrecht. Het spreekrecht is in het Nederlandse strafproces geïntroduceerd om slachtoffers en nabestaanden de mogelijkheid te geven om de gevolgen, die zij ondervinden van jegens hen gepleegde strafbare feiten aan de rechtbank uiteen te zetten.

72. [Getuige 4] en [getuige 3] hebben beiden, als slachtoffer van feit 3 op dagvaarding I, ter terechtzitting van 20 oktober 2008 van hun spreekrecht gebruik gemaakt.

73. Spreekgerechtigd is slechts in beginsel het slachtoffer zelf; alléén bij overlijden kan het slachtoffer worden vervangen door een nabestaande. Artikel 336 Sv beperkt dit spreekrecht tot een beperkte groep nabestaanden (in de zijlijn tot en met de tweede graad). Uit de verklaring van Adrien Harorimana blijkt dat zijn vader de broer is van de opa van Consolata Mukamurenzi.(175) In Rwanda wordt een dergelijke familierelatie als een directe familierelatie gezien; in Nederland zouden Adrien Harorimana en Consolata Mukamurenzi echter familieleden in de vijfde graad zijn geweest. Adrien Harorimana heeft ook verklaard dat hij waarschijnlijk het enige nog in leven zijnde familielid van Consolata Mukamurenzi is.(176)

74. Adrien Harorimana valt aldus niet binnen de groep van nabestaanden die een afdwingbaar spreekrecht hebben. Voor zover de rechtbank kan overzien, is Adrien Harorimana de enige nabestaande van Consolata Mukamurenzi. Het feit dat er, zoals in dit geval, binnen de wettelijke vastgestelde kring van spreekgerechtigde personen geen familielid meer in leven is dat van het spreekrecht gebruik kan maken, is een omstandigheid, waarin de wetgever niet heeft voorzien. De rechtbank heeft in deze bijzondere omstandigheid aanleiding gezien Adrien Harorimana in de gelegenheid te stellen het spreekrecht uit te oefenen, te meer nu er ook geen wettelijke bepaling is die zich daartegen verzet. Adrien Harorimana heeft ter terechtzitting van 23 oktober 2008 gebruik gemaakt van zijn spreekrecht. Van de zijde van de verdediging is hiertegen overigens geen bezwaar gemaakt.

Nieuw onderzoek door de rechter-commissaris naar aanleiding van buitenlandse stukken

75. Na requisitoir en pleidooi heeft de rechtbank, op 24 november 2008, het onderzoek ter terechtzitting ambtshalve geschorst teneinde de rechter-commissaris vijf getuigen nader te laten horen in Rwanda. Het gaat om de vijf slachtoffers die hebben verklaard over de aanval op het Zevendedags Adventistencomplex ten overstaan van onderzoekers van het Rwanda-tribunaal, de Kamer van Berechting van het Rwanda-tribunaal en/of de autoriteiten van de Verenigde Staten en/of Canada. De desbetreffende verklaringen zijn pas in het geding gebracht, nadat de verhoren van de vijf getuigen door de rechter-commissaris waren afgerond (zie hierboven paragraaf 47). Als de rechter-commissaris bij zijn verhoren de beschikking had gehad over de door deze getuigen afgelegde statements en testimonies dan had zij/hij daar - zonder twijfel - vragen over gesteld, met name nu opvalt dat in die stukken de naam van verdachte nagenoeg nooit wordt genoemd en in ieder geval niet in verband met de aanval op het Zevendedags Adventistencomplex. De vragen die naar aanleiding van deze stukken zijn gerezen zijn ook ter zitting aan de orde gesteld. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek door de rechter-commissaris niet volledig heeft kunnen zijn, omdat bij de verhoren van deze getuigen zij niet met inhoud van voornoemde verklaringen zijn geconfronteerd.

76. De rechtbank heeft zich de vraag gesteld op welke wijze de getuigen nogmaals gehoord zouden moeten worden: op zitting, via een telehoor-verbinding danwel door de rechter-commissaris in Rwanda. De rechtbank heeft de voorkeur gegeven aan een rogatoire reis door de rechter-commissaris. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat, zoals gezegd, het onderzoek van de rechter-commissaris niet volledig is geweest en in feite aldus aan de orde was een vervolg op een eerder aan de rechter-commissaris verstrekte opdracht. Telehoren lag niet in de rede vanwege culturele verschillen en mogelijke technische problemen. Voorts heeft de rechtbank hierover overwogen dat de rechter-commissaris de getuigen beter op hun gemak kan stellen - hetgeen gelet op de feiten waarover ze moeten verklaren noodzakelijk wordt geacht - als hij de getuigen in persoon ziet. Verder kan de rechter-commissaris maatregelen treffen om zoveel mogelijk contacten tussen de getuigen onderling te voorkomen en aldus de waarheidsvinding te bevorderen.

77. Ten behoeve van de nadere verhoren door de rechter-commissaris heeft de rechtbank een lijst met vragen opgesteld vergezeld van een toelichting met vindplaatsen en deze ter beschikking gesteld aan de rechter-commissaris. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld eventuele feitelijke onjuistheden hierin te signaleren en aanvullende vragen op te geven. Van deze mogelijkheid heeft met name het Openbaar Ministerie gebruik gemaakt; de raadsman slechts op een enkel punt. De rechter-commissaris heeft de vijf getuigen in december 2008 en januari 2009 opnieuw gehoord.

Kritiek van de verdediging op de kwaliteit van het onderzoek

Kritiek op het Openbaaar Ministerie

78. De kritiek van de verdediging op het Openbaar Ministerie was omvangrijk en hard. Het Openbaar Ministerie zou in het onderzoek "nalatig" en "gebrekkig" zijn geweest; het zou "onkundig" zijn; "niet op zoek naar de waarheid", "de ogen sluiten voor de realiteit" en zich laten "meeslepen door emotie". Meer concreet heeft de verdediging het Openbaar Ministerie verweten - onder meer - dat:

a. onvoldoende, en niet voortvarend, onderzoek is gedaan naar eerder afgelegde verklaringen van getuigen tegenover buitenlandse instanties;

b. geen of onvoldoende forensisch onderzoek is gedaan;

c. er geen foslo-confrontaties hebben plaatsgevonden.

79. Ad a. Uit het verslag van het onderzoek, zoals hierboven weergegeven, volgt dat deze kritiek feitelijke grondslag mist. De rechtbank heeft geconstateerd dat het Openbaar Ministerie van meet af aan het belang van het verkrijgen van elders afgelegde verklaringen heeft onderkend en zich bovenmatig heeft ingespannen om deze verklaringen toe te kunnen voegen aan het dossier.

80. Ad b. De raadsman heeft bij de bespreking van de tenlastegelegde feiten meermalen betoogd dat de verklaringen van getuigen in geen enkel opzicht worden ondersteund door "objectief en onomstotelijk bewijsmateriaal": uit dat materiaal zou onder andere moeten blijken welke slachtoffers "er dood zijn, hoe ze dood zijn gegaan, waarmee ze dood zijn gemaakt, waar deze personen überhaupt vandaan kwamen". Het dossier bood daartoe wel voldoende aanknopingspunten, aldus de raadsman. Er hadden forensische opgravingen moeten worden gedaan(177), met daaraan gekoppeld onderzoek naar de vraag omtrent de doodsoorzaak,(178) hoe oud de stoffelijke overschotten waren en dna-onderzoek. Er hadden foto's van de lijken moeten worden genomen. Bij de burgerlijke stand in Rwanda hadden nadere gegevens over slachtoffers moeten worden opgevraagd.(179) De raadsman heeft er op gewezen dat er geen kledingstukken van slachtoffers zijn aangetroffen en evenmin moordwapens of schotresten.

81. Aan deze stellingen van de raadsman ligt onder meer de veronderstelling ten grondslag dat van de slachtoffers in deze zaak bekend is op welke plaats zij zijn begraven, dat van de slachtoffers referentiemateriaal (dna) beschikbaar is ten behoeve van identificatie van stoffelijke overschotten en dat de autoriteiten van Rwanda beschikken over aktes van geboorten en overlijden van de tijdens de genocide omgekomen personen. Deze veronderstellingen missen iedere realiteitszin. Zo heeft de raadsman ten aanzien van de verkrachting van en moord op Consolata Mukamurenzi aangevoerd dat er een opgraving van Consolata Mukamurenzi had moeten plaats vinden op de plek die getuige Adrien Harorimana had aangewezen. De raadsman is hierbij volledig voorbijgegaan aan de opmerking van deze getuige over hoe hij Consolata Mukamurenzi heeft moeten achter laten: "We hebben Consolata Mukamurenzi een beetje kunnen toedekken met aarde, maar niet goed genoeg, omdat we moesten vluchten en drie dagen later toen wij bij de plek terug kamen, zag ik dat Consolata Mukamurenzi niet meer in haar graf lag en dat zij daar kennelijk was uitgehaald door honden. We hebben haar nooit meer teruggevonden."(180) Een ander voorbeeld is dat de raadsman heeft aangevoerd dat er forensische opgravingen hadden moeten plaatsvinden op de plaats waar inzittenden van de ambulance zouden zijn begraven, omdat er getuigen zijn die hebben verklaard over de exacte locatie. Ook hierbij is de raadsman volledig voorbij gegaan aan het feit dat deze getuigen weliswaar een locatie hebben aangeduid waar de slachtoffers van de ambulance zouden zijn begraven, maar tevens hebben verklaard dat na de genocide alle slachtoffers zijn herbegraven in massagraven.(181) Een forensische opgraving was dus niet mogelijk.

82. De rechtbank onderschrijft de conclusie van het Openbaar Ministerie dat alle mogelijkheden voor forensisch onderzoek voldoende tegen het licht zijn gehouden(182) en dat de inhoud van het dossier geen enkel realistisch perspectief biedt op verkrijging van ander relevant forensisch bewijs dan het bewijs dat zich in het dossier bevindt.

83. Ad c. De getuigen in deze zaak hebben - ieder voor zich - gemotiveerd aangegeven verdachte te kennen(183), bijvoorbeeld omdat hij de zoon van een machtige koopman was, zij bij hem of zijn familieleden op school hebben gezeten, zij regelmatig koffie aan hem verkochten etcetera. De rechtbank heeft in de omstandigheid dat verdachte ten aanzien van vrijwel elke getuige à charge heeft aangegeven dat hij deze getuige niet kent (en ook overigens) geen aanwijzing gevonden om de getuigenverklaringen op dit punt in twijfel te trekken. Immers, verdachte was in het gebied waarin hij woonachtig was een bekend persoon, zodat het goed voorstelbaar is dat er getuigen zijn die hém wel kennen maar hij hén niet. De rechtbank neemt afstand van het verwijt van de raadsman dat het onderzoek van het Openbaar Ministerie gebrekkig is geweest, omdat er geen confrontaties van de getuigen met verdachte hebben plaatsgevonden. Het is een door alle gezaghebbende wetenschappers op dit punt erkend uitgangspunt dat het een strikte voorwaarde is bij herkenningstesten dat de getuige de verdachte bij geen andere gelegenheid dan het misdrijf gezien kan hebben.(184) Anders ontstaat het probleem van "plaatsing", waarmee wordt gedoeld op de situatie waarin de getuige weet dat hij de hem getoonde verdachte kent, maar niet meer weet waarvan. Ten aanzien van alle getuigen à charge - behoudens [getuige 4] - kan worden vastgesteld dat zij verdachte ook bij een andere gelegenheid dan de tenlastegelegde feiten hebben gezien. In de literatuur wordt dan ook gesteld dat het probleem van herkenning van bekende personen niet met behulp van een gecontroleerde identificatieprocedure nader getoetst kan worden en dat de herkenning eigenlijk op het gezag van de getuige aanvaard moet worden. Wel kan de waarnemingssituatie geëvalueerd worden, aldus de deskundigen, waarbij de in hoofdstuk 6 (waardering van getuigenbewijs) te bespreken aandachtspunten van belang zijn.(185)

84. Het Openbaar Ministerie heeft overigens eveneens gelijk waar het stelt dat een (f)oslo in 2006 of later uitsluitend iets zegt over de vraag of de getuige meer dan tien jaar later de verdachte nog herkent, en erg weinig over de vraag of de getuige in 1994 de verdachte kon herkennen.

Kritiek op de rechter-commissaris

85. De raadsman heeft in zijn pleidooi uitvoerig aandacht besteed aan alle vragen die hij aan getuigen had willen stellen, maar die in zijn visie ten onrechte door de rechter-commissaris zijn belet.(186) De raadsman heeft weliswaar geen conclusie aan zijn stellingen verbonden, maar de rechtbank gaat er vanuit dat de raadsman heeft willen betogen dat aldus aan de rechten van verdachte op een eerlijk proces tekort is gedaan. Dat betoog wordt verworpen op grond van het volgende.

86. De rechtbank heeft vastgesteld dat de rechter-commissaris inderdaad antwoorden op bepaalde vragen van de raadsman heeft belet.(187) De rechter-commissaris heeft de wettelijke bevoegdheid om vragen te beletten om te voorkomen dat de getuige moet antwoorden op vragen van de verdachte (of diens raadsman) of het Openbaar Ministerie die overbodig zijn, hem nadeel kunnen berokkenen of waardoor diens goede naam wordt aangetast. De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat de rechter-commissaris bij het overgrote deel van de door hem of haar belette antwoorden de reden daarvoor in het proces-verbaal van verhoor van de desbetreffende getuige heeft gerelateerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de rechter-commissaris, gelet op de daarvoor in het proces-verbaal opgenomen motivering, het antwoord op de meeste vragen terecht belet.(188) Het spreekt bijvoorbeeld vanzelf dat de vraag van de raadsman aan getuige [getuige 14] waarom hij, toen hij verstopt lag onder de lijken, de twee vrouwen die onder zijn ogen werd verkracht, niet te hulp is geschoten, werd belet als onnodig kwetsend voor de getuige en ontbloot van menselijk inlevingsvermogen.(189)

87. Niet in alle gevallen is de reden voor het beletten van het antwoord op een vraag gerelateerd in het proces-verbaal, hetgeen overigens ook niet wettelijk verplicht is. Uit het proces-verbaal blijkt niet dat de raadsman in die gevallen de relevantie van de vraag had toegelicht aan de rechter-commissaris.(190)

88. Opvallend is dat de raadsman bij pleidooi steeds melding heeft gemaakt van de door de rechter-commissaris belette vragen of antwoorden, maar slechts in één geval aan de rechtbank heeft verzocht om de belette vragen nogmaals aan de desbetreffende getuigen voor te leggen.(191) Deze vragen zijn daarop - in opdracht van de rechtbank - opnieuw aan de getuigen voorgelegd of op een andere manier beantwoord.(192) Ook een aantal andere vragen, waarop het antwoord van de getuigen door de rechter-commissaris bij eerdere verhoren was belet, is tijdens de rogatoire reizen in december 2008 en januari 2009 overigens alsnog beantwoord.

89. Gelet op het voorgaande is - ook op dit punt - van een inbreuk op de verdedigingsrechten van verdachte geen sprake.

Hoofdstuk 6: Waardering van getuigenbewijs

Inleiding

1. Het bewijs van de aan verdachte verweten feitelijke gedragingen bestaat hoofdzakelijk uit verklaringen van (oog)getuigen. In het dossier Maton figureren meer dan 50 getuigen en het dossier bevat meer dan 100 getuigenverklaringen. De oudste verklaring dateert van 10 september 1996 en de meest recente van 27 januari 2009.

2. Het dossier bevat verklaringen van getuigen afgelegd tegenover:

- de Nationale Recherche;

- de rechter-commissaris;

- het Rwanda-tribunaal in de vorm van trial testimonies en witness statements;

- gacaca's;

- Canadese dan wel Amerikaanse autoriteiten;

- het Parquet Général in Rwanda.

3. De waardering van de diverse getuigenverklaringen vormt voor de rechtbank, zoals het Openbaar Ministerie het heeft verwoord, het "pièce de résistance" in deze strafzaak. Die waardering zal op basis van 'papier' moeten geschieden. De rechtbank heeft immers geen getuigen ter zitting gehoord. Wel hebben drie getuigen in hun hoedanigheid van slachtoffer dan wel nabestaande en beledigde partij een verklaring ter zitting afgelegd.

4. Over de wijze waarop deze waardering zal plaatsvinden - vanuit welke invalshoeken en aan de hand van welke aandachtspunten - handelt dit hoofdstuk.

Algemene opmerkingen

5. Deze zaak wordt beoordeeld op grond van Nederlands recht. Dit betekent onder meer dat als wettige bewijsmiddelen alleen worden erkend de in artikel 339 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) genoemde middelen en dat de bewijsminimumregels van artikel 341-344a Sv van toepassing zijn. Zo mag de bewezenverklaring niet op de verklaring(en) van slechts één getuige berusten (de "unus testis nullus testis"-regel). De bewijsminima geven uitdrukking aan het beginsel van de dubbele bevestiging, dat inhoudt dat er steeds twee van elkaar onafhankelijke bronnen moeten zijn om tot bewezenverklaring van een strafbaar feit te komen. Deze eis vindt zijn grond in de gedachte dat het onverantwoord is iemand te veroordelen enkel en alleen op grond van de mededelingen van één persoon. Uitgangspunt in ons strafrechtsstelsel is verder dat de rechter vrij is in de selectie en waardering van de (wettige) bewijsmiddelen.

6. Het Rwanda-tribunaal kent geen bewijsminimumregels. Het is vaste jurisprudentie van het tribunaal dat zij geen "unus testis nullus testis"-regel hanteert;(193) ook een veroordeling op basis van één verklaring, zonder steunbewijs, is mogelijk, zelfs als dit een de auditu-verklaring betreft.(194)

7. Onderzoek wijst uit dat ooggetuigenverklaringen, zelfs als die onder de meest gunstige omstandigheden zijn afgelegd, regelmatig niet accuraat zijn. Om die reden moeten getuigenverklaringen in het algemeen kritisch worden bekeken. Zie hierover in Het Recht van Binnen, psychologie van het recht:

"Herinneringen zijn niet per definitie betrouwbaar en de subjectieve zekerheid over de juistheid ervan is geen garantie voor accuratesse. Fouten kunnen optreden door allerlei oorzaken. Er zijn zelfs zoveel factoren die tot onjuistheden kunnen leiden en er is zo weinig dat gedaan kan worden om ze te voorkomen, dat men zich kan afvragen of herinneringen eigenlijk ooit wel te vertrouwen zijn. Is alles wat we ons denken te herinneren niet een illusie? (...) Voor de rechtspleging is het antwoord echter niet zo geruststellend. Juist de situaties waar het in de rechtspraak vaak om gaat, zoals het herinneren van emotionele en onverwachte gebeurtenissen die veel aandacht krijgen, en waar het essentieel is dat specifieke details correct zijn, blijken het meest gevoelig voor fouten. Dat betekent niet dat alle (oog)getuigenverklaringen nu gewantrouwd moeten worden. Het betekent wel dat dergelijke verklaringen kritisch moeten worden bekeken en dat hun rol in de bewijsvoering zorgvuldig moet worden geëvalueerd".(195)

8. De grenzen aan het menselijk waarnemingsvermogen en geheugen zijn evident. Door zowel interne processen als externe factoren wordt het geheugenspoor van de originele ervaring veranderd of aangevuld. Het probleem daarbij is dat de bron van die veranderingen of aanvullingen niet wordt opgemerkt of wordt vergeten. Die bron kan bestaan uit interne processen, zoals selectieve waarneming en interpretatie tijdens het ervaren van de originele gebeurtenis of reconstructie tijdens het ophalen. De bron kan ook bestaan uit externe factoren, zoals het integreren van later verkregen informatie in het geheugenspoor van de originele ervaring, of het accepteren van gesuggereerde gebeurtenissen als echte herinneringen. De oorzaak van "fouten" in het geheugen is dikwijls een vorm van bronverwarring, ook wel bronamnesie genoemd.(196)

9. De Nederlandse jurisprudentie geeft geen 'harde criteria' op grond waarvan kan worden bepaald of een getuige geloofwaardig is en zijn verklaring betrouwbaar. Algemeen aanvaard uitgangspunt is wel dat de rechter dient na te gaan of een getuigenis gezien de persoon die dit geeft, de omstandigheden waaronder het tot stand is gekomen en de feitelijke informatie die het bevat, voldoende betrouwbaar en aannemelijk is om als bewijsmiddel te worden gebruikt.

10. De beoordeling van de geloofwaardigheid van de getuige en de betrouwbaarheid en aannemelijkheid van de getuigenverklaringen in deze zaak is een lastige opgave, en moet te meer kritisch geschieden, nu de getuigen in dit dossier vrijwel allen afkomstig zijn uit een andere omgeving en cultuur dan de onze, zij hebben verklaard over gebeurtenissen die zich bijna 15 jaar geleden hebben afgespeeld, in een ander deel van de wereld, en welke van een dermate dramatisch karakter zijn dat zij het voorstellingsvermogen haast te boven gaan.

11. De Nederlandse strafrechter heeft zich in de afgelopen jaren vaker gebogen over getuigenbewijs in internationale strafzaken, waarbij de aan de verdachte verweten gedragingen ver in het verleden lagen, plaatsvonden in een ander werelddeel en het dossier grotendeels uit verklaringen van getuigen afkomstig uit een 'ver buitenland' bestond. In die zaken werden om die reden de getuigenverklaringen met behoedzaamheid bezien; een zelfde behoedzaamheid als de rechtbank in deze zaak zal betrachten. Zie bijvoorbeeld rechtbank 's-Gravenhage in de zaak tegen de Afghaanse generaal [F.]:

"De strafzaak tegen de verdachte betreft feiten welke zich meer dan twintig jaar geleden hebben afgespeeld in een door politieke, religieuze en etnische geschillen en door gewelddadigheden verscheurd land. Veel van die geschillen bestaan tot op de dag van vandaag. Dit gegeven, maar met name het tijdsverloop maakt het noodzakelijk de getuigenverklaringen met behoedzaamheid te bezien. Dit is temeer van belang waar het hier gaat om gebeurtenissen in een samenleving, welke op alle gebieden - cultureel, technisch, economisch en politiek - zo volstrekt verschillend is van de Nederlandse, dat ook de rechtbank op bijna geen enkel punt kan terugvallen op feiten of omstandigheden 'van algemene bekendheid' en op inzichten in gebruikelijke organisatievormen en verhoudingen en aldus belemmerd wordt bij haar beoordeling van de getuigenverklaringen".(197)

12. Ook het gerechtshof 's-Gravenhage in de zaak [K.] heeft, ten aanzien van verdachtes eigen verklaring, gewezen op deze bijzonderheden en tot voorzichtigheid gemaand:

"[Met bovenstaande overwegingen] wil het hof bovendien duidelijk maken, hoe lastig het is de feitelijke situatie in een dergelijk 'ver buitenland' vast te stellen en hoe voorzichtig daarom moet worden omgegaan met de beoordeling van de juistheid of onjuistheid van afgelegde verklaringen tegen de achtergrond van die feitelijke situatie, waarmee de Nederlandse justitie niet op voorhand vertrouwd is".{198}

Uitgangspunten bewijswaardering

13. Het Openbaar Ministerie heeft aangegeven dat het zich voor het bewijs in deze zaak hoofdzakelijk baseert op de verklaringen die de getuigen hebben afgelegd tegenover de (Nederlandse) rechter-commissaris. In aanvulling daarop put het Openbaar Ministerie bewijs uit de verklaringen van deze getuigen tegenover de Nationale Recherche en het Rwanda-tribunaal.(199)

14. De rechtbank onderschrijft het uitgangspunt van het Openbaar Ministerie dat ter beoordeling primair voorliggen de - verdachte belastende - verklaringen die de getuigen hebben afgelegd tegenover de (Nederlandse) rechter-commissaris. Deze verklaringen zijn immers afgelegd voor een rechter en zijn expliciet gericht op de schuld of onschuld van deze verdachte. Bovendien hebben zowel het Openbaar Ministerie als de verdediging tijdens deze verhoren de gelegenheid gehad de getuigen uitvoerig te ondervragen en de geloofwaardigheid van de getuige en de betrouwbaarheid van diens verklaring te toetsen.

15. Het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben over de wijze waarop getuigenverklaringen in dit dossier moeten worden beoordeeld zienswijzen en standpunten ingenomen. Het Openbaar Ministerie heeft in dit verband toetsingskaders geformuleerd en aan de rechtbank voorgelegd en uitgebreide overwegingen gewijd aan hetgeen bij de beoordeling van getuigenverklaringen van belang kan zijn. De rechtbank zal in dit hoofdstuk een toetsingskader formuleren waarbinnen de getuigenverklaringen zullen worden beoordeeld. Om tot een toetsingskader te komen vergt het volgende bespreking.

I: Persoon van de getuige

16. De rechtbank zal onderzoeken of er omstandigheden aannemelijk zijn geworden die mogelijk van invloed zijn op de geloofwaardigheid van de getuige. Zij zal daartoe nagaan of de getuige betrokkenheid heeft bij de tenlastegelegde feiten, alsmede of de getuige een belang of motief heeft - persoonlijk, etnisch, financieel of anderszins - om in strijd met de waarheid een voor verdachte belastende verklaring af te leggen.(200) Verder kan van belang zijn of de getuige verdachte kent, en zo ja, uit welke hoofde en in welke mate en of de getuige één of meer van de andere getuigen die verdachte belast(en) kent.

17. De rechtbank zal ook onderzoeken of getuigen onderscheid hebben kunnen maken tussen wat zij zelf hebben gezien en wat zij van anderen hebben gehoord (hearsay). Voorts heeft zij oog voor mogelijk verstorende effecten ten gevolge van culturele verschillen. Zo zal worden bezien of een getuige moeite heeft met tijd-, ruimte- en afstandbepaling en/of zich wellicht niet kan oriënteren aan de hand van kaarten, foto- en beeldmateriaal, alsmede de wijze waarop een getuige reageert op vragen, met name delicate, en deze beantwoordt.(201)

18. De meeste getuigen in dit dossier zijn getraumatiseerde getuigen. Niet kan worden gezegd dat een getraumatiseerde getuige minder betrouwbaar is dan een niet getraumatiseerde getuige. Wel is het zo dat herinneringen aan centrale details van een traumatische gebeurtenis vaak accurater en vollediger zijn dan herinneringen aan perifere details van eenzelfde gebeurtenis. Hiervoor zijn twee redenen aan te wijzen: de aandacht richt zich op bedreigende, centrale details van een gebeurtenis (het zogenoemde "weapon focus effect").(202) Daarnaast vernauwen de grenzen van het traumatische beeld ("boundary restriction"). Dit houdt in dat er minder achtergrond wordt waargenomen waardoor elementen die zich in de marge van een emotioneel beeld bevinden worden vergeten.(203)

19. In het dossier figureren twee getuigen die destijds kind waren. (Rechts)psychologisch onderzoek heeft laten zien dat het geheugen van kinderen wel degelijk accuraat is en dat kinderen accuraat kunnen vertellen over gebeurtenissen die enige jaren eerder hebben plaatsgevonden.(204) Er zijn dan ook geen redenen om a priori aan te nemen dat verklaringen van kinderen niet betrouwbaar zijn vanwege de leeftijd van de kinderen, ook niet als zij spreken over gebeurtenissen die enige jaren eerder hebben plaatsgevonden.

II: Totstandkoming van de getuigenis

20. De rechtbank zal onderzoeken of er in de wijze van totstandkoming van de getuigenis of ten tijde van het verhoor omstandigheden zijn aan te wijzen die van invloed kunnen zijn geweest op de betrouwbaarheid van de inhoud van de verklaringen. De rechtbank legt daarbij de nadruk op de totstandkoming van de verklaringen afgelegd tegenover de rechter-commissaris, omdat deze, zoals gezegd, primair voorliggen ter beoordeling. In verband met de wijze van verhoor is relevant de manier van vragen stellen, het soort vragen dat wordt gesteld, de inhoud van de vragen, de houding en het gedrag van de verhoorder. Van belang is voorts of er aanwijzingen zijn voor communicatieproblemen of misverstanden tussen de verhoorder en de getuige of tussen de tolk en de getuige. Daarnaast is van belang of de getuige één of meer van de andere getuigen die verdachten belast(en) kent en met hem of haar over de onderhavige zaak contact heeft gehad alvorens een verklaring af te leggen.

21. De rechtbank dient vervolgens na te gaan of een getuigenverklaring, gezien de feitelijke informatie die het bevat, voldoende betrouwbaar en aannemelijk is om als bewijsmiddel te worden gebruikt.

Betrouwbaarheid van de verklaring in objectieve zin

22. Het Openbaar Ministerie heeft voor wat betreft de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring van getuigen in objectieve zin het beoordelingskader dat het gerechtshof 's-Gravenhage in de zaak [K.] heeft geschetst overgenomen. De relevante overwegingen van het hof luiden als volgt:

"Ten aanzien van het bewijsmiddel 'verklaring van een getuige' geldt (evenals voor de verklaring van de verdachte) in algemene zin dat die verklaring reeds vanwege de subjectiviteit van de waarneming, nog daargelaten mogelijk falende herinnering of kwade bedoeling van de betrokken getuige, per definitie een minder hard karakter heeft. De beoordeling van de betrouwbaarheid (in objectieve zin) van door getuigen afgelegde verklaringen zal mede (curs. rb) moeten plaatsvinden aan de hand van:

a) de toetsing aan objectieve, van elders verkregen gegevens zoals met betrekking tot de situatie ter plaatse,

b) de consistentie van opeenvolgende, door de desbetreffende getuige afgelegde verklaringen,

c) de overeenstemming van die verklaring(en) met hetgeen andere getuigen stellen en - ten slotte -

d) de (op zichzelf minder 'hard' vast te stellen) plausibiliteit van de inhoud van de afgelegde verklaring(en)."(205)

23. Uit de jurisprudentie van het Rwanda-tribunaal blijkt - zoals het Openbaar Ministerie ook heeft benadrukt - dat het tribunaal de getuigenverklaringen langs dezelfde meetlat legt als het gerechtshof in de zaak [K.] heeft gedaan en ook vanuit de andere genoemde invalshoeken - de persoon van de getuige en de totstandkoming van het verhoor - beziet. Zie naast de relevante overwegingen in de zaken Akayesu(206) en Semanza(207), bijvoorbeeld de uitspraak van de Kamer van Berechting in de zaak Nchamihigo:

"15. The jurisprudence on the recollection of details is also well formulated. The events about which the witnesses testified occurred more than a decade before the trial. Discrepancies attributable to the lapse of time or the absence of record keeping, or other satisfactory explanation, do not necessarily affect the credibility or reliability of the witnesses. The Chamber will evaluate the testimony of each witness in the context of the testimony as a whole and determine to what extent it can believe and rely on the testimony. In making this assessment, the Chamber will consider whether the testimony was inconsistent with prior statements made by the witness and, if so, the cause of the inconsistency. The Chamber will also consider the internal consistency and integrity of the testimony and the context in which it was given. The Chamber will compare the testimony of each witness with the testimony of other witnesses and with the surrounding circumstances. The Chamber will explain the criteria on which it acts on a case-by-case basis." (onderstr. rb)(208)

alsmede - nog recenter - de uitspraak van de Kamer van Berechting van het Rwanda-tribunaal in de zaak Bikindi van 2 december 2008:

"31. When evaluating viva voce evidence, the Chamber considered various factors, including the witnesses' demeanour in court, the plausibility and clarity of their testimony, and whether there were contradictions or inconsistencies within their testimony or between their testimony and their prior statements relied upon in court or admitted as exhibits. It also considered the individual circumstances of the witnesses, including their role in the events in question, their relationship with the Accused and whether the witnesses would have an underlying motive to give a certain version of the events." (onderstr. rb)(209)

24. De rechtbank deelt de visie van het Openbaar Ministerie dat dit beoordelingskader ook in deze zaak houvast kan bieden bij de beoordeling van de getuigenverklaringen.

III: De toetsing aan objectieve, van elders verkregen gegevens zoals met betrekking tot de situatie ter plaatse.

Forensisch onderzoek

25. De rechtbank heeft in hoofdstuk 5 reeds vastgesteld dat alle mogelijkheden voor forensisch onderzoek zijn benut. De mogelijkheid van toetsing van de verklaringen van de getuigen aan objectieve gegevens is, zo blijkt, beperkt. De toetsing kan slechts geschieden aan de hand van het achtergrondmateriaal over de Rwandese genocide in 1994 dat zich in het dossier bevindt, de feitelijke vaststellingen van het Rwanda-tribunaal zoals over het Zevendedags Adventistencomplex (Mugonero), het beeldmateriaal behorende bij het door het Rwanda-tribunaal verrichte onderzoek met betrekking tot het Zevendedags Adventistencomplex, de foto's van de Nationale Recherche en het beeldmateriaal van de verrichte schouw. Voorts bevinden zich in het zaaksdossier-[gezin getuigen 3 en 4] rapporten van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) over een door het echtpaar ter beschikking gestelde brief. Het feit dat het objectief bewijsmateriaal als door de raadsman bedoeld niet voorhanden is, maakt in ieder geval niet dat een betrouwbaarheidstoets op voorhand niet mogelijk is.

Vaststellingen Rwanda-tribunaal

26. De raadsman heeft betoogd dat de rechtbank geen vaststellingen van het Rwanda-tribunaal ten nadele van verdachte mag overnemen indien deze zijn gebaseerd op getuigenonderzoek, documentonderzoek en/of deskundigenonderzoek en de verdediging deze getuigen en deskundigen niet heeft kunnen ondervragen en/of de desbetreffende onderliggende documenten niet heeft kunnen inzien.(210)

27. Sommige feitelijke vaststellingen van het Tribunaal, zoals de vaststelling dat op 16 april 1994 op het Mugonero-complex een aanval op Tutsi-vluchtelingen heeft plaatsgevonden en op 13 mei 1994 op de Muyira heuvel, hebben ook in deze zaak als uitgangspunt te gelden. Deze vaststellingen zijn na uitgebreid onderzoek door het Tribunaal gedaan en de rechtbank ziet geen enkel aanknopingspunt om aan de juistheid daarvan te twijfelen. Weliswaar zijn de vaststellingen gebaseerd op onder meer verklaringen van getuigen en deskundigen alsmede documenten, zonder dat de verdediging op de totstandkoming daarvan enige invloed heeft kunnen uitoefenen, doch dat maakt niet dat de rechtbank de vaststellingen niet kan overnemen, te meer niet nu de verdediging niet (concreet) heeft aangegeven welke feitelijke vaststellingen zij betwist, en op welke grond.

IV: De consistentie van opeenvolgende, door de desbetreffende getuige afgelegde verklaringen; en

VI: de overeenstemming van die verklaring(en) met hetgeen andere getuigen hebben verklaard

Status verklaringen

28. De beoordeling van de verklaringen die getuigen tegenover de rechter-commissaris en de Nationale Recherche hebben afgelegd, zal mede geschieden in het licht van a) de verklaringen die deze getuigen, voor zover relevant, eerder tegenover andere instanties - waaronder het Rwanda-tribunaal, het Parquet Général in Rwanda, Canadese en Amerikaanse autoriteiten en de gacaca's - hebben afgelegd, b) de verklaringen van andere getuigen bij één of meer van de genoemde instanties en c) de verklaringen van verdachte.

29. Zoals hierboven weergegeven bevinden zich bij de stukken diverse verklaringen die getuigen hebben afgelegd tegenover onderzoekers en/of rechters van het Rwanda-tribunaal. Het gaat om witness statements en trial testimonies. Witness statements betreffen verklaringen die (potentiële zittings-) getuigen hebben afgelegd tegenover onderzoekers van het Rwanda-tribunaal. Deze statements zijn over het algemeen niet erg uitgebreid en in ieder geval niet woordelijk uitgewerkt. Vaak hebben de onderzoekers van het Rwanda-tribunaal (of van de Rwandese autoriteiten)(211) de getuigen (slechts) gericht gevraagd naar de persoon jegens wie een onderzoek werd verricht(212) dan wel naar een bepaald concreet incident.(213)

Trial testimonies betreffen de verklaringen van getuigen die op een terechtzitting - in het openbaar of achter gesloten deuren - tegenover de rechters van het Rwanda-tribunaal zijn afgelegd, in aanwezigheid van de aanklager en de verdediging. Van deze verklaringen zijn over het algemeen letterlijke verslagen beschikbaar. Hetzelfde onderscheid kan worden gemaakt ten aanzien van de verklaringen die getuigen hebben afgelegd tegenover Canadese en Amerikaanse onderzoekers respectievelijk rechters.

30. Het Openbaar Ministerie heeft gewezen op de beperkingen van de statements die zijn afgelegd tegenover onderzoekers van het Rwanda-tribunaal en de mogelijkheid van misslagen daarin. Het Openbaar Ministerie heeft uitgelegd dat direct na de genocide honderden onderzoekers van de Verenigde Naties over Rwanda zijn uitgewaaierd om zoveel mogelijk informatie te verzamelen. Vele duizenden statements, ook wel interviews genoemd, zijn op deze manier op papier gezet. Ook in de jaren daarna zijn statements opgenomen, vaak gericht op lopende onderzoeken tegen bepaalde verdachten of in verband met concrete incidenten. Het kan niet anders dan dat de statements, zeker de eerste jaren, onder primitieve omstandigheden zijn opgenomen. Het land "lag immers plat". De statements zijn bovendien opgenomen door onderzoekers van over de hele wereld met onbekende vaardigheden, gebruiken en achtergronden en met behulp van tolken, waarvan het niveau en de kwaliteit evenmin bekend zijn. Om deze redenen moet aan de statements maar een relatieve waarde worden toegekend. Het Openbaar Ministerie heeft gewezen op diverse overwegingen van het Rwanda-tribunaal, gewijd aan de diverse "zwaktes" in statements, waaruit volgt dat het tribunaal de bewijswaarde - om onder meer genoemde redenen - aanzienlijk minder acht dan van een verklaring afgelegd tegenover rechters.(214)

31. Het Openbaar Ministerie heeft voorts betoogd dat de waarde van gacaca-verklaringen, althans de gacaca-verklaringen die zich in het dossier bevinden, als instrument om de betrouwbaarheid van een getuige te meten, zeer beperkt is. Daarvoor acht het de volgende factoren van belang: van ondervraging van de getuige zoals dat in het Nederlandse strafproces of de procedure bij de internationale tribunalen aan de orde is, is geen sprake. Gacaca-verslagen hebben meer het karakter van notulen van een vergadering. Het is niet bekend hoe de gacaca-bijeenkomsten zijn verlopen: of daar bepaalde personen of incidenten centraal stonden, of iedereen die wilde spreken aan het woord kwam, of alles wat men wilde zeggen, gezegd kon worden etc. De vastlegging is zeer fragmentarisch. Niet kan worden beoordeeld of het een adequate vastlegging is van wat er tijdens de bijeenkomst is gezegd. Het is verder moeilijk te beoordelen of degene die aan het woord is geweest zijn opmerkingen heeft gemaakt in relatie tot een bepaalde persoon, in reactie op een opmerking van iemand anders etc., aldus het Openbaar Ministerie.(215)

32. De rechtbank heeft nota genomen van de stellingen van het Openbaar Ministerie terzake van de statements en gacaca-verklaringen - stellingen welke de raadsman niet heeft bestreden - en zal daaraan waar nodig bij de bespreking van de tenlastegelegde feiten en de individuele getuigenverklaringen nader aandacht besteden. Op deze plaats volstaat de rechtbank met de constatering dat de stellingen van het Openbaar Ministerie in ieder geval geen aanleiding geven om de statements in het algemeen te bestempelen als bewijsmiddelen waaraan slechts een geringe bewijskracht kan worden toegekend. Het gegeven dat ten tijde van het afleggen van een statement over het algemeen aanzienlijk minder tijd was verstreken sinds de gebeurtenissen van 1994 - en deze gebeurtenissen aldus voor de getuigen 'verser in het geheugen' lagen - dan ten tijde van de totstandkoming van de overige verklaringen, maakt reeds dat de inhoud van de statements wel degelijk van groot belang kan zijn. Algemeen bekend is immers dat in de loop van de tijd herinneringen minder gedetailleerd worden door vergeten. Steeds zal moeten worden bezien in welke context een statement tot stand is gekomen, wat aan een getuige is gevraagd en wat de getuige heeft geantwoord.

