Uitspraak · Strafrecht

Rechtbank Overijssel, 26 oktober 2026

ECLI:NL:RBOVE:2026:6510Zaaknummer 08.192308-25 (P) en 08.325655-25 (gevoegd)

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
26 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
08.192308-25 (P) en 08.325655-25 (gevoegd)
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats
Zwolle
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verdachte heeft onder bedreiging met geweld een ander geprobeerd te dwingen tot de afgifte van een tas en samen met anderen een fatbike gestolen en een kettingslot vernield. Hij krijgt daarom een straf opgelegd: 18 dagen jeugddetentie met aftrek van het voorarrest en een voorwaardelijke taakstraf, in de vorm van een werkstraf van 80 uren, met een proeftijd van twee jaren. Dit betekent dat verdachte de werkstraf nu niet hoeft uit te voeren, op voorwaarde dat hij binnen twee jaren niet weer een strafbaar feit pleegt en dat hij zich ook houdt aan de andere voorwaarden die de rechtbank aan het einde van dit vonnis heeft geformuleerd. De jeugddetentie heeft verdachte al uitgezeten.

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1:

het misdrijf: poging tot afpersing;

feit 2:

het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen;

feit 3:

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel aan een ander toebehoort, vernielen;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor 18 (achttien) dagen;

- beveelt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de jeugddetentie geheel in mindering wordt gebracht;

- veroordeelt verdachte daarnaast tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 40 (veertig) dagen;

- bepaalt dat deze werkstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten als verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de volgende voorwaarden niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte (zich) gedurende de proeftijd (of zoveel korter als de jeugdreclassering nodig vindt):

  • meldt bij de jeugdreclassering op de door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen, zo vaak en zolang deze instelling dat nodig vindt, en zich houdt aan de aanwijzingen die de jeugdreclassering hem in dat kader geeft;
  • meewerkt aan (andere) door de jeugdreclassering noodzakelijk gevonden ondersteuning of verwijzing naar (andere) hulpverleningsinstanties, ook als dit een ambulante behandeling (zoals psychomotorische therapie) inhoudt, als dit gedurende de begeleiding door de jeugdreclassering noodzakelijk wordt gevonden;
  • een (door de jeugdreclassering) te bepalen zinvolle dagbesteding heeft in de vorm van school of werk;
  • verblijft in een instelling voor begeleid of beschermd wonen, zoals [instelling] of een soortgelijke instelling, te bepalen door de jeugdreclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de jeugdreclassering voor hem opstelt;

- draagt aan de Jeugdbescherming Overijssel, met als verantwoordelijke gemeente Deventer (AST106), een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte:

ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

medewerking verleent aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

opheffing (geschorste) bevel voorlopige hechtenis

- heft het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van vandaag.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.E. Schaap, voorzitter, ook kinderrechter, mr. A. van Holten en mr. M. van Bruggen, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Klunder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2026.

Buiten staat

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Korte uitleg van het vonnis
  2. 2 De tenlastelegging
  3. 3 De bewijsoverwegingen
  4. 5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
  5. 6 De strafbaarheid van [verdachte]
  6. 7 De motivering van de straf
  7. 8 De toegepaste wettelijke voorschriften
  8. 9 De beslissing

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familie en Jeugd

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummers: 08.192308-25 (P) en 08.325655-25 (gevoegd)

Datum vonnis: 26 oktober 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats],

verblijvende aan de [adres] ( [instelling] ).

1 Korte uitleg van het vonnis

De officier van justitie heeft verdachte (hierna: [verdachte]) opgeroepen om op 12 oktober 2026 voor de rechtbank te verschijnen. Deze oproep wordt een dagvaarding genoemd. In de dagvaarding staat de tenlastelegging. In de tenlastelegging staan de beschuldigingen, dus een beschrijving van de strafbare feiten die [verdachte] zou hebben gepleegd.

Op 12 oktober 2026 hebben de officier van justitie, [verdachte] en zijn raadsman mr. L.E. de Rode, advocaat in Zutphen, tijdens een zitting achter gesloten deuren gezegd wat zij van de beschuldigingen vinden. De rechtbank heeft daar naar geluisterd.

De rechtbank schrijft in dit vonnis wat zij van de beschuldigingen vindt. Dit doet zij aan de hand van verschillende stappen in een bepaalde volgorde, zoals de wet die voorschrijft.

De rechtbank komt in dit vonnis tot de conclusie dat dat de beschuldigingen kunnen worden bewezen.

[verdachte] heeft onder bedreiging met geweld een ander geprobeerd te dwingen tot de afgifte van een tas en samen met anderen een fatbike gestolen en een kettingslot vernield. Hij krijgt daarom een straf opgelegd: 18 dagen jeugddetentie met aftrek van het voorarrest en een voorwaardelijke taakstraf, in de vorm van een werkstraf van 80 uren, met een proeftijd van twee jaren. Dit betekent dat [verdachte] de werkstraf nu niet hoeft uit te voeren, op voorwaarde dat hij binnen twee jaren niet weer een strafbaar feit pleegt en dat hij zich ook houdt aan de andere voorwaarden die de rechtbank aan het einde van dit vonnis heeft geformuleerd. De jeugddetentie heeft [verdachte] al uitgezeten.