33. De raadsman heeft betoogd, zo begrijpt de rechtbank, dat de rechtbank gebonden is aan de inhoud van een statement of trial testimony indien een getuige tegenover de onderzoekers of rechters van het Rwanda-tribunaal heeft aangegeven naar waarheid te hebben verklaard.(216) Dit betoog wordt verworpen. Het is aan de rechtbank om zich een oordeel te vormen over de betrouwbaarheid van de inhoud van de voorhanden verklaringen en de mededeling van de getuige dat hij naar waarheid heeft verklaard speelt daarbij slechts een marginale rol. Het betoog van de raadsman impliceert overigens dat de rechtbank de inhoud van de diverse de verdachte belastende verklaringen die tegenover de rechter-commissaris zijn afgelegd ook steeds als juist zou moeten aannemen, reeds omdat de betreffende getuige tegenover een rechter heeft verklaard de waarheid te hebben gesproken. Het moet er voor worden gehouden dat de raadsman dit niet heeft willen betogen.

Onderzoek naar (bron van) discrepanties, inconsistenties of tegenstrijdigheden

34. De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaringen van de getuigen alleen betrouwbaar kunnen worden geacht en tot bewijs van het tenlastegelegde gebezigd als de verklaringen onderling consistent zijn. Aangezien geen van de getuigen consistent heeft verklaard, heeft de raadsman nu eens geconcludeerd dat de verklaringen uitgesloten dienen te worden van het bewijs, dan weer dat zij niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd.

35. Het Openbaar Ministerie heeft - kort gezegd - gesteld dat wanneer getuigen door de jaren heen verschillende verklaringen hebben afgelegd, tussen die verklaringen onderling bijna als vanzelfsprekend verschillen bestaan. Alleen substantiële inconsistenties dienen te worden geanalyseerd en gewogen. Daarbij moet volgens het Openbaar Ministerie acht worden geslagen op een aantal mogelijke oorzaken voor dergelijke inconsistenties, waaronder: culturele aspecten, trauma, tijdsverloop, de omstandigheden waaronder en het doel waarmee de verklaringen zijn opgenomen, het feit dat er in een vertaling veel verloren kan gaan, vergissingen van de getuigen dan wel van andere procesdeelnemers etcetera. Wanneer er geen bevredigende verklaring voor wezenlijke inconsistenties bestaat, kàn dit invloed hebben op de bewijskracht van een verklaring. Het Openbaar Ministerie heeft als consequenties die aan inconsistenties verbonden kunnen worden achtereenvolgens genoemd: het constateren van de inconsistentie zonder verdere gevolgen; het inconsistente deel van de verklaring niet gebruiken voor het bewijs; steunbewijs verlangen voor het inconsistente deel; integrale diskwalificatie.

36. De rechtbank overweegt dat deze visie van het Openbaar Ministerie niet alleen steun vindt in de nationale rechtspraak, maar ook in de rechtspraak van de internationale tribunalen. Uit de rechtspraak van de internationale tribunalen blijkt dat inconsistenties regelmatig worden toegeschreven aan dezelfde als de door het Openbaar Ministerie genoemde oorzaken en niet per se meebrengen dat verklaringen niet tot het bewijs worden gebezigd. Zo heeft de Kamer van Beroep van het Joegoslavië-Tribunaal in de zaak Kupreškic in paragraaf 31 bijvoorbeeld overwogen:

"The presence of inconsistencies in the evidence does not, per se, require a reasonable Trial Chamber to reject it as being unreliable. Similarly, factors such as the passage of time between the events and the testimony of the witness, the possible influence of third persons, discrepancies, or the existence of stressful conditions at the time the events took place do not automatically exclude the Trial Chamber from relying on the evidence. However, the Trial Chamber should consider such factors as it assesses and weighs the evidence."(217)

Ook het Speciaal Hof voor Sierra Leone heeft overwogen dat inconsistenties niet automatisch de getuige in diskrediet brengen. Als mogelijke oorzaken heeft de Kamer van Berechting in bijvoorbeeld de zaak Fofana(218) gewezen op tijdsverloop en de wijze waarop het geheugen werkt als mogelijke oorzaken van het door elkaar halen van bepaalde details en het vergeten van andere aspecten. De Kamer van Berechting van het Joegoslavië-tribunaal heeft in de zaak Furundžija(219) aangegeven dat inconsistenties ook een indicatie kunnen zijn dat de getuige juist niet beïnvloed is en de waarheid spreekt.

37. De rechtbank onderschrijft voorts de visie van het Openbaar Ministerie dat substantiële inconsistenties dienen te worden geanalyseerd en gewogen. De rechtbank zal, bij de bespreking van de afzonderlijke feitencomplexen, stilstaan bij die verschillen die zien op aspecten van een verklaring die dragend moeten zijn voor het bewijs of die anderszins evident de geloofwaardigheid van de getuige dan wel de betrouwbaarheid van diens verklaring raken. In navolging van het Rwanda-tribunaal(220) is de rechtbank van oordeel dat een wezenlijk te achten discrepantie of inconsistentie onder de aandacht van de getuige moet worden gebracht zodat de getuige de mogelijkheid heeft de inconsistentie te verklaren. Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank op 4 december 2008 besloten het onderzoek ter terechtzitting te schorsen en vijf getuigen opnieuw door de rechter-commissaris te doen horen.

38. De meest in het oog springende discrepantie die in deze zaak aan het licht is gekomen is dat diverse getuigen de naam van verdachte pas hebben genoemd tegenover de Nationale Recherche en de Nederlandse rechter-commissaris, doch deze niet hebben genoemd in eerder afgelegde statements en/of trial-testimonies. Het Openbaar Ministerie heeft in dit verband betoogd dat voor het Rwanda-tribunaal, waar getuigen "om de haverklap" voor de voeten geworpen kregen dat zij een bepaalde verdachte of een bepaald incident niet eerder hadden genoemd, het "nauwelijks een factor van belang" is gebleken of een getuige een bepaalde verdachte eerder heeft genoemd of niet. Het Openbaar Ministerie stelt dan ook: "de rechters oordelen simpelweg dat het 'niet significant' is, of dat het de getuigen niet tegengeworpen kan worden als er niet specifiek is gevraagd naar een bepaalde verdachte. Dat geldt voor het niet noemen van een verdachte in statements, maar ook in trial testimonies". Het Openbaar Ministerie heeft in dit verband passages aangehaald uit de zaken Ntakirutimana en Kayishema & Ruzindana.

39. Het Openbaar Ministerie heeft mede op basis van deze jurisprudentie geconcludeerd dat het in de context van de Rwandese genocide, met zoveel geweld en zoveel aanvallers, niet verdacht of merkwaardig is dat in de onderhavige zaak diverse getuigen in eerdere statements, gacaca-verklaringen en trial testimonies die op zaken van andere verdachten zien, de naam van verdachte niet hebben genoemd als hen daar niet eerder naar is gevraagd.

40. De rechtbank onderschrijft de constatering van het Openbaar Ministerie dat het Rwanda-tribunaal het niet altijd relevant acht of een getuige een bepaalde verdachte of een bepaald incident eerder heeft genoemd of niet.(221) De rechtbank tekent hierbij echter wel aan dat het Rwanda-tribunaal niet "simpelweg" oordeelt dat het "niet significant is", doch vele factoren in ogenschouw neemt, waaronder de verklaring voor deze omissie en de houding van de getuige op de zitting. Het Rwanda-tribunaal heeft ook meermalen en in verschillende zaken geoordeeld dat een getuige geen bevredigende verklaring heeft gegeven voor een dergelijke "omissie" en op grond daarvan diens verklaring niet betrouwbaar bevonden.(222)

V: Identificaties en herkenningen

41. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank zich bij het testen van de kwaliteit van de identificaties van verdachte door de getuigen de volgende vragen dient te stellen:

a. Kende de getuige verdachte?

b. Wat was de afstand tussen de getuige en verdachte?

c. Hoe lang en/of hoe vaak heeft de getuige verdachte gezien?

d. Was het licht of donker?

e. In hoeverre worden de waarnemingen geschraagd door ander (getuigen)bewijs?

f. Zijn er andere factoren die de waarneming betrouwbaar of minder betrouwbaar maken? (bijvoorbeeld: kon de getuige het handelen, het wapen, de kleding of mededaders beschrijven?)

42. Het Openbaar Ministerie heeft hierbij de aandacht gevestigd op de Angelsaksische rechtspraktijk, waarin door de jaren heen een bestendig toetsingskader is geformuleerd om de kwaliteit van identificaties door ooggetuigen te meten. De Britse zaak Turnbull is één van de belangrijkste leading cases over ooggetuigenherkenning (uitspraak van 1976 van de Court of Appeal Criminal Division in de zaken Regina - v -Turnbull and Another; Regina - v - Whitby; Regina - v - Roberts, 6 juli 1976, hierna: Turnbull). De Internationale Tribunalen hebben meerdere keren teruggegrepen op deze uitspraak en uitgesproken dat visuele identificatie bij uitstek gevoelig is voor vergissingen en daarom altijd met "extreme caution" moet worden behandeld.(223) Ook in de op dit gebied gezaghebbende literatuur komen de door het Openbaar Ministerie genoemde vragen duidelijk naar voren als relevant voor de beoordeling van herkenningen van verdachten door getuigen.(224)

43. De rechtbank zal bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen op het punt van de herkenning van verdachte dan ook telkens de hiervoor onder a tot en met f genoemde vragen trachten te beantwoorden. Met betrekking tot de onder a geformuleerde vraag hecht de rechtbank eraan te benadrukken dat algemeen bekend is dat voor de kwaliteit van een ooggetuigenwaarneming van belang is of er sprake is van herkenning van een bekende ('recognising') of van identificatie van een onbekende ('identification'). Het is een algemeen erkend uitgangspunt dat een herkenning van een bekende onder goede omstandigheden aanzienlijk betrouwbaarder is dan de identificatie van een onbekende.(225)

44. Zoals hiervoor in hoofdstuk 5 (Het onderzoek) al is vermeld hebben alle getuigen(226) - ieder voor zich - gemotiveerd aangegeven verdachte te kennen. De rechtbank neemt, zoals gezegd, afstand van het verwijt van de raadsman dat het onderzoek van het Openbaar Ministerie gebrekkig is geweest omdat er geen confrontaties van de getuigen met verdachte hebben plaatsgevonden. Op dit punt roept de rechtbank in herinnering dat het een door alle gezaghebbende wetenschappers op dit punt erkend uitgangspunt is dat het een strikte voorwaarde is bij herkenningstesten dat de getuige de verdachte bij geen andere gelegenheid dan het misdrijf gezien kan hebben.(227) Anders ontstaat het probleem van "plaatsing", waarmee wordt gedoeld op de situatie waarin de getuige weet dat hij de hem getoonde verdachte kent, maar niet meer weet waarvan. Ten aanzien van alle getuigen à charge - behoudens dr. [getuige 4] - kan worden vastgesteld dat zij verdachte ook bij een andere gelegenheid dan de tenlastegelegde feiten hebben gezien. In de literatuur wordt gesteld dat het probleem van herkenning van bekende personen niet met behulp van een gecontroleerde identificatieprocedure nader getoetst kan worden en dat de herkenning eigenlijk op het gezag van de getuige aanvaard moet worden. Wel kan de waarnemingssituatie geëvalueerd worden, aldus de deskundigen, waarbij de hiervoor onder a tot en met f genoemde punten van belang zijn.(228)

VII: De plausibiliteit van de inhoud van de afgelegde verklaring(en)

45. Bij de beoordeling van de plausibiliteit van de verklaringen in deze zaak past - zoals het Openbaar Ministerie terecht heeft opgemerkt - grote terughoudendheid. Het Openbaar Ministerie heeft de rechtbank, aan de hand van beeldmateriaal dat verder niets met de inhoud van deze zaak te maken heeft, ingescherpt dat wat vanuit het eigen referentiekader (fysiek) onvoorstelbaar is, toch mogelijk of geloofwaardig blijkt. Voorts raken, toegespitst op deze zaak, de gebeurtenissen tijdens de genocide in 1994 aan de grenzen van het voorstellingsvermogen.

Afsluiting

46. Op grond van het vorenstaande zal de rechtbank bij de beoordeling van de afzonderlijke feitencomplexen de geloofwaardigheid van de getuigen en de betrouwbaarheid van hun verklaringen toetsen aan de hand van de hiervoor besproken aandachtspunten:

I: De persoon van de getuige;

II: De totstandkoming van de verklaring;

III: De toetsing aan objectieve, van elders verkregen gegevens;

IV: De consistentie van opeenvolgende, door deze getuige afgelegde verklaringen;

V: De kwaliteit van identificaties en herkenningen;

VI: De overeenstemming van de verklaringen met hetgeen andere getuigen hebben verklaard;

VII: De plausibiliteit van de inhoud van de afgelegde verklaring(en).

Hierbij zal blijken dat niet al hetgeen hiervoor aan de orde is gesteld steeds bespreking behoeft. Waar nodig zal worden aangegeven op welke van de hiervoor beschreven en voor het desbetreffende feitencomplex relevante aandachtspunten wordt teruggegrepen.

Hoofdstuk 7 De wegversperring in Mugonero

Algemeen

1. Zoals hiervoor in hoofdstuk 5 (Het onderzoek) is vermeld, heeft de Minister van Buitenlandse Zaken op 14 februari 2006 een individueel ambtsbericht over verdachte uitgebracht. In dit ambtsbericht staat vermeld dat volgens zegslieden duidelijk was dat verdachte de leiding had bij een blokkade die 50 meter van zijn woning in Mugonero was opgericht. Verder is hierin opgenomen dat er talloze getuigenverklaringen tegen verdachte en zijn broer bestaan die inhouden dat zij bij de genoemde blokkade beslisten over leven en dood van anderen.

2. Veel van de in dit onderzoek gehoorde getuigen(229) hebben melding gemaakt van een wegversperring in Mugonero, in de omgeving van de brug over het riviertje de Kiboga. De rechtbank zal hieronder slechts enkele van deze verklaringen kort weergegeven.

Getuigenverklaringen

[Getuige 3]

3. [Getuige 3] heeft op 18 oktober 1996 een witness statement afgelegd tegenover onderzoekers van het Rwanda-tribunaal. Deze verklaring had voornamelijk betrekking op de rol van de broer van verdachte, Obed Ruzindana, tijdens de genocide. In deze verklaring heeft zij ook gesproken over een wegversperring die zij op 27 april 1994 in Mugonero heeft gezien. Deze wegversperring werd bemand door militairen of milities(230) en gendarmes. De jongere broer van Obed Ruzindana, Joseph Murakaza, had volgens deze getuige de leiding over deze wegversperring.(231)

4. Hetgeen deze getuige in 1996 heeft verklaard tegenover onderzoekers van het Rwanda-tribunaal heeft zij in latere verklaringen tegenover de Nederlandse autoriteiten herhaald en aangevuld. Deze verklaringen (zowel de verklaring die plaatsvond in aanwezigheid van de Nationale Recherche als de verklaringen tegenover de rechter-commissaris) zullen hierna in hoofdstuk 8 (Misdrijven tegen de gezin [getuigen 3 en 4]) uitgebreid worden besproken.

5. Deze getuige heeft de locatie van de wegversperring niet precies kunnen aangeven. Wel weet zij dat deze wegversperring bij de brug in Mugonero was. Dat was op de weg die van Kibuye naar Cyangugu gaat.(232) Bij deze wegversperring moest zij aan de mensen die bij de barrière stonden haar identiteitskaart laten zien.(233) De getuige had deze vernietigd, omdat daarop stond dat zij Tutsi was en in die tijd Tutsi's werden opgespoord en gedood. De mensen bij de barrière pikten dit niet.(234)

6. Ook heeft deze getuige verklaard dat zij deze Joseph kent als Murakaza en dat zij weet dat anderen hem [achternaam verdachte] noemen. Murakaza is de naam van zijn vader. Zijn broer heet Obed Ruzindana en hij kwam uit een grote familie. Zijn zussen heten [F2] en [F9]. Met [F2] heeft zij op school gezeten en [F9] zat een klas hoger op dezelfde school. Over de familie van verdachte heeft zij verklaard dat het een bekende familie van handelaren was, die in het handelscentrum van Mugonero woonde. De winkel was voor hun woning en ook in Kigali had de familie winkels.(235)

[Getuige 4]

7. Deze getuige heeft met betrekking tot deze wegversperring een in hoofdlijnen gelijkluidende verklaring afgelegd. In zijn herinnering was deze barrière een grotere blokkade. Hij kan zich niet meer in detail herinneren wat voor soort mensen er bij de barrière stonden.(236)

8. Verder heeft hij verklaard dat de persoon die zich in de winkel bevond voor zijn gevoel de eigenaar van de zaak was. Zijn vrouw had over deze persoon gezegd dat zijn naam Joseph was. Bij deze getuige is de naam Murakaza blijven hangen, omdat de man de brief, die later in hoofdstuk 8 uitgebreid zal worden besproken, met die naam had ondertekend.(237) De getuige heeft voorts verklaard dat er - gebaseerd op zijn waarneming - een connectie leek te zijn tussen de eigenaar van de winkel en de bewakers bij de slagboom. De verkoper van de winkel had namelijk regelmatig contact en wisselde gedachten uit met het 'dienstpersoneel' bij de slagboom. De indruk van deze getuige was dan ook dat de persoon in de winkel de coördinator ter plaatse was.(238) Hij had ook de indruk dat de eigenaar van de winkel bevoegd was om beslissingen te nemen en verantwoordelijk was voor het handhaven van de regels.(239)

[Getuige 12]

9. Deze getuige heeft verklaard dat hij in Mugonero een barricade heeft gezien. Deze barricade stond bij de brug over de rivier de Kiboga. Deze brug ligt tussen Rwamatamu en Mugonero. Deze getuige heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij niet weet wie de slagboom daar had neergezet en van wie de slagboom was.(240) Nadat de getuige was geconfronteerd met zijn verklaring tegenover de Nationale Recherche, inhoudende dat [verdachte] een eigen slagboom in Mugonero had, heeft hij verklaard dat [verdachte] de chef van de slagboom was. Op de vraag hoe hij dat wist, heeft de getuige geantwoord dat het duidelijk was dat [verdachte] de chef van die slagboom was.(241)

[Getuige 28]

10. Deze getuige heeft verklaard dat Joseph [achternaam verdachte] een zekere Murego - die hij later heeft gedood - had benoemd tot chef van de slagboom en hem vertelde dat iedereen bij de slagboom zijn identiteitskaart moest tonen. Joseph had volgens deze getuige de leiding over de situatie bij de slagboom en hij heeft gezien en gemerkt dat Joseph opdrachten en bevelen gaf aan de mensen die daar waren.(242)

[F6]

11. [F6], één van de zussen van verdachte, heeft verklaard dat de afstand tussen de Kiboga en hun woning ongeveer 2 à 3 minuten lopen was. Over deze rivier lag een brug en ten tijde van de oorlog stond op deze brug een barricade die werd bemand door Hutu-mannen.(243)

Eigen verklaringen verdachte

Bij de Nationale Recherche

12. Verdachte heeft in zijn verhoor bij de Nationale Recherche verklaard dat de dichtstbijzijnde barricade vanaf zijn huis en de winkel in Mugonero gelegen was tussen het marktplein en de brug over de Kiboga. Deze barricade heeft hij omschreven als stenen die weggehaald werden als iemand er doorheen mocht. Er was geen slagboom.(244)

13. In een later verhoor heeft hij over de locatie van deze barricade gezegd dat deze zich naast de brug bevond op de weg richting Kibuye en Cyangugu. In dit verhoor heeft hij herhaald dat deze barricade alleen uit stenen bestond. Op de vraag of er ook hout op de barricade was, heeft hij geantwoord dat hij alleen stenen heeft gezien en alleen kan zeggen wat hij heeft gezien.(245)

14. Verder heeft hij ontkend iets met de barricade te maken te hebben gehad.(246) Er stonden soldaten bij die barricade, aldus verdachte. De mensen die deze barricade bemanden heeft hij verder omschreven als gendarmes die uniformen droegen. Zij waren van de regering. Op de vraag of het militairen of politieagenten waren, heeft hij geantwoord dat het eigenlijk politieagenten waren in dienst van de regering.(247)

15. Verdachte heeft in zijn verhoor bij de Nationale Recherche ontkend dat hij wel eens Joseph Murakaza werd genoemd.(248) Wel heeft hij in zijn verhoor gezegd dat als er door een getuige gesproken wordt over Joseph Murakaza, lid van de familie Murakaza, van wie één van zijn zussen [F2] heet en die een broer heeft met de naam Obed Ruzindana, hij wordt bedoeld.(249)

Ter terechtzitting van 14 oktober 2008

16. Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat er in Mugonero een barricade was geplaatst over de Kiboga. De afstand tussen zijn woning en deze barricade was ongeveer 100 meter. Vanuit zijn woning kon hij deze barricade niet zien. Deze barricade bestond uit stenen, aldus verdachte.

17. Kort na de oprichting van deze eerste barricade is er volgens verdachte een tweede barricade geplaatst. Deze tweede barricade was gemaakt van bomen: twee verticale bomen met daarop een horizontale boom. Deze barricade was op ongeveer 150 tot 200 meter afstand van zijn woning, vanaf de Kiboga in de richting van het zuiden (Cyangugu) en niet in de richting van Kibuye. Als men vanaf de rivier in de richting Kibuye vertrok, kwam men eerst langs de stenen barricade. De houten barricade was vanaf de rivier de andere kant op.

18. Verdachte heeft verklaard dat hij niet meer precies wist wanneer deze barricade was opgericht, maar hij dacht binnen een week na het overlijden van de president. De tweede barricade zou zijn opgericht enkele dagen daarna. Nadat de tweede barricade was opgericht, had de eerste barricade geen functie meer.

19. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij niet wist of mensen zo maar een barricade op konden richten. Hij heeft nooit gehoord dat mensen werden opgeroepen om barricades op te richten. Hij heeft ook nooit van iemand anders gehoord dat hij of zij wel een dergelijke oproep, bijvoorbeeld via de radio, had gehoord. De barricades werden door zowel burgers als militairen bemand. De burgers die dit deden, kende hij niet; zij waren uit verschillende plaatsen gekomen. De namen van de militairen kende hij evenmin.

20. Gevraagd naar het doel van dergelijke barricades heeft verdachte gezegd dat hij daar geen goed antwoord op kon geven. Naar zijn idee werden de barricades opgericht vanwege het probleem van de veiligheid. Nader daarover bevraagd, kon hij niet aangegeven wat dit veiligheidsprobleem precies was.

Ter terechtzitting van 16 oktober 2008

21. Op deze zittingsdag heeft verdachte ontkend ooit bij een barricade in Mugonero te hebben gestaan.

Ter terechtzitting van 17 oktober 2008

22. Op deze zittingsdag heeft verdachte verklaard dat hij niet heeft gezien wie de tweede (de houten) barricade heeft opgericht. Hij dacht dat dit gedaan was door autoriteiten. Of dit burgerautoriteiten, militaire of andere autoriteiten waren, kon hij niet zeggen. Hij heeft van niemand gehoord wie de opdracht had gegeven tot oprichting van deze barricade. Evenmin heeft hij ooit gehoord dat er instructies werden gegeven aan mensen die de barricade bemanden.

23. Verdachte heeft verder verklaard dat hij zich niet meer kon herinneren of hij wel eens burgerautoriteiten, zoals een prefect, heeft gezien bij de barricade. Ook kon hij niets zeggen over de rangen van de militairen die hij bij de barricade heeft gezien. Gevraagd naar het aantal militairen bij deze barricade heeft hij geantwoord dat hij dacht dat hij daar een stuk of tien militairen had gezien. Over het verschil tussen militairen en gendarmes heeft hij verklaard dat hij hen niet kon onderscheiden. Over de betrokkenheid van burgers bij het bemannen van de barricade heeft hij gezegd dat hij niet wist of burgers een rol hadden bij de barricade. De burgers die hij daar had gezien, kende hij niet. Zodoende kon hij ook niet weten of zij de barricade bemanden.

24. Over de houten barricade heeft hij nog verklaard dat hij vanuit de winkel daarop geen zicht had. Op de vraag of hij vanuit zijn woning wel zicht had op deze barricade, heeft hij geantwoord dat hij dacht dat dit onmogelijk was. Bomen beperkten het gezichtsveld op de barricade en het was niet mogelijk om op het dak van het huis te komen. Ook vanaf het dak was het dus niet mogelijk om deze barricade te zien.

25. Verdachte heeft voorts verklaard dat de stenen barricade vanaf de veranda, voor de woning/winkel, te zien was. De houten barricade was vanaf de veranda niet te zien.

26. Op de vraag of hij wel eens langs de barricade kwam dan wel daar wel eens ging kijken, heeft verdachte geantwoord dat hij de slagboom niet vaak passeerde. In zijn herinnering was er in de buurt van de houten barricade een café waar hij af en toe naar toeging om andere mensen te spreken. Hij heeft verder gezegd dat hij denkt dat hij in totaal één of twee keer bij deze barricade is geweest.

27. Incidenten bij één van de barricades heeft hij nooit gezien en hij kon zich niet meer herinneren of hij wel eens iets heeft gehoord over incidenten waarbij mensen zijn vermoord. Hij heeft wel gezien dat auto's bij de stenen barricade kwamen en dat ze daar stopten. Hij heeft niet kunnen zien of de inzittenden bijvoorbeeld werden gefouilleerd of dat zij papieren moesten laten zien.

28. Verder heeft verdachte verklaard dat hij zich niet meer kon herinneren of hij wel eens auto's heeft zien stoppen bij de houten barricade. De personen die deze barricade bemanden, waren militairen en burgers. Namen van deze personen herinnerde hij zich niet. Over de burgers bij de barricade kon hij niet weten of zij daar een functie vervulden of daar alleen maar als nieuwsgierigen stonden.

29. De militairen bij de barricade waren bewapend. De burgers die hij wel eens bij de barricade zag, hadden in zijn herinnering geen wapens. Op de vraag wie de baas was bij de barricade heeft verdachte geantwoord dat hij dat niet precies wist.

30. Verder heeft hij verklaard dat hij nooit schoten heeft gehoord vanaf de kant van de eerste barricade. Of hij wel eens schoten heeft gehoord vanaf de kant van de tweede barricade, kon hij zich niet meer herinneren.

31. Over de precieze locatie van de barricades en het café heeft verdachte gezegd dat het café gelegen was in de richting van Cyangugu, vlakbij de brug. De tweede barricade was 150 meter na de brug in de richting van Cyangugu. Als je daar naartoe liep, kwam je eerst langs het café. Het café was op ongeveer 10 meter afstand van de barricade.

32. Op verzoek van de rechtbank heeft verdachte op luchtfoto's de locatie van de barricades aangegeven, waarna hij deze ook heeft ingetekend op een luchtfoto. Het Openbaar Ministerie en de rechtbank hebben hierbij geconstateerd dat verdachte het café eerst zeer dichtbij de brug aanwees en vervolgens een stuk verder weg van de brug.

Ter terechtzitting van 20 oktober 2008

33. Verdachte heeft ter terechtzitting ontkend dat hij wel eens Joseph Murakaza werd genoemd. Op de vraag wie er wordt aangeduid door een getuige die de volgende omschrijving geeft: Joseph Murakaza, lid van de familie Murakaza, van wie één van zijn zussen [F2] heet en die een broer heeft met de naam Obed Ruzindana, heeft verdachte geen antwoord willen geven. Wel heeft hij gezegd dat de politie hem heeft gevraagd naar Joseph, de zoon van Murakaza, die in de winkel werkte en de broer was van Obed Ruzindana en dat het gezien die wijze van formuleren niet anders kon zijn dat hij daarmee wordt bedoeld.

Oordeel van de rechtbank over de wegversperring

34. Gelet op het vorenstaande, stelt de rechtbank vast dat er kort na het neerstorten van het vliegtuig van de president op 6 april 1994 een wegversperring in Mugonero in de buurt van de brug over de Kiboga is opgericht. Deze wegversperring had, zoals ook nader zal blijken uit de hierna te bespreken feiten, tot doel de identificatie van Tutsi's.(250) Ook stelt de rechtbank vast dat verdachte een leidende rol heeft gespeeld bij deze slagboom en dat er op de momenten dat hij niet aanwezig was bij de wegversperring er sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en de personen die op die momenten de wegversperring bemanden.

35. De stelling van de raadsman dat verdachte de facto geen zeggenschap kan hebben gehad over de militairen bij de slagboom, aangezien hij slechts een burger was die niet in verband kan worden gebracht met het leger, wordt op grond van het vorenstaande verworpen.

Hoofdstuk 8 De misdrijven tegen het gezin [getuigen 3 en 4]

Ontstaan verdenking

1. Zoals hiervoor in hoofdstuk 5 (Het onderzoek), is vermeld, zijn er - naar aanleiding van de overdracht van het zogenoemde Cyangugu-dossier - in Rwanda getuigen door de Nationale Recherche gehoord. Eén van deze door de Nationale Recherche gehoorde getuigen betrof [getuige 7]. In dat verhoor verklaarde hij over een Duitse arts en zijn gezin die bij de slagboom van de verdachte met de dood zouden zijn bedreigd.(251) Via internet heeft de Nationale Recherche de naam en het adres van deze Duitse arts, dr. [getuige 4], achterhaald, waarna hij en zijn vrouw als getuigen zijn gehoord.

Weergave van de meest relevante ooggetuigenverklaringen

2. De rechtbank zal hieronder eerst in het kort de belangrijkste verklaringen van ooggetuigen weergeven, zoals afgelegd tegen de rechter-commissaris, aangevuld met onderdelen van de verklaringen die deze getuigen ten overstaan van de Nationale Recherche hebben afgelegd.

[Getuige 3]

3. Deze getuige heeft verklaard dat zij op 27 april 1994(252) samen met haar man [getuige 4], een Duitse arts, en hun in februari van dat jaar geboren zoontje vanuit Kibuye (Rwanda)(253) wilde vluchten. Zij wilden vluchten, omdat haar broers en vrienden op 25 april 1994 waren gedood, zij vaak werden bedreigd en veel mensen in hun huis zijn gekomen en hadden geplunderd.(254)

4. Teneinde hun vlucht mogelijk te maken is haar man naar de prefect gegaan om een document te vragen voor hun vertrek. Kort nadat zij van de prefect een dergelijk document hadden ontvangen, zijn zij, haar man en hun baby in een ambulance vertrokken. De chauffeur van deze ambulance was [B4] en zij werden begeleid door een gendarme.(255)

5. De getuige heeft verder verklaard dat zij tijdens deze vlucht langs verscheidene barrières zijn gekomen en dat zij in Mugonero bij een barrière moesten stoppen. Deze barrière werd bewaakt door milities.(256) Deze milities waren gewapend met onder meer machetes,(257) een soort houten knuppels en stokken.(258) De getuige kon niet meer zeggen hoeveel mensen er bij deze barrière stonden. Evenmin kon zij zich nog herinneren of de mensen bij de barrière uniformen droegen.(259)

6. De mensen bij de barrière vroegen om papieren waarop stond dat zij mochten vertrekken. Tevens wilden zij de identiteitskaart van de getuige zien. De getuige heeft hierover verklaard dat zij deze had vernietigd, omdat daarop stond dat zij Tutsi was en in die tijd Tutsi's werden opgespoord en gedood. De mensen bij de barrière pikten dit niet en zeiden: "Zoals het nu gaat kan het niet, we gaan het aan Joseph vragen". Daarop moesten zij naar Joseph gaan.(260) Toen zij naar de woning van Murakaza reden, zijn meerdere mensen achter de auto aangelopen. Die mensen riepen dingen als: "Tutsi's moeten worden gedood, de Tutsi's hebben de president gedood dus wij moeten ze doden, we moeten opletten dat de witte geen geld betaalt om te corrumperen". Verder riepen deze mensen nog tegen de getuige "Jullie Tutsi's, die kakkerlakken"(261) en zeiden ze dat "Tutsi's gemeen zijn", "Dat ze allemaal dood moeten", "Dat ze nooit meer een Tutsi wilden zien", "Dat ze wilden dat hun kinderen en kleinkinderen op een goede dag zouden vragen hoe Tutsi's er eigenlijk uitzagen", "Dat niemand tevreden en gelukkig kon zijn zolang er nog Tutsi's in leven waren" en "Dat Tutsi's net slangen waren". Verder heeft de getuige steeds het woord "Inyenzi" (kakkerlak) gehoord.(262) Bij de winkel van Joseph is de chauffeur van de ambulance gestopt en zijn zij, haar man, de baby en de gendarme uitgestapt en hebben ze Joseph ontmoet.(263)

7. Op de vraag van de rechter-commissaris of de getuige Joseph meteen herkende, heeft zij geantwoord dat het geen geheim was dat Mugonero een gevaarlijke plaats was die werd geleid door Murakaza.(264) Toen zij bij de winkel aankwam, ontmoette zij een man in een militair tenue. [B4] vertelde haar dat deze man Joseph was.(265)

8. Nadat Joseph had gevraagd wat er aan de hand was, heeft [B4] uitgelegd dat zij niet gedood konden worden, omdat het gevaarlijk was omdat haar man Duitser was. Als hij dood zou gaan, zouden er moeilijkheden met Duitsland komen. Joseph, [getuige 4] en [B4] hebben volgens de getuige veel onderhandeld. Zij heeft dit niet allemaal gevolgd, omdat zij niet erg aanwezig was.(266) Wel heeft zij gemerkt dat Joseph de leider was op wie alles zich richtte; hij had het laatste woord.(267) Hij heeft ook samengewerkt met de milities. De getuige heeft dit gemerkt, omdat zij vanaf de barrière naar Joseph werden gebracht en bij hem, de chef, moesten stoppen. De situatie is aan hem uitgelegd en hij heeft gezegd: "Let op dat je de blanke niet verwondt". Daarnaast moedigde hij de milities aan in slogans. Zij kon alleen niet meer woord voor woord vertellen wat ze tegen elkaar zeiden.(268) Joseph was voor haar ook de baas was omdat de milities hem gehoorzaamden. Joseph liet zich door niemand beïnvloeden en hij nam de beslissingen.(269)

9. Nadat de situatie aan Joseph was uitgelegd, heeft hij met [B4] en [getuige 4] onderhandeld en vervolgens [B4] naar de prefect gestuurd om te vragen wat hij moest doen met de Duitse arts. De gendarme die de ambulance begeleidde, [getuige 4], de getuige en hun baby zijn bij Joseph gebleven. In de tijd dat zij moesten wachten op het antwoord van de prefect bleven de overige aanwezigen de getuige bedreigen.(270)

10. Op enig moment is [B4] teruggekomen met een antwoord van de prefect. Dit antwoord hield in dat de arts en de baby moesten worden vrijgelaten en de getuige moest blijven. Zij was niet gerechtigd om te gaan omdat zij uit Rwanda kwam. Zij werd uitgescholden, vernederd en er werd gezegd hoe zij zou worden gedood. Daarnaast werd er gezegd dat de baby ook moest worden gedood, omdat zij en [getuige 4] niet getrouwd waren en de baby daarom geen Duitser was maar een Tutsi. De getuige heeft hierover gezegd dat dit haar toen niets zei; ze was eigenlijk al dood en zag mensen om zich heen die gek waren.(271)

11. [B4] heeft ook nadat hij was teruggekomen met het antwoord van de prefect met Joseph onderhandeld. [B4] heeft er opgewezen dat het gevaarlijk was om [getuige 4] iets aan te doen in verband met de samenwerking met Duitsland. Joseph heeft toen besloten dat de vraag voorgelegd moest worden aan de burgemeester van Gishyita. Joseph heeft hiertoe een brief aan de burgemeester geschreven om hem te vragen om naar Mugonero te komen om in de zaak te beslissen.(272) De getuige heeft niet zelf gezien dat Joseph de brief heeft geschreven; zij heeft alleen gezien dat hij met de brief vanuit de winkel naar buiten kwam. Verder heeft zij gezien dat deze brief was ondertekend met Murakaza Joseph.(273)

12. [B4] is met deze brief vertrokken en toen het al donker werd, teruggekomen met een antwoord van de burgemeester. Dit antwoord hield in dat de burgemeester hen toestemming gaf om terug te gaan naar Kibuye en dat hij zou nadenken over de zaak en in de boeken na zou kijken of de getuige was gehuwd met de Duitser. Nadat dit antwoord was voorgelezen, heeft Joseph gezegd dat zij weg konden gaan, waarop zij in de ambulance zijn gestapt en terug zijn gegaan naar Kibuye.(274)

13. Gedurende de tijd dat de getuige, haar man en hun baby werden tegenhouden en moesten wachten, kwamen er veel andere mensen die haar beledigden en uitscholden. Ook deze mensen hadden wapens en zij hebben de hele tijd beledigingen geschreeuwd.(275) Joseph heeft dit ook gestimuleerd en daartoe aangezet. De mensen hebben onder meer geroepen: "Hutu-power".(276) Tegen de aanwezige kinderen werd gezegd: "Kijk maar goed naar die Tutsi-vrouw, dat zijn het soort mensen die de president hebben vermoord". Tegen een vrouw die bij Joseph olie had gekocht en klaagde over de afgemeten hoeveelheid heeft Joseph gezegd dat het niets uitmaakte, tenzij ze graag ook als een Tutsi behandeld wilde worden.(277)

14. Op de vraag of Joseph zelf de getuige ook heeft bedreigd of uitgescholden, heeft zij geantwoord dat zij niet weet of het een belediging genoemd kan worden maar dat voor haar - gelet op de context - de vraag van Joseph "Je vertrekt met een blanke, maar heb je eraan gedacht om je moeder te groeten?" als zodanig te gelden heeft. Zij heeft dit toegelicht door er op te wijzen dat zij hier niet op kon reageren. Het deed haar pijn, omdat bijna alle Tutsi's al waren gedood. Daarnaast heeft zij dit nog uitgelegd door te wijzen op de staat waarin zij zich verkeerde; zij was al dood.(278)

15. De getuige heeft over hetgeen is gebeurd in de uren dat zij moesten wachten verder nog gezegd dat zij het meemaakte zonder echt te volgen wat er gebeurde. Ze wist nog dat er veel milities waren die zeiden dat men moest oppassen om niet gecorrumpeerd te worden. De eerste opdracht was alle Tutsi's te doden en daarna zouden ze de goederen van de Tutsi's verdelen.(279) Verder heeft zij hierover verklaard dat zij soms sprak en soms ook lachte. Joseph heeft daarop gezegd: "Kijk eens hoe slecht die Tutsi's zijn, ze lachen zelfs als we ze gaan doden".(280) De aanwezigen hebben ook gezegd dat de getuige mocht kiezen of zij in Kibingo, Mugonero of Gishyita gedood zou worden.(281)

16. Op de vraag hoe lang zij bij de winkel van Joseph hebben moeten wachten, heeft de getuige geantwoord dat zij dit niet kon zeggen, omdat zij geen besef had van tijd. Zij weet nog wel dat Joseph in die tijd niet steeds in de winkel is geweest. Hij kwam soms ook naar buiten en dan sprak hij met de mensen daar. Er waren heel veel mensen en er werd van alles tegen haar geroepen, wat Joseph ook heeft gehoord. De omstanders schreeuwden ook leuzen als "Hutu power, Hutu power" en Joseph schreeuwde af en toe met hen mee.(282)

17. Over hoe zij zich die middag voelde, heeft de getuige verklaard dat zij geen gevoel had. Ze keek als een toeschouwer en had op de een of andere manier geaccepteerd dat ze misschien al dood was.(283) De getuige heeft hier verder over verklaard dat zij de hele tijd bang was voor haar zoon. Dit omdat haar bijvoorbeeld ook werd toegeroepen dat ze het kind moest afstaan en dat het haar niet toebehoorde. Anderen zeiden dat het kind een Tutsi was en na 30 jaar misschien terug zou komen om zijn moeder te wreken.(284)

[Getuige 4]

18. Deze getuige heeft verklaard dat hij op 27 april 1994(285) met zijn vrouw, [getuige 3], en hun net twee maanden oude zoontje [B1](286) uit wanhoop wilde vluchten via Cyangugu (Rwanda) naar Congo.(287) Prefect Kayishema had hem reispapieren gegeven om langs de barrières te komen.(288) Bij de barrière in Mugonero werd de auto, die door het ziekenhuis ter beschikking was gesteld, tegengehouden.(289) De getuige heeft hierover gezegd dat hij zich niet meer kon herinneren wie er precies bij de slagboom stonden. Hij kon niet met zekerheid zeggen wat voor wapens deze mensen hadden, maar het was gebruikelijk dat mensen bij de controleposten met stokken, machetes of geweren bewapend waren. De getuige wist het niet meer zeker, maar hij geloofde dat hij zich mensen met geweren herinnert.(290)

19. Nadat zij waren tegengehouden werd hem verteld dat zijn vrouw, als Tutsi, niet verder mocht reizen, omdat zij onder de macht van Rwanda viel en hun zoon ook. De getuige zelf mocht wel verder reizen, omdat hij een buitenlander was en omdat de prefect daarvoor toestemming had gegeven in de reispapieren.(291)

20. De chauffeur van het ziekenhuis voerde onderhandelingen, zodat zij allemaal door zouden kunnen reizen. De chauffeur mocht uiteindelijk als tussenpersoon teruggaan naar prefect Kayishema om toestemming te vragen voor de verdere reis. De getuige en zijn gezin moesten wachten; vooral zijn vrouw mocht niet weg en de getuige is bij haar gebleven. Zij zijn naar een winkel gebracht(292) waar zij onder de luifel hebben gewacht. Het wachten heeft het grootste deel van de dag in beslag genomen.(293) Zij zijn bij die winkel neergezet en waren onder de bewaking van de persoon die daar bij de winkel was.(294)

21. Tijdens het wachten werden zij voordurend bekeken door een wisselende hoeveelheid mensen, die volgens de getuige erop wachtten om zijn vrouw om te brengen en daarover spraken. De getuige zag mensen gebaren maken waarbij men met de vinger langs de hals bewoog. De getuige heeft niet alles van wat er werd gezegd in detail verstaan. Het begrijpen en onthouden van slechts enkele dingen: zoals Tutsi en Inyenzi was volgens hem al voldoende.(295) De getuige heeft deze situatie, waarin de mensen om hen heen over hun spraken en daarbij het woord "Inyenzi" (kakkerlak) gebruikten, ervaren als bedreigend.(296) Op een gegeven moment begonnen ook de bewakers om hen heen hun geduld te verliezen en hing er duidelijk meer spanning in de lucht.(297)

22. De getuige heeft verklaard dat hij niet weet of de winkel waar zij moesten wachten van de persoon was die hij daar heeft gezien. Voor hem was de persoon die zich in de winkel bevond echter wel de eigenaar daarvan. De getuige heeft van zijn vrouw gehoord dat die persoon Joseph was. De naam Murakaza is bij de getuige blijven hangen, omdat de brief die door de eigenaar van die winkel is geschreven daarmee was ondertekend. Van zijn vrouw heeft hij vernomen dat de winkeleigenaar de broer van Obed Ruzindana was.(298) De getuige heeft verder verklaard dat hij aanneemt dat de mensen in de winkel de eigenaar hebben aangesproken met Joseph maar dat de herinnering daaraan voor hem niet belangrijk is.(299) Voor de getuige was Joseph slechts een functiedrager.(300)

23. De getuige heeft gedurende de middag waargenomen dat de verkoper in de winkel regelmatig contact had met de bewakers bij de slagboom. De getuige zag dat de persoon in de winkel de coördinator ter plaatse was en bovendien was hij ook de contactpersoon voor de getuige.(301) Hij had ook de indruk dat de eigenaar van de winkel beslissingsbevoegdheden had en hij heeft waargenomen dat de eigenaar, tenminste op de achtergrond, deelnam aan alle beslissingsprocessen. Naar zijn oordeel was de eigenaar verantwoordelijk voor het handhaven van de regels, had hij invloed en was hij bevoegd om beslissingen te nemen.(302)

24. De chauffeur is op enig moment teruggekomen met de mededeling dat de prefect niets voor de familie kon doen en dat de beslissing over het verder reizen bij de lokale autoriteiten lag. De getuige heeft hierover verklaard dat dit betekende dat zijn vrouw vermoord zou worden. De getuige zelf mocht wel doorreizen, maar hij wilde zijn vrouw niet opgeven. De chauffeur heeft daarop voorgesteld om de burgermeester van Gishyita om hulp te vragen. Dit werd geaccepteerd, waarna de chauffeur met een schriftelijke aanvraag naar het gemeentehuis is gegaan.(303)

25. Op de vraag of de getuige heeft gezien dat Joseph zelf dat schriftelijke verzoek heeft geschreven, heeft hij geantwoord dat hij hier vanuit gaat. De getuige weet niet meer of Joseph zelf de brief aan de chauffeur heeft gegeven. Deze brief heeft de getuige in ieder geval niet gezien voor de chauffeur vertrok. Later heeft hij deze brief wel gezien. Hij had deze brief ook in zijn bezit, omdat hij er vanuit ging dat hij deze nodig had om de terugreis te ondernemen.(304) Deze brief is ondertekend met de naam Murakaza.(305)

26. Na circa anderhalf uur kwam de chauffeur terug en informeerde hen dat de burgemeester bereid was hen de volgende dag te laten trouwen. Zij konden dan ook samen vertrekken en mochten dus terug reizen naar Kibuye om de procedure op te starten.(306) Dit antwoord van de burgemeester was achterop het verzoek van Joseph geschreven.(307) De getuige heeft de situatie op dat moment als zeer gespannen omschreven: er was frustratie en teleurstelling bij de mensen. Op enig moment verzocht de chauffeur de familie om in de ambulance te stappen, waarna ze weg zijn teruggereden naar Kibuye.(308) De getuige herinnert zich de situatie verder als zeer hectisch.(309)

Overige mogelijke bewijsmiddelen

27. Het dossier bevat voorts verklaringen van de getuigen [getuige 28], [getuige 17], [getuige 7], [getuige 15] en [getuige 9], alsmede onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna NFI) aan de door de familie [getuigen 3 en 4] ter beschikking gestelde brief.

28. De rechtbank volstaat op dit moment met het noemen van deze overige getuigenverklaringen. In de volgende paragrafen zal de rechtbank eerst het onderzoek door het NFI, de eigen verklaring van verdachte, de standpunten van het Openbaar Ministerie en de raadsman bespreken. Vervolgens zal de rechtbank overgaan tot het onderzoeken van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 3] en [getuige 4].

De door de familie [getuigen 3 en 4] ter beschikking gestelde brieven

29. Zowel de heer als mevrouw [getuigen 4 en 3] hebben in hun verklaringen van augustus 2006 melding gemaakt van een brief die Joseph zou hebben geschreven aan burgemeester Charles Sikubwabo. De heer [getuige 4] heeft daarbij aangegeven dat hij dit briefje nog had en de volgende dag een kopie daarvan aan de ambtenaren van het Bundeskriminalambt ter beschikking zou stellen.(310)

30. Deze brief, alsmede het op de achterkant geschreven antwoord van de burgemeester zijn door een gerechtstolk vertaald. De inhoud van de aan burgemeester Charles Sikubwabo geschreven brief is als volgt:

27 april 1994

Meneer de burgemeester van de gemeente Gishyita

Ik vraag u om geduld te hebben met het belangrijke werk dat u doet. Nu is het dringend nodig dat u hier naar Mugonero komt om het probleem op te lossen van die Tutsi die wij bij een blanke hebben aangetroffen. Maar wij wilden de auto die hen vervoerde naar de gouverneur sturen. De gouverneur zei dat deze persoon moet blijven. Die blanke moet doorreizen naar Icyangungu. Daarom stuurde ik deze auto met een begeleidend militair om jullie hier naar toe te halen. Dezelfde auto zal jullie terugbrengen.

Ik ben Joseph Murakaza(311)

31. Het op de achterkant geschreven antwoord van de burgemeester is als volgt:

De heer Joseph Murakaza

Zij moeten naar Kibuye terugkeren omdat wij niet weten dat zij getrouwd zijn. Wat deze dame betreft, dat wordt later bestudeerd. Wij kunnen kijken in de boeken die daarvoor bedoeld zijn. Wees dan voorzichtig zodat wij de samenleving/ relatie van Duitsers en Rwandezen niet verstoren.

Vrede gewenst

Sikubwabo Charles

Burgemeester.(312)

32. Ten einde handschriftonderzoek te kunnen laten verrichten is op 9 augustus 2006 een schrijfproef bij verdachte afgenomen.(313)

33. Op 18 december 2006 heeft [getuige 4] telefonisch contact opgenomen met het onderzoeksteam. In dit gesprek heeft hij meegedeeld dat hij na zijn verhoor op zoek is gegaan naar de originele brief die Joseph had geschreven aan de bourgemestre en diens antwoord daarop. Nadat het hem was gelukt deze in Rwanda te traceren, zijn deze brieven naar zijn huisadres in Duitsland opgestuurd.(314) De brieven zijn vervolgens op 28 december 2006 overhandigd aan het onderzoeksteam.(315)

34. Op 29 januari 2007 heeft het NFI zijn eerste deskundigenrapport uitgebracht. Uit dit rapport blijkt dat, bij vergelijking tussen de brief die is ondertekend met Joseph Murakaza en het beschikbare vergelijkingsmateriaal van [verdachte], naast punten van verschil, overeenkomsten of sporen daarvan zijn waargenomen. De conclusie van dit rapport is dat de brief die is ondertekend met Joseph Murakaza mogelijk is geschreven door [verdachte].(316)

35. Op 10 mei 2007 heeft het NFI zijn tweede deskundigenrapport uitgebracht betreffende onderzoek aan het insteekhoesje waarin de door [getuige 4] ter beschikking gestelde brieven zaten. Het onderzoek richtte zich op het zichtbaar maken van de tekst op het insteekhoesje om vervolgens te proberen om aan te geven waar deze tekst zich op het insteekhoesje bevond en wat voor substantie het betrof. Uit dit onderzoek bleek dat er teksten op de buitenkant van het hoesje terecht zijn gekomen. Deze teksten zijn hier terechtgekomen omdat de kopieën van de brief tegen het hoesje aan hebben gelegen en de inkt op het plastic is overgedragen.(317)

36. Op 23 mei 2007 heeft het NFI zijn derde deskundigenrapport uitgebracht. Uit dit rapport blijkt dat er op de door [getuige 4] ter beschikking gestelde brieven een vijftal dactyloscopische sporen (NFI-01; NFI-02; NFI-03; NFI-04 en NFI-05) zijn veiliggesteld. Deze sporen zijn voor de identificatieprocedure overgebracht naar de KLPD.(318)

De KLPD heeft daarop deze sporen onderzocht en op 14 juni 2007 bericht dat de sporen NFI-01, NFI-03, NFI-04 en NFI-05 niet afkomstig zijn van de op de aandachtsvestiging genoemde persoon.(319)

37. Op 29 augustus 2007 heeft het NFI bericht dat onderzoek naar de leeftijd van de bewuste brief aan de hand van onderzoek naar de gebruikte inkt niet mogelijk is, indien de brief ouder is dan 6 maanden. In dat geval kan het onderzoek niet met de daarvoor vereiste nauwkeurigheid plaatsvinden en kan er geen uitspraak worden gedaan over de mogelijke ouderdom. Ook het vaststellen van de eerst mogelijke datum van introductie van de op het document gebruikte inkten levert problemen op en zou slechts een aanwijzing op kunnen leveren of iets in een bepaalde periode kan zijn opgesteld.

Daarnaast heeft de deskundige toegelicht dat het zeer lastig tot onmogelijk is om de herkomst (land van oorsprong) van de daarbij gebruikte middelen (papieren, inkt) te onderzoeken.Voorts heeft het NFI erop gewezen dat beantwoording van vragen of op grond van het handschrift vastgesteld kan worden wat het karakter is van de schrijver en onder welke omstandigheden de brieven zijn opgesteld, zeer omstreden is. De betrouwbaarheid en de validiteit van dergelijke grafologische uitspraken zijn nooit wetenschappelijk aangetoond. Evenmin kunnen er betrouwbare uitspraken gedaan worden over het geslacht van een schrijver op grond van de kenmerken van het handschrift.(320)

38. De rechtbank heeft op de terechtzitting van 20 december 2007 de vraag aan de orde gesteld of het feit dat er geen dactyloscopische sporen van verdachte zijn aangetroffen op de door [getuige 4] verstrekte brief een indicatie op kan leveren dat hij deze brief nooit in handen heeft gehad. Zeer tegen de zin van de verdediging heeft de rechtbank de officier van justitie verzocht een deskundige van het NFI te benaderen met de vraag of er enige conclusie mag worden verbonden aan het feit dat er geen dactyloscopische sporen van verdachte zijn aangetroffen op de brief en, zo ja, welke.

39. Op 28 april 2008 heeft verbalisant [verbalisant 2], Forensisch Adviseur/ Expert Forensische Opsporing bij de KLPD bericht dat er geen DNA-onderzoek kon worden verricht op de bewuste brieven. Hij heeft hiertoe gesteld dat gelet op de gladheid van het oppervlak, de afwezigheid van een aanwijzing van een specifieke plaats van contact, een relatief lage frequentie van contact, diverse contacten van andere donoren en het tijdsverloop (ruim 14 jaar) de brief te kwalificeren valt als een niet kansrijk stuk van overtuiging voor een DNA-onderzoek.(321)

40. Op 19 mei 2008 heeft de Nationale Recherche de immigratiedienst in Kigali verzocht om de afgifte van een handgeschreven brief, welke door verdachte zou zijn geschreven te verkrijging van een paspoort. Op 20 mei 2008 is vervolgens een kopie van deze brief ontvangen. Hierbij werd toegezegd dat het origineel eveneens verstrekt zou kunnen worden, maar daarvoor moest een uitdrukkelijk verzoek ingediend worden door de prosecutor general van het Parquet Général te Kigali.(322) Op enig moment heeft het Landelijk Parket ook deze originele brief ontvangen.

41. Het NFI heeft op 12 juni 2008 bericht dat aan de omstandigheid dat geen vingerafdrukken van verdachte zijn aangetroffen op de bewuste brief niet de conclusie mag worden verbonden dat hij deze brieven nooit in zijn handen heeft gehad. Daarnaast maakt het NFI in deze brief melding van het feit dat het tweede dactyloscopische spoor (NFI-2) te weinig dactyloscopische informatie bleek te bevatten. Hierdoor was dit spoor niet bruikbaar voor identificatiedoeleinden.(323)

42. Op 30 september 2008 heeft het NFI, op de aanvraag van de officier van justitie van 19 september 2008 voor een voortgezet onderzoek, bericht dat het nieuwe vergelijkingsmateriaal (te weten hiervoor in paragraaf 40 genoemde handgeschreven brief ter verkrijging van een paspoort) vijf jaar eerder dan de betwiste brief is geschreven. Volgens de deskundige vormt dit tijdsverschil een beperking voor het vergelijkend onderzoek. Uit dit bericht blijkt verder dat met name met het nieuwe vergelijkingsmateriaal naast sporen van overeenkomst verschillen zijn waargenomen. Deze verschillen zijn echter niet van voldoende gewicht om redelijkerwijs uit te kunnen sluiten dat ze samenhangen met de ontwikkelingen in het handschrift van de verdachte in de vijf jaar voorafgaand aan de betwiste brief. Met vergelijkingshandschrift dat qua datering dichter ligt bij de betwiste brief acht de deskundige het wellicht mogelijk om hier meer duidelijkheid over te krijgen. De conclusie, zoals verwoord in het rapport van 21 juni 2007, inhoudende dat de brief mogelijk is geschreven door [verdachte], blijft daarom gehandhaafd.(324)

43. Ter terechtzitting van 18 november 2008 heeft het Openbaar Ministerie meegedeeld dat er op 26 mei 2008 een rechtshulpverzoek was uitgaan naar Italië. De reden hiervoor was, dat het Openbaar Ministerie het mogelijk achtte dat aan de Universiteit van Bari nog handgeschreven materiaal van verdachte getraceerd zou kunnen worden. Dergelijk materiaal zou dan kort voor 1994 geschreven zijn, zodat het wellicht mogelijk zou zijn bedoelde duidelijkheid te verkrijgen. Vergelijkingsmateriaal vanuit Italië is uiteindelijk op 14 november 2008 ontvangen, waarna het Openbaar Ministerie het NFI om nader onderzoek heeft verzocht.

44. Op 8 december 2008 heeft het NFI in een brief bericht dat de conclusie zoals verwoord in het rapport van 21 juni 2007 en de brief van 30 september 2008 (inhoudende dat de brief mogelijk is geschreven door [verdachte]) blijft gehandhaafd.(325)

Eigen verklaringen verdachte

45. Zowel bij de Nationale Recherche als ter terechtzitting heeft verdachte ontkend iets met dit tenlastegelegde feit te maken hebben gehad.

Bij de Nationale Recherche

46. In zijn verhoor van 8 augustus 2006 heeft verdachte verklaard dat hij in de periode van april 1994 tot en met juni/juli 1994 geen buitenlanders heeft gezien in Mugonero en dat hij heeft gehoord dat de buitenlanders ongeveer een week na het neerschieten van de president zijn geëvacueerd. Wel heeft hij zo rond juni/ juli 1994 Franse soldaten gezien.(326)

47. In een later verhoor heeft verdachte op vragen over een blanke Duitse arts die in april 1994 in Mugonero zou zijn geweest verklaard dat hij ongeveer een week nadat het vliegtuig van de president was neergeschoten wel een blanke man in de straat heeft gezien. Bij deze man heeft hij geen vrouw of kind gezien. Verdachte heeft deze man gezien toen hij op zijn veranda stond, waar vandaan hij de barrière kon zien, en in de richting van de weg keek. Hij heeft toen gezien dat deze man sprak met een gendarme. Hij heeft echter niet gezien hoe dit is geëindigd, omdat hij op een gegeven moment naar huis is gegaan. De blanke man is in ieder geval niet in zijn winkel geweest.(327)

48. Verder heeft verdachte, zoals hiervoor in hoofdstuk 7 (De wegversperring in Mugonero) paragraaf 15 al is vermeld, ontkend dat hij wel eens Joseph Murakaza werd genoemd.(328) Wel heeft hij gezegd dat als een getuige heeft verklaard over Joseph die in een winkel in Mugonero werkte, de broer is van Obed Ruzindana en de zoon van Murakaza, het duidelijk is dat dit over hem gaat.(329)

49. Ook in een later verhoor heeft verdachte erkend dat als er door een getuige gesproken wordt over Joseph Murakaza, lid van de familie Murakaza, van wie één van zijn zussen [F2] heet en die een broer heeft met de naam Obed Ruzindana, hij wordt bedoeld.(330)

50. Op vragen van de Nationale Recherche waarom zij een belastende verklaring af zou leggen heeft verdachte het volgende verklaard: "Zijn vrouw is Tutsi en hij is Duits. Als je de getuigenverklaring leest, leest men dat hij mij kende en mijn zus kende. Nu hebben we het over zijn vrouw, die kende mij en mijn zus. Ze vertelde dat ze in 1996 naar mijn woonplaats is geweest om mij op te zoeken en wraak te nemen op mij. Als je de relatie bekijkt tussen haar en haar man, is het dan niet logisch dat zijn vrouw als Tutsi-vrouw alles zou doen om mij in de problemen te brengen."(331)

Ter terechtzitting van 20 oktober 2008

51. In de verklaringen die verdachte tijdens de inhoudelijke behandeling heeft afgelegd, heeft verdachte erkend dat hij tijdens zijn verhoren bij de Nationale Recherche heeft gesproken over een blanke man die hij ongeveer een week na het overlijden van de president heeft gezien. Op het deel van zijn verklaring dat hij in die periode geen buitenlanders in Mugonero heeft gezien, is hij teruggekomen. Ter terechtzitting heeft hij verklaard dat hij na het neerhalen van het vliegtuig veel blanken langs zag lopen en in auto's voorbij zag rijden. Hij heeft hierover verder verklaard dat hij op de radio had gehoord dat de buitenlanders werden geëvacueerd en dat als hij blanke mensen zag, hij er vanuit ging dat zij werden geëvacueerd. Verder heeft verdachte verklaard dat hij het zich niet meer zo goed herinnert en dat hij niet kan zeggen waar hij de blanke mensen zag en ik welke periode. Evenmin heeft hij kunnen aangeven vanaf welk moment hij ze niet meer heeft gezien.

52. Na geconfronteerd te zijn met het feit dat verdachte in zijn verklaring bij de Nationale Recherche over één blanke man heeft gesproken en ter terechtzitting telkens heeft gesproken over vele blanke mensen, heeft hij verklaard dat zijn verklaring bij de Nationale Recherche dan op een misverstand moet berusten. Hij heeft dit verder toegelicht op de opmerking dat hij had begrepen dat de Nationale Recherche alleen maar vroeg naar "blanken in de winkel".

53. Verder heeft verdachte verklaard dat als hij het zich goed herinnert, hij de man ergens op straat heeft gezien. Dit is echter erg moeilijk voor hem om zich te herinneren, omdat hij heel veel blanken mensen op verschillende momenten heeft gezien.

Verdachte heeft voorts gezegd dat zijn verklaring bij de Nationale Recherche niet aldus mag worden uitgelegd dat hij de blanke man bij de barrière heeft gezien. Hij heeft dit uitgelegd door te wijzen op het feit dat elke auto die langsreed, moest stoppen bij de barrière. Deze blanke man moest daar net als alle andere mensen stoppen. Aangezien er militairen stonden bij de barrière, heeft verdachte verklaard dat hij denkt dat de persoon die daar stond een praatje maakte met de militairen.

54. De rechtbank heeft verdachte ter terechtzitting nader bevraagd over enkele van zijn opmerkingen tegenover de Nationale Recherche. Hem is voorgehouden dat hij bij de Nationale Recherche als mogelijke motieven voor het afleggen van valse verklaringen heeft genoemd: manipulatie door de regering, analfabetisme en afgunst ten opzichte van succesvolle mensen heeft genoemd. De rechtbank heeft hem voorgehouden dat in ieder geval [getuige 4] geen analfabeet is en aan hem gevraagd of er reden is om aan te nemen dat de [getuige 4] door de huidige regering van Rwanda is gemanipuleerd. Verdachte heeft hierop geantwoord dat hij geen reden heeft dit aan te nemen.

55. Verdachte is terechtzitting ook zijn verklaring voorgehouden dat het logisch is dat mevrouw [getuige 3] en ook de heer [getuige 4] hem belasten, omdat mevrouw [getuige 3] Tutsi is. Hij heeft hierop geantwoord dat hij hiermee "niet een specifiek iemand bedoelde". Verdachte is voorts voorgehouden dat, indien de Tutsi achtergrond van mevrouw [getuige 3] al een rol zou hebben gespeeld, dit nog geen verklaring is waarom zij hèm belast en niet bijvoorbeeld een andere Hutu, die dan wel haar zou hebben tegengehouden en de bewuste brief zou hebben geschreven. Verdachte is hierop het antwoord schuldig gebleven.

Standpunt Openbaar Ministerie

56. Het Openbaar Ministerie acht dit feit wettig en overtuigend bewezen op grond van de door verdachte geschreven brief aan bourgmestre Sikubwabo, de verklaringen van [getuige 3] en [getuige 4], in samenhang bezien met de (als steunbewijs aangemerkte) verklaringen van [getuige 28] en [getuige 7].(332)

57. Volgens het Openbaar Ministerie staat vast dat Joseph Murakaza Joseph M. is en dat hij bij het schrijven van deze brief bewust gebruik heeft gemaakt van de bekende naam van zijn vader. Het Openbaar Ministerie heeft als reden hiervoor genoemd dat anders de kans groot was dat een belangrijk man als Sikubwabo geen idee had gehad met wie hij van doen had. Een andere belangrijke aanwijzing dat [verdachte] terugvalt op het gebruik van de naam Joseph Murakaza ziet het Openbaar Ministerie in het door hem gekozen emailadres murajos@[X].com. Volgens het Openbaar Ministerie is de enige logische conclusie dat dit een samenvoeging is van de namen Murakaza en Joseph.(333)

58. Het Openbaar Ministerie heeft dan ook gesteld dat de als objectief bewijs aangemerkte brief door verdachte is geschreven. In dit verband heeft het Openbaar Ministerie gesteld dat het handschriftonderzoek hier geen zekerheid over heeft opgeleverd, maar ook geen contra-indicaties.(334)

59. Over de verklaringen van [getuige 3] heeft het Openbaar Ministerie gesteld dat de betrouwbaarheid van deze getuige niet ter discussie staat, aangezien zij gedetailleerde en consistente verklaringen heeft afgelegd. Haar verklaringen worden door het Openbaar Ministerie dan ook betrouwbaar en geloofwaardig geacht.(335)

60. Ten aanzien van de herkenning van verdachte door [getuige 3] heeft het Openbaar Ministerie gewezen op de omstandigheid dat zij verdachte al ruim voor 27 april 1994 kende en zij ook de omgeving van Mugonero kende. Daarnaast heeft het Openbaar Ministerie gesteld dat de getuige verdachte gedurende langere periode heeft gezien en hij haar ook is aangewezen door de chauffeur.(336)

61. De verklaringen van [getuige 4] zijn deze minder gedetailleerd zijn. Maar zij ondersteunen de verklaringen van [getuige 3] in belangrijke mate, aldus het Openbaar Ministerie. Over de mate van gedetailleerdheid heeft het Openbaar Ministerie nog opgemerkt dat de getuige ook zelf erop heeft gewezen zich sommige details niet meer goed te kunnen herinneren. Bovendien heeft de getuige aangegeven dat hij ook niet alles heeft kunnen begrijpen, omdat Kinyarwanda niet zijn moedertaal is. Gelet op de consistentie en geloofwaardigheid van zijn verklaringen heeft het Openbaar Ministerie ook de verklaringen van [getuige 4] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs geacht.(337)

62. Ten aanzien van de verklaringen van [getuige 28] en [getuige 7] heeft het Openbaar Ministerie gesteld dat deze op onderdelen afwijken. Gelet hierop heeft het Openbaar Ministerie deze verklaringen slechts gebruikt voorzover ze steun vinden in andere bewijsmiddelen.(338)

63. Het Openbaar Ministerie heeft voorts gesteld dat het gewapend conflict (substantiële) invloed heeft gehad op de totstandkoming van of de wijze waarop het door hen bewezenverklaarde geachte feit heeft plaatsgevonden. Volgens het Openbaar Ministerie dient het handelen van verdachte gekwalificeerd te worden als aanranding van de persoonlijke waardigheid, vernedering en onterende behandeling, alsmede als bedreiging met geweld gericht tegen het leven. Het Openbaar Ministerie heeft dan ook gevorderd dat de rechtbank het gehele primair tenlastegelegde bewezen acht.(339)

64. Voor het geval de rechtbank aan de subsidiair tenlastegelegde foltering toekomt, heeft het Openbaar Ministerie gesteld dat [getuige 3] en [getuige 4] niet de mogelijkheid hadden om zich aan het handelen van verdachte te onttrekken. Gelet hierop waren zij van hun vrijheid beroofd in de zin van de Uitvoeringswet Folteringverdrag.(340)

Standpunt raadsman

65. De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte voor dit feit dient te worden vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. De raadsman heeft hiertoe onder meer het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van getuige [getuige 3]

66. De verklaring van deze getuige dat zij bij één van de zussen van verdachte op het internaat heeft gezeten, wordt door geen enkel bewijsmiddel ondersteund. Daarnaast geldt dat, zelfs als hiervan wordt uitgegaan, zij verdachte alleen in de jaren '70 heeft gezien. Voorts heeft zij verklaard dat zij de dader niet kan omschrijven. Nu een dader pas kan worden herkend door iemand die de dader ook kent, kan er volgens de raadsman geen andere conclusie worden getrokken dan dat deze getuige de dader niet op een behoorlijke manier heeft kunnen identificeren. De omstandigheid dat chauffeur [B4] tegen haar heeft gezegd dat de dader Joseph was, maakt dit niet anders, omdat de getuige hem zelf moet kunnen herkennen. Volgens de raadsman kan aan de verklaringen van deze getuige dan ook geen enkele bewijswaarde worden toegekend. Mitsdien kunnen haar verklaringen niet worden gebruikt voor het bewijs in deze zaak.(341)

Ten aanzien van getuige [getuige 4]

67. De raadsman heeft betoogd dat deze getuige alleen een gebeurtenis omschrijft en de dader niet kan identificeren als zijnde Joseph M. De getuige kende de dader niet, hij kan hem ook niet omschrijven en heeft bijvoorbeeld ook geen herinnering aan de leeftijd van de dader. De naam Joseph heeft deze getuige alleen van zijn vrouw en later van de Nationale Recherche en de rechter-commissaris gehoord. Het is volgens de raadsman dan ook heel goed mogelijk dat als gevolg hiervan deze getuige de dader Joseph is gaan noemen. Voorts heeft de raadsman erop gewezen dat de getuige heeft verklaard dat de naam Murakaza alleen is blijven hangen, omdat daarmee de bewuste brief is ondertekend.

68. Op basis van de verklaringen van deze getuige is volgens de raadsman dan ook geen zekerheid te verkrijgen over de vraag of de persoon die de verweten handelingen heeft verricht ook daadwerkelijk verdachte is. De verdediging stelt zich dan ook op het standpunt dat het bewijs daarvoor niet is geleverd.(342)

Ten aanzien van [getuige 28]

69. De raadsman heeft ten aanzien van deze getuige gezegd dat hij vermoedelijk een naprater is dan wel iemand die zijn verklaring baseert op wat hij misschien van anderen heeft gehoord. Daarnaast heeft deze getuige veel moeite gedaan verdachte te belasten en heeft hij melding gemaakt van gebeurtenissen waarover de overige getuigen niets hebben gezegd. Volgens de raadsman zal de rechtbank dan ook moeten kiezen: of de heer en mevrouw [getuigen 4 en 3] hebben in hun verklaringen gelogen of [getuige 28] moet aangemerkt worden als een fantast die zijn verklaringen bij elkaar heeft gelogen.(343)

70. Volgens de raadsman is dat laatste het geval: de verklaringen van [getuige 28] zijn ongeloofwaardig en onsamenhangend. De verklaringen van deze getuige zijn dan ook in zijn geheel onbruikbaar, juist omdat deze zijn overladen met allerlei details waarvan geen enkele andere getuige melding heeft gemaakt. Het selecteren van enkele bruikbare onderdelen uit zijn verklaring doet volgens de raadsman afbreuk aan de totale beoordeling van de getuige.(344)

Ten aanzien van de verklaringen van [getuige 7] en [getuige 15]

71. De raadsman heeft met betrekking tot de verklaringen van deze getuigen aangevoerd dat zij niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt, nu de rechter-commissaris en de verdediging hen niet heeft kunnen horen.(345)

Ten aanzien van de aan Charles Sikubwabo geschreven brief

72. De raadsman heeft met betrekking tot deze brief aangevoerd dat gekeken dient te worden naar positief bewijs op grond waarvan iets vaststaat. De redenering van het Openbaar Ministerie dat, ondanks het ontbreken van verdachtes vingerafdrukken, niet uitgesloten kan worden dat hij de brief in handen heeft gehad, is volgens hem dan ook onzuiver.(346) Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat nu er wel vingerafdrukken van iemand anders op deze brief zijn veiliggesteld, dit een zeer goede aanwijzing is dat verdachte deze brief nooit in handen heeft gehad.(347)

73. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat ook het verrichte handschriftonderzoek geen positief bewijs heeft opgeleverd. Ten aanzien van het tweede vergelijkingsonderzoek heeft hij aangevoerd dat dit referentiemateriaal, de handgeschreven aanvraag voor een paspoort, niet kan dienen als ondersteuning voor de eerdere brief. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat er geen bewijs voorhanden is waaruit blijkt dat deze brief door verdachte is geschreven. Zo is verdachte hier nooit op gehoord, zijn de gegevens niet geverifieerd en is het handschrift ook niet vergeleken met het door de schrijfproef verkregen handschrift. Er zijn dan ook geen aanknopingspunten dat verdachte de auteur is van deze brief. Gelet hierop kan deze brief niet dienen als bewijsmiddel.(348)

Alibi

74. De raadsman heeft verder aangevoerd dat [getuige 18] heeft verklaard dat verdachte op 27 april 1994 op de Kizenga heuvel een aanval uitvoerde. Nu verdachte niet op twee plaatsen tegelijk kan zijn, zal de rechtbank moeten durven kiezen: of zij acht deze getuige onbetrouwbaar of onwaarachtig dan wel de heer en mevrouw [getuigen 4 en 3]. Indien de rechtbank de getuige [getuige 18] onbetrouwbaar oordeelt, zal dit volgens de raadsman zijn, omdat niet te verklaren is waarom deze getuige - overigens net als vele andere getuigen in dit dossier - voordat het Nederlandse opsporingsonderzoek is ingesteld niet eerder de naam van verdachte heeft genoemd, terwijl hij hem thans een zeer cruciale rol toedeelt. Een andere reden om deze getuige onbetrouwbaar te achten ziet de raadsman in het feit dat andere getuigen verdachte op het zelfde moment op een andere plaats zien. Gelet op het belang van dit oordeel heeft de raadsman opgemerkt dat hij hoopt dat de rechtbank de moed heeft om deze afweging daadwerkelijk te benoemen.(349)

Het oordeel van de rechtbank

75. Zoals hiervoor in paragraaf 28 is vermeld, ziet de rechtbank aanleiding om op dit punt de verklaringen van de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] uitdrukkelijk te onderzoeken op hun betrouwbaarheid. De rechtbank zal hierbij de in hoofdstuk 6 (Waardering van getuigenbewijs) paragraaf 46 vermelde aandachtspunten toepassen, hetgeen hierna (zonder uitputtend te willen zijn) wordt toegelicht, doch slechts indien de verklaringen daartoe aanleiding geven.

[Getuige 3]

Ad I: De persoon van de getuige

76. Deze getuige heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat zij Tutsi is.(350) Gedurende de eerste weken van de genocide woonde zij in Kibuye samen met haar vriend, [getuige 4], en hun in februari geboren zoontje.(351)

77. Over verdachte heeft zij gezegd dat zij hem kent als Joseph Murakaza. Zij heeft verder gezegd dat zij via internet weet dat anderen hem [naam verdachte] noemen.(352) Over Joseph Murakaza heeft zij gehoord dat hij naar Europa is geweest om te studeren.(353) De getuige heeft verder verklaard dat zij Joseph al heel lang kent omdat zij met zijn zussen [F2] en [F9] op school zat.(354) De getuige zat in dezelfde klas als [F2] en [F9] zat één klas hoger.(355) Zoals hiervoor in hoofdstuk 7 (De wegversperring in Mugonero) paragraaf 6 al is vermeld, heeft zij verklaard dat Murakaza de naam is van de vader van Joseph.

78. Over de familie van Joseph heeft zij verklaard dat zijn broer Obed Ruzindana heet. Zij heeft verder gezegd dat Joseph uit een grote familie komt. De getuige heeft verder verklaard dat de familie Murakaza een bekende familie van handelaren was(356) die in het handelscentrum van Mugonero woonden. De winkel was voor hun woning en ook in Kigali had de familie winkels. In de winkel werd van alles verkocht.(357)

79. Verdachte heeft ter terechtzitting van 20 oktober 2008 verklaard dat hij deze getuige niet kent. Hij heeft verder gezegd dat hij niet weet of deze getuige bij zijn zus op het internaat heeft gezeten. Daarnaast kon hij zich niet meer herinneren of [F2] en [F9] samen op een internaat hebben gezeten.

80. Uit de beschuldiging blijkt dat deze getuige met name is genoemd als één van de slachtoffers van het tenlastegelegde feit. Gelet hierop is er geen aanleiding om de vraag omtrent betrokkenheid van de getuige, anders dan als slachtoffer, te bespreken.

81. De rechtbank is niet gebleken dat de getuige enig belang dan wel motief heeft om in strijd met de waarheid een voor verdachte belastende verklaring af te leggen. De rechtbank ziet ook in de omstandigheid dat de getuige bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat zij na de genocide terug is geweest naar Rwanda en dat zij mensen heeft gevraagd naar [verdachte](358) geen aanleiding om te veronderstellen dat zij enig belang dan wel motief heeft om, in strijd met de waarheid, een voor verdachte belastende verklaring af te leggen. Tenslotte maakt de rechtbank er hier melding van dat verdachte ter terechtzitting zijn stelling dat deze getuige hem belast omdat zij Tutsi is en hij Hutu in geen enkel opzicht aannemelijk heeft kunnen maken.

82. Zoals uit het vorenstaande blijkt, is deze getuige inmiddels getrouwd met [getuige 4], die in de tenlastelegging ook als slachtoffer is genoemd. De getuige heeft desgevraagd verklaard dat zij en haar man [getuige 4] geen afspraken hebben gemaakt over de inhoud van de door hen af te leggen verklaringen.(359)

83. De rechtbank is ook overigens niets gebleken van enige afstemming door deze getuigen. Desalniettemin kan niet worden uitgesloten dat er sprake is van bronamnesie. Hoewel dit niet uitdrukkelijk uit het dossier blijkt, kan het niet anders zijn dan dat deze getuigen veel met elkaar hebben gesproken over deze gebeurtenis. Zoals hiervoor in hoofdstuk 6 (Waardering van getuigenbewijs) paragraaf 8 al is vermeld, is het in de wetenschap erkend dat getuigen die kennis hebben uit eigen waarneming van een gebeurtenis moeilijk aanvullingen daarop uit andere bron (bijvoorbeeld uit hetgeen zij van andere mensen hebben gehoord) kunnen onderscheiden van hetgeen zij zelf daadwerkelijk hebben waargenomen. De rechtbank ziet hier echter - mede gelet op wat zij hierna ten aanzien van haar verklaringen zal overwegen - geen aanleiding om de verklaringen van deze getuige minder betrouwbaar te achten.

84. Verder blijkt uit de verklaringen van deze getuige dat zij een zeer duidelijk onderscheid kan maken tussen wat zij heeft gezien en wat zij van anderen heeft gehoord.(360)

85. De rechtbank is derhalve van oordeel dat er in de persoon van de getuige geen aanleiding te vinden is om aan haar geloofwaardigheid te twijfelen.

Ad II: De totstandkoming van de verklaring

86. Er zijn geen aanwijzingen dat zich voor wat betreft de totstandkoming van de getuigenis ten tijde van de verhoren, omstandigheden hebben voorgedaan die van invloed kunnen zijn geweest op de betrouwbaarheid van de inhoud van de verklaringen.

Betrouwbaarheid van de verklaring in objectieve zin

Ad III: Toetsing aan objectieve, van elders verkregen gegevens

87. Gelet op hetgeen hiervoor in de paragrafen 34 tot en met 44 is vermeld, zijn de uitkomsten van het door het NFI en de KLPD verrichte onderzoek niet strijdig met de verklaringen van deze getuige.

88. Vastgesteld is dat de op de brief veiliggestelde dactyloscopische sporen niet afkomstig zijn van verdachte. Mitsdien onderschrijft de uitkomst van dit onderzoek de verklaringen van deze getuige niet uitdrukkelijk. Nu echter het ontbreken van deze sporen niet de conclusie rechtvaardigt dat verdachte deze brief nooit in zijn handen kan hebben gehad, is de uitkomst van dit onderzoek ook niet in strijd met de verklaringen van deze getuige.

89. Voor het verrichte handschriftonderzoek geldt hetzelfde. Op grond van het onderzoek door het NFI hebben de deskundigen op de vraag of het handschrift op deze brief overeenkomt met het handschrift van verdachte niet de uitspraak 'waarschijnlijk' of sterker kunnen doen. Echter, het onderzoek sluit niet uit dat verdachte deze brief heeft geschreven, nu de conclusie van dit onderzoek blijft dat de bewuste brief mogelijk door verdachte is geschreven. Uit de bij dit rapport gevoegde vakbijlage blijkt dat deze conclusie is bereikt, omdat de bevindingen van het onderzoek weliswaar niet strijdig zijn met de stelling dat de brief door verdachte is geproduceerd, maar dat er geen sprake was van een zodanige combinatie van schrijvertyperende kenmerken dat op grond hiervan de uitspraak 'waarschijnlijk' of sterker kan worden gedaan.

Ad IV: De consistentie van opeenvolgende, door deze getuige afgelegde verklaringen

90. Zoals hiervoor in hoofdstuk 7 (De wegversperring in Mugonero) paragraaf 3 is vermeld, heeft deze getuige op 18 oktober 1996 een witness statement afgelegd tegenover onderzoekers van het Rwanda-tribunaal. In het kader van het onderzoek tegen verdachte is zij op 2 augustus 2006 in aanwezigheid van rechercheurs van de Nationale Recherche als getuige gehoord en op 5 en 6 februari 2007 door de rechter-commissaris.

91. Al in haar statement van 1996 heeft deze getuige melding gemaakt van de barricade in Mugonero, de rol van Joseph Murakaza daarbij en diens rol bij het thans tenlastegelegde feit. Deze verklaring is - zeker in vergelijking met de latere verklaringen - relatief kort na de tenlastegelegde gebeurtenis afgelegd. Daarnaast komt haar statement, dat overigens is afgelegd in het onderzoek tegen Obed Ruzindana, in hoofdlijnen overeen met de inhoud van haar later (meer gedetailleerde) verklaringen. Ten slotte geldt dat zij deze verdachte belastende verklaring al ruim tien jaar voor het Nederlandse opsporingsonderzoek heeft afgelegd.

92. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van deze getuige in zeer hoge mate consistent zijn. De verschillen in de verklaringen van deze getuige betreffen verschillen op kleine detailpunten die op geen enkele wijze beschouwd kunnen en mogen worden als wezenlijke tegenstrijdigheden. Deze kleine verschillen behoeven dan ook geen bespreking. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat deze verschillen niet - ook niet in onderling verband bezien - een omstandigheid op kunnen leveren ten gevolge waarvan de verklaringen van deze getuige als onbetrouwbaar dienen te worden aangemerkt.

93. Daarnaast geldt dat het inherent is aan het afleggen van meerdere verklaringen dat er verschillen in die verklaringen zitten en dat in sommige verklaringen bepaalde elementen niet of nauwelijks aan de orde komen. Verschillen kunnen goed voortvloeien uit het verstrijken van de tijd, de chaotische aard van de gebeurtenis waarbij de getuige ernstig voor haar leven en het leven van haar baby heeft moeten vrezen, de emoties die teweeg worden gebracht door de herinnering aan deze voor de getuige dramatische gebeurtenis, dan wel een vergissing van de getuige of een andere procesdeelnemer. Bovendien mag een vergelijking van verschillen er niet toe leiden dat het zicht op de gehele verklaring wordt ontnomen.

94. Gelet op het vorenstaande, is de rechtbank van oordeel dat de verschillen in de verklaringen van deze getuige geen afbreuk doen aan de betrouwbaarheid daarvan.

Ad V: De kwaliteit van de herkenning van verdachte door [getuige 3]

95. De getuige heeft verklaard dat zij na haar schooltijd verdachte niet meer heeft gezien.(361) In haar getuigenverhoor in Duitsland heeft zij verklaard dat zij van 1975 tot 1979 op een internaat in Kibuye-Stad heeft gezeten.(362) In dit verhoor heeft zij verder gezegd dat zij met [F2], één van de dochters van de familie Murakaza, op het internaat in Kibuye heeft gezeten.(363) Verder heeft zij verklaard dat zij in de vijf jaar voorafgaand aan de genocide geen personen van de familie Murakaza meer heeft gezien.(364)

96. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat zij verdachte al ongeveer 15 jaar voorafgaand aan het tenlastegelegde feit niet meer had gezien. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook geen sprake van een recente en bijzonder sterke, betrouwbare basis om verdachte te herkennen en te identificeren. Zoals hiervoor in hoofdstuk 6 (Waardering van getuigenbewijs) paragraaf 42 al is opgemerkt is visuele identificatie bij uitstek gevoelig voor vergissingen. Daarom dient een visuele identificatie met grote voorzichtigheid te worden behandeld, zeker indien deze herkenning is gedaan onder moeilijke, traumatische omstandigheden.

Ad VI: overeenstemming van de verklaring van deze getuige met hetgeen andere getuigen hebben verklaard

97. De rechtbank zal, gelet op de aard van deze toets en de samenhang met de beoordeling van de overige getuigenverklaringen, dit punt hierna in de paragrafen 128 tot en met 130 bespreken.

Ad VII: de plausibiliteit van de inhoud van de afgelegde verklaring

98. De inhoud van de verklaringen van deze getuige geeft geen aanleiding dit punt uitdrukkelijk te bespreken.

[Getuige 4]

Ad I: De persoon van de getuige

99. Deze getuige is een Duitse arts die van 1984 tot 1989 in Congo/Zaïre heeft gewerkt. Van 1989 tot en met eind 1991 heeft hij in Duitsland gewoond, waarna hij begin 1992 naar Rwanda is gegaan. In oktober 1993 is hij verhuisd naar Kibuye-Stad om daar in het ziekenhuis te werken.(365) Gedurende de eerste weken van de genocide woonde hij samen met zijn vriendin, [getuige 3], en hun 2 maanden oude zoontje [B1] in Kibuye-Stad.(366) Tot eind april 1994 heeft de getuige nog gewerkt in het ziekenhuis tot hij samen met zijn partner en kind op 27 april 1994 uit wanhoop heeft geprobeerd te vluchten. Nadat deze vlucht was mislukt, is hij op 21 mei 1994 door de honorair consul in Bukavu gered en naar Duitsland gebracht. Van augustus 1994 tot en met 1998 heeft de getuige weer in Rwanda gewerkt.(367)

100. Bij de rechter-commissaris heeft hij verklaard dat hij voor de genocide nog nooit had gehoord van [verdachte]. Ook had hij nooit contact met hem gehad. De getuige heeft verder gezegd dat hij meent dat hij in de dagen voorafgaand aan de genocide niets had gehoord over de familie Murakaza. Hij had in ieder geval nog nooit contact gehad met deze familie, maar hij wist wel dat zij een zaak hadden aan een marktplaats in Mugonero. Voorafgaand aan de genocide had hij wel vaak over de weg langs de marktplaats gereden, maar de markt zelf niet bezocht. Hij was ook nog nooit in de zaak van de familie Murakaza geweest.(368)

101. De getuige heeft op de vraag of hij Joseph ooit eerder had gezien, geantwoord dat hij zich daar niet bewust van is.(369) Hij heeft verder aangegeven dat hij Joseph niet kan beschrijven en dat hij hem waarschijnlijk ook niet meer zou kunnen herkennen.(370) In zijn verhoor in Duitsland heeft de getuige hier verder nog over gezegd dat hij zich meent te herinneren dat zijn vrouw hem heeft verteld dat ook de jongere broer van Obed Ruzindana zich in de winkel ophield en mogelijk zelfs de eigenaar was van de winkel.(371)

102. Sinds de gebeurtenis bij de controlepost op 27 april 1994 heeft de getuige Obed Ruzindana of zijn broer niet meer gezien.(372)

103. Verdachte heeft ter terechtzitting van 20 oktober 2008 verklaard dat hij deze getuige niet kent.

104. Uit de beschuldiging blijkt dat deze getuige met name is genoemd als één van de slachtoffers van het tenlastegelegde feit. Gelet hierop is er geen aanleiding om de vraag omtrent betrokkenheid van de getuige, anders dan als slachtoffer, nader te bespreken.

105. De rechtbank is niet gebleken dat de getuige enig belang dan wel motief heeft om, in strijd met de waarheid, een voor verdachte belastende verklaring af te leggen.

106. Zoals hiervoor vermeld, is deze getuige inmiddels getrouwd met [getuige 3], die in de beschuldiging ook als slachtoffer is genoemd. De getuige heeft desgevraagd verklaard dat hij en zijn vrouw wel over het verhoor hebben gesproken, maar dat zij geen inhoudelijke informatie hebben afgesproken en dat er dus niets is afgestemd.(373)

107. De rechtbank is ook overigens niets gebleken van enige afstemming door deze getuigen. Desalniettemin kan niet uitgesloten worden dat er sprake is van bronamnesie. Hoewel dit niet uitdrukkelijk uit het dossier blijkt, kan het niet anders zijn dan dat deze getuigen veel met elkaar hebben gesproken over deze gebeurtenis. Zoals hiervoor in hoofdstuk 6 (Waardering van getuigenbewijs) paragraaf 8 al is vermeld, is het in de wetenschap erkend dat getuigen die kennis hebben uit eigen waarneming van een incident moeilijk aanvullingen daarop uit andere bron (bijvoorbeeld uit hetgeen zij van andere mensen hebben gehoord) kunnen onderscheiden van hetgeen zij zelf daadwerkelijk hebben waargenomen. De rechtbank ziet hierin echter - mede gelet op wat zij hierna ten aanzien van zijn verklaring zal overwegen - geen aanleiding de verklaringen van deze getuige minder betrouwbaar te achten.

108. Verder blijkt uit de verklaringen van deze getuige dat hij een zeer duidelijk onderscheid kan maken tussen wat hij heeft gezien en wat hij van anderen heeft gehoord.(374)

109. De rechtbank is derhalve van oordeel dat er in de persoon van de getuige geen aanleiding te vinden is om aan zijn geloofwaardigheid te twijfelen.

Ad II: De totstandkoming van de verklaring

110. Uit het proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris blijkt dat de getuige zeer assertief was wat betreft de werkwijze tijdens de verhoren(375) en meerdere keren heeft aangegeven dat hij niet gelukkig was met de procedure van vertaling.(376) De getuige was duidelijk in staat om bepaalde conclusies in zijn verklaring te onderbouwen aan de hand van zijn observaties, waardoor de rechtbank een goed inzicht heeft gekregen in de situatie ter plekke.(377) Ook heeft de getuige duidelijk aangegeven wat hij uit de situatie ter plekke heeft opgemaakt(378) en wat hij niet meer weet.(379) Er zijn dan ook geen aanwijzingen dat er, voor wat betreft de totstandkoming van de verklaring ten tijde van de verhoren, omstandigheden zijn aan te wijzen die van invloed kunnen zijn geweest op de betrouwbaarheid van de inhoud van deze verklaring.

Betrouwbaarheid van de verklaring in objectieve zin

Ad III: Toetsing aan objectieve, van elders verkregen gegevens

111. Gelet op hetgeen hiervoor in de paragrafen 34 tot en met 44 is vermeld en nader is besproken in de paragrafen 87 tot en met 89, zijn de uitkomsten van het door het NFI en de KLPD verrichte onderzoek niet strijdig met de verklaringen van deze getuige.

Ad IV: De consistentie van opeenvolgende, door deze getuige afgelegde verklaringen

112. Deze getuige heeft op 25 september 1995, 19 september 1996 en 20 september 1996 witness statements afgelegd tegenover onderzoekers van het Rwanda-tribunaal. In geen van deze statements heeft de getuige melding gemaakt van deze tenlastegelegde gebeurtenis.

113. In zijn verhoor bij de rechter-commissaris heeft de getuige dit uitgelegd. Hij heeft hierbij gewezen op het feit dat hij slechts heeft verklaard over de algemene situatie voorafgaand, tijdens en na afloop van de genocide. Verder heeft hij gezegd dat hij tegenover de onderzoekers wel over Kayishema heeft verklaard maar niet over Joseph en de militie in Mugonero. Hij heeft dit toegelicht door te zeggen dat Joseph slechts een 'bijpersoon' was. Hij was voor de getuige en diens partner op die ene dag wel van levensbelang, maar voor het Rwanda-tribunaal was hij slechts een bijpersoon wiens rol destijds niet belangrijk was.(380)

114. Gelet op de inhoud van deze witness statements acht de rechtbank de verklaring die de getuige heeft gegeven voor het niet eerder noemen van het tenlastegelegde feit zeer plausibel. Immers, uit deze witness statements blijkt dat de getuige, zoals hij ook zelf bij de rechter-commissaris heeft verklaard, eerst alleen heeft gesproken over de algemene situatie in Rwanda en in het bijzonder in zijn woonplaats Kibuye voorafgaand, tijdens en na afloop van de genocide. In zijn laatste verklaring tegenover de onderzoekers van het Rwanda-tribunaal heeft hij gesproken over hetgeen hij in Kibuye heeft gezien dan wel gehoord over de aanval op het 'Home St. Jean'-complex. Pas op het einde van deze verklaring heeft de getuige melding gemaakt van zijn vlucht op 27 april 1994 waarover hij verder geen enkel detail heeft gegeven. Onder deze omstandigheden is het niet verrassend dat hij in deze statements niet heeft gesproken over verdachte en de gebeurtenissen bij de slagboom in Mugonero.

115. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de omstandigheid dat de getuige in zijn verklaringen tegenover onderzoekers van het Rwanda-tribunaal niets heeft verklaard over het thans tenlastegelegde feit in genen dele de betrouwbaarheid van zijn verklaring aantast.

116. Voor het overige geldt dat de verklaringen van deze getuige in zeer hoge mate consistent zijn. De verschillen in de verklaringen van deze getuige betreffen verschillen op kleine detailpunten die op geen enkele wijze beschouwd kunnen en mogen worden als wezenlijke tegenstrijdigheden. Deze kleine verschillen behoeven dan ook geen bespreking. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat deze verschillen niet - ook in onderling verband bezien - een omstandigheid op kunnen leveren ten gevolge waarvan de verklaringen van deze getuige als onbetrouwbaar dienen te worden aangemerkt.

117. Daarnaast geldt dat het inherent is aan het afleggen van meerdere verklaringen dat er verschillen in die verklaringen zitten en dat in sommige verklaringen bepaalde elementen niet of nauwelijks aan de orde komen. Verschillen kunnen goed voortvloeien uit het verstrijken van de tijd, de chaotische aard van de gebeurtenis waarbij de getuige ernstig voor het leven en het leven van zijn vrouw en zoontje heeft moeten vrezen, de emoties die teweeg worden gebracht door de herinnering aan deze voor de getuige dramatische gebeurtenis, dan wel een vergissing van de getuige of een andere procesdeelnemer. Bovendien mag een vergelijking van verschillen er niet toe leiden dat het zicht op de gehele verklaring wordt ontnomen. Gelet op het vorenstaande, is de rechtbank van oordeel dat de verschillen in de verklaringen van deze getuige geen afbreuk doen aan de betrouwbaarheid daarvan.

Ad V: De kwaliteit van de herkenning van verdachte door [getuige 4]

118. Zoals hiervoor is vermeld in de paragrafen 22, 100 en 101 kende de getuige de persoon onder wiens bewaking zij zijn gesteld en wie de beslissingen heeft genomen over het al dan niet verder mogen reizen niet. Hij heeft van zijn partner gehoord dat deze man Joseph heette en de getuige kan zich de naam Murakaza herinneren omdat dat de naam is waarmee de aan burgemeester Charles Sikubwabo gericht brief ondertekend was met de namen Joseph Murakaza.

119. Gelet hierop is er dan ook geen sprake van een daadwerkelijk visuele herkenning door deze getuige, zodat deze ook niet getoetst kan worden.

Ad VI: De overeenstemming van de verklaring van deze getuige met hetgeen andere getuigen hebben verklaard

120. De rechtbank zal, gelet op de aard van deze toets en de samenhang met de beoordeling van de overige getuigenverklaringen, dit punt hierna in de paragrafen 128 tot en met 130 bespreken.

Ad VII: de plausibiliteit van de inhoud van de afgelegde verklaring:

121. De inhoud van de verklaringen van deze getuige geeft geen aanleiding dit punt uitdrukkelijk te bespreken.

Overige zich in het dossier bevindende getuigenverklaringen

122. Zoals hiervoor al is vermeld, hebben [getuige 7], [getuige 15], [getuige 28], [getuige 17] en [getuige 9] verklaringen afgelegd die (mogelijk) betrekking hebben op dit tenlastegelegde feit. De rechtbank volstaat op dit moment met het kort noemen van deze verklaringen.

Ten aanzien van [getuige 7] en [getuige 28]

123. Deze getuigen hebben een zeer algemene, korte verklaring over deze gebeurtenis afgelegd. Hun verklaringen komen er (kort gezegd) op neer dat zij beiden hebben gezien dat een blanke man met zijn Rwandese vrouw bij de slagboom is tegengehouden. Zij zijn vervolgens meegenomen naar de woning van (de vader van) Joseph. Daar hebben deze man en vrouw moeten wachten tot er bericht kwam van de prefect dat zij door mochten rijden.(381)

124. In de verklaringen van deze beide getuigen zijn opmerkelijke punten aan te wijzen. Zo heeft [getuige 7] bijvoorbeeld verklaard dat er bij de woning van Joseph Duits werd gesproken met de blanke man.(382) [Getuige 28] heeft bijvoorbeeld verklaard dat op het moment dat de blanke man en zijn vrouw weg mochten van Joseph, een zekere Murego weigerde de slagboom te openen waarop Joseph hem heeft doodgeschoten. Hierna zijn de blanke man en zijn vrouw verder gereden.(383)

Ten aanzien van [getuige 15]

125. Deze getuige heeft verklaard dat in april 1994 een blanke man met zijn Rwandese vrouw en hun kind bij de slagboom kwamen. Joseph heeft volgens deze getuige de vrouw meegenomen en gedood.(384) Deze blanke man kwam uit Kigali en is samen met zijn vrouw bij de slagboom tegengehouden en naar het huis van Joseph gebracht. Joseph heeft daar tegen zijn Interahamwes gezegd dat de vrouw meegenomen en vermoord moest worden. De blanke man, die ook het kindje bij zich had, is volgens de getuige zonder wat te zeggen weggegaan. De vrouw is meegenomen en niet meer teruggekomen. Daarom gaat de getuige er vanuit dat zij dood is. Op de vraag van de Nationale Recherche of de getuige heeft gehoord van een incident van een blanke arts die bij de slagboom is geweest, heeft de getuige geantwoord dat hij daar niets van heeft gehoord.(385)

126. Nu deze getuige heeft verklaard dat de vrouw is vermoord en hij niets heeft gehoord over een incident met een blanke arts, valt niet uit te sluiten dat de verklaring van deze getuige ziet op een ander incident dan de tenlastegelegde gebeurtenis. Voor zover deze verklaring wel betrekking heeft op de tenlastegelegde gebeurtenis, stelt de rechtbank vast dat de verklaring evident onjuist is, nu [getuige 3] niet is vermoord.

Ten aanzien van [getuige 17] en [getuige 9]

127. Voor wat betreft de getuigen [getuige 17] en [getuige 9] geldt dat zij geen eigen wetenschap hebben over dit feit en slechts hebben verklaard over hetgeen zij van anderen hebben gehoord. De rechtbank volstaat op dit moment dan ook met de constatering dat de strekking van de verklaringen van deze getuigen overeenkomt met de inhoud van de hiervoor weergegeven verklaringen van [getuige 3] en [getuige 4].

Beoordeling van de tenlastelegging

Overwegingen ten aanzien van verschillen tussen de verklaringen van de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] onderling

128. De rechtbank zal thans de verklaringen van [getuige 3] en [getuige 4] toetsen met behulp van het in het toetsingskader onder VI genoemde aandachtspunt.

129. De verklaringen van [getuige 3] en [getuige 4] verschillen ten opzichte van elkaar op kleine detailpunten. Deze kleine verschillen(386) kunnen op geen enkele wijze worden aangemerkt als wezenlijke tegenstrijdigheden.

130. Deze verschillen behoeven naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen nadere bespreking. De rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen zij eerder heeft overwogen over het niet reduceren van verklaringen tot losse elementen. Verder wijst de rechtbank nogmaals op de omstandigheid dat het inherent is aan het afleggen van meerdere verklaringen en het horen van verschillende personen dat er verschillen in die verklaringen zitten. In sommige verklaringen zullen bovendien bepaalde elementen niet of nauwelijks aan de orde komen, bijvoorbeeld door de wijze van verhoor, de omstandigheid dat getuigen verschillende delen van het incident hebben gezien en daar ook verschillende delen van hebben onthouden.

Overwegingen ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte

131. Zoals hiervoor met betrekking tot de herkenning van verdachte door [getuige 3] in de paragrafen 95 en 96 is vermeld, is er geen sprake van een recente en bijzonder sterke, betrouwbare basis om verdachte te herkennen en te identificeren.

132. Dit laat echter onverlet dat de 'herkenning' van verdachte door de getuige en daarmee haar verklaringen over de betrokkenheid van verdachte als zeer betrouwbaar moet worden beschouwd. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat deze 'herkenning' in zeer ruime mate en op overtuigende wijze steun vindt in ander bewijs.

133. Zo heeft de getuige verklaard dat de chauffeur [B4] haar heeft verteld dat de persoon in de winkel Joseph heette en heeft zij geconstateerd dat hij door andere mensen met die naam werd aangesproken. Daarnaast lijdt het geen twijfel dat de getuige gelet op de omschrijving die zij van Joseph heeft gegeven, hiermee verdachte heeft aangeduid. Dit heeft verdachte zoals hiervoor al is vermeld bij de Nationale Recherche ook erkend. Voorts is de rechtbank - met het Openbaar Ministerie - van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het door verdachte gebruikte emailadres murajos@[X].com een samenvoeging is van de namen Murakaza en Joseph. Hieruit kan dan ook afgeleid worden dat hij wel vaker de naam Joseph Murakaza bezigt.

Verder heeft de rechtbank bij dit oordeel betrokken hetgeen zij hiervoor in hoofdstuk 7 (De wegversperring in Mugonero paragraaf 34 heeft vastgesteld over de leidinggevende rol van verdachte bij de barricade in Mugonero, alwaar ook de familie [getuigen 3 en 4] is tegengehouden.Ten slotte geldt dat de verklaringen van deze getuige, zoals hiervoor al in paragrafen 87 tot en met 89 is weergegeven, niet strijdig zijn met de uitkomsten van het door het NFI verrichte onderzoek, ook al onderschrijft dit onderzoek niet uitdrukkelijk de verklaringen van de getuige.

134. Voorts is de rechtbank van oordeel dat, ook al is hetgeen getuige [getuige 4] heeft verklaard over de naam van de persoon van de winkel onder wiens bewaking zij waren gesteld, gebaseerd op hetgeen [getuige 3]hem heeft verteld, ook zijn verklaring bijdraagt aan het bewijs van de betrokkenheid van verdachte bij deze gebeurtenis.

135. Daarnaast geldt dat verdachte ook zelf heeft gezegd dat als een getuige heeft verklaard over Joseph die in een winkel in Mugonero werkte, de broer is van Obed Ruzindana en de zoon van Murakaza, het duidelijk is dat het over hem gaat.(387) In een later verhoor heeft hij dit in feite herhaald. Immers, in dat verhoor heeft hij erkend dat als er door een getuige gesproken wordt over Joseph Murakaza, lid van de familie Murakaza, van wie één van zijn zussen [F2] heet en die een broer heeft met de naam Obed Ruzindana, hij wordt bedoeld.(388)

136. Ten slotte sluit de inhoud van de door het echtpaar [getuigen 3 en 4] overgelegde brief, die is ondertekend met de naam Joseph Murakaza, naadloos aan bij de inhoud van hun verklaringen omtrent hetgeen is gebeurd.

Overwegingen ten aanzien van de verklaringen van [getuige 18]

137. Deze getuige heeft (kort gezegd) verklaard over aanvallen op de Kizenga-heuvel en de betrokkenheid van verdachte daarbij. De aanvallen op deze heuvel zouden hebben plaatsgevonden van 11 april tot en met 27 of 28 april 1994. De getuige heeft verdachte verder omschreven als één van de organisatoren die hij vaak bij de aanvallen heeft gezien.

138. Anders dan de raadsman is de rechtbank, met het Openbaar Ministerie, van oordeel dat deze getuige nergens heeft verklaard dat hij verdachte op 27 april 1994 tijdens een aanval op de Kizenga heuvel heeft gezien. Gelet hierop weerlegt, anders dan de raadman stelt, de verklaring van deze getuige dus niet dat verdachte op 27 april 1994 bij de slagboom in Mugonero kan zijn geweest.

Overwegingen ten aanzien van de overige getuigenverklaringen

139. Zoals hiervoor in de paragrafen 123 en 124 vermeld zijn in de verklaringen van [getuige 7] en [getuige 28] opmerkelijke verschillen aan te wijzen. Deze verschillen roepen vragen op met betrekking tot de betrouwbaarheid over hetgeen deze getuigen hebben verklaard over deze gebeurtenis. Gelet hierop zal de rechtbank de verklaringen van deze getuigen niet tot het bewijs van het tenlastegelegde feit bezigen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de verklaringen van deze getuigen uitdrukkelijk te bespreken aan de hand van de in eerdergenoemd toetsingskader geformuleerde aanknopingspunten.

140. Ten aanzien van de verklaringen van [getuige 17] en [getuige 9] heeft de rechtbank vastgesteld dat deze getuigen geen eigen wetenschap hebben omtrent dit feit hebben en slechts hebben verklaard over hetgeen zij van anderen hebben gehoord. Hoewel geen rechtsregel aan het tot het bewijs bezigen van deze verklaringen in de weg staat, zal de rechtbank, net als het Openbaar Ministerie bij het onderbouwen van zijn vordering, deze verklaringen niet tot het bewijs van het tenlastegelegde bezigen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de verklaringen van deze getuigen uitdrukkelijk te bespreken aan de hand van de in eerdergenoemd toetsingskader geformuleerde aanknopingspunten.

141. Ten aanzien van de verklaring van [getuige 15] geldt ten slotte dat gelet op hetgeen hiervoor in paragraaf 125 en 126 is vermeld, niet onomstotelijk vaststaat dat de verklaring van deze getuige ziet op het tenlastegelegde feit. De rechtbank zal deze verklaring dan ook niet tot het bewijs van het tenlastegelegde bezigen, gelet waarop de rechtbank geen aanleiding ziet om de verklaring van deze getuige uitdrukkelijk te bespreken aan de hand van de in eerdergenoemd toetsingskader geformuleerde aanknopingspunten.

Afsluitende overwegingen

142. De rechtbank bezigt als bewijsmiddelen de verklaringen van de getuigen [getuige 3] en [getuige 4], de eigen verklaringen van verdachte dat de getuigen het over hem hebben als zij spreken over Joseph Murakaza, alsmede de door Joseph Murakaza ondertekende brief.

143. Op grond hiervan staat buiten iedere twijfel vast dat verdachte de leiding had over de wegversperring in Mugonero, alwaar [getuige 3], [getuige 4] en hun twee maanden oude zoontje [B1] zijn tegengehouden, waarna zij naar de woning van verdachte zijn gebracht. In de uren dat zij bij de woning moesten wachten, zijn zij beledigd en bedreigd, onder meer door verdachte. Daarnaast staat op grond van het vorenstaande vast dat verdachte - enkel omdat [getuige 4] een buitenlander was en hij vreesde voor problemen indien zij een blanke buitenlander zouden vermoorden - uiteindelijk een brief heeft geschreven naar burgemeester Sikubwabo om hem de situatie voor te leggen.

144. De rechtbank is dan ook van oordeel dat na te noemen in de tenlastelegging opgenomen feitelijke handelingen wettig en overtuigend bewezen zijn. De onder primair en subsidiair tenlastegelegde feitelijke handelingen zijn echter taalkundig iets verschillend. Wel hebben zij een identieke strekking. Gelet op dit verschil en nu dit losstaat van de hierna nog te beantwoorden vraag welke juridische kwalificatie aan deze feitelijkheden dient te worden verbonden, zal de rechtbank op dit moment slechts kort samengevat weergegeven welke feitelijke handelingen zij wettig en overtuigend bewezen acht. Gelet op het verschil tussen de primaire en subsidiaire variant is de rechtbank hierbij uitgegaan van de meest uitgebreide omschrijving van de feitelijkheden welke op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen zijn, zonder hierbij vooruit te lopen op de hierna te nemen beslissing.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 27 april 1994 in Mugonero samen met anderen [getuige 3] en [getuige 4] en hun pas enkele maanden oude zoon [B1] bij een wegversperring de doorgang heeft geweigerd en daarbij voor [getuige 3] en [getuige 4] (in het bijzijn van hun zoon [B1]) zichtbaar wapens (machetes en knuppels) aanwezig heeft gehad. In de uren dat zij niet door mochten rijden zijn tegen en hoorbaar voor [getuige 3] en [getuige 4] (in het bijzijn van hun zoon [B1]) woorden gezegd als: 'Kakkerlakken' en 'Kijk maar goed naar die Tutsi vrouw, dat zijn het soort mensen die de president hebben vermoord' en 'Wil je soms als een Tutsi worden behandeld?' en 'Je mag kiezen of je in Kibingo, in Mugonero of in Gishyita gedood wordt' en 'Kijk eens hoe slecht die Tutsi's zijn, ze lachen zelfs als we ze gaan doden' en 'Hutu power', dit terwijl [getuige 3] behoorde tot de Tutsi bevolkingsgroep en haar zoon [B1] door anderen daar aanwezig werden beschouwd als behorende tot de Tutsi bevolkingsgroep. Door dit handelen is [getuige 3] in een situatie gebracht waarin zij langdurig (meerdere uren) voor haar leven en het leven van haar zoon [B1] heeft moeten vrezen, waarbij bovendien geldt dat zij door dit handelen (ernstig) in het openbaar werd vernederd. Verder is [getuige 4] door dit handelen in een situatie gebracht waarin hij langdurig (meerdere uren) voor het leven van zijn partner en het leven van zijn zoon [B1] heeft moeten vrezen.

Hoofdstuk 9 De misdrijven tegen de inzittenden van de ambulance

Ontstaan verdenking

1. Zoals hiervoor in hoofdstuk 5 (Het onderzoek) paragraaf 5 is vermeld, heeft de Minister van Buitenlandse Zaken op 14 februari 2006 een individueel ambtsbericht over verdachte uitgebracht. In dit ambtsbericht staat onder punt 2 vermeld dat volgens zegslieden duidelijk was dat verdachte de leiding had bij een blokkade die 50 meter van zijn woning in Mugonero was opgericht. Verder staat onder dit punt vermeld dat er talloze getuigenverklaringen tegen verdachte en zijn broer bestaan die inhouden dat zij bij deze blokkade beslisten over leven en dood van anderen. Onder punt 3 staat opgenomen dat tegen verdachte onder meer de beschuldiging werd geuit dat hij opdracht heeft gegeven Tutsi's te doden in een ambulance in de buurt van de blokkade in Mugonero.

2. Zoals hiervoor in hoofdstuk 5 (Het onderzoek) paragraaf 7 al is weergegeven is het Landelijk Parket (mede naar aanleiding van dit ambtsbericht) in overleg getreden met het Parquet Général in Rwanda. Uit dit overleg bleek dat de naam van verdachte al bekend was in een onderzoek van het Provinciale Parket van Cyangugu (het zogenoemde Cyangugu-dossier). Naar aanleiding van dit overleg heeft de officier van justitie op 14 juni 2006 een rechtshulpverzoek verzonden aan Rwanda. Na ontvangst van dit rechtshulpverzoek hebben de Rwandese autoriteiten op eigen initiatief nader onderzoek gedaan waarbij zij de getuigen uit het Cyangugu-dossier opnieuw hebben gehoord. Onder deze getuigen bevond zich [getuige 7]. Deze - na 14 juni 2006 afgelegde - verklaringen hebben de Rwandese autoriteiten aan de Nederlandse autoriteiten ter beschikking gesteld, waarna de Nationale Recherche deze op 14 juli 2006 in ontvangst heeft genomen.

3. Ruim een jaar later, op 13 augustus 2007, heeft de Nationale Recherche ook het eigenlijke Cyangugu-dossier van de Rwandese autoriteiten ontvangen. In dit dossier bevindt zich een verklaring van [getuige 34](389) gedateerd 9 april 1999 waarin zij onder meer heeft verklaard over verdachte en zijn broer die zij Interahamwe noemt (zie voor uitleg van het begrip Interahamwe hiervoor hoofdstuk 3 (Rwanda) paragraaf 21. Verder heeft zij in die verklaring gesproken over een incident met een ambulance waar ene Joseph bij betrokken was.

4. De op 14 juli 2006 ontvangen Rwandese verklaringen zijn kort na ontvangst door de Nationale Recherche door een gerechtstolk in de Kinyarwanda taal gescand op relevantie, waarna een selectie is gemaakt van nog nader te horen getuigen in Rwanda. [Getuige 7] bevond zich in deze selectie en de Nationale Recherche heeft hem op 26 juli 2006 en 9 augustus 2006 als getuige gehoord. Hij verklaarde onder meer over een door verdachte en zijn broer Obed Ruzindana opgerichte slagboom. Ook vertelde hij dat hij een incident met een ambulance bij deze slagboom had gezien. Als chauffeur van de ambulance noemde hij [getuige 1]. Over deze [getuige 1] zei hij verder dat deze nog leeft en vaak met hem naar de gacaca gaat. Verder noemde deze getuige de naam van [getuige 15], een burger die de slagboom moest bewaken. Ten slotte verklaarde hij dat een - toen zevenjarig meisje - dat in de ambulance zat de moordpartij had overleefd.

5. De Nationale Recherche heeft vervolgens [getuige 1] en [getuige 15] getraceerd en als getuigen gehoord. [Getuige 1] bevestigde dat één van de inzittenden van de ambulance, een jong meisje, het incident had overleefd. Hij vertelde dat de tante van het meisje een non was die [getuige 16] wordt genoemd. Deze tante zou nog in leven zijn en mogelijk in Kiruhura wonen.

6. Naar aanleiding van deze verklaring heeft de Nationale Recherche deze [getuige 16] opgespoord en als getuige gehoord. Zij vertelde dat haar nichtje [getuige 2] ten tijde van het incident in de ambulance zat en het incident had overleefd. Vervolgens heeft de Nationale Recherche ook [getuige 2] als getuige gehoord.

7. Zoals hiervoor in hoofdstuk 5 (Het onderzoek) paragraaf 31 e.v. is vermeld, heeft de Nationale Recherche naar aanleiding van signalen dat getuigen in het onderhavige onderzoek mogelijk werden bedreigd en/of beïnvloed en dat twee getuigen waren verdwenen, onder meer [getuige 28] en [getuige 29], de vrouw van [getuige 7] hierover gehoord. Deze getuigen verklaarden niet alleen over de beïnvloeding en verdwijning en dat dit verband leek te houden met de verklaringen die [getuige 1] en [getuige 7] hadden afgelegd. Tevens verklaarden zij dat zij ook delen van het incident met de ambulance hadden gezien. [Getuige 28] verklaarde verder nog dat zijn (inmiddels overleden) oom brigadier [B12] hem ook over dit incident had verteld.

8. Tijdens het onderzoek door de Nationale Recherche bleek dat enkele getuigen ([getuige 21], [getuige 26], [getuige 9] en [getuige 20]) andere mensen over dit incident, al dan niet bij de gacaca, hadden horen spreken. Ook deze getuigen zijn over dit incident gehoord.

9. Tijdens het onderzoek van de Nationale Recherche dat zich op een ander feitencomplex (familie getuigen 4 en 3) richtte zijn de heer en mevrouw [getuigen 4 en 3] als getuigen door de Nationale Recherche gehoord. Deze getuigen kenden [getuige 17] uit de periode dat zij in Rwanda woonden. Laatstgenoemde heeft (buiten het verband van deze zaak) in 2007 contact opgenomen met de familie [getuigen 4 en 3]. Tijdens dat gesprek heeft het echtpaar [getuigen 4 en 3] hem verteld dat zij als getuigen waren gehoord in de strafzaak tegen verdachte. [Getuige 17] heeft daarop via de familie [getuigen 4 en 3] contact gezocht met de Nationale Recherche teneinde zelf een verklaring af te kunnen leggen. Vervolgens is deze getuige door de Nationale Recherche gehoord en verklaarde hij over wat hij had gezien van het incident met de ambulance.

10. Ten slotte heeft de rechter-commissaris op verzoek van de verdediging een aantal getuigen à décharge gehoord. Vier van deze getuigen ([getuige 31], [getuige 32], [getuige 35] en [getuige 33]) hebben ook over dit incident verklaard.

Weergave meest relevante ooggetuigenverklaringen

11. De rechtbank zal hieronder eerst in het kort de belangrijkste verklaringen van ooggetuigen weergeven, zoals afgelegd tegenover de rechter-commissaris, aangevuld met onderdelen van de verklaringen die deze getuigen ten overstaan van de Nationale Recherche hebben afgelegd. Twee getuigen zijn echter, kort voordat zij door de rechter-commissaris zouden worden gehoord, verdwenen. De rechtbank zal, net als bij de evenmin door de rechter-commissaris gehoorde getuige [getuige 29], een korte samenvatting geven van de verklaringen die deze getuigen tegenover de Nationale Recherche hebben afgelegd.

[Getuige 1]

12. Deze getuige heeft verklaard dat hij op 13 april 1994(390) als chauffeur met een ambulance vanaf het Centre de Santé van Kibingo is vertrokken om een veilig heenkomen te vinden in Rwamatamu. In deze ambulance zaten de families van Gerard Muhutu en Anaclet Munyanziza(391): Dativa en Brigitte met hun kinderen(392) en een meisje van zeven à acht jaar oud. De vader van dit meisje heette [B5](393) en het meisje leek op de dochter van burgermeester Furere.(394) Verder zat brigadier [B12] in de ambulance.(395)

13. Bij Birogo werd de weg geblokkeerd door de auto van Obed Ruzindana, die door verdachte werd bestuurd. De ambulance kon dan ook niet verder rijden. In de auto van Ruzindana zaten ongeveer acht à tien personen. Sommige van deze inzittenden droegen een militair uniform en anderen burgerkleding. Verdachte gaf de getuige door middel van gebaren opdracht om de auto te draaien en naar Mugonero te rijden. Verdachte had op dat moment een geweer in zijn handen. De getuige heeft de opdracht van verdachte om te keren en naar Mugonero te rijden gelijk uitgevoerd.(396)

14. Nog voor de getuige de ambulance had gekeerd, zag hij dat er veel omstanders waren komen kijken. Ook zag hij militairen naast verdachte.(397) Verdachte gaf deze groep omstanders de opdracht om de ambulance naar Mugonero te begeleiden. Deze groep bestond uit zowel mensen in een militair uniform als mensen in burgerkleding. Door het lawaai dat deze groep maakte, zijn ook andere mensen uit de omgeving naar de ambulance gekomen. Zij hebben tegen de ambulance geduwd. Omdat de groep die de ambulance moest begeleiden stapvoets liep, reed de ambulance ook stapvoets. Het heeft dan ook ongeveer anderhalf uur geduurd voor zij in Mugonero waren.(398)

15. De getuige heeft in zijn verhoor bij de Nationale Recherche, hetgeen overigens niet terugkomt in zijn verklaringen bij de rechter-commissaris, hierover nog verklaard dat tijdens de rit van Birogo naar Mugonero de militairen en de burgers die met de ambulance meeliepen steeds schreeuwden: "waar wij deze kakkerlakken heen brachten". Voorts sloeg deze groep tijdens het schreeuwen ook tegen de auto.(399)

16. Net voor de ambulance bij de slagboom in Mugonero aankwam, liepen militairen naar de ambulance toe.(400) De auto is nog voor de slagboom, die bij de brug stond, gestopt. De baas van de militairen heeft daar tegen de getuige gezegd dat "nog voordat men de kakkerlakken moest afmaken, men eerst de chauffeur moest doden".(401)

17. De getuige moest vervolgens uit de ambulance stappen. Tijdens het uitstappen zag hij de auto van verdachte aankomen die door verdachte werd bestuurd.(402) Vervolgens merkte de getuige dat een militair tijdens het uitstappen zijn hand pakte om hem de andere kant op te leiden.(403) De getuige kon daarop vluchten. Hij heeft dan ook niet gezien wat er met de inzittenden van de ambulance is gebeurd en of Dativa of andere inzittenden met machetes zijn neer geknuppeld of doodgeknuppeld.(404)

[Getuige 2]

18. Deze getuige woonde ten tijde van de genocide met haar vader [B5], moeder [B6](405), zussen en broer in de cellule Gabiro, secteur Kirimbi, gemeente Rwamatamu in de prefectuur Kibuye.(406) Tijdens de genocide is zij gevlucht naar het ziekenhuis van Kibingo. In dit ziekenhuis bevonden zich ook Dativa en haar familie.(407)

19. De getuige - destijds 12 jaar oud - heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat ongeveer één week na 6 april 1994 brigadier [B12] haar vertelde dat zij vanaf het ziekenhuis van Kibingo in een ambulance moest stappen en dat zij samen met anderen naar het gemeentehuis van Rwamatamu zou worden gebracht. De andere personen die in de ambulance stapten waren in ieder geval Dativa met haar kinderen en Brigitte met haar kinderen. De ambulance werd bestuurd door [getuige 1].(408)

20. In Birogo moest de ambulance stoppen. Er stonden daar Interahamwe, militairen en politiemensen. De Interahamwe vertelden de chauffeur dat hij de ambulance moest keren en naar Mugonero moest gaan.(409) De getuige zag op dat moment meerdere mensen; zij kende alleen verdachte en Ruzindana.(410) Enige tijd later in het verhoor door de rechter-commissaris heeft de getuige echter verklaard dat zij Ruzindana daar toch niet heeft gezien.(411)

21. De getuige heeft in haar verklaring bij de Nationale Recherche gezegd dat de mensen die de ambulance tegenhielden in Birogo blij waren dat zij de ambulance zagen. Zij klapten namelijk in hun handen en zwaaiden met hun wapens in de lucht. Vervolgens hoorde zij hen roepen dat ze blij waren dat ze deze vrouwen hadden gevonden, omdat ze deze mooie vrouwen in de open lucht zouden gaan vermoorden. Zij hoorde de Interahamwe verder zeggen dat zij van [verdachte] en Obed Ruzindana de opdracht hadden gekregen om deze twee moeders en hun kinderen te gaan zoeken om hun te vermoorden. Ook hoorde ze dat de Interhamwe zeiden dat ze van [verdachte] en Ruzindana de opdracht hadden gekregen om de vrouwen naar Mugonero te brengen, als ze de vrouwen gevonden hadden.(412)

22. De chauffeur heeft de ambulance gekeerd en is met zijn passagiers naar Mugonero gereden. Volgens de getuige reden er vanaf Birogo auto's voor en auto's achter de ambulance. De Interahamwe zaten in de auto's die de ambulance begeleidden. Als auto's de ambulance inhaalden, sloegen de Interahamwe tegen de ambulance. Dit slaan tegen de ambulance gebeurde alleen in Birogo. Toen de ambulance verder reed, gebeurde het niet meer. De ambulance reed van Birogo naar Mugonero, niet heel langzaam, maar ook niet snel. Als iemand zou lopen, dan zou deze de auto niet kunnen volgen.(413) De Interahamwe die in de auto's stonden die voor hen en achter hen reden, zongen "we zullen ze uitmoorden". Verder schreeuwden, klapten en zongen zij om de inzittenden bang te maken.(414)

23. Toen de ambulance in Mugonero aankwam, waren verdachte en "zijn" Interahamwe daar al; zij reden voor de ambulance uit.(415) In Mugonero moest de ambulance stoppen.(416) De inzittenden vam de ambulance zijn vervolgens uit de ambulance gestapt en moesten bij een rivier gaan staan. De getuige heeft hierover verklaard dat zij erg bang was. Toen zij was uitgestapt, zag ze verdachte en "zijn" Interahamwe. Daarnaast was een groep nieuwsgierige mensen die stond te kijken. Daarbij stonden onder meer militairen die niets deden en alleen toekeken.(417)

24. De inzittenden moesten op een rij gaan staan. De getuige, die zelf achterin de rij stond, heeft de chauffeur niet meer gezien.(418) Toen zij in de rij stond, heeft zij gezien dat Dativa met een knuppel op haar hoofd is geslagen. Omdat de getuige het erg moeilijk vond om over het doden van de inzittenden te spreken, heeft de rechter-commissaris - nadat de getuige had bevestigd dat zij hierover bij de Nationale Recherche de waarheid had gesproken - dit niet meer in detail besproken.(419)

25. Bij de Nationale Recherche heeft [getuige 2] over het doden van de inzittenden verklaard dat zij heeft gezien dat Dativa probeerde haar hoofd te beschermen met haar handen en schreeuwde om genade. Ze zag dat Dativa haar hoofd naar voren boog en een tweede klap met een knuppel op haar hoofd kreeg. Zij zag dat Dativa op de grond viel en bleef liggen, waarna een Interahamwe Dativa met zijn knuppel nog een derde klap op haar hoofd gaf. De getuige hoorde Dativa na de eerste klappen nog gillen, maar na de derde klap was zij stil. Zij maakte nog wel bewegingen, net als iemand die aan het sterven was. De getuige zag verder dat Dativa erg uit haar hoofd bloedde.(420) De overige inzittenden waren allemaal erg aan het gillen. Vervolgens zag de getuige dat andere Interahamwe de kinderen van Dativa met machetes doodmaakten.(421) Verdachte deed dit zelf niet. De mensen die hij leidde, waren met hun machetes de mensen aan het "snijden". Verdachte was wel degene die heeft gezegd dat de inzittenden vermoord moesten worden.(422)

26. De getuige is daarna door iemand meegenomen en weggebracht.(423) Zij kan zich niet meer herinneren of verdachte dit heeft gedaan of iemand anders. Zij was op dat moment aan het huilen en "wist niet meer hoe ze was".(424) Ongeveer een uur later kwam zij weer langs het marktplein van Mugonero en zag dat de ambulance geparkeerd stond bij het huis van Murakaza.(425)

27. Op vragen van de rechter-commissaris of zij toen heeft gezien wat er met de inzittenden was gebeurd, heeft de getuige geantwoord dat zij de lichamen van de kinderen van Dativa zag liggen. De kinderen waren half dood en werden door militairen naar een auto gebracht. Vervolgens zag zij dat de auto wegreed in de richting van het water. Op verdere vragen van de rechter-commissaris of zij heeft kunnen zien wat er met de andere mensen is gebeurd, heeft zij geantwoord dat zij waren gedood.(426)

28. De getuige is naar het huis van [B10] gebracht, waarna ze door militairen naar burgemeester Abel Furere is gebracht. De burgemeester heeft haar gepardonneerd en haar naar zijn kinderen gebracht. Later is zij naar zijn moeder gegaan.(427)

[Getuige 15]

29. Deze getuige heeft verklaard dat hij in het centrum van Mugonero bier aan het drinken was toen hij zag dat er een ambulance uit Kibingo was gekomen.(428) Hij zag dat [getuige 1] in deze ambulance reed. Volgens de getuige wilde [getuige 1] de mensen helpen om te vluchten naar Cyangugu, maar was hij onderweg Joseph tegengekomen. Joseph heeft de ambulance gedwongen om te keren en naar Mugonero te gaan.(429)

30. Toen de getuige zag dat de ambulance in Mugonero aankwam, is hij er naartoe gelopen.(430) De ambulance stond op ongeveer 50 meter afstand van de woning van Joseph,(431) bij de slagboom die in het centrum van Mugonero op de brug stond.(432) Op het moment dat hij er aan kwam, waren de inzittenden van de ambulance nog niet vermoord.(433) Hij zag Joseph, die gewapend was, daar staan.(434) Verder zag hij dat [getuige 1] ontsnapte.(435) Hij hoorde Joseph aan de Interahamwe opdracht geven om de inzittenden uit de ambulance te halen en ze te vermoorden.(436) Zo hoorde de getuige Joseph zeggen: "Haal deze kakkerlakken uit de auto en vermoordt ze".(437) Op het moment dat hij Joseph dit hoorde zeggen, stond hij op ongeveer 5 meter van Joseph vandaan.(438)

31. De getuige zag dat vervolgens alle inzittenden één voor één uit de ambulance werden gehaald.(439) Hij kende, op 'de dochter van Abeli Furere' na, geen van de inzittenden. Die inzittenden waren verdrietig; sommigen huilden en sommigen waren aan het bidden.(440) De inzittenden gilden ook en riepen God om hulp.(441) De 'ongeveer tien jaar oude dochter van Abeli Furere' die ook in de ambulance zat, heeft het overleefd, omdat Joseph haar heeft weggehaald.(442)

32. De rest van de inzittenden zijn vervolgens door ongeveer 15 mannen(443) vermoord met machetes en knuppels.(444) Dit duurde ongeveer twintig minuten.(445) Joseph heeft zelf niemand van de slachtoffers geslagen, maar hij was de baas.(446) Joseph gaf als eerste de opdracht om deze mensen te vermoorden(447) en als hij had gezegd dat hij niet wilde dat de mensen uit de ambulance werden gedood, waren ze nu niet dood geweest.(448)

33. Nadat de inzittenden waren vermoord, zag de getuige een aantal mannen bij de lijken staan met machetes en knuppels. Ook zag hij dat hun machetes onder het bloed zaten.(449) Vervolgens is hij weggegaan. Later heeft hij de lijken nog zien liggen. Hij zag verwondingen aan hun hoofd, schouders en de rest van hun lichaam. Het waren de verwondingen van machetes en knuppels.(450)

34. De getuige heeft aangegeven dat hij de datum waarop dit is gebeurd niet meer weet. Hij denkt dat het rond mei 1994 was, maar hij weet dit niet zeker.(451) Dat het tijdens daglicht was, kon hij zich nog wel herinneren.(452)

[Getuige 7]

35. Deze getuige heeft verklaard dat de broer van verdachte, Obed Ruzindana, in Mugonero een slagboom had geplaatst op ongeveer 30 meter van het huis van de getuige.(453) Op de maandag na de woensdag waarop het vliegtuig met de president was neergehaald, heeft de getuige een ambulance aan zien komen rijden. De ambulance was van de kerk in Kibingo. De chauffeur van de ambulance was [getuige 1].(454)

36. De getuige zag dat de ambulance rond 9.00 uur aankwam bij de slagboom en dat [verdachte] op dat moment bij de slagboom stond en de ambulance tegenhield.(455) Hij zag verder dat Ruzindana met zijn auto achter de ambulance reed en dat er in de auto van Ruzindana Interahamwe zaten. De getuige hoorde dat Ruzindana tegen [verdachte] zei: "Zorg dat deze mensen vermoord worden". Daarna zag de getuige dat Ruzindana met zijn auto's en "zijn" Interahamwe wegreden.(456)

37. De getuige hoorde [verdachte] vervolgens aan de chauffeur vragen: "Waar breng jij deze kakkerlakken naartoe?". Hierna zei [verdachte] dat de inzittenden uit de ambulance gehaald moesten worden.(457) De getuige zag dat de mensen uit de ambulance werden gehaald en naar de veemarkt werden gebracht.(458) Vervolgens gaf [verdachte] aan de Interahamwe de opdracht om deze mensen te vermoorden.(459) Hij zei namelijk tegen "zijn" Interahamwe: "Jullie moeten deze kakkerlakken vermoorden binnen 30 minuten". De getuige zag vervolgens de Interahamwe die mensen vermoorden.(460) [Verdachte] heeft zelf niemand doodgemaakt, maar hij heeft er wel de opdracht toe gegeven en er bijgestaan toen de mensen werden vermoord.(461)

38. De Interahamwe hebben de inzittenden van de ambulance gedood door hen met knuppels te slaan. Omdat sommige mensen door de slagen met de knuppels niet gelijk overleden, zijn zij met machetes doodgemaakt. De getuige hoorde tijdens het slaan door de Interahamwe met de knuppels de slachtoffers vreselijk gillen.

39. Van de inzittenden van de ambulance heeft de chauffeur het overleefd, omdat hij door andere mensen werd geholpen om te ontsnappen.(462) Ook een meisje van zeven jaar oud, 'de dochter van Abel Furere', heeft het overleefd. Dit meisje is door [verdachte] nog voor de moordpartij begon naar zijn huis gebracht omdat [verdachte] niet wilde dat het meisje de moordpartij zou zien.(463)

[Getuige 29]

40. Deze getuige (de vrouw van [getuige 7]) heeft tegenover de Nationale Recherche verklaard dat zij vanuit haar huis heeft gezien dat er tijdens de genocide inzittenden van een ambulance werden vermoord.

41. [Getuige 1] was de chauffeur van deze ambulance en hij probeerde de mensen te helpen vluchten. Dit mislukte, omdat de ambulance Ruzindana en andere militairen tegenkwam en moest omkeren naar Mugonero.(464) In Mugonero bij de slagboom bij de rivier Kiboga (op de brug bij Mugonero in de richting van Kibingo), zijn de inzittenden vermoord.(465) Volgens de getuige is dat gebeurd bij de dierenmarkt.(466)

42. Hoewel haar huis op een afstand van twintig minuten lopen ligt van de plaats waar de inzittenden zijn vermoord, geeft de getuige aan dat zij dit goed kon zien omdat haar huis hoger ligt. Zij kon echter niet precies zien hoe die mensen werden vermoord, omdat er zoveel mensen uit het dorp omheen stonden.(467)

43. De getuige heeft wel gezien dat de inzittenden werden vermoord door de mensen van Ruzindana.(468) Desgevraagd geeft de getuige aan dat zij Joseph op dat moment niet heeft gezien. Wel heeft zij gezien dat Joseph daarvóór samen met zijn broer Obed en die militairen en andere mensen die mee moest gaan aanvallen achter de ambulance aanreed. Dat was op het moment dat de ambulance onderweg was naar Mugonero.(469)

44. De inzittenden van de ambulance heeft de getuige niet gezien. Enige tijd nadat zij vermoord waren, heeft zij wel hun lichamen gezien. Het waren veel lichamen en het was eng om naar te kijken. Het waren de lichamen van vrouwen en hun kinderen die op een barbaarse manier waren vermoord.(470) Zo kon zij aan de wonden op de hoofden van de kinderen zien dat zij op hun hoofd waren geslagen met een knuppel. De getuige geeft verder aan dat zij denkt dat zij daar de kinderen van Gerard Muhutu heeft zien liggen, maar dat zij dit niet zeker weet. Zij heeft in ieder geval wel gehoord dat zijn vrouw en kinderen in de ambulance zaten.(471)

Overige getuigenverklaringen

45. Het dossier bevat ten aanzien van dit feit voorts verklaringen van [getuige 17], [getuige 28], [getuige 16], [getuige 21], [getuige 26], [getuige 9], [getuige 20], [getuige 31], [getuige 32], [getuige 35] en [getuige 33].

46. De rechtbank volstaat op dit moment met het noemen van deze overige getuigenverklaringen. In de volgende paragrafen zal de rechtbank eerst de eigen verklaring van verdachte, de standpunten van het Openbaar Ministerie en de raadsman bespreken. Vervolgens zal de rechtbank overgaan tot het onderzoeken van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1], [getuige 2], [getuige 15], [getuige 7] en [getuige 29].

Eigen verklaring van verdachte

Nationale Recherche

47. In zijn derde verhoor bij de Nationale Recherche heeft verdachte verklaard dat hij niet heeft gezien dat er een ambulance is tegengehouden bij de slagboom in Mugonero. Wel had hij van mensen op straat hierover gehoord: de ambulance kwam bij de barricade, mocht er niet door en is teruggegaan naar waar deze vandaan kwam. Dat de inzittenden van de ambulance zijn gedood had hij niet gehoord. Hij wist ook niet wat er met de mensen die in de ambulance zaten is gebeurd. Op de vraag of hij bij de barricade wel eens vaker ambulances heeft gezien, heeft hij geantwoord dat hij daar verder geen ambulances had gezien.(472)

Ter terechtzitting van 17 oktober 2008

48. Ter terechtzitting van 17 oktober 2008 heeft verdachte ontkend iets met de gebeurtenis met de ambulance te maken te hebben gehad. Kort samengevat heeft hij verklaard dat hij op de dag dat dit incident plaatsvond "mensen hierover heeft horen praten".

49. Verdachte heeft verder nog verklaard dat hij thuis was toen hij van mensen hoorde dat er een ambulance uit Kibingo bij de slagboom in Mugonero was tegengehouden. Na lange tijd stil te hebben gestaan bij deze slagboom, moest de ambulance terug rijden in de richting van Cyangugu. Over de inzittenden van die ambulance heeft hij niets gehoord. Evenmin is hem verteld dat er bij dit incident mensen zijn gedood.

50. Desgevraagd heeft verdachte bevestigd dat dit het enige was dat hij zich herinnerde van het incident: het terugsturen van een ambulance, zonder dat daarbij een dode is gevallen. Aan hem is voorgehouden dat het bevreemding wekt dat hij dit heeft onthouden, omdat het zo onbetekenend is, in een tijd waarin massaslachtingen plaatsvonden in Rwanda. De verdachte heeft hierop geantwoord dat dit incident weer in zijn herinnering was teruggekomen nadat hij het dossier had gelezen. Hem is voorgehouden dat hij dit verklaard heeft op 8 augustus 2006 toen hij nog niets uit het dossier had kunnen lezen. Verdachte heeft hierop geantwoord dat het incident in zijn herinnering was teruggekomen omdat er melding van wordt gemaakt in het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken.

Standpunt Openbaar Ministerie

51. Het Openbaar Ministerie acht dit feit wettig en overtuigend bewezen op grond van de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2], in samenhang bezien met de (als steunbewijs aangemerkte) verklaringen van [getuige 28], [getuige 17], [getuige 7] en [getuige 29].(473)

52. Wel heeft het Openbaar Ministerie (partiële) vrijspraak gevorderd voor het onderdeel van de tenlastelegging waarin sprake is van het gooien van (een aantal van) de kinderen in het Kivumeer(474), alsmede van het onder primair tenlastegelegde verwijt dat [getuige 1] en [getuige 2] ten gevolge van dit handelen zwaar lichamelijk letstel hebben ondervonden.(475)

53. Daarnaast heeft het Openbaar Ministerie de rechtbank verzocht om de schrijffout in de naam van [getuige 2] in de tenlastelegging te verbeteren, in die zin dat de rechtbank [getuige 2] leest in plaats van [naam anders gespeld].(476)

54. Het Openbaar Ministerie heeft bij requisitoir uitgebreid aandacht besteed aan de verschillen in de getuigenverklaringen, ten aanzien van zowel de verschillen tussen de verklaringen die één en dezelfde getuige heeft afgelegd, als de verschillen tussen de verklaringen van getuigen onderling. Deze verschillen zijn volgens het Openbaar Ministerie niet aan te merken als wezenlijke inconsistenties waarvoor geen redelijke verklaring is aan te wijzen. In dit verband heeft het Openbaar Ministerie er op gewezen dat [getuige 1] en [getuige 2] ieder maar 'een deel van de film' hebben meegemaakt.(477) Daarnaast dient er rekening te worden gehouden met de invloed van de traumatische gebeurtenis op [getuige 1] en [getuige 2].(478)

55. Met betrekking tot de verklaringen van [getuige 17] en [getuige 7] heeft het Openbaar Ministerie gewezen op verschillen tussen de verklaringen van getuigen onderling en ten aanzien van [getuige 17] ook op de verschillen in zijn verklaringen. Van deze verschillen is de oorsprong onduidelijk gebleven. Vanwege deze verschillen merkt het Openbaar Ministerie de verklaringen van deze twee getuigen (slechts) als steunbewijs aan. In dit verband heeft het Openbaar Ministerie verder gesteld dat het aan verdachte en zijn familie te wijten is dat [getuige 7] niet door de rechter-commissaris kon worden ondervraagd over de verschillen in zijn verklaring, nu deze getuige is verdwenen en de familie van verdachte hier betrokkenheid bij heeft.(479)

Standpunt raadsman

56. De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte voor dit feit dient te worden vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Ten aanzien van alle met betrekking tot dit incident gehoorde getuigen heeft de raadsman uitdrukkelijk gewezen op de inconsistenties in de verschillende verklaringen van dezelfde getuigen alsmede op de verschillen tussen de verklaringen van de verschillende getuigen.

57. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat verschillende getuigen, waaronder [getuige 32], verdachte en zijn broer op 11, 12, 13, 14 en 15 april 1994 elders hebben gezien. Mitsdien is het niet mogelijk dat zij op 13 april 1994 in Birogo en/of bij de slagboom in Mugonero aanwezig waren.(480)

58. De raadsman heeft verder aangevoerd dat er geen onderzoek is gedaan naar de inzittenden van de ambulance. Derhalve staat niet vast dat de in de tenlastelegging genoemde mensen bij de slagboom in Mugonero zijn gedood. Veronderstellenderwijs uitgaande van hun overlijden, is evenmin vastgesteld waaraan zij zijn overleden. De raadsman heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie forensische opgravingen had moeten laten verrichten.(481) Daarnaast heeft de verdediging nog gewezen op het feit dat het moordwapen (het vuurwapen van verdachte) wordt geconstrueerd door het Openbaar Ministerie.(482)

59. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat het merendeel van de getuigen verdachte niet persoonlijk kende. Naar zijn mening hadden derhalve ook confrontaties van de getuigen met verdachte moeten plaatsvinden.(483)

60. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat zowel de verklaring van [getuige 34] als de verklaring van [getuige 29] niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd, omdat deze getuigen niet door de rechter-commissaris in aanwezigheid van de verdediging zijn gehoord.(484)

61. De verklaringen van [getuige 1] kunnen volgens de verdediging niet gebruikt worden als bewijsmiddel met betrekking tot het vermeende doden van de inzittenden. Hiertoe is aangevoerd dat de getuige het vermeende doden niet heeft gezien. Tenslotte heeft de verdediging ten aanzien van deze getuige gewezen op het feit dat hij bij zijn verhoor aantekeningen heeft gemaakt. De rechter-commissaris heeft dit toegestaan en de verdediging sluit niet uit dat de getuige zijn aantekeningen heeft doorgespeeld aan [getuige 28].(485)

62. Ook de verklaringen van [getuige 2] kunnen niet gebruikt worden als bewijsmiddel met betrekking tot het vermeende doden, nu ook deze getuige dit niet heeft gezien. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat 'de kenning' van verdachte door de getuige gebrekkig is. Derhalve mag er niet vanuit gegaan worden dat deze getuige verdachte heeft kunnen identificeren en herkennen.(486) In dit verband heeft de raadsman uitdrukkelijk gewezen op het feit dat zijn verzoek om Kibingo te schouwen om aldus te controleren of deze getuige verdachte daar daadwerkelijk heeft kunnen zien en zo ja op welke afstand en onder welke omstandigheden is afgewezen.(487) Volgens de raadsman kan er niet vanuit gegaan worden dat deze getuige verdachte kon herkennen, zodat haar verklaringen de vermeende betrokkenheid van verdachte niet kan ondersteunen. De raadsman heeft verder gewezen op de jonge leeftijd van de getuige ten tijde van het incident. Gelet hierop dient haar verklaring met grote voorzichtigheid te worden beschouwd.(488) Daarnaast heeft de verdediging gewezen op het feit dat deze getuige niet de naam van verdachte heeft genoemd toen zij in november 1994 haar tante vertelde wat er was gebeurd.(489)

63. Ten aanzien van de verklaringen van de getuigen [getuige 15] en [getuige 7] heeft de raadsman aangevoerd dat deze van het bewijs dienen te worden uitgesloten nu de verdediging geen mogelijkheid heeft gehad deze getuigen te (doen) ondervragen.(490)

64. Daarnaast heeft de raadsman bij de getuige [getuige 7] nog uitdrukkelijk gewezen op mogelijke motieven van deze getuige om, in strijd met de waarheid, een voor verdachte belastende verklaring af te leggen. Voorts heeft de raadsman bij de verklaringen van deze getuige opgemerkt dat hij de inzittenden van de ambulance niet kende. Mitsdien kan in zijn verklaringen niet de bevestiging gevonden worden welke personen zouden zijn overleden.(491)

65. Bij getuige [getuige 28] heeft de raadsman zijn bevreemding uitgesproken over het feit dat deze getuige volgens zijn verklaringen niet met zijn vriend [getuige 1] over dit incident zou hebben gesproken. Daarnaast sluit de raadsman niet uit dat deze getuige de aantekeningen die [getuige 1] tijdens zijn verhoor heeft gemaakt heeft gekregen om zo zijn verklaring aan te passen aan die van [getuige 1].(492)

66. Over de verklaringen van [getuige 28] en [getuige 29] heeft de verdediging nog opgemerkt dat deze ontlastend zijn. [Getuige 28] heeft niet gezien dat verdachte opdracht heeft gegeven aan de Interahamwe en [getuige 29] heeft verdachte niets zien doen.(493)

67. Over [getuige 17] heeft de verdediging gezegd dat deze getuige een grote fantast is. Hij heeft een groot verbeeldingsvermogen en probeert verdachte op zeer doorzichtige wijze te belasten. De verklaringen van deze getuige zijn dan ook ongeloofwaardig en volstrekt onbetrouwbaar, zodat deze niet kunnen worden gebruikt als bewijsmiddel.(494)

68. Ten aanzien van de getuigen [getuige 16], [getuige 9] en [getuige 26] heeft de verdediging aangevoerd dat deze getuigen zelf niets hebben gezien. Deze getuigen hebben dan ook alleen verklaard over het incident te hebben gehoord, hetgeen niet relevant is.(495)

69. De raadsman heeft bij getuige [getuige 9] opgemerkt dat deze getuige drie dagen na het verhoor van [getuige 1] door de rechter-commissaris hier al van op de hoogte was. Hieruit blijkt volgens de raadsman duidelijk dat de getuigen onderling contact hebben gehad.(496)

70. Met betrekking tot de verklaring van getuige [getuige 20] heeft de raadsman gewezen op het feit dat hij de ambulance in Birogo heeft zien rijden, maar deze verder niet heeft gevolgd. Hoewel deze getuige een buurman is van verdachte, weet hij niets van dit incident.(497)

71. De raadsman heeft verder gewezen op de verklaringen van [getuige 35] en [getuige 31]. Deze getuigen zijn betrokken geweest bij het omleiden van de ambulance, maar zij verklaren ieder voor zich dat zij verdachte daarbij niet hebben gezien. Daarnaast heeft [getuige 31] nog verklaard dat hij met de ambulance meegelopen is vanaf Birogo naar Mugonero. Eenmaal in Mugonero is de getuige weggegaan en hoorde hij schoten. Kort daarna heeft hij verdachte gezien en dat was niet bij de slagboom, maar bij de winkel van de familie.(498)

Het oordeel van de rechtbank

Getuigen die de verdediging niet heeft kunnen ondervragen

72. Zoals hiervoor is vermeld in de paragrafen 60 en 63 heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaringen van [getuige 7] en [getuige 15] van het bewijs uitgesloten dienen te worden, terwijl de verklaring van [getuige 29] niet tot het bewijs kan worden gebezigd. Voor zover de raadsman hiermee een beroep heeft willen doen op het bepaalde in artikel 6 EVRM overweegt de rechtbank het volgende.

73. Artikel 6, derde lid sub d, EVRM houdt onder meer in:

(3) Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:

(d) de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge.

74. De ratio van deze bepaling is de waarborg van een eerlijk proces. Dit brengt onder meer mee dat een verdachte de mogelijkheid dient te hebben om de (on)betrouwbaarheid van de getuige dan wel de (on)juistheid van zijn of haar verklaring(en) aan te tonen.

75. Volgens vaste jurisprudentie van zowel het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) als de Hoge Raad mag hierbij van de verdediging het nodige initiatief worden verwacht. Dit laat echter onverlet dat de effectuering van het ondervragingsrecht niet geheel afhankelijk mag worden gemaakt van een verzoek van de verdediging. Indien de betwiste verklaringen voor de bewijsvoering van cruciale betekenis zijn en het Openbaar Ministerie heeft nagelaten de getuigen ter zitting op te roepen zal de rechter in beginsel ambtshalve de oproeping van de getuige dienen te bevelen.

76. Daarnaast is het vaste jurisprudentie van het EHRM en de Hoge Raad dat, indien de verdachte of zijn raadsman niet in de gelegenheid is geweest om een getuige te ondervragen, artikel 6 EVRM niet te allen tijde aan het gebruik tot het bewijs van de door deze getuige afgelegde verklaring in de weg staat. Het EHRM betrekt de procedure in het geheel in zijn oordeel bij de beoordeling van de vraag of er sprake is geweest van een eerlijk proces. Factoren die daarbij van belang zijn, zijn onder meer: de aanwezigheid van ander - de getuigenverklaring ondersteunend - bewijsmateriaal, de mogelijkheid voor de verdachte om op andere wijze de betrouwbaarheid van de getuige en/of de juistheid van diens verklaring aan te toetsen en de inzet van de justitiële autoriteiten bij de pogingen om de getuige te (doen) ondervragen door de verdediging.

77. Nu artikel 6 EVRM niet in elk geval aan het gebruik tot het bewijs van verklaringen van niet door de verdediging gehoorde getuigen in de weg staat, ziet de rechtbank op voorhand geen reden om deze verklaringen van het bewijs uit te sluiten.

Zoals in de vorige paragraaf is vermeld, is voor de vraag of er - als niet door de verdediging gehoorde getuigen toch tot het bewijs worden gebezigd - sprake is geweest van een eerlijk proces onder meer van belang of de verklaringen in belangrijke mate steun vinden in andere bewijsmiddelen. Gelet op de aard van deze toets en de samenhang met de beoordeling van de betrouwbaarheid van overige getuigenverklaringen, zal de rechtbank dit punt hierna in de paragrafen 240 tot en met 246 uitdrukkelijk bespreken en volstaat zij op dit moment met de constatering dat er op voorhand geen redenen zijn om de verklaringen van deze getuigen van het bewijs uit te sluiten.

Verweren aangaande het niet plaatsvinden van confrontaties en forensisch onderzoek

78. Met betrekking tot de verweren van de raadsman aangaande het niet plaatsvinden van enerzijds confrontaties van getuigen met verdachte en anderzijds forensische opgravingen verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor in hoofdstuk 5 (Het onderzoek) paragraaf 80-82 hierover is opgemerkt.

79. Daarnaast hecht de rechtbank er aan te benadrukken dat hoewel meerdere getuigen een locatie hebben aangeduid waarop de inzittenden van de ambulance zouden zijn begraven, een forensische opgraving niet mogelijk was, aangezien diezelfde getuigen hebben verklaard dat na de genocide alle slachtoffers herbegraven zijn in massagraven.(499)

Toetsingskader bewijswaardering

80. Zoals hiervoor in paragraaf 46 is vermeld, ziet de rechtbank aanleiding om thans de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 15], [getuige 7] en [getuige 29] uitdrukkelijk te onderzoeken op hun betrouwbaarheid. De rechtbank zal hierbij het in hoofdstuk 6 (Waardering van getuigenbewijs) paragraaf 46 vermelde toetsingskader toepassen, doch slechts indien de verklaringen daartoe aanleiding geven.

[Getuige 1]

Ad I: De persoon van de getuige

81. Deze getuige is op 31 juli 2006 door de Nationale Recherche gehoord. Vervolgens is hij op 13 november 2006 en 15 januari 2007 door de rechter-commissaris gehoord. In zijn verhoor bij de Nationale Recherche heeft hij verklaard dat hij geen Tutsi is(500); in zijn tweede verhoor bij de rechter-commissaris heeft hij desgevraagd verklaard Hutu te zijn.(501) De getuige heeft verder verklaard dat hij tijdens de genocide in 1994 in Mugozi in Kibingo woonde en werkte als chauffeur in het medisch centrum aldaar.(502)

82. Verder heeft hij verklaard dat hij verdachte en zijn broer Obed Ruzindana al kende voor de genocide; hij kende zowel hun huis als hun familie. Over verdachte en zijn broer heeft hij verklaard dat hij wist dat zij in Mugonero woonden bij de markt, waar hij boodschappen deed. De vader van verdachte had daar ook een winkel. Zij handelden in verschillende producten zoals spijkers en levensmiddelen.(503) Bij de rechter-commissaris heeft hij bevestigd dat hij verdachte al lang kende. Verder heeft hij daar verklaard dat iedereen boodschappen deed in de winkel van de familie van verdachte en dat hij er ook wel eens kwam.(504) Tevens heeft hij verklaard dat verdachte werkte in de winkel van zijn vader.(505)

Over de familie van verdachte en zijn broer Obed Ruzindana heeft hij verder nog verklaard dat hij weet dat hun vader Murakaza heet en dat deze overleden is. Verder heeft hij verklaard dat hun moeder [F1] heet en dat verdachte ook een aantal zussen heeft.(506)

83. Verdachte heeft ter terechtzitting van 17 oktober 2008 verklaard dat hij deze getuige niet kent.

84. Op grond van de hierboven weergegeven verklaringen kan worden vastgesteld dat deze getuige chauffeur was van de ambulance. Niet is gebleken van enige betrokkenheid van deze getuige bij de tenlastegelegde feiten anders dan als chauffeur van de ambulance en dus als slachtoffer.

85. Verder blijkt uit de verklaringen van deze getuige dat hij een zeer duidelijk onderscheid kan maken tussen wat hij heeft gezien(507) en wat hij van anderen heeft gehoord.(508)

86. Zoals hiervoor opgemerkt heeft deze getuige in zijn eerste verhoor bij de Nationale Recherche verklaard dat één van de inzittenden van de ambulance, een jong meisje, het incident heeft overleefd. Hij vertelde dat de tante van het meisje een non was die [getuige 16] wordt genoemd. Uit het dossier blijkt echter niet dat hij met deze getuige contact heeft gehad, laat staan over deze concrete gebeurtenis.

87. De getuige heeft verder bij de Nationale Recherche verklaard dat hij bij de gacaca in Mugozi verklaringen tegen Ruzindana en zijn hele groep heeft gehoord. Deze verklaringen hielden onder meer in dat de inzittenden van zijn ambulance zijn vermoord en dat de mensen die daarover verklaard hebben dat zelf hebben gezien.(509) Hij heeft dit gehoord van [getuige 7] uit Mugonero en van [B7], die als bewaker in Mugonero werkte. Desgevraagd geeft deze getuige aan dat hij geen contact met deze getuigen heeft.(510)

88. Zoals hiervoor in hoofdstuk 5 (Het onderzoek) paragraaf 35 al is weergegeven blijkt uit het dossier dat deze getuige is benaderd door [getuige 21] die hem, namens Obed Ruzindana, heeft verzocht het land te verlaten. De getuige heeft dit geweigerd waarna Obed Ruzindana contact heeft opgenomen met [getuige 28], een vriend van de getuige.(511) Ook [getuige 28] moest de getuige vragen om zijn verklaring te veranderen en Obed Ruzindana als schuldige aan te wijzen in plaats van verdachte. [Getuige 28] heeft dit verzoek aan [getuige 1] doorgegeven. Vervolgens hebben zij hierover gesproken en besloten in overleg te treden met de Rwandese autoriteiten.(512)

89. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat de getuige met getuige [getuige 28] inhoudelijk over deze zaak heeft gesproken geen enkele aanleiding om zijn verklaring minder betrouwbaar te achten. Immers, de getuige heeft slechts, nadat hij door tussenkomst van de familie van verdachte was benaderd met het verzoek om zijn verklaring te veranderen over zijn verklaring en/of deze gebeurtenis, met [getuige 28] gesproken.

90. De omstandigheid dat deze getuige tijdens zijn verhoor door de rechter-commissaris aantekeningen heeft gemaakt (waarvan de raadsman vermoedt dat deze zijn doorgespeeld aan getuige [getuige 28]) maakt evenmin dat zijn verklaring minder betrouwbaar moet worden geacht. Zelfs indien er al sprake van zou zijn dat aantekeningen zijn doorgespeeld, dan kan dit slechts de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 28] raken.

De rechtbank merkt hierbij overigens nog op dat, anders dan door de raadsman aangevoerd(513), uit het proces-verbaal van bevindingen van de rechter-commissaris blijkt dat de getuige [getuige 1] verzocht heeft om aantekeningen te mogen maken. De rechter-commissaris heeft dit toegestaan, nadat de officier van justitie en de raadsman hadden aangegeven hiertegen geen bezwaar te hebben.(514)

91. De rechtbank is niet gebleken dat de getuige enig belang dan wel motief heeft om, in strijd met de waarheid, een voor verdachte belastende verklaring af te leggen. De getuige heeft tegenover de rechter-commissaris gewag gemaakt van de op hem uitgeoefende druk zijn verklaring aan te passen en de angst die dit bij hem heeft teweeggebracht. Hij heeft die druk weerstaan en is bij zijn verklaring gebleven. De rechtbank betrekt dit mede in haar oordeel dat er geen enkele aanleiding is de geloofwaardigheid van deze getuige in twijfel te trekken.

Ad II: De totstandkoming van de verklaring

92. Uit de processen-verbaal van verhoor blijkt dat er op sommige momenten misverstanden waren.(515) Deze misverstanden zijn echter tijdens het verhoor besproken en door de getuige uitgelegd, die tevens aangaf dat hij het zou aangegeven als hij vragen niet goed begreep. Uit de processen-verbaal van het verdere alsmede van het latere verhoor door de rechter-commissaris blijkt dat de getuige dit inderdaad heeft gedaan.(516) Bovendien blijkt uit deze processen-verbaal dat deze getuige bij het voorlezen van zijn verklaring regelmatig aanvullingen op en verduidelijking van zijn verklaring heeft gegeven. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de misverstanden die tijdens het verhoor zijn gerezen tussen de verhoorder en de getuige niet van substantiële aard zijn. Er zijn verder geen aanwijzingen dat zich voor wat betreft de totstandkoming van de getuigenis ten tijde van de verhoren, omstandigheden hebben voorgedaan die van invloed kunnen zijn geweest op de betrouwbaarheid van de inhoud van de verklaringen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om dit punt nader te bespreken.

Betrouwbaarheid van de verklaring in objectieve zin

93. Met betrekking tot de inhoud van de verklaringen van deze getuige ziet de rechtbank geen aanleiding om de in het toetsingskader onder III en VII genoemde punten (respectievelijk toetsing aan objectieve, van elders verkregen gegevens en de plausibiliteit van de inhoud van de afgelegde verklaring) uitdrukkelijk te bespreken.

Ad IV: De consistentie van opeenvolgende, door deze getuige afgelegde verklaringen

94. De rechtbank vindt de verklaringen van deze getuige in hoge mate consistent. Het meest in het oogspringende verschil in de verklaringen die deze getuige heeft afgelegd betreft (kort gezegd) het al dan niet instappen van een militair, nadat de ambulance in Birogo was tegengehouden.

95. Naar het oordeel van de rechtbank kan en mag dit verschil op geen enkele wijze beschouwd worden als een wezenlijke inconsistentie die ziet op essentiële aspecten van de verklaringen. Dit verschil, alsmede andere kleine verschillen in de verklaringen van deze getuigen, behoeven dan ook geen bespreking. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat deze verschillen niet - ook niet in onderling verband bezien - een omstandigheid op kunnen leveren ten gevolge waarvan de verklaringen van deze getuige als onbetrouwbaar dienen te worden aangemerkt.

96. Daarnaast geldt dat het inherent is aan het afleggen van meerdere verklaringen dat er verschillen in die verklaringen zitten en dat in sommige verklaringen bepaalde elementen niet of nauwelijks aan de orde komen. Verschillen kunnen goed voortvloeien uit het verstrijken van de tijd, de chaotische aard van de gebeurtenis waarbij de getuige ernstig voor zijn leven en het leven van de mensen die hij trachtte te helpen heeft moeten vrezen, de emoties die teweeg worden gebracht door de herinnering aan deze voor de getuige dramatische gebeurtenis, dan wel een vergissing van de getuige of een andere procesdeelnemer. Bovendien mag een vergelijking van verschillen er niet toe leiden dat het zicht op de gehele verklaring wordt ontnomen. Gelet op het vorenstaande, is de rechtbank van oordeel dat de verschillen in de verklaringen van deze getuige geen afbreuk doen aan de betrouwbaarheid daarvan.

Ad V: De kwaliteit van de herkenning van verdachte door [getuige 1]

97. Gelet op hetgeen hiervoor staat opgenomen over hoe de getuige verdachte kende, het feit dat het incident overdag plaatsvond en verdachte zich niet op grote afstand van de getuige bevond, ziet de rechtbank geen aanleiding om de toetsing van de kwaliteit van de herkenning van verdachte door deze getuige nader te bespreken.

Ad VI: De overeenstemming van de verklaring van deze getuige met hetgeen andere getuigen hebben verklaard

98. De rechtbank zal, gelet op de aard van deze toets en de samenhang met de beoordeling van de overige getuigenverklaringen, dit punt hierna in de paragrafen 202 tot en met 239 bespreken.

[Getuige 2]

Ad I: De persoon van de getuige

99. Deze getuige is op 10 november 2006 door de Nationale Recherche gehoord. Vervolgens is zij op 24 januari 2007 door de rechter-commissaris gehoord. Bij de Nationale Recherche heeft de getuige verklaard dat zij Tutsi is.(517) Ten tijde van de genocide was zij twaalf jaar oud. Zij woonde toen met haar ouders, zussen en broer in de cellule Gabiro, secteur Kirimbi, gemeente Rwamatamu, prefectuur Kibuye.(518) Tijdens de genocide is zij gevlucht naar het ziekenhuis van Kibingo.

100. Voordat zij vluchtte naar het ziekenhuis van Kibingo, had de getuige nog nooit van verdachte gehoord; zij wist niet van zijn bestaan.(519) Zij heeft verdachte tijdens de genocide leren kennen, omdat hij aanvallen uitvoerde op het ziekenhuis van Kibingo en andere mensen zeiden dat het een aanval van [verdachte] was. Bij de eerste aanval van [verdachte] hoorde zij dit van Dativa en Brigitte. Ze weet niet of Dativa en/of Brigitte verdachte persoonlijk hebben gekend.(520)

101. Bij de eerste aanval op het moment dat haar verteld werd dat het een aanval was van [verdachte], keek de getuige door een raam naar buiten en zag een man voor een groep aanvallers staan. Haar werd op dat moment verteld dat de man die voorop stond [verdachte] was. Op dat moment kon zij die man goed zien.(521) Tijdens de eerste aanval van [verdachte] hoorde zij ook dat mensen uit zijn groep hem bij zijn naam aanspraken. Zij kon dit goed horen.(522) Tijdens de oorlog heeft de getuige verder gehoord dat de voornaam van [verdachte] Joseph was. Zij hoorde dit ook van mensen met wie zij in het ziekenhuis was.(523) Ook Obed Ruzindana kende zij voor de genocide nog niet. De winkel van de zijn vader kende zij toen al wel. Op de vraag van de rechter-commissaris of Ruzindana en [verdachte] familie zijn heeft de getuige ontkennend geantwoord. Daarnaast heeft zij ook de vraag van de rechter-commissaris of [verdachte] iets te maken had met de winkel van Murakaza ontkennend beantwoord.(524)

102. De getuige heeft verdachte drie keer gezien, telkens tijdens aanvallen. Omdat hij zijn aanvallen overdag uitvoerde, heeft zij hem ook steeds overdag gezien.(525) Zij kon hem alleen niet meer beschrijven, omdat zij zich dat niet meer herinnerde. Zij heeft hem gezien, maar zij heeft er niet op gelet hoe hij eruit zag, of hij groot was; het was oorlog en tijdens de oorlog voelde zij zich niet goed.(526) De getuige kan echter de persoon die haar wilde doden niet vergeten: dat was Joseph M.(527)

103. Aangezien deze getuige heeft verklaard verdachte voorafgaande aan de genocide niet te hebben gekend en van andere mensen te hebben gehoord wie hij was, is verdachte tijdens de inhoudelijke behandeling niet gevraagd of hij deze getuige kende.

104. Op grond van de hierboven weergegeven verklaringen kan worden vastgesteld dat deze getuige een inzittende was van de ambulance. Niet is gebleken van enige betrokkenheid van deze getuige bij de tenlastegelegde feiten anders dan als inzittende van de ambulance en dus als slachtoffer. Verder blijkt uit de verklaringen van deze getuige dat zij een zeer duidelijk onderscheid kan maken tussen wat zij heeft gezien(528) en wat zij van anderen heeft gehoord.(529)

105. Voorts is niet gebleken dat de getuige één of meer van de andere getuigen die verdachte belasten kent en/of met hem of haar contact heeft gehad over deze zaak. Evenmin is gebleken dat de getuige enig belang dan wel motief heeft om in strijd met de waarheid een voor verdachte belastende verklaring af te leggen.

106. De rechtbank is derhalve van oordeel dat er in de persoon van de getuige geen aanleiding te vinden is om aan haar geloofwaardigheid te twijfelen.

Ad II: De totstandkoming van de getuigenis

107. Er zijn geen aanwijzingen dat zich voor wat betreft de totstandkoming van de getuigenis ten tijde van de verhoren, omstandigheden hebben voorgedaan die van invloed kunnen zijn geweest op de betrouwbaarheid van de inhoud van de verklaringen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om dit punt nader te bespreken.

Betrouwbaarheid van de verklaring in objectieve zin

108. Met betrekking tot de inhoud van de verklaringen van deze getuige ziet de rechtbank geen aanleiding om de in het toetsingskader onder III en VII genoemde punten (respectievelijk toetsing aan objectieve, van elders verkregen gegevens en de plausibiliteit van de inhoud van de afgelegde verklaring) uitdrukkelijk te bespreken.

Ad IV: De consistentie van opeenvolgende, door deze getuige afgelegde verklaringen

109. De rechtbank acht de verklaringen van deze getuige in hoge mate consistent. De meest in het oog springende discrepantie in haar verklaringen betreft (kort gezegd) het punt of zij al dan niet verdachte bij de barricade in Birogo heeft gezien.

110. In haar verhoor bij de Nationale Recherche heeft de getuige verklaard dat zij verdachte en Obed Ruzindana niet bij de slagboom heeft gezien.(530) Over het tegenhouden van de ambulance in Birogo verklaarde zij dat de mensen bij de slagboom blij waren dat zij de ambulance zagen. Zij klapten in hun handen en zwaaiden met hun wapens in de lucht. Verder riepen die mensen dat zij blij waren dat ze deze vrouwen hadden gevonden omdat ze deze mooie vrouwen in de open lucht zouden gaan vermoorden. Zij hoorde de Interahamwe verder zeggen dat zij van [verdachte] en Obed Ruzindana eerder de opdracht hadden gekregen om deze twee moeders en hun kinderen te gaan zoeken om hen te vermoorden. Ook hoorde ze dat de Interhamwe zeiden dat ze van [verdachte] en Ruzindana de opdracht hadden gekregen om de vrouwen naar Mugonero te brengen als ze de vrouwen gevonden hadden.(531)

111. In haar verhoor bij de rechter-commissaris heeft de getuige echter verklaard dat toen bij de barricade in Birogo duidelijk werd gemaakt dat de ambulance moest stoppen, zij de leiders Ruzindana en [verdachte] zag.(532) Later in dit verhoor kwam de getuige hier echter op terug en heeft zij verklaard dat zij Ruzindana pas in Mugonero had gezien en dus niet bij de barricade in Birogo.(533) Verdachte had ze wel bij de barricade gezien en toen de ambulance moest keren, is hij in een pick-up gestapt die voor de ambulance uitreed op weg naar Mugonero.(534)

112. Deze discrepantie is op zich opmerkelijk. De getuige is echter bij haar verhoor door de rechter-commissaris niet uitdrukkelijk gewezen op het feit dat zij in tegenstelling tot hetgeen zij daar verklaarde bij de Nationale Recherche had gezegd dat zij verdachte in Birogo niet heeft gezien. De getuige heeft dan ook niet de mogelijkheid heeft gehad om deze discrepantie te verklaren.

113. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze discrepantie goed voortvloeien uit het verstrijken van de tijd, de chaotische aard van de aanval waarbij de getuige ernstig voor haar leven en het leven van de andere inzittenden heeft moeten vrezen, de emoties die door de herinnering aan deze voor de getuige dramatische gebeurtenis worden teweeggebracht dan wel een vergissing van de getuige of een andere procesdeelnemer. Daarnaast acht de rechtbank het - net als het Openbaar Ministerie - aannemelijk dat de getuige zich eerst bij het verhoor door de rechter-commissaris herinnerde dat zij verdachte in Birogo al had gezien.

114. Zoals hiervoor al opgemerkt heeft de getuige voor het overige zeer consistent verklaard. De rechtbank is dan ook van oordeel dat deze discrepantie er niet toe kan leiden dat de verklaringen van deze getuige voor het bewijs dienen worden uitgesloten. Evenmin leidt deze discrepantie de rechtbank tot het oordeel dat haar verklaringen niet betrouwbaar te achten zijn.

Ad V: De kwaliteit van de herkenning van verdachte door [getuige 2]

Schouw van het gezondheidscentrum in Kibingo

115. Zoals hiervoor in hoofdstuk 5 (Het onderzoek) paragraaf 18 is weergegeven, heeft de rechtbank op de regiezitting van 12 februari 2007 vanwege onverwachte afwezigheid van de raadsman het onderzoek ter terechtzitting geschorst. De rechtbank is hiertoe overgegaan aangezien de officier van justitie zich met klem verzette tegen een zogenoemde open terugverwijzing naar de rechter-commissaris en de rechtbank geen kennis droeg van concrete onderzoekswensen van de verdediging.

116. Op 20 februari 2007 heeft de rechtbank de raadsman schriftelijk bericht dat zij het onderzoek ter terechtzitting heeft geschorst tot 5 maart 2007 wegens de onverwachte afwezigheid van de raadsman en de omstandigheid dat de rechtbank geen kennis droeg van de onderzoekswensen van de verdediging. De rechtbank heeft de raadsman daarbij uitdrukkelijk gewezen op het feit dat regiezittingen de momenten zijn waarop de voortgang van het onderzoek wordt besproken en de zittingsrechters bepalen welke onderzoekshandelingen de rechter-commissaris dient te verrichten.

117. De raadsman heeft vervolgens op 1 maart 2007 de rechter-commissaris (en niet de rechtbank) verzocht om de door haar ambtshalve geïnitieerde schouw uit te breiden met het Centre de Santé van Kibingo. De raadsman heeft dit verzoek onderbouwd door te stellen dat duidelijkheid verkregen diende te worden omtrent de plaatsen waar getuigen (van het ambulance incident) zich zouden hebben bevonden en waar zij hun waarnemingen hebben gedaan.

118. Op 1 maart 2007 heeft de raadsman, na verzending van zijn verzoek aan de rechter-commissaris, de rechtbank schriftelijk te kennen gegeven niet aanwezig te zullen zijn bij de aankomende regiezitting van 5 maart 2007. In dit faxbericht heeft de raadsman aangegeven dat hij naast het al door de rechter-commissaris toegewezen verzoek tot het horen van getuigen à décharge, op dat moment geen verdere onderzoekswensen had. Wel verzocht hij de rechtbank om de zaak via een zogenoemde open opdracht naar de rechter-commissaris terug te verwijzen. Van zijn verzoek tot het uitbreiden van de voorgenomen schouw heeft hij in zijn faxbericht geen melding gemaakt.

119. Op 2 maart 2007 heeft de rechter-commissaris de raadsman bericht dat zij het verzoek tot uitbreiding van de voorgenomen schouw niet zou inwilligen. Naar haar oordeel was het schouwen van het Centre de Santé van Kibingo niet relevant, nu volgens de getuigen het incident daar niet heeft plaatsgevonden.

120. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat voor de beoordeling van de kwaliteit van de herkenning van verdachte door [getuige 2] een schouw van het Centre de Santé van Kibingo relevante informatie had kunnen opleveren. Immers, in dat geval had getoetst kunnen worden of de getuige verdachte, vanuit de ruimte waar zij zich volgens haar verklaring bevond, kon waarnemen en zo ja op welke afstand en onder welke omstandigheden.

121. Het enkele feit dat deze schouw niet heeft plaatsgevonden, maakt echter niet dat een toetsing van de kwaliteit van de herkenning onmogelijk is.

122. Met betrekking tot dit verzoek wil de rechtbank nog benadrukken dat de raadsman zijn aan de rechter-commissaris gerichte en door haar afgewezen verzoek nooit ter toetsing aan de rechtbank heeft voorgelegd. Dit had, mede gelet op de hiervoor omschreven gang van zaken en het feit dat de rechtbank de raadsman uitdrukkelijk er op heeft gewezen dat zittingsrechters bepalen welke onderzoekshandelingen de rechter-commissaris diende te verrichten, wel voor de hand gelegen. Bovendien had de raadsman zijn verzoek aan de rechter-commissaris zeer beperkt gemotiveerd en onderbouwd. Gelet daarop is het begrijpelijk dat de rechter-commissaris de relevantie van dit verzoek niet heeft ingezien.

De herkenning van verdachte door [getuige 2]

123. Zoals hiervoor in de paragrafen 100 tot en met 102 is weergegeven, kende de getuige verdachte niet. Dativa en Brigitte, andere mensen met wie zij zich verstopt had, hebben één keer kort voor een aanval een man aangewezen en gezegd dat dat [verdachte] was.

124. Een deugdelijke herkenning van verdachte door deze getuige is alleen mogelijk geweest, indien:

- Dativa en Brigitte verdachte kenden en in staat waren te herkennen in de hectiek en spanning kort voor een aanval;

- de getuige vanuit de plaats waar zij zich op dat moment bevond een goed en onbelemmerd zicht had op de man die buiten stond.

125. Niet kan worden nagegaan of aan deze voorwaarden is voldaan. Dativa en Brigitte leven niet meer. Er heeft, zoals hiervoor is vermeld, geen schouw plaatsgevonden van het Centre de Santé van Kibingo.

126. Gelet op de omstandigheid dat de enige keer dat de getuige verdachte heeft gezien zeer kort was en net voor een op handen zijnde aanval, is de rechtbank - anders dan het Openbaar Ministerie - van oordeel dat niet gesteld kan worden dat zij verdachte onder goede omstandigheden heeft gezien. Immers op dat moment was de getuige aan het schuilen en moet zij bang geweest zijn voor die op handen zijnde aanval en voor haar leven hebben gevreesd.

127. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet gesproken worden van een sterke basis voor het herkennen en identificeren van verdachte. Zoals hiervoor in hoofdstuk 6 (Waardering van getuigenbewijs) paragraaf 42 al is opgemerkt is visuele identificatie bij uitstek gevoelig voor vergissingen en dient dit daarom met grote voorzichtigheid te worden behandeld. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat zeer grote terughoudendheid geboden is ten aanzien van de herkenning van verdachte door [getuige 2].

Ad VI: overeenstemming van de verklaring van deze getuige met hetgeen andere getuigen stellen

128. De rechtbank zal, gelet op de aard van deze toets en de samenhang met de beoordeling van de overige getuigenverklaringen, dit punt hierna in de paragrafen 202 tot en met 239 bespreken.

[Getuige 15]

Ad I: De persoon van de getuige

129. Deze getuige is op 7 augustus 2006 door de Nationale Recherche gehoord. Aan het einde van dat verhoor heeft hij aangegeven dat hij bereid was zijn verklaring voor een Nederlandse rechter te bevestigen. Deze getuige is echter, zoals hiervoor al is weergegeven, kort voor het geplande verhoor door de rechter-commissaris verdwenen.

130. In zijn verhoor door de Nationale Recherche heeft hij verklaard dat hij Hutu is.(535) Verder heeft hij verklaard dat hij tijdens de genocide in Gituruka (Mugozi) woonde.(536) Dit was ongeveer één kilometer van het huis van verdachte af en de getuige ging ongeveer één à twee keer per dag naar het centrum van Mugonero.(537)

131. Verder heeft deze getuige verklaard dat hij voor zijn beroep auto's uitlaadde en dat hij verdachte kent omdat hij de auto's van de familie Murakaza uitlaadde.(538)

132. Gevraagd naar familieleden van verdachte heeft hij gezegd dat hij de volgende personen kende: een zus met de naam [F2], een zus met de naam [F9], een zus met de naam [F11], een zus met de naam [F12], een zus met de naam [F13], zijn broer Obed Ruzindana. Ook kende hij Eli Murakaza, de vader van verdachte. Tenslotte verklaarde hij dat de moeder van verdachte [F1] heet.(539)

133. Over verdachte heeft hij verklaard dat hij wist dat hij in het centrum Mugonero woonde bij zijn vader Murakaza. De getuige heeft verder verklaard dat verdachte de basisschool heeft gedaan in Muramba in Mugonero. Later is verdachte volgens de getuige naar Italië gegaan om te studeren. In juni 1993 is hij teruggekomen en heeft hij zijn familie geholpen met hun handel onder meer in bonen, sorghum en golfplaten. Dit verkochten zij vanuit hun winkel in het centrum van Mugonero; de winkel en de woning zitten in één gebouw dat ligt aan de kant van de grote markt.(540)

134. Verdachte heeft ter terechtzitting van 17 oktober 2008 verklaard dat hij deze getuige niet kent. Voorts heeft hij verklaard dat het hem niets zegt dat deze getuige auto's voor zijn familie zou uitladen.

135. Deze getuige heeft verklaard dat hij [getuige 1] kent en bij de gacaca een verklaring heeft afgelegd over dit incident en [getuige 1] als chauffeur van deze ambulance heeft genoemd.(541) Verder blijkt uit zijn verklaring dat hij ook [getuige 7] kent.(542) Uit het dossier blijkt echter niet dat deze getuige inhoudelijk contact heeft gehad met de andere getuigen over de onderhavige zaak.

136. Uit de verklaring van deze getuige blijkt verder dat hij een duidelijk onderscheid kan maken tussen wat hij heeft gezien en wat hij van anderen heeft gehoord.(543)

137. De getuige zelf ontkent ten stelligste ooit meegedaan te hebben aan de genocide en/of de aanvallen. Volgens zijn verklaring zijn er echter wel mensen (waaronder ook een keer verdachte) naar hem toegekomen om te zeggen dat hij mee moest doen, waarbij hij ook is bedreigd. Ook is hij volgens eigen zeggen wel eens opgehaald om mee te doen met de aanvallen, maar heeft hij zich altijd kunnen verstoppen.(544)

138. Uit de verklaring van getuige [getuige 7] zou echter het tegendeel afgeleid kunnen worden. Zo heeft [getuige 7] verklaard dat [getuige 15] een bewaker was van de slagboom die door verdachte en zijn broer Obed Ruzindana was opgericht. Verder heeft deze getuige verklaard dat hij ten tijde van het ambulance-incident [getuige 15] bij de slagboom heeft zien staan.(545) [Getuige 7] heeft verder nog verklaard dat [getuige 15], net als hijzelf overigens, tijdens de genocide een machete heeft gekregen die door Obed Ruzindana dan wel verdachte was uitgedeeld.(546) Ook de vrouw van [getuige 7], [getuige 29], heeft verklaard dat [getuige 15] werd gedwongen om te gaan aanvallen.(547)

139. Gelet hierop valt niet uit te sluiten dat deze getuige enige betrokkenheid heeft gehad bij de genocide in zijn algemeen. Naar het oordeel van de rechtbank valt dan ook niet uit te sluiten dat de getuige zijn eigen rol heeft geprobeerd te minimaliseren door bijvoorbeeld de verantwoordelijkheid te verschuiven naar verdachte.

140. Al het voorgaande overwegende, is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van deze getuige niet zonder meer als ongeloofwaardig dient te worden aangemerkt, al dient deze verklaring wel met voorzichtigheid te worden bezien.

Ad II: De totstandkoming van de verklaring

141. Er zijn geen aanwijzingen dat zich voor wat betreft de totstandkoming van de getuigenis ten tijde van de verhoren, omstandigheden hebben voorgedaan die van invloed kunnen zijn geweest op de betrouwbaarheid van de inhoud van de verklaringen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om dit punt nader te bespreken.

Betrouwbaarheid van de verklaring in objectieve zin

142. Met betrekking tot de inhoud van de verklaringen van deze getuige ziet de rechtbank geen aanleiding om de in het toetsingskader onder III en VII genoemde punten (respectievelijk toetsing aan objectieve, van elders verkregen gegevens; en de plausibiliteit van de inhoud van de afgelegde verklaring) uitdrukkelijk te bespreken.

Ad IV: De consistentie van opeenvolgende, door deze getuige afgelegde verklaringen

143. Nu deze getuige kort voor het geplande verhoor door de rechter-commissaris is verdwenen, is hij slechts één keer door Nationale Recherche gehoord. Mitsdien kan de consistentie van opeenvolgende verklaringen niet worden onderzocht. Zoals hiervoor is vermeld in paragraaf 77 ziet de rechtbank in enkele de omstandigheid dat de getuige niet ook is ondervraagd in aanwezigheid van de verdediging, geen aanleiding om zijn verklaring van het bewijs uit te sluiten.

Ad V: De kwaliteit van de herkenning van verdachte door [getuige 15]

144. Gelet op hetgeen hiervoor staat opgenomen over hoe de getuige verdachte kende, het feit dat het incident overdag plaatsvond, verdachte zich op niet grote afstand van de getuige bevond en de getuige heeft verklaard alles goed te kunnen hebben gezien, ziet de rechtbank geen aanleiding om de toetsing van de kwaliteit van de herkenning van verdachte door deze getuige nader te bespreken.

Ad VI: De overeenstemming van de verklaring van deze getuige met hetgeen andere getuigen hebben verklaard

145. De rechtbank zal, gelet op de aard van deze toets en de samenhang met de beoordeling van de overige getuigenverklaringen, dit punt hierna in de paragrafen 202 tot en met 239 bespreken.

[Getuige 7]

Ad I: De persoon van de getuige

146. Deze getuige is op 26 juli en 9 augustus 2006 door de Nationale Recherche gehoord. Aan het einde van beide verhoren heeft hij aangegeven dat hij bereid was zijn verklaring voor een Nederlandse rechter te bevestigen. Deze getuige is echter, zoals hiervoor al is weergegeven, kort voor het geplande verhoor door de rechter-commissaris verdwenen.

147. In zijn tweede verhoor bij de Nationale Recherche heeft deze getuige verklaard dat hij Hutu is.(548)

148. De getuige heeft verder verklaard dat hij tijdens de oorlog in 1994 in Mugonero, cellule Giturka, gemeente Rwamatamu woonde, alwaar hij ten tijde van zijn verhoor nog steeds woonde. Hij woonde in Mugonero naast Obed Ruzindana, met wie hij samen is opgegroeid.(549) Uit het tweede verhoor van deze getuige blijkt echter dat de afstand tussen zijn woning en de woning van Obed Ruzindana ongeveer 200 meter was. Daarnaast liggen de woningen aan verschillende kanten van de brug; de rivier de Kiboga loopt tussen de woningen door. De getuige kon vanuit zijn woning wel de woning van Obed Ruzindana en dus ook van verdachte zien.(550)

149. Over de familie van Obed Ruzindana heeft de getuige verklaard dat Obed ten tijde van de oorlog in één huis woonde met zijn vader Eli Murakaza, moeder [F1], broer Joseph en zijn zussen. Als namen van zijn zussen noemde hij in eerste instantie [F9], [F2], [F11] en [F4]. Uit het proces-verbaal van verhoor blijkt verder dat de getuige nog meer namen van zussen zou kunnen noemen, hetgeen de verbalisanten echter niet nodig vonden.(551)

150. Het beroep van de familie van verdachte omschreef deze getuige als handelaar van eerste klas, hetgeen volgens hem betekent dat de familie veel macht had. Verdachte was chauffeur van zijn vader en daarnaast hielp hij veel in de winkel van zijn vader. Verder weet deze getuige dat verdachte was afgestudeerd in Italië.

151. Uit de processen-verbaal van de verhoren van deze getuige blijkt verder dat hij in ieder geval tijdens de oorlog een café had. Dit café was gelegen bij de brug over de rivier de Kiboga, daar waar ook de slagboom van verdachte stond.(552)

152. Ter terechtzitting van 17 oktober 2008 heeft verdachte desgevraagd verklaard dat hij denkt dat hij deze getuige kent. Verdachte heeft hierover verklaard dat als hij het zich goed herinnert de getuige bij hem in de buurt woonde: op ongeveer één kilometer afstand. Verdachte heeft hierbij verder opgemerkt dat hij hem niet zo goed kende en dat hij denkt dat zij als kinderen niet samen hebben gespeeld. Voorts heeft verdachte verklaard dat er geen sprake was van een vete tussen hem en deze getuige.

153. Uit de verklaringen van deze getuige blijkt verder dat hij een duidelijk onderscheid kan maken tussen wat hij heeft gezien(553) en wat hij van anderen heeft gehoord.(554)

154. Verder blijkt uit de verklaringen van deze getuige dat [getuige 1] vaak met hem naar de gacaca gaat.(555) Gelet hierop valt niet uit te sluiten dat deze getuige enige informatie over het tenlastegelegde feit heeft vernomen bij de gacaca en er mogelijk sprake is van bronamnesie. Dit leidt ertoe dat de rechtbank de verklaringen van deze getuige met voorzichtigheid zal bezien.

155. Ook blijkt uit deze verklaringen dat de getuige [getuige 15] kent en dat deze bij hem in de buurt woont.(556) Niet is gebleken dat de getuige met [getuige 15] inhoudelijk heeft gesproken over deze zaak.

156. Uit het dossier blijkt niet van enige betrokkenheid van deze getuige bij dit tenlastegelegd feit. Wel blijkt uit de verklaringen van de getuige dat hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor een moord op een pastoor tijdens de genocide. De getuige heeft hierover verklaard dat hij schuld heeft bekend omdat hij niets voor het slachtoffer kon doen.(557) Hij heeft over dit feit verder verklaard dat verdachte en zijn broer Obed Ruzindana opdracht hadden gegeven om deze pastoor te vermoorden.(558)

157. De getuige heeft verder ontkend ooit meegedaan te hebben aan aanvallen op Tutsi's.(559) Verdachte en Obed Ruzindana accepteerden volgens de getuige echter niet dat hij niet meeging naar aanvallen, maar hij zorgde er altijd voor dat hij van tevoren kon ontsnappen. Volgens de getuige heeft verdachte hem hier op aangesproken. Als straf heeft verdachte toen twee geiten meegenomen en als eten aan de Interahamwe geserveerd. Later is verdachte nog een keer teruggekomen en toen heeft hij de handelsvoorraad sigaretten van de getuige afgepakt.(560)

158. Zoals hiervoor al opgenomen heeft verdachte verklaard dat hij niet weet waarom deze getuige een belastende verklaring heeft afgelegd. Volgens verdachte was er in ieder geval geen sprake van een vete tussen hem en deze getuige. Voorts heeft verdachte ter terechtzitting van 4 december 2008 uitdrukkelijk ontkend dat hij geiten en sigaretten heeft gestolen/ afgepakt van deze getuige. Tevens heeft verdachte telkens ontkend dat hij enige betrokkenheid heeft gehad bij aanvallen op Tutsi-burgers, laat staan dat hij andere mensen heeft aangespoord om mee te doen dan wel hen aangesproken op het feit dat zij niet meededen. Ten slotte heeft verdachte ontkend dat hij betrokken is geweest bij enige moord.

159. Niettegenstaande deze ontkenning van verdachte kan de rechtbank gelet op hetgeen hiervoor in de paragrafen 156 en 157 staat opgenomen, niet uitsluiten dat de getuige een mogelijk motief heeft om een verdachte belastende verklaring af te leggen. Evenmin valt uit te sluiten dat de getuige getracht heeft zijn eigen rol/betrokkenheid te minimaliseren en bijvoorbeeld de verantwoordelijkheid te verschuiven naar verdachte. Gelet hierop zal de rechtbank de verklaringen van deze getuige met behoedzaamheid bezien.

Ad II: De totstandkoming van de verklaring

160. Er zijn geen aanwijzingen dat zich voor wat betreft de totstandkoming van de getuigenis ten tijde van de verhoren, omstandigheden hebben voorgedaan die van invloed kunnen zijn geweest op de betrouwbaarheid van de inhoud van de verklaringen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om dit punt nader te bespreken.

Betrouwbaarheid van de verklaring in objectieve zin

161. Met betrekking tot de inhoud van de verklaring van deze getuige ziet de rechtbank geen aanleiding om de in het toetsingskader onder III en VII genoemde punten (respectievelijk toetsing aan objectieve, van elders verkregen gegevens en de plausibiliteit van de inhoud van de afgelegde verklaring) uitdrukkelijk te bespreken.

Ad IV: De consistentie van opeenvolgende, door deze getuige afgelegde verklaringen

162. Nu deze getuige kort voor het geplande verhoor door de rechter-commissaris is verdwenen, is hij - naast het verhoor door het Parquet Général in Rwanda - slechts twee keer door Nationale Recherche gehoord. Mitsdien kan de consistentie van opeenvolgende verklaringen slechts in beperkte mate worden onderzocht. Zoals hiervoor is vermeld in paragraaf 77 ziet de rechtbank in de enkele omstandigheid dat de getuige niet ook is ondervraagd in aanwezigheid van de verdediging geen aanleiding om zijn verklaring van het bewijs uit te sluiten.

163. De meest in het oogspringende discrepanties in de verklaringen die deze getuige heeft afgelegd betreffen (kort gezegd):

I hetgeen is gebeurd na het uitstappen van de inzittenden;

II het moment waarop de inzittenden zijn vermoord en hoe lang dit heeft geduurd.

Ad I: Hetgeen is gebeurd na het uitstappen van de inzittenden

164. Bij het Parquet Général in Rwanda heeft deze getuige in juni 2006 onder meer verklaard dat de mensen uit de ambulance van [getuige 1] moest stappen. Tussen deze mensen was de vrouw van Gerard. Zij was zo bang dat haar kleed op de grond was gevallen. Toen zij haar kleed wilde oppakken, heeft zij haar kind aan de getuige gegeven, omdat zij hem kende. De getuige heeft het kind gedragen tot [B11] hem verplichtte het kind op de grond te zetten. Nadat de getuige dit had geweigerd, heeft die [B11] hem geslagen en het kind afgepakt waarna het is teruggegeven aan de moeder.(561)

165. In zijn verhoren bij de Nationale Recherche heeft de getuige van dit incident geen melding gemaakt. Daarnaast heeft hij in zijn tweede verhoor bij de Nationale Recherche op de vraag of hij de slachtoffers uit de ambulance die vermoord zijn kende gezegd dat hij de namen niet weet.(562)

166. Het tweede verhoor van deze getuige bij de Nationale Recherche heeft kort (ongeveer twee maanden) nadat de getuige zijn verklaring had afgelegd bij het Parquet Général in Rwanda plaatsgevonden. Het verschil op dit punt is dan ook opmerkelijk. Door de verdwijning van deze getuige is niet mogelijk geweest de getuige met deze inconsistentie te confronteren. Dit is een omstandigheid die echter niet automatisch dient te leiden tot bewijsuitsluiting.

Ad II: het moment waarop de inzittenden zijn vermoord en hoe lang dit heeft geduurd

167. Bij het Parquet Général in Rwanda heeft deze getuige in juni 2006 onder meer verklaard dat nadat de inzittenden waren uitgestapt verdachte de omstanders heeft gevraagd weg te gaan, omdat hij samen met zijn Interahamwe wilde blijven. De getuige en ook de overige omstanders zijn daarop weggegaan. Verdachte en zijn Interahamwe hebben gedurende twee uur de vrouwen gevraagd waar hun echtgenoten waren verstopt, vervolgens zijn zij op gruwelijke wijze vermoord met knuppels.(563)

168. In zijn eerste verhoor bij de Nationale Recherche heeft de getuige verklaard dat verdachte de mensen in de ambulance opdracht gaf uit te stappen. Vervolgens heeft verdachte aan de Interahamwe de opdracht gegeven om deze mensen te vermoorden. Volgens de getuige is verdachte daarop de ambulance achter zijn huis gaan parkeren. Toen hij terugkwam waren de inzittenden nog niet vermoord, maar zijn de Interahamwe daarmee toen per direct begonnen. De slachtoffers vroegen eerst nog tijd om te bidden, maar verdachte heeft hen deze tijd niet willen geven. De moordpartij heeft volgens de getuige in dit verhoor ongeveer 20 minuten geduurd.(564)

169. In zijn tweede verhoor door de Nationale Recherche heeft de getuige verklaard dat de mensen uit de ambulance werden gehaald en naar de veemarkt werden gebracht. Op de veemarkt, die ten opzichte van de woning van verdachte gelijk aan de andere kant van de brug over de Kiboga ligt, zijn de inzittenden gelijk vermoord door de Interahamwe van verdachte die er zelf bij stond.(565)

170. Ook voor dit verschil geldt dat dit opmerkelijk is te noemen. Een ook hiervoor geldt dat door de verdwijning van deze getuige het niet mogelijk is geweest de getuige met deze inconsistentie te confronteren. Dit is een omstandigheid die echter niet automatisch dient te leiden tot bewijsuitsluiting. Nu er echter geen redelijke verklaring is voor deze discrepantie zal de rechtbank voorbijgaan aan hetgeen de getuige heeft verklaard over het moment waarop de inzittenden zijn vermoord en hoe lang dit heeft geduurd.

171. Zoals hiervoor is vermeld, is voor bovengenoemde discrepanties geen redelijke verklaring te geven. Desalniettemin leveren deze discrepanties op zich genomen - en ook in onderling verband bezien - geen omstandigheid op waarbij de verklaringen van deze getuige automatisch van het bewijs dienen te worden uitgesloten zeker ook nu de getuige niet de mogelijkheid heeft gehad deze te verklaren. Daar komt nog bij dat een getuigenverklaring door een aantal discrepanties niet automatisch als geheel onbetrouwbaar mag worden aangemerkt.

Ad V: De kwaliteit van de herkenning van verdachte door [getuige 7]

172. Gelet op hetgeen hiervoor staat opgenomen over hoe de getuige verdachte kende, het feit dat het incident overdag plaatsvond en verdachte zich niet op grote afstand van de getuige bevond, ziet de rechtbank geen aanleiding om de toetsing van de kwaliteit van de herkenning van verdachte door deze getuige nader te bespreken.

Ad VI: overeenstemming van de verklaring van deze getuige met hetgeen andere getuigen hebben verklaard

173. De rechtbank zal, gelet op de aard van deze toets en de samenhang met de beoordeling van de overige getuigenverklaringen, dit punt hierna in de paragrafen 202 tot en met 239 bespreken.

[Getuige 29]

Ad I: De persoon van de getuige

174. Deze getuige is op 21 en 22 maart 2007 door de Nationale Recherche gehoord naar aanleiding van de verdwijning van [getuige 7], haar man met wie zij overigens niet wettelijk is getrouwd.(566)

175. In deze verhoren heeft de getuige niets verklaard over haar etnische achtergrond. Wel heeft zij aangegeven dat zij al sinds haar zeventiende - en dus ook al tijdens de genocide - samenwoonde met [getuige 7](567) in de buurt van de markt van Mugonero, hetgeen vlakbij de weg vanaf de markt naar Kibingo is.(568)

176. Deze getuige heeft verklaard dat zij verdachte al heel lang kende, omdat hij in het dorp was geboren.(569). Hij was een jonge man en zijn broer Ruzindana was getrouwd. De getuige weet echter niet de achternaam van verdachte.(570)

177. Met betrekking tot de familie van verdachte heeft deze getuige onder meer gesproken over zijn broer Obed Ruzindana, zijn zus [variant naam F3] en het kind van die zus: [F10].(571) Als opa respectievelijk oma van [F10] (en dus als ouders van verdachte) noemt deze getuige Murakaza en [F1]. Over Murakaza en [F1] heeft de getuige verder nog verklaard dat zij vast zaten in de gevangenis, omdat zij beschuldigd werden van deelname aan de genocide. Deze getuige heeft verder nog verklaard dat [F1] naar het buitenland is gegaan en dat Murakaza is overleden, nadat hij was vrijgelaten.(572)

178. Ter terechtzitting van 17 oktober 2008 heeft verdachte desgevraagd verklaard dat hij deze getuige niet kent.

179. Deze getuige heeft verklaard dat zij weet dat haar man [getuige 7] ongeveer twee of drie keer is opgehaald door een man van het Parquet Général. [Getuige 7] heeft haar echter niet verteld bij wie hij een verklaring af had gelegd.(573) Verder blijkt uit haar verklaring dat zij [getuige 15] kent(574) en dat zij iedereen in de buurt van gezicht kent, omdat ze elkaar vaak op de markt tegenkomen, maar niet van naam.(575)

180. Uit het dossier blijkt echter niet dat deze getuige inhoudelijk contact heeft gehad met de andere getuigen over de onderhavige zaak. Verder blijkt uit de verklaringen van deze getuige dat zij een duidelijk onderscheid kan maken tussen wat zij heeft gezien en wat zij van anderen heeft gehoord.(576)

181. Van enige betrokkenheid van deze getuige bij dit tenlastegelegd feit is niet gebleken.

182. De rechtbank onderkent dat de verdwijning van haar man [getuige 7] deze getuige een mogelijk motief zou kunnen geven om een voor verdachte belastende verklaring af te leggen. Daarnaast geldt dat deze getuige bij de Nationale Recherche het volgende heeft verklaard:

"Joseph heeft wel eens slechte dingen gedaan tijdens de genocide want hij was altijd samen met zijn broer Obed dus dat betekent dat Joseph ook schuldig is."(577)

183. Mitsdien valt niet uit te sluiten dat de getuige een mogelijk motief heeft om in strijd met de waarheid een voor verdachte belastende verklaring af te leggen. Bovendien zou uit bovengenoemd citaat afgeleid kunnen worden dat de getuige verdachte alleen al vanwege zijn familieband met Obed Ruzindana schuldig acht.

184. Uit de verklaringen van de getuige blijkt echter dat zij ook heeft verklaard dat zij verdachte nooit iets heeft zien doen.(578) Ook heeft zij met betrekking tot het ambulance-incident verklaard wat zij heeft gezien en daarbij duidelijk heeft aangegeven dat zij verdachte niet heeft gezien ten tijde van het vermoorden van de inzittenden.

185. De rechtbank is derhalve van oordeel dat er in de persoon van de getuigen geen aanleiding te vinden is om aan haar geloofwaardigheid te twijfelen. Zij neemt hiertoe mee in aanmerking dat de getuige, ondanks een mogelijk motief om, in strijd met de waarheid, een voor verdachte belastende verklaring af te leggen, heeft verklaard dat zij verdachte niet heeft gezien ten tijde van het vermoorden van de inzittenden van de ambulance.

Ad II: De totstandkoming van de verklaring

186. Er zijn geen aanwijzingen dat zich voor wat betreft de totstandkoming van de getuigenis ten tijde van de verhoren, omstandigheden hebben voorgedaan die van invloed kunnen zijn geweest op de betrouwbaarheid van de inhoud van de verklaringen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om dit punt nader te bespreken.

Betrouwbaarheid van de verklaring in objectieve zin

187. Met betrekking tot de inhoud van de verklaring van deze getuige ziet de rechtbank geen aanleiding om de in het toetsingskader onder III en VII genoemde punten (respectievelijk toetsing aan objectieve, van elders verkregen gegevens en de plausibiliteit van de inhoud van de afgelegde verklaring) uitdrukkelijk te bespreken.

Ad IV: de consistentie van opeenvolgende, door deze getuige afgelegde verklaringen

188. Nu deze getuige twee keer door Nationale Recherche is gehoord en het eerste verhoor zich richtte op de verdwijning van [getuige 7] kan de consistentie van opeenvolgende verklaringen niet worden onderzocht. Zoals hiervoor is vermeld in paragraaf 77 ziet de rechtbank in de enkele omstandigheid dat de getuige niet ook is ondervraagd in aanwezigheid van de verdediging geen aanleiding om deze verklaring van het bewijs uit te sluiten.

Ad V: De kwaliteit van de herkenning van verdachte door [getuige 29]

189. Omdat deze getuige heeft verklaard dat zij verdachte niet gezien heeft ten tijde van de moord op de inzittenden, bestaat er geen aanleiding om de toetsing van de kwaliteit van de herkenning van verdachte door deze getuige te bespreken.

Ad VI: overeenstemming van de verklaring van deze getuige met hetgeen andere getuigen stellen

190. De rechtbank zal, gelet op de aard van deze toets en de samenhang met de beoordeling van de overige getuigenverklaringen, dit punt hierna in de paragrafen 202 tot en met 239 bespreken.

Overige zich in het dossier bevinden getuigenverklaringen

191. Zoals hiervoor al is vermeld hebben [getuige 17], [getuige 28], [getuige 16], [getuige 21], [getuige 26], [getuige 9], [getuige 20], [getuige 31], [getuige 32], [getuige 35] en [getuige 33] ook verklaringen afgelegd over dit tenlastegelegde feit. De rechtbank voltstaat op dit moment met het kort noemen van deze verklaringen.

[Getuige 17]

192. In de verklaringen van deze getuige zijn veel opmerkelijke verschillen aan te wijzen. Dit geldt zowel voor de consistentie van zijn opeenvolgende verklaringen(579) als ten aanzien van de overeenstemming van die verklaringen met hetgeen andere getuigen stellen.(580) Daarnaast geldt dat deze verklaringen op sommige punten innerlijk tegenstrijdig en/of op onderdelen weinig plausibel(581) zijn. Bovendien zien deze punten regelmatig op aspecten die dragend zouden kunnen zijn voor het bewijs. Deze punten roepen dan ook grote vraagtekens op bij de rechtbank ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van deze getuige.

[Getuige 28]

193. Met betrekking tot de verklaringen van deze getuige over dit feit geldt dat hij slechts delen heeft gezien en overige punten heeft gehoord van anderen, terwijl zijn verklaringen op weer andere punten moeilijk te begrijpen zijn.(582)

De auditu getuigen

194. De overige getuigen à charge betreffen [getuige 16], [getuige 21], [getuige 26], [getuige 9] en [getuige 20]. Dit zijn allen getuigen die geen eigen wetenschap omtrent dit feit hebben en slechts hebben verklaard over hetgeen zij van anderen hebben gehoord. De rechtbank ziet hierin aanleiding om op dit moment deze verklaringen niet uitdrukkelijk te bespreken.

Getuigen à décharge

[Getuige 31]

195. Getuige [getuige 31] heeft (kort gezegd) verklaard dat hij in Birogo was op het moment dat een ambulance door rijkspolitieagenten werd omgeleid. Op bevel van die rijkspolitieagenten is de ambulance begeleid door een groep mensen waaronder de getuige.(583) De getuige had op dat moment geen enkel idee van de etniciteit van de inzittenden. Gedurende de rit van Birogo naar Mugonero zongen de mensen die met de ambulance meeliepen "Alleluia, Alleluia".(584) Eenmaal bij de slagboom in Mugonero zag de getuige dat de inzittenden uit de ambulance werden gehaald, waarna hij is weggelopen. Een paar minuten later hoorde hij schoten en is hij weggevlucht. Tijdens zijn vlucht kwam hij langs de woning van verdachte die daar hij daar zag zitten. De getuige heeft verdachte kort verteld wat er was gebeurd waarna hij naar zijn eigen woning is gegaan.(585)

[Getuige 32]

196. Deze getuige heeft verklaard dat hij op de hoogte is van het incident van 13 april 1994 met een ambulance. Hij heeft gezegd dat hij die dag zijn dorst leste in gezelschap van verdachte, toen zij schoten hoorden. Van mensen die toen wegvluchtten, hoorden zij dat de rijkspolitieagenten met geweren op personen, die in een ambulance werden vervoerd, hadden geschoten. De getuige heeft niets gehoord over de etniciteit van de inzittenden van de ambulance.(586)

[Getuige 35]

197. Deze getuige heeft verklaard dat hij werkzaam was als gendarme. Op de dag van deze gebeurtenis was hij in Birogo op zijn post toen zijn chef hem de opdracht gaf om de ambulance om te leiden naar Mugonero om het winkelcentrum in Kibongo te beveiligen.(587) Op de vraag of de inzittenden Hutu's of Tutsi's waren heeft de getuige geantwoord dat hij daar niet op heeft gelet. Voor hem was het niet belangrijk; hij deed zijn werk.(588) Volgens deze getuige zijn de inzittenden van de ambulance niet vermoord. Daarnaast heeft de getuige verklaard dat hij al de tijd dat hij in Birogo was verdachte niet heeft gezien.(589)

198. Deze getuige heeft verder verklaard dat er een aantal mensen met de ambulance mee zijn gelopen. Het waren voetgangers die van de chauffeur van de ambulance niet mochten instappen om mee te rijden. Die voetgangers zijn daarop lopend verder te gegaan om inkopen te doen in Mugonero. Deze mensen zongen terwijl zij meeliepen met de ambulance.(590)

[Getuige 33]

199. Deze getuige heeft verklaard dat hij de ambulance op de marktdag bij de slagboom in Mugonero heeft gezien. Omdat er veel mensen bij die wegversperring waren en zij veel lawaai maakten, is de getuige gaan kijken. Hij zag vervolgens dat de gendarmes de inzittenden lieten uitstappen en hen in een rij lieten staan. Vervolgens hebben de militairen de inzittenden omsingeld en meegenomen de bosjes in, waarna de getuigen geweerschoten hoorde.(591)

200. Over verdachte heeft deze getuige verklaard dat hij verdachte die bewuste dag heeft gezien. De eerste keer die dag was bij de winkel van de familie van verdachte ongeveer 40 minuten voordat de ambulance arriveerde. Nadat de getuige de geweerschoten hoorde, is hij in de richting van de markt gelopen en daar zag hij verdachte opnieuw. Bij de slagboom heeft hij verdachte niet gezien.(592)

Beoordeling van de tenlastelegging

201. Nu alle mogelijke zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen (al dan niet zeer) kort zijn besproken, zal de rechtbank op dit moment de belangrijkste (oog)getuigenverklaringen van [getuige 1], [getuige 2], [getuige 15], [getuige 7] en [getuige 29] toetsen aan de hand van het in het toetsingskader onder VI genoemde aandachtspunt van overeenstemming van de verklaringen van de getuigen met hetgeen andere getuigen hebben verklaard. De rechtbank zal zich hierbij beperken tot de meest in het oog springende verschillen en zal later in de paragrafen 225 tot en met 239 conclusies aan deze verschillen verbinden en in de paragrafen 256 tot en met 260 aangeven wat op grond van deze verklaringen wel of niet wettig en overtuigend bewezen is.

Ad VI De overeenstemming van de verklaringen van de getuigen met hetgeen andere getuigen hebben verklaard

202. De belangrijkste verschillen in de verklaringen van genoemde getuigen betreffen kort gezegd:

a) datum van het incident

b) het aantal inzittenden van de ambulance;

c) de barricade in Birogo;

d) omsingeling van de ambulance door andere auto's;

e) het al dan niet aanwezig zijn van verdachte bij de slagboom in Mugonero nog voor de ambulance daar arriveerde

f) het al dan niet aanwezig zijn van verdachte op het moment dat de inzittenden van de ambulance werden vermoord.

Ad a: datum waarop het incident zou hebben plaatsgevonden

203. [Getuige 1] heeft verklaard dat dit incident op 13 april 1994 heeft plaatsgevonden.(593) [Getuige 2] heeft gezegd dat zij denkt dat het ongeveer één week na 6 april 1994 zal zijn geweest.(594) [Getuige 7] heeft in zijn verhoor als datum de maandag na de woensdag dat het vliegtuig van de president neerstortte genoemd.(595) De vrouw van [getuige 7], [getuige 29] heeft in haar verhoor geen datum genoemd.

204. Zoals hiervoor in paragraaf 34 is vermeld, weet getuige [getuige 15] de datum waarop dit incident heeft plaatsgevonden niet meer. Hij denkt dat het rond mei 1994 was, al weet hij dit niet zeker.(596)

Ad b: het aantal inzittenden van de ambulance

205. Zoals hiervoor in paragraaf 12 staat vermeld heeft [getuige 1] verklaard dat de volgende personen in de ambulance zaten: de families van Gerard Muhutu en Anaclet Munyanziza:(597) Dativa en Brigitte met hun kinderen(598) en een meisje van zeven à acht jaar oud. De vader van dit meisje heette [B5](599) en het meisje leek op de dochter van burgermeester Furere.(600) Verder zat brigadier [B12] in de ambulance.(601)

206. [Getuige 2] (wiens vader zoals hiervoor al is vermeld [B5] is) heeft verklaard dat de volgende personen in de ambulance zaten: Dativa met haar kinderen; de jongere zus van Dativa, genaamd Pascasi met bijnaam Nyiraamwamira; Brigitte met haar kinderen. Van de kinderen van Dativa en Brigitte heeft zij de volgende (bij)namen genoemd Jagwar, Kinuma, Thea en Claire. Verder zaten zijzelf en Caritas nog in de ambulance. [Getuige 1] was de bestuurder(602) en ook brigadier [B12] reed mee. Nog voor de ambulance in Birogo aankwam, zijn Caritas en de brigadier uitgestapt.(603)

207. [Getuige 15] heeft daarentegen gezegd dat er in Mugonero ongeveer 20 mensen uit de ambulance werden gehaald en dat dit mannen, vrouwen en kinderen waren.(604) Over wie er in de ambulance zaten heeft hij verklaard dat hij, op 'de dochter van Abeli Furere'(605) na, geen van de inzittenden kende(606). Wel wist hij dat [getuige 1] de ambulance bestuurde.(607)

208. [Getuige 7] heeft in zijn verhoren bij de Nationale Recherche niet expliciet gesproken over wie er in de ambulance zaten, al heeft hij wel verklaard dat de chauffeur en een meisje van zeven jaar oud, 'de dochter van Abel Furere' het incident hebben overleefd.(608) In zijn verhoor bij het Parquet Général in Rwanda heeft hij gezegd dat in de ambulance in ieder geval de chauffeur [getuige 1] en de vrouw van Gerard en haar kind zaten.(609)

209. [Getuige 29] heeft verklaard dat zij de inzittenden van de ambulance niet heeft gezien. Nadat zij vermoord waren heeft zij wel hun lichamen gezien. Het waren de lichamen van vrouwen en hun kinderen(610) en zij denkt dat zij daar de kinderen van Gerard Muhutu heeft zien liggen, maar dat zij dit niet zeker weet. Zij heeft in ieder geval wel gehoord dat zijn vrouw en kinderen in de ambulance zaten.(611)

Ad c: de barricade in Birogo

210. Zoals hiervoor weergegeven heeft getuige [getuige 1] verklaard dat hij in Birogo is tegengehouden, omdat de weg geblokkeerd werd door de auto van Ruzindana, die werd bestuurd door verdachte.

211. Daarentegen heeft [getuige 2] verklaard dat er in Birogo sprake was een wegversperring, een barricade. Deze barricade heeft zij bij de rechter-commissaris omschreven als twee verticale bomen met daarop een horizontale boom. Over deze barricade heeft zij verder nog gezegd dat je hier niet mocht oversteken zonder controle en dat bij deze barricade ook Interahamwe stonden. Iedereen werd gecontroleerd en gefouilleerd.(612)

212. Bij de Nationale Recherche heeft zij over deze barricade verder nog verklaard dat de inzittenden van de ambulance, nog voor zij bij de bewuste slagboom in Birogo waren, bang waren dat zij daar bij die slagboom tegen zouden worden gehouden. De getuige wist dat die slagboom daar was, zij had dat van andere mensen gehoord. Die andere mensen hadden geprobeerd te vluchten maar kwamen niet voorbij deze slagboom en zijn daarom teruggekomen naar het ziekenhuis, kerkcomplex in Kibingo.(613)

213. Geen van de overige over dit incident gehoorde getuigen heeft melding gemaakt van een barricade in Birogo, al spreekt getuige [getuige 35] wel over een post in Birogo waar hij als gendarme aan het werk was.(614)

Ad d: omsingeling van de ambulance door andere auto's

214. Zoals hiervoor is vermeld heeft getuige [getuige 1] verklaard dat de ambulance op de weg van Birogo naar Mugonero werd omsingeld en omsingeld gehouden door een groep mensen die met de ambulance meeliep.

215. Getuige [getuige 2] heeft gezegd dat de ambulance werd begeleid door auto's die zowel voor als achter de ambulance uit respectievelijk aan reden.

216. Geen van de overige over dit incident gehoorde getuigen hebben verklaard over het omsingeld zijn van de ambulance door auto's. De getuigen [getuige 31] en [getuige 35] hebben, zoals hiervoor is vermeld, wel verklaard dat de ambulance werd omsingeld door voetgangers.

Ad e: het al dan niet aanwezig zijn van verdachte bij de slagboom in Mugonero nog voor de ambulance daar arriveerde

217. Zoals hiervoor in paragraaf 16 en 17 staat weergegeven heeft getuige [getuige 1] verklaard dat hij in Mugonero kort voor de slagboom werd tegengehouden door militairen en dat verdachte later aankwam rijden.(615)

218. [Getuige 2] daarentegen heeft, zoals hiervoor in paragraaf 23 is vermeld, verklaard dat verdachte voor de ambulance uitreed en al in Mugonero aanwezig was toen de ambulance aankwam rijden.(616) Zij heeft niets gezegd over wie de ambulance tot stoppen heeft gedwongen.

219. Getuige [getuige 15] heeft hierover niets verklaard; hij is komen aanlopen op het moment dat de ambulance al in Mugonero was gearriveerd.

220. Getuige [getuige 7] heeft hierover, zoals in paragraaf 36 is weergegeven, opgemerkt dat hij heeft gezien dat toen de ambulance aankwam bij de slagboom, verdachte daar al stond en de ambulance tegenhield.(617)

221. Getuige [getuige 29] ten slotte heeft hierover gezegd dat zij, op het moment dat de ambulance om was gekeerd en op weg was naar Mugonero, heeft gezien dat verdachte samen met zijn broer, militairen en andere mensen achter de ambulance aanreed.(618)

Ad f: het al dan niet aanwezig zijn van verdachte op het moment dat de inzittenden van de ambulance werden vermoord

222. Uit het verhoor van [getuige 29] blijkt dat zij verdachte niet heeft op het moment dat de inzittenden van de ambulance op de dierenmarkt werden vermoord.(619) In deze zin is de verklaring van deze getuige verschillend ten opzichte van de overige zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. Hierbij verdient wel opmerking dat zij heeft aangegeven dat zij niet precies kon zien hoe de mensen werden vermoord omdat er veel mensen uit het dorp omheen stonden te kijken.(620)

Algemene overwegingen ten aanzien van verschillen in de verklaringen van getuigen onderling

223. De rechtbank is van oordeel dat kritisch gekeken dient te worden naar verschillen in de verklaringen van getuigen. Ook hier geldt echter dat verschillen tussen verklaringen kunnen voortkomen uit de wijze van verhoor, het verstrijken van de tijd, de chaotische aard van de gebeurtenis waarbij de getuige ernstig voor zijn of haar leven heeft moeten vrezen, de emoties die teweeg worden gebracht door de herinnering aan deze voor de getuige dramatische gebeurtenis, dan wel een vergissing van de getuige of een andere procesdeelnemer. Bovendien blijkt uit de verklaringen dat iedere getuige slechts een deel van de gebeurtenissen heeft kunnen waarnemen. Zicht op het totaalbeeld ontstaat eerst, indien de verschillende verklaringen in onderlinge samenhang worden bezien.

224. De rechtbank is dan ook van oordeel dat andere, dan de hiervoor besproken verschillen (in zowel de verklaringen die één en dezelfde getuige heeft afgelegd, als tussen de verschillen tussen de verklaringen van getuigen onderling) geen bespreking behoeven.

Overwegingen met betrekking tot deze verschillen

Ad a: datum waarop het incident zou hebben plaatsgevonden

225. Gelet op de hiervoor weergegeven getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2], welke verklaringen ondersteund worden door de verklaring van [getuige 7], is de rechtbank van oordeel dat de pleegdatum van dit incident op of omstreeks 13 april 1994 moet zijn geweest.

226. De andersluidende verklaring van getuige [getuige 15] legt de rechtbank ten aanzien van dit punt dan ook terzijde. De getuige heeft in zijn verhoor al duidelijk te kennen heeft gegeven dat hij niet meer wist wanneer dit incident heeft plaatsgevonden. Dit verschil is zeer goed te herleiden tot geheugenonvastheid teweeggebracht door het aanmerkelijke tijdsverloop.

Ad b: het aantal inzittenden van de ambulance

227. De verklaringen van de getuigen verschillen, zoals hiervoor in de paragrafen 205 tot en met 209 is vermeld, ten aanzien van het aantal inzittenden. De verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2], die zelf ook in de ambulance hebben gezeten, komen overeen voor wat betreft Dativa met haar kinderen, Brigitte met haar kinderen, de brigadier en hun eigen aanwezigheid. Verder stemmen deze verklaringen overeen op het punt dat de brigadier niet meer in de ambulance zat toen deze in Mugonero arriveerde.

228. Ook uit de verklaringen van [getuige 7] en [getuige 29] blijkt dat in ieder geval de vrouw van Gerard Muhutu en haar kind in de ambulance hebben gezeten.

229. Gelet op deze verklaringen is de rechtbank van oordeel dat vaststaat dat de ambulance werd bestuurd door [getuige 1] en dat op het moment dat de ambulance in Mugonero arriveerde deze in ieder geval de volgende personen vervoerde: [getuige 2], Dativa (de vrouw van Gerard Muhutu) en haar kinderen, Brigitte (de vrouw van Anaclet Munyanziza) en haar kinderen. Gelet op de verklaring van [getuige 2] zaten er tenminste vier kinderen in de ambulance.

230. De rechtbank legt de verklaring van [getuige 15] over 20 inzittenden waaronder mannen, dan ook naast zich neer. Dit betekent echter niet dat de rechtbank alleen hierom alle overige onderdelen van zijn verklaringen ter zijde zal leggen.

Ad c: de barricade in Birogo

231. Alleen [getuige 2] heeft melding gemaakt van een barricade in Birogo. [Getuige 1] heeft verklaard dat hij is klemgereden door een auto die werd bestuurd door verdachte. Nu [getuige 1] als chauffeur een beter zicht moet hebben gehad op de weg voor hem dan één van de inzittenden, gaat de rechtbank op dit punt uit van de verklaring van [getuige 1]. De rechtbank legt de verklaring van [getuige 2] op dit punt dan ook terzijde.

232. De rechtbank hecht er aan om te benadrukken dat zij niet van oordeel is dat de verklaringen van deze getuige niet betrouwbaar zijn. Zeker nu deze verschillen zeer goed verklaard kunnen worden door de falende herinnering veroorzaakt door het verstrijken van de tijd, een vergissing van de getuige of een andere procesdeelnemer of de chaotische aard van de aanval en de emoties die teweeg worden gebracht door de herinnering aan deze gebeurtenissen.

Ad d: omsingeling van de ambulance door andere auto's

233. Gelet op de hiervoor weergegeven getuigenverklaringen is de rechtbank van oordeel dat vanaf Birogo in ieder geval de auto die verdachte bestuurde voor dan wel achter de ambulance moet hebben gereden. De verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] over omsingeld zijn door auto's dan wel voetgangers spreken elkaar op dit punt dan ook niet noodzakelijkerwijs tegen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat gelet op de verklaring van [getuige 1] die als chauffeur een goed zicht moet hebben gehad op de weg, de ambulance ook omsingeld is door voetgangers.

Ad e: het al dan niet aanwezig zijn van verdachte bij de slagboom in Mugonero nog voor de ambulance daar arriveerde

234. Zoals hiervoor is vermeld in de paragrafen 217 tot en met 221 hebben [getuige 1] en [getuige 29] verklaard dat verdachte vanaf Birogo achter de ambulance aanreed. De getuigen [getuige 2] en [getuige 7] daarentegen hebben verklaard dat verdachte al in Mugonero bij de slagboom stond nog voor de ambulance daar aankwam. [Getuige 15] ten slotte heeft hierover niets verklaard.

235. Gelet op deze tegenstrijdigheden is de rechtbank van oordeel dat niet onomstotelijk vast kan worden gesteld of verdachte al bij de slagboom aanwezig was nog voor de ambulance in Mugonero arriveerde.

236. Zoals hiervoor in hoofdstuk 7 (De wegversperring in Mugonero, paragraaf 34) is overwogen is vast komen te staan dat verdachte bij deze, door hemzelf en zijn broer opgerichte, slagboom een leidinggevende rol vervulde. Voorts blijkt uit de verklaring van [getuige 2] dat de Interahamwe hebben gezegd dat zij in opdracht van verdachte en zijn broer op zoek waren naar de inzittenden van de ambulance en zij de opdracht hadden gekregen om als zij de inzittenden aantroffen hen naar Mugonero te brengen.

237. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat, ook indien verdachte nog niet aanwezig was bij de slagboom, er sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en de bij de slagboom aanwezige mensen die de ambulance daadwerkelijk hebben tegengehouden. De vraag of verdachte zelf de (overigens niet in de tenlastelegging genoemde) handeling van het tegenhouden van de ambulance heeft verricht, is in die zin dan ook niet relevant. Zelfs als verdachte niet rechtstreeks deel zou hebben genomen aan het tegenhouden van de ambulance in Mugonero is dat tegenhouden in verband te brengen met de opdrachten die hij eerder heeft gegeven en dus met de nauwe en bewuste samenwerking.

Ad f: het al dan niet aanwezig zijn van verdachte op het moment dat de inzittenden van de ambulance werden vermoord

238. Zoals hiervoor is vermeld, heeft [getuige 29] verklaard dat zij verdachte niet heeft gezien op het moment dat de inzittenden van de ambulance op de dierenmarkt werden vermoord. Zij heeft hierbij wel opgemerkt dat zij niet precies kon zien hoe de mensen werden vermoord, omdat er veel mensen uit het dorp omheen stonden te kijken.

239. Naar het oordeel van de rechtbank is de verklaring van deze getuige dan ook niet tegenstrijdig met de overige bewijsmiddelen. Immers, uit de verklaring van deze getuige blijkt slechts dat zij verdachte niet heeft gezien. Hieruit kan en mag niet afgeleid worden dat verdachte niet aanwezig is geweest bij de slagboom in Mugonero en het vermoorden van de inzittenden.

Algemene overwegingen ten aanzien van getuigen die de verdediging niet heeft ondervraagd

240. Zoals hiervoor in de paragrafen 60, 63 en 72 is vermeld heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaringen van [getuige 7] en [getuige 15] van het bewijs uitgesloten dienen te worden, terwijl de verklaring van [getuige 29] niet tot het bewijs kan worden gebezigd. Voor zover de raadsman hiermee een beroep heeft willen doen op het bepaalde in artikel 6 EVRM overweegt de rechtbank het volgende.

241. Voor zover de raadsman hiermee een beroep heeft willen doen op het bepaalde in artikel 6 EVRM heeft de rechtbank in de paragrafen 73 tot en met 77 al vermeld dat, indien de verdachte of zijn raadsman niet in de gelegenheid is geweest om een getuige te ondervragen, artikel 6 EVRM niet te allen tijde aan het gebruik tot het bewijs van de door deze getuige afgelegde verklaring in de weg staat. De rechtbank heeft dan ook op voorhand geen aanleiding gezien deze verklaringen van het bewijs uit te sluiten.

242. De rechtbank heeft hierbij opgemerkt dat hoewel het EHRM de procedure in zijn geheel beoordeelt, factoren die van belang zijn bij de beoordeling van de vraag of er sprake is geweest van een eerlijk proces onder meer de volgende zijn:

o de aanwezigheid van ander - de getuigenverklaring ondersteunend - bewijsmateriaal;

o de mogelijkheid voor de verdachte om op andere wijze de betrouwbaarheid van de getuige en/of de juistheid van diens verklaring te toetsen;

o de inzet van de justitiële autoriteiten bij de pogingen om de getuige te (doen) ondervragen door de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot de getuigen [getuige 15] en [getuige 7]

243. Door de verdwijning van de getuigen [getuige 15] en [getuige 7] hebben het Openbaar Ministerie en de verdediging in geen enkel stadium van de procedure gelegenheid gehad om deze getuigen te (doen) ondervragen. De stelling van de raadsman, dat zowel de rechter-commissaris als het Openbaar Ministerie nalatig zijn geweest in haar/zijn pogingen de getuigen te traceren, mist feitelijke grondslag: deze getuigen zijn op enig moment onvindbaar gebleken.

244. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de (justitiële) autoriteiten niet nalatig zijn geweest in hun pogingen om deze getuigen te (doen) horen. Voorts vinden de verklaringen van deze getuigen, zoals uit het vorenstaande blijkt, in belangrijke mate steun in andere bewijsmiddelen. Artikel 6 EVRM staat er dan ook niet aan in de weg de door deze getuigen afgelegde verklaringen tot het bewijs te bezigen. Het verweer van de raadsman tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van [getuige 15] en [getuige 7] wordt dan ook verworpen.

Overwegingen met betrekking tot getuige [getioge 29]:

245. Zoals uit hetgeen hiervoor in paragraaf 75 is vermeld al blijkt, geldt dat de verklaring van een getuige die niet door de verdediging is ondervraagd zonder schending van artikel 6 EVRM tot het bewijs kan worden gebezigd, indien de verdediging op geen enkel moment om het horen van de getuige heeft verzocht en de verklaring van die getuige in belangrijke mate steun vindt in ander bewijsmateriaal.

246. De rechtbank stelt voorop dat de verdediging op geen enkel moment in de procedure heeft verzocht om deze getuige te (doen) horen door de rechter-commissaris. Nu voorts de verklaring van getuige [getuige 29] in belangrijke mate steun vindt in andere bewijsmiddelen staat niets aan het gebruik van deze verklaring in de weg. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

Overwegingen ten aanzien van de overige getuigen verklaringen

247. Zoals hiervoor is vermeld, is de rechtbank van oordeel dat verschillen in de verklaringen van [getuige 17] grote vraagtekens oproepen met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van deze getuige. In navolging van de uitspraak van het gerechtshof alhier in de zaak [K.] is de rechtbank van oordeel dat het op zijn minst genomen riskant is om van de getuige die er op bepaalde punten aantoonbaar 'naast' zit, op andere onderdelen aan zijn verklaring wel geloof te hechten. Voorts onderschrijft de rechtbank het door het gerechtshof in diezelfde zaak gegeven oordeel dat het niet mogelijk kan zijn om hetgeen getuigen tegenstrijdig, onmogelijk of anderszins weinig plausibel hebben verklaard te negeren en uit de verklaringen uiterst selectief andere onderdelen wel tot (steun)bewijs te bezigen. De rechtbank zal de verklaringen van deze getuige dan ook niet tot het bewijs van het tenlastegelegde bezigen. De rechtbank hecht er wel aan te benadrukken dat zij - niettegenstaande het vorenstaande - uitdrukkelijk afstand neemt van de stelling van de raadsman dat deze getuige aangemerkt dient te worden als een fantast die op zeer doorzichtige wijze verdachte probeert te belasten.

248. Ten aanzien van de verklaringen van getuige [getuige 28] heeft de rechtbank reeds gesteld dat daarin opmerkelijke verschillen zijn aan te wijzen en dat deze getuige slechts delen van het tenlastegelegde feit heeft gezien en overige punten heeft gehoord van anderen. Gelet hierop zal de rechtbank de verklaringen van deze getuige niet tot het bewijs van dit tenlastegelegde feit bezigen.

249. Zoals hiervoor al vermeld over de overige getuigen à charge zijn dit allen getuigen die geen eigen wetenschap hebben over dit feit en slechts hebben verklaard over hetgeen zij van anderen hebben gehoord.

250. Hoewel geen rechtsregel aan het tot het bewijs bezigen van deze verklaringen in de weg staat, zal de rechtbank, in navolging van het Openbaar Ministerie bij het onderbouwen van zijn vordering, deze verklaringen niet tot het bewijs van het tenlastegelegde bezigen.

251. De rechtbank is gelet op hetgeen hiervoor al staat opgenomen in hoofdstuk 3 (Rwanda) over de achtergronden van Rwanda en het verloop van de genocide van oordeel dat de verklaringen van de getuigen à décharge [getuige 31] en [getuige 35] de gruwelijke realiteit van de genocide in Rwanda te ontkennen. Zo hebben beide getuigen verklaard dat zij geen weet hadden van de etniciteit van de inzittenden van de ambulance in welk verband [getuige 35] heeft gezegd dat hij als gendarme slechts zijn werk deed en dat de etniciteit niet van belang was en dat dat ook niet van belang was. De rechtbank acht deze verklaringen dan ook volstrekt ongeloofwaardig.

252. Ook de verklaring van [getuige 32] acht de rechtbank ongeloofwaardig. Hierbij wijst zij uitdrukkelijk op het ongeloofwaardige hetgeen deze getuige heeft gezegd over het kunnen herinneren van het wegbrengen van zijn bruidschat en het onbekend zijn van de etnische achtergrond van de inzittenden. Ten slotte heeft de rechtbank bij dit oordeel ook de omstandigheid betrokken dat de verklaring van deze getuige op een zeer essentieel punt (te weten het neerschieten van de inzittenden) niet overeenstemt met hetgeen andere getuigen stellen.

253. Ook de verklaring van [getuige 33] stemt op een zeer essentieel punt (te weten het neerschieten van de inzittenden) niet overeen met hetgeen andere getuigen stellen. Daarnaast heeft deze getuige bijvoorbeeld verklaard dat hij hoewel hij inwoner van Mugonero was ten tijde van de genocide, niets weet van het bloedbad van 16 april 1994 in het ziekenhuis van Mugonero. De rechtbank acht de verklaring van deze getuige dan ook ongeloofwaardig.

254. Gelet op het vorenstaande legt de rechtbank de verklaringen van deze getuigen à décharge dan ook terzijde.

255. De rechtbank ziet in het vorenstaaande aanleiding om de verklaringen van deze getuigen niet uitdrukkelijk te bespreken aan de hand van de in het toetsingskader geformuleerde aandachtspunten.

Afsluitende overwegingen

256. Op grond van de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2], welke verklaringen op onderdelen ondersteund worden door de verklaringen van [getuige 15], [getuige 7] en [getuige 29] is de rechtbank van oordeel dat na te noemen in de tenlastelegging opgenomen feitelijke handelingen wettig en overtuigend bewezen zijn. De onder primair en subsidiair tenlastegelegde feitelijke handelingen zijn echter taalkundig iets verschillend. Wel hebben zij een identieke strekking. Gelet hierop en nu dit losstaat van de hierna nog te beantwoorden vraag welke juridische kwalificatie aan deze feitelijkheden dient te worden verbonden, zal de rechtbank op dit punt slechts kort samengevat weergegeven welke feitelijke handelingen zij wettig en overtuigend bewezen acht. Gelet op het verschil tussen de primaire en subsidiaire variant is de rechtbank hierbij uitgegaan van de meest uitgebreide omschrijving van de feitelijkheden welke op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen zijn, zonder hierbij vooruit te lopen op de hierna te nemen beslissing.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

samen met anderen op omstreeks 13 april 1994 in Birogo respectievelijk Mugonero:

in Birogo een ambulance, waar [getuige 1], [getuige 2], Dativa (de vrouw van Gerard Muhutu) en haar kinderen en Brigitte (de vrouw van Anaclet Munyanziza) en haar kinderen in zaten tot stoppen heeft gedwongen. Vervolgens is de ambulance gedwongen om naar Mugonero te rijden, waarbij deze is omsingeld en omsingeld is gehouden, terwijl er ook dreigend op de buitenkant van de ambulance is geslagen. Daarnaast schreeuwden de mensen die de ambulance omsingelden en scholden zij ook met woorden als 'Inkotanyi'. In Mugonero aangekomen zijn de inzittenden gedwongen om uit te stappen waarbij dreigementen zijn geuit door te zeggen 'voordat de kakkerlakken gedood worden, moet eerst de chauffeur gedood worden' en 'We zijn blij dat we deze vrouwen hebben gevonden; we gaan deze mooie vrouwen in de open lucht vermoorden". De inzittenden van de ambulance zijn vervolgens gedwongen om op een rij te gaan staan, waarna Dativa (de vrouw van Gerard Muhutu) en haar kinderen en Brigitte (de vrouw van Anaclet Munyanziza) en haar kinderen zijn geslagen, neergehakt met machetes en/of knuppels. Tengevolge van dit slaan en neerhakken zijn Dativa (de vrouw van Gerard Muhutu) en haar kinderen en Brigitte (de vrouw van Anaclet Munyanziza) en haar kinderen overleden.

257. De rechtbank zal bij de uiteindelijke bewezenverklaring de in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten verbeteren, nu verdachte door deze verbeteringen niet in zijn verdediging is geschaad.

258. Met het Openbaar Ministerie is de rechtbank van oordeel dat de in de primair tenlastegelegde strafverzwarende omstandigheid dat [getuige 1] en [getuige 2] tengevolge van deze feitelijke handelingen (zwaar) lichamelijk letstel hebben bekomen niet wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht.

259. Voorts is de rechtbank met het Openbaar Ministerie van oordeel dat de zowel onder primair als subsidiair tenlastegelegde feitelijkheid van het werpen van één of meer geslagen, en neergehakte kinderen in het Kivumeer niet wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht. Ten slotte merkt de rechtbank in dit kader op dat de overige ten laste gelegde feitelijkheden (te weten het bij het primair tenlastegelegde onder het tweede gedachtestreepje en het bij het subsidiair tenlastegelegde onder het derde gedachtestreepje opgenomen verwijt van het tonen van wapens (vuurwapens, machetes en/of knuppels) tijdens de rit van Birogo naar Mugonero) evenmin wettig en overtuigend bewezen kunnen worden geacht.

260. Ten slotte merkt de rechtbank op dat het geen verdere motivering behoeft dat bovenomschreven feitelijke handelingen in de primair tenlastegelegde variant te kwalificeren zijn als aanslagen op het leven en/of doden en/of lichamelijke geweldplegingen/of verminking en/of wrede onmenselijke behandeling en/of marteling en/of bedreiging. Evenmin lijdt het enige twijfel dat bovenomschreven feitelijke handelingen in de subsidiair tenlastegelegde variant er toe hebben geleid dat de inzittenden aldus in een situatie zijn gebracht waarin zij langdurig voor hun leven en/of het leven van hun familie en/of vrienden en/of bekenden hebben moeten vrezen (zoals opgenomen na het zevende gedachtestreepje).

Hoofdstuk 10: De aanval op het Zevendedags Adventistencomplex

Ontstaan van de verdenking

1. Zoals hiervoor in hoofdstuk 5 is vermeld, heeft de Minister van Buitenlandse Zaken op 14 februari 2006 een individueel ambtsbericht over verdachte uitgebracht. In dit ambtsbericht staat vermeld: 'Vrijwel alle ondervraagde bronnen waren stellig over het feit dat betrokkene heeft deelgenomen aan de massamoord in Mugonero.'(621)

2. Mede naar aanleiding van dit ambtsbericht is het Landelijk Parket in overleg getreden met het Parquet Général in Rwanda. Uit dit overleg bleek dat de naam van verdachte al bekend was in een onderzoek van het Provinciale Parket van Cyangugu (het zogenoemde Cyangugu-dossier). Vervolgens heeft de officier van justitie op 14 juni 2006 een rechtshulpverzoek verzonden aan Rwanda. Na ontvangst van dit rechtshulpverzoek hebben de Rwandese autoriteiten op eigen initiatief nader onderzoek gedaan waarbij zij de getuigen uit het Cyangugu-dossier opnieuw hebben gehoord. Deze na 14 juni 2006 afgelegde getuigenverklaringen zijn ter beschikking gesteld aan de Nationale Recherche. Een aantal van deze getuigen heeft verdachte beschuldigd van betrokkenheid bij de aanval op het Zevendedags Adventistencomplex.(622) De Nationale Recherche heeft deze getuigen daarna ook gehoord waarop deze getuigen opnieuw hebben verklaard over de aanval op het Zevendedags Adventistencomplex en over de betrokkenheid van verdachte daarbij.(623) Daarnaast zijn ook de andere getuigen uit dit Cyangugu-dossier gehoord met betrekking tot andere feiten die verdachte zou hebben begaan. Eén daarvan heeft ook verklaard over voornoemde aanval en de rol van verdachte daarbij.(624)

Standpunt van het Openbaar Ministerie

3. Het Openbaar Ministerie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededaders de op het complex aanwezige ongewapende vluchtelingen heeft aangevallen, zwaar heeft verwond, heeft doodgeschoten, doodgeslagen en doodgehakt met vuurwapens, machetes, knuppels en granaten, zoals hem tenlaste is gelegd. Het Openbaar Ministerie heeft hiervoor verwezen naar de hierna nog te bespreken verklaringen van [getuige 24], [getuige 25], [getuige 10], [getuige 14], [getuige 22], [getuige 8] en [getuige 9].(625)

Standpunt van de raadsman

4. De verdediging heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van dit tenlastegelegde feit en daartoe - zoals nader uitgewerkt in de pleitnota - in de kern aangevoerd dat de getuigenverklaringen van [getuige 8], [getuige 10], [getuige 14], [getuige 25], [getuige 24], [getuige 9] en [getuige 22] onbetrouwbaar zijn en derhalve niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. De getuigenverklaringen bevatten onderling grote en zeer belangrijke verschillen. Verder hebben de getuigen in hun verschillende verklaringen (door de jaren heen) op belangrijke onderdelen niet consistent verklaard. In het bijzonder heeft de verdediging gewezen op het niet voorkomen van de naam van verdachte in eerder afgelegde verklaringen bij andere (internationale) gerechten.(626)

Het oordeel van de rechtbank

De aanval op het Zevendedags Adventistencomplex

5. Het Rwanda-tribunaal heeft in de uitspraken in de zaken Elizaphan en Gérard Ntakirutimana(627) en Mikaeli Muhimana(628) vastgesteld dat vele Tutsi's ernstig zijn mishandeld en vermoord door grote groepen Hutu's op zaterdag 16 april 1994 op het Zevendedags Adventistencomplex, in de buurt van Ngoma, commune van Gishyta, prefectuur Kibuye. De genoemde personen zijn door het Rwanda-tribunaal tot (levens)lange gevangenisstraffen veroordeeld voor onder meer hun betrokkenheid bij deze aanval.

6. Deze uitspraken van het Rwanda-tribunaal en de boeken van dr. A.L. Des Forges en Ph. Gourevitch schetsen het volgende beeld van deze aanval.(629)

7. Tutsi's uit de omgeving van Ngoma (West-Rwanda) zagen zich in de dagen die volgden op de dood van president Habayirima, op 6 april 1994, geconfronteerd met Hutu's die hun huizen in brand staken, hun vee stalen en Tutsi's vermoordden. Deze Tutsi's zijn op de vlucht geslagen om een veilig heenkomen te vinden. Van oudsher waren kerken en ziekenhuizen een toevluchtsoord voor Tutsi's in tijden waarin de spanningen tussen Hutu's en Tutsi's opliepen. Vele Tutsi's zijn na 6 april 1994 naar het Zevendedags Adventistencomplex bij Ngoma (en Mugonero) gevlucht. Op 9 april zijn de eerste vluchtelingen op het complex aangekomen. Hun aantal nam in de dagen daarop toe. Op donderdag 14 april 1994 hoorden de gevluchte Tutsi's dat een grote aanval op het complex werd voorbereid. Een zevental Tutsi-geestelijken heeft toen een wanhopige brief geschreven naar Elizaphan Ntakirutimana, directeur van het complex en dominee van de daarop gevestigde Zevendedags Adventistenkerk, met de vraag of hij iets voor de Tutsi's kon betekenen.(630) Het antwoord op deze smeekbede kwam op vrijdagavond en hield in dat hij hen niet kon helpen. Op zaterdag is in de ochtend de aanval begonnen. Hutu's, zowel burgers als interahamwe als gendarmes als militairen, hebben toen de gevluchte Tutsi's op het complex aangevallen. De aanval heeft de hele dag geduurd. Zeer veel Tutsi's hebben het leven gelaten en velen zijn gewond geraakt.(631)

8. Op het Zevendedags Adventistencomplex bevond zich onder andere een kerk, een middelbare school met slaapzalen (dortoirs genoemd) voor jongens en meisjes, een ziekenhuis met daarbij behorende gebouwen, het kantoor van de President van het complex, Elizaphan Ntakirutimana, een gebouw genaamd de Association en ook enkele woningen.(632) In één van deze woningen woonde dokter Gérard Ntakirutimana, de directeur van het ziekenhuis en zoon van voornoemde Elizaphan Ntakirutimana. Het ziekenhuis bestond uit twee verdiepingen: een begane grond met o.a. het kantoor van Gérard Ntakirutimana en een kelder die gedeeltelijk boven de grond uitkwam (een 'gedrukte parterre'). In deze kelder bevond zich o.a. een chirurgie-afdeling bestaande uit een aantal kamers. Deze twee verdiepingen waren met elkaar verbonden door middel van een trap. Op het complex is na de genocide in 1994 een memorial opgericht om de doden tijdens de genocide te gedenken. Verder is de school sinds 1994 uitgebreid met enkele gebouwen.

9. Het Zevendedags Adventistencomplex ligt in de buurt van de commune Ngoma. De plaats Mugonero, waar verdachte in 1994 woonde, ligt hemelsbreed minder dan 10 kilometer verwijderd van het complex.(633)

10. Het Zevendedags Adventistencomplex werd op verschillende manieren aangeduid, vaak ook onder verwijzing naar alleen het ziekenhuis of de kerk. Sommige getuigen hebben gesproken over het ziekenhuis Mugonero(634) of de Adventistenkerk Mugonero.(635) De getuige [getuige 9] heeft de locatie aangeduid als de (Adventisten)kerk van/in Ngoma en het kerkcomplex.(636) Deze getuige heeft verklaard dat aanvankelijk het ziekenhuis werd aangeduid met de toevoeging van Ngoma, omdat 'de kerk in Ngoma lag.' Hij heeft beschreven hoe dit kennelijk aanleiding heeft gegeven tot verwarring bij de postbezorging, omdat de post naar Goma in Zaïre werd gestuurd. Ngoma ligt in Mugonero volgens de getuige en derhalve is ervoor gekozen het ziekenhuis en de kerk aan te duiden met de toevoeging Mugonero.(637)

11. De commune Ngoma ligt dicht bij het Zevendedags Adventistencomplex. Ter terechtzitting d.d. 24 oktober 2008 heeft het Openbaar Ministerie een samenstelling van een drietal luchtfoto's overgelegd waaruit duidelijk de locatie van Ngoma blijkt ten opzichte van het Zevendedags Adventistencomplex. Het plein van Ngoma waar regelmatig een markt werd gehouden, wordt ook aangeduid met de naam Kabahinyuza.(638)

12. Het dossier bevat verklaringen van acht getuigen die zowel door de Nationale Recherche als door de rechter-commissaris zijn gehoord over de aanval. Vijf van hen - [getuige 8], [getuige 10], [getuige 25], [getuige 14], [getuige 24] - hebben beschreven hoe zij zijn aangevallen door de Hutu's. Al deze getuigen hebben eerder verklaringen afgelegd tegenover onderzoekers van het Rwanda-tribunaal, vier van hen zijn tevens als getuige gehoord ter terechtzitting van het Rwanda-tribunaal. Twee van deze vijf getuigen hebben ook verklaringen afgelegd in gerechtelijke procedures in de Verenigde Staten dan wel Canada. De getuigen [getuige 9], [getuige 22] en [getuige 12] hebben verklaard dat zij tot de aanvallers behoorden. Van deze getuigen bevinden zich in het dossier hun verklaringen bij de Nationale Recherche, de rechter-commissaris en de gacaca. Van de getuige [getuige 22] bevindt zich in het dossier ook nog een tegenover onderzoekers van het Rwanda-tribunaal afgelegde witness statement.(639)

13. De verklaringen van de slachtoffergetuigen houden in hoofdlijnen het volgende in. Veel Tutsi-burgers zijn gevlucht voor het genocidale geweld in de regio. Veel van hen hebben hun toevlucht gezocht op het Zevendedags Adventistencomplex. Maar ook daar bleken de Tutsi's niet veilig te zijn. Op zaterdag 16 april 1994 zijn de Tutsi's op het Zevendedags Adventistencomplex aangevallen door grote aantallen Hutu's. De getuigen hebben zowel Interahamwe(640), militairen(641) als burgers genoemd die tezamen de Tutsi's hebben aangevallen. De aanval is in de ochtend begonnen en heeft de hele dag geduurd totdat het donker werd. De getuigen hebben als wapens genoemd waarmee de aanvallers te werk gingen: vuurwapens, machetes, knuppels, handgranaten en traangas.(642) Met de vuurwapens werden Tutsi's neer- en doodgeschoten(643), met de machetes werden Tutsi's neergehakt en soms ook in stukjes gesneden(644), met knuppels werden Tutsi's geslagen(645) en handgranaten werden naar en tussen de Tutsi's gegooid. Aldus raakten veel Tutsi's (ernstig) gewond en/of vonden de dood.(646) Ook is traangas gegooid in kamers van het ziekenhuis waar zich mogelijk Tutsi's hadden verstopt met de bedoeling dat zij zich daardoor zouden verraden.(647) De Tutsi's hebben geprobeerd zich te verdedigen met stenen; andere wapens hadden zij niet.(648) Slachtoffers van de aanvallen op de Tutsi's die het hebben overleefd, hebben verklaard dat zij gedurende die dag gevreesd hebben voor hun eigen leven en dat van hun familie en vrienden en bekenden. In het merendeel van de gevallen is die angst werkelijkheid geworden. In een aantal gevallen hebben zij dan wel hun familie, hun vrienden en bekenden (zwaar) lichamelijk letsel opgelopen.(649)

14. Ook de verdachte heeft tegenover de Nationale Recherche en ter terechtzitting verklaard dat op het Mugonero-complex is gevochten 'in het begin van de oorlog'.(650) De rechtbank begrijpt verdachte aldus dat hij met deze tijdsaanduiding doelt op de periode kort na 6 april 1994.

De mogelijke betrokkenheid van verdachte bij de aanval

15. Verdachte heeft zowel in zijn verhoor bij de Nationale Recherche als ter terechtzitting ontkend dat hij op enigerlei wijze betrokken is geweest bij deze aanval.651 Ook heeft hij ontkend ooit een wapen te hebben gehad.(652)

16. De vijf slachtoffergetuigen hebben verdachte in hun verklaringen tegenover de Nationale Recherche en/of de rechter-commissaris aangewezen als één van de leiders van de aanval.(653) Zij allen hebben verdachte beschuldigd dat hij mensen heeft gedood(654) en dat hij op Tutsi's schoot met een vuurwapen.(655)

17. De aanvallers [getuige 22] en [getuige 9] hebben tegenover de Nationale Recherche verklaard dat verdachte één van de deelnemers van de aanval is geweest. [Getuige 22] heeft dit herhaald tegenover de rechter-commissaris. [Getuige 9] is ten overstaan van de rechter-commissaris teruggekomen op zijn eerdere verklaring. Ook [getuige 12] heeft tegenover de Nationale Recherche verklaard dat verdachte aan de aanval heeft meegedaan; wat hij daarvan weet, heeft hij echter van horen zeggen.(656) Tegenover de rechter-commissaris heeft hij verklaard dat zijn de verdachte belastende verklaring niet betrekking had op diens deelname aan deze aanval.(657)

Toetsing geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de getuigen

18. De rechtbank zal thans overgaan tot een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van deze getuigen, met uitzondering van die van [getuige 12], die immers heeft verklaard slechts te hebben gehoord over betrokkenheid van verdachte bij de aanval. De rechtbank hanteert hierbij het in hoofdstuk 6 (Waardering getuigenbewijs) genoemde toetsingskader.

19. Er zijn geen aanwijzingen dat zich bij de totstandkoming van de getuigenis omstandigheden hebben voorgedaan die van invloed kunnen zijn geweest op de betrouwbaarheid van de inhoud van de verklaringen (aandachtspunt II van het toetsingskader).

20. De rechtbank heeft de door de getuigen afgelegde verklaringen getoetst aan objectieve gegevens (aandachtspunt III van het toetsingskader) zoals die in het dossier zijn vervat in de vorm van foto's, beeldmateriaal van de schouw, plattegronden en metingen. Geen van de verklaringen bevat elementen die evident in strijd zijn met bijvoorbeeld de feitelijke situatie ten aanzien van de ligging van het complex en de gebouwen op het complex en de indeling van de kerk en het ziekenhuis. Deze toetsing van de getuigenverklaringen heeft de rechtbank derhalve geen aanleiding gegeven om op dit punt te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen.

21. Vanzelfsprekend hebben de getuigen gebeurtenissen beschreven die moeilijk zijn voor te stellen. Maar in de context van de genocide in Rwanda is er geen enkele reden om aan de (op zichzelf minder 'hard' vast te stellen) plausibiliteit van de verklaringen van de getuigen te twijfelen (aandachtspunt VII van het toetsingskader).

22. De rechtbank zal nu overgaan tot bespreking van aandachtspunt I.

Ad I: de persoon van de getuige

[Getuige 8]

23. De getuige [getuige 8] is geboren in 1966. Hij heeft verklaard Tutsi te zijn.(658) Ten tijde van de aanval op het Zevendedags Adventistencomplex woonde hij in Ngoma.(659) Hij was assistent-verpleegkundige (auxiliaire de santé) in het ziekenhuis van het Zevendedags Adventistencomplex.(660)

De getuige [getuige 10] heeft dit bevestigd.(661)

24. [Getuige 8] bevond zich ten tijde van de aanval op het complex, niet omdat hij op dat moment daar werkte, maar omdat hij daar naartoe was gevlucht, toen hij zag dat ook anderen naar het ziekenhuis vluchtten.(662) Hij is de enige overlevende van een familie van 16 personen.(663) Zijn broer is omgekomen in het ziekenhuis.(664) Hij heeft beschreven hoe hij zich had verstopt op de chirurgie-afdeling van het ziekenhuis tussen de slachtoffers die waren gedood; pas toen het donker was, kon hij wegvluchten.(665) De getuige [getuige 25] heeft bevestigd dat [getuige 8] zich in het ziekenhuis had verstopt, omdat zij zich beiden op enig moment in dezelfde kamer hebben bevonden.(666)

25. [Getuige 8] heeft verklaard dat hij verdachte kent vanaf het moment dat verdachte op de middelbare school zat. Zij voetbalden samen met andere jongens.(667) Zij waren geen vrienden maar soms ondernamen ze met dezelfde groep activiteiten.(668) Hij vertelde in de periode voor april 1994 wel eens in de winkel van verdachte en zijn familie zijn gekomen.(669)

26. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard deze getuige niet te kennen.(670)

27. De getuige heeft verklaard de getuige [getuige 10] te kennen sinds zij jong waren. Zij voetbalden indertijd samen en er was veel contact tussen de kinderen.(671) Ook na 1994 heeft hij nog goed contact op regelmatige basis met [getuige 10].(672) Hij kende ook [getuige 14] al van jongs af aan. Ook heeft hij verklaard dat hij nu deze getuige nog wel eens ziet. Ze wonen in dezelfde cellule, Ngoma.(673)

28. Getuige was ten tijde van het verhoor chauffeur, maar op dat moment zat hij zonder werk.(674)

29. De rechtbank ziet in de persoon van de getuige geen aanleiding om aan zijn geloofwaardigheid te twijfelen.

[Getuige 10]

30. De getuige [getuige 10] is geboren in 1973. Hij heeft verklaard Tutsi te zijn.(675) Ten tijde van de aanval op het Mugonero-complex was hij net klaar met zijn opleiding aan de technische school in Kibingo en door de oorlog kon hij niet werken en verbleef hij bij zijn ouders.(676) Samen met zijn ouders, zussen en jongere broers is hij naar het Zevendedags Adventistencomplex gevlucht.(677) Zijn hele familie is op het Mugonero-complex omgekomen met uitzondering van zijn vader die daar gewond is geraakt en later in Bisesero is overleden.(678)

31. Toen de Tutsi's in de ochtend werden aangevallen door Hutu's was de getuige samen met [getuige 8] en met nog twee andere getuigen die in dit dossier voorkomen: [getuige 25] en [getuige 24].(679) De getuige heeft zich verstopt in een kamer van het ziekenhuis samen met zijn vader. Bij zijn vlucht naar de kamer in het ziekenhuis heeft hij zich in het ziekenhuis onder de lichamen van gedode mensen verstopt.(680) In de avond is hij samen met zijn vader gevlucht.(681)

32. De getuige heeft verklaard verdachte te kennen, omdat hij bij de vader van verdachte boodschappen deed.(682)

33. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard deze getuige niet te kennen.(683)

34. De getuige heeft gezegd de getuige [getuige 8] te kennen. Hij heeft verklaard dat hij deze getuige kent van jongs af aan. Over [getuige 8] heeft hij verteld dat zij samen voetbalden.(684) Ook ten tijde van het verhoor (2006) bleken zij elkaar nog te zien, aangezien zij in dezelfde cellule wonen.(685)

35. [Getuige 10] was in 2006 landbouwer/veeteler.(686) Verder is hij coördinator van de celulle Kigarama (2008).(687)

36. De rechtbank ziet in de persoon van de getuige geen aanleiding om aan zijn geloofwaardigheid te twijfelen.

[Getuige 25]

37. De getuige [getuige 25] is geboren in 1959. Hij heeft verklaard Tutsi te zijn.(688) Hij was (en is nog steeds) gezondheidsmedewerker in het ziekenhuis van het Zevendedags Adventistencomplex.(689) Tijdens de genocide werkte hij als tuinman van dokter [B13].(690)

38. De getuige is met zijn familie gevlucht naar het Zevendedags Adventistencomplex, omdat in zijn dorp huizen werden verwoest en verbrand en mensen werden vermoord.(691) Hij heeft zijn zwangere vrouw, zijn twee kinderen en zijn hele familie verloren in de "oorlog".(692) Zijn broer is doodgeschoten in het ziekenhuis van het Zevendedags Adventistencomplex.(693)

39. De getuige heeft verklaard verdachte te kennen sinds deze op de basisschool zat. Hij zag hem vaak voor de genocide in 1994 bij het ziekenhuis van Ngoma (Adventistencomplex) en hij zag hem ook vaak in Mugonero.(694)

40. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard deze getuige niet te kennen.(695)

41. De getuige heeft verklaard dat hij ten tijde van de aanval op het Mugonero-complex zowel [getuige 8] als [getuige 10] kende.(696) Ook heeft hij verteld [getuige 24] te kennen, maar in het midden is gebleven of dat al het geval was ten tijde van de aanval.(697)

42. De rechtbank ziet in de persoon van de getuige geen aanleiding om aan zijn geloofwaardigheid te twijfelen.

[Getuige 14]

43. De getuige [getuige 14] is geboren in 1961. Hij heeft verklaard Tutsi te zijn.(698) De getuige woonde in Ngoma tijdens de genocide.

44. De getuige is met zijn vrouw en drie kinderen gevlucht naar het ziekenhuis in Mugonero.(699) Zijn familie is in de kerk om het leven gekomen.(700) Door zich te verstoppen onder de lijken in een van de kamers van het ziekenhuis, is hij aan de aanvallers ontkomen.(701)

45. De getuige heeft verklaard verdachte te kennen van het boodschappen doen in de winkel van zijn vader. Verdachte hielp zijn vader in de winkel.(702) Elke woensdag, op marktdag, ging hij naar de winkel.(703)

46. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard deze getuige niet te kennen.(704)

47. Aan deze getuige is niet gevraagd of hij andere getuigen uit dit dossier kent. Wel heeft [getuige 8] verklaard [getuige 14] te kennen. Ze kennen elkaar al van jongs af aan.(705)

48. De getuige is landbouwer.(706)

49. De rechtbank ziet in de persoon van de getuige geen aanleiding om aan zijn geloofwaardigheid te twijfelen.

[Getuige 24]

50. De getuige [getuige 24] is geboren in 1970. Hij heeft verklaard Tutsi te zijn.(707) De getuige verklaarde dat hij na zijn schooljaren (8 jaar lagere school) landbouwer is geworden, vervolgens naaier en toen weer landbouwer.(708)

51. De getuige is op 9 april 1994 met zijn vader, moeder, zijn jongere broer, zijn neven en nog een meisje en een jongen naar het Zevendedags Adventistencomplex gevlucht, omdat de mensen in zijn secteur waren gedood en de huizen waren verbrand.(709) Uiteindelijk zijn al zijn familieleden vermoord.(710) Hij heeft zich tijdens de aanval kunnen verstoppen in het dak van één van de dortoirs en is bij het vallen van de avond gevlucht.(711)

52. De getuige heeft verklaard verdachte in de periode voor de genocide niet zo vaak te hebben gezien. Desgevraagd heeft hij gezegd vlak voor de periode van de genocide niet met verdachte te hebben gesproken, want "hij reed de auto en ik liep op voeten."(712)

53. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard deze getuige niet te kennen.(713)

54. Van de vluchtelingen die op het Zevendedags Adventistencomplex waren, kende hij onder anderen [getuige 8] en [getuige 10].(714) De getuige vertelde desgevraagd dat [getuige 10] nu zijn 'buurman' is (in de zin dat hij bij hem in de buurt woont).(715)

55. Zijn huidige functie is president van de gacaca op het tweede niveau in Ngoma. Dat houdt in dat hij de taak van de rechter in de gacaca uitoefent.(716) Hij is ook landbouwer.

56. De rechtbank ziet in de persoon van de getuige geen aanleiding om aan zijn geloofwaardigheid te twijfelen.

[Getuige 9]

57. De getuige [getuige 9] is geboren in 1963. Deze getuige heeft verklaard Hutu te zijn.(717) In de periode voorafgaande aan de genocide woonde hij nog bij zijn ouders, broers en zussen.(718) Er is niets bekend over het werk dat hij toen had.

58. Deze getuige heeft wisselend verklaard over zijn betrokkenheid bij de aanval op 16 april 1994. Hij heeft wel consequent verklaard die dag aanwezig te zijn geweest op het Zevendedags Adventistencomplex. De rechtbank zal de inconsistenties in de verklaringen van deze getuige later in dit vonnis bespreken.

59. Hij heeft verklaard veroordeeld te zijn tot een gevangenisstraf voor zijn aandeel in de genocide.(719)

60. Volgens de getuige kende hij verdachte van de handelsactiviteiten die de vader van verdachte ontplooide. Hij werkte door koffiezakken te lossen van de vrachtwagen die door verdachte werd bestuurd. Ook kocht hij producten bij de ouders van verdachte die handelaars waren. De getuige onderhield geen vriendschappelijke betrekking met verdachte. Hij zegt hierover: "Ik heb gezien dat hij samen met handelaren gegrild vlees at. Maar zijn ouders waren rijk, dus ik kon niet met hem aan dezelfde tafel zitten."(720)

61. Verdachte heeft bij de Nationale Recherche en ter terechtzitting verklaard deze getuige niet te kennen.(721)

62. De getuige heeft verklaard ten tijde van het verhoor in een bar te werken.(722)

63. De rechtbank ziet in de persoon van de getuige geen aanleiding om aan zijn geloofwaardigheid te twijfelen.

[Getuige 22]

64. De getuige [getuige 22] is geboren in 1958. Hij heeft verklaard Hutu te zijn.(723)

65. De getuige heeft verklaard over zijn betrokkenheid als aanvaller bij het Zevendedags Adventistencomplex op 16 april 1994.

66. Hij is veroordeeld door de gacaca voor het vermoorden van mensen tijdens de genocide en heeft inmiddels daarvoor een gevangenisstraf uitgezeten.(724)

67. Hij heeft verklaard te weten wie verdachte is en wie zijn vader was en waar verdachte woonde. Hij heeft echter nooit met verdachte persoonlijk contact gehad.(725)

68. Verdachte heeft ter terechtzitting en tegenover de Nationale Recherche verklaard deze getuige niet te kennen.(726)

69. De getuige werkt als landbouwer.(727)

70. De rechtbank ziet in de persoon van de getuige geen aanleiding om aan zijn geloofwaardigheid te twijfelen.

Betrouwbaarheid van de verklaringen in objectieve zin (IV, V en VI)

71. De rechtbank stelt voorop dat de vijf slachtoffergetuigen ten overstaan van de Nederlandse en de buitenlandse instanties en het Rwanda-tribunaal op hoofdlijnen consistent hebben verklaard over de aanval.

72. De rechtbank heeft tegelijkertijd echter ook geconstateerd dat tussen de verklaringen die deze getuigen hebben afgelegd enkele opvallende discrepanties bestaan. Deze zullen hierna worden besproken. Het meest opmerkelijke is dat geen van de vijf slachtoffergetuigen voor de aanvang van het Nederlandse strafrechtelijke onderzoek de naam van verdachte als een van de aanvallers heeft genoemd in de door hen afgelegde verklaringen tegenover onderzoekers van het Rwanda-tribunaal, ter zitting van dit tribunaal danwel tijdens gerechtelijke onderzoeken in de Verenigde Staten. Dit is pas in een laat stadium van het onderzoek gebleken, en wel nadat de betreffende elders afgelegde verklaringen in september respectievelijk juli 2008 waren toegevoegd aan het dossier. De rechter-commissaris had de getuigen tijdens de verhoren dus niet kunnen confronteren met (mogelijke) inconsistenties of tegenstrijdigheden. De rechtbank heeft het daarom noodzakelijk geacht deze getuigen nogmaals door de rechter-commissaris te doen horen. Dit is in december 2008 en januari 2009 gebeurd.

73. De verklaringen van de getuigen die hebben gezegd mee te hebben gedaan aan de aanval ([getuige 9], [getuige 22]), zijn consistent voor wat betreft de omstandigheid dat er een aanval is geweest. De rechtbank heeft echter ook hier geconstateerd dat er verschillen zijn die bespreking behoeven.

74. De rechtbank heeft ook vastgesteld dat er op detailpunten verschillen zijn in de verklaringen van de onderscheiden getuigen. De belangrijkste daarvan zijn: de kleuren van de auto's waarmee de aanvallers, waaronder verdachte en zijn broer kwamen aanrijden,(728) de beantwoording van de vraag aan wie één van de auto's waarmee de aanvallers zich naar het complex hadden verplaatst, toebehoorde en door wie deze was afgepakt(729) alsmede de kleding die verdachte droeg.(730) Dit zijn geen wezenlijke tegenstrijdigheden. Deze kleine verschillen kunnen, ook in onderling verband bezien, geen omstandigheid opleveren ten gevolge waarvan de verklaringen van deze getuigen als onbetrouwbaar dienen te worden aangemerkt. Deze verschillen kunnen voortkomen uit de wijze van verhoor, het verstrijken van de tijd, de chaotische aard van de gebeurtenis waarbij de getuige voor zijn of haar leven heeft moeten vrezen, de emoties die teweeg worden gebracht door de herinnering aan deze voor de getuige traumatische gebeurtenis, dan wel een vergissing van de getuige of een andere procesdeelnemer. Bovendien blijkt uit de verklaringen dat iedere getuige slechts een deel van de gebeurtenissen heeft kunnen waarnemen. Zicht op het totaalbeeld ontstaat eerst indien de verschillende verklaringen in onderlinge samenhang worden bezien.

Ad IV: Consistentie van opeenvolgende door deze getuige afgelegde verklaringen

[Getuige 8]

De verklaringen vóór december 2008

75. De rechtbank stelt vast dat de getuige [getuige 8] over de gebeurtenissen op het Zevendedags Adventistencomplex heeft verklaard bij de Nationale Recherche (2006) en bij de rechter-commissaris (2006/2007/2008) en ten overstaan van de Canadese justitiële autoriteiten (2007). Bij de Nationale Recherche en de rechter-commissaris heeft hij verdachte een leider genoemd; hij gaf opdrachten aan anderen.(731) Tegenover de Canadese justitiële autoriteiten (2007) heeft hij verklaard dat Ruzindana samen met zijn broer arriveerde op het complex op 16 april 1994.(732)

76. Deze getuige heeft ook verklaringen afgelegd tegenover de justitiële autoriteiten van de Verenigde Staten in de zaak van Enos Iragaba Kagaba(733) (2002/2003).(734) Met betrekking tot de aanval op het Zevendedags Adventistencomplex heeft hij Obed Ruzindana, Kagaba, Elizaphan en Gérard Ntakirutimana, en Charles Sikubwabo genoemd als leiders. De naam van verdachte komt in deze verklaring niet voor.(735) In een gacaca-verklaring heeft de getuige wel de naam van verdachte genoemd als betrokkene bij de genocide maar niet in relatie tot de aanval op het Zevendedags Adventistencomplex.(736) Deze gacaca-verklaring dateert van eind mei / begin juni 2005.(737) In zijn verklaring bij het Parquet Général heeft de getuige verdachte genoemd als een van de aanvallers die schoot op de Tutsi's op het Zevendedags Adventistencomplex.(738) In zijn diverse witness statements (1995-2002) komt de naam van verdachte niet voor.(739) In drie van deze verklaringen heeft hij wel Obed Ruzindana genoemd.(740)

De verklaring van deze getuige tegenover de rechter-commissaris in december 2008/januari 2009

77. De rechter-commissaris heeft de getuige gevraagd waarom hij eerst vanaf 2006 verdachte heeft genoemd als één van de aanvallers. De getuige heeft hierop gezegd dat zijn antwoord afhing van hoe de vraag was gesteld en van het doel dat de vragensteller voor ogen had. "Soms wilde hij [de vragensteller] een specifieke naam weten. Dan noemde ik vijf mensen en zei hij 'stop' als hij de naam hoorde die hij wilde horen. Dan kunt u zijn naam bij de ene instantie vinden en bij de andere niet."(741) Met betrekking tot de door de getuige opgestelde 'list of killers in Mugonero Hospital and Church' die als bijlage bij een witness statement is gevoegd en waarop negen namen van aanvallers staan(742), heeft hij opgemerkt dat hij niet meer weet wat de vraag is geweest. Hij heeft gezegd dat hij denkt dat hem de vraag is gesteld de namen op te schrijven en opnieuw verwezen naar het doel dat de vragensteller voor ogen stond.(743) Over zijn verklaringen voor de autoriteiten van de Verenigde Staten heeft hij opgemerkt dat hij werd ondervraagd met het doel 'bepaalde personen te onderzoeken'.(744) Ook heeft hij aangegeven dat hoe langer hem vragen worden gesteld, hoe meer hij zich kan herinneren.(745)

Deze uitspraak is erg lang; hier staat het eerste deel. De volledige tekst staat op uitspraken.rechtspraak.nl.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Samenhangende uitspraken

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.