2 De tenlastelegging

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Voor de leesbaarheid van dit vonnis nummert de rechtbank het feit van de zaak met parketnummer 08.192308-25 als feit 1 en de feiten van de zaak met parketnummer 08.325655-25 als feit 2 en feit 3.

De verdenking komt er, kort gezegd, op neer dat [verdachte]:

feit 1: op 23 juni 2025 in Deventer (onder bedreiging) met geweld [slachtoffer 1] heeft geprobeerd te dwingen tot de afgifte van een tas;

feit 2: op 19 december 2024 in Deventer samen met anderen een fatbike heeft gestolen;

feit 3: op 21 december 2024 in Deventer samen met anderen een kettingslot en/of een fatbike heeft vernield.

Voluit luidt de tenlastelegging aan [verdachte], dat:

feit 1

hij op of omstreeks 23 juni 2025 te Deventer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een tas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 1] en/of een derde toebehoorde(n) - met een bivakmuts, althans gezichtsbedekking, en/of een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp, naar die [slachtoffer 1] is gegaan, - één of meerdere malen tegen hem heeft gezegd “mooie tas, ik wil die tas hebben”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of - één of meerdere malen een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp, aan die [slachtoffer 1] heeft getoond terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2

hij op of omstreeks 19 december 2024 te Deventer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een fatbike, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

feit 3

hij op of omstreeks 21 december 2024 te Deventer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een kettingslot en/of fatbike, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

3 De bewijsoverwegingen

3.1

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde

Op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen[_343cd3f9-d1fd-4571-932a-c394787799f6] komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 ten laste gelegde. [verdachte] heeft dit feit bekend. Tijdens de zitting is door hem of zijn raadsman geen vrijspraak bepleit. De rechtbank zal daarom volstaan met de volgende opsomming van de bewijsmiddelen:[_07e3a32e-c75c-42c0-886f-98897118eda1]

1. de (bekennende) verklaring van [verdachte], afgelegd tijdens het onderzoek op de zitting van

12 oktober 2026;

2. een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] van 23 juni 2025 (pagina’s 8 en 9).

Ten aanzien van het onder feit 2 en feit 3 ten laste gelegde

Ook komt de rechtbank op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen[_35952f06-97d2-4d45-9160-6d02df0fa1eb] tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 en feit 3 ten laste gelegde. [verdachte] heeft deze feiten bekend. Tijdens de zitting is door [verdachte] of zijn raadsman geen integrale vrijspraak bepleit. De rechtbank zal met de volgende opsomming van de bewijsmiddelen[_71dfd5e6-d3be-4cc9-aad3-2944961edc17] volstaan:

1. de (bekennende) verklaring van [verdachte], afgelegd tijdens het onderzoek op de zitting van

12 oktober 2026;

2. een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] van 20 december 2024 (pagina’s 3 tot en met 5);

3. een proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [medeverdachte] van 21 december 2024 (pagina’s 22 tot en met 30);

4. een proces-verbaal van bevindingen van 21 december 2024 (pagina 12).

Het verweer van de verdediging strekkende tot gedeeltelijke vrijspraak van de onder feit 2 ten laste gelegde zinsnede “dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] (…) toebehoorde(n)”, is door de gebezigde bewijsmiddelen weerlegd. Op basis van die bewijsmiddelen staat voor de rechtbank vast dat het de fatbike is van aangever [slachtoffer 2] die door [verdachte] en zijn mededaders is gestolen en die nadien ook aan aangever is teruggeven. Het type van de fatbike komt exact overeen en ook de plaats delict waar [medeverdachte] over heeft verklaard komt overeen met de stallingsplaats van de fiets waar aangever [slachtoffer 2] over heeft verklaard.

3.2

De bewezenverklaring

De rechtbank vindt op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd, namelijk:

feit 1

hij op 23 juni 2025 te Deventer ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een tas, die geheel aan die [slachtoffer 1] toebehoorde - met een bivakmuts en een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp, naar die [slachtoffer 1] is gegaan, - tegen hem heeft gezegd “mooie tas, ik wil die tas hebben”, en - een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp, aan die [slachtoffer 1] heeft getoond terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2

hij op of omstreeks 19 december 2024 te Deventer tezamen en in vereniging met een anderen, een fatbike, die geheel aan [slachtoffer 2] toebehoorde,

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

feit 3

hij op 21 december 2024 te Deventer tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk een kettingslot, dat geheel aan [slachtoffer 2] toebehoorde, heeft vernield.

De rechtbank vindt niet bewezen wat aan [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. [verdachte] is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45, 47, 311, 317 en 350 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1:

het misdrijf: poging tot afpersing;

feit 2:

het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen;

feit 3:

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel aan een ander toebehoort, vernielen.

6 De strafbaarheid van [verdachte]

Het beroep op psychische overmacht

De verdediging stelt zich ten aanzien van de onder feit 1 bewezen verklaarde poging tot afpersing op het standpunt dat [verdachte] vanwege psychische overmacht moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Ditzelfde heeft de verdediging bepleit ten aanzien van feit 2. De officier van justitie vindt dat [verdachte] wel strafbaar is.

De rechtbank stelt voorop dat een beroep op psychische overmacht volgens vaste rechtspraak alleen dan kan slagen als sprake is geweest van een van buiten komende drang waaraan een verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en behoefde te bieden. Aan de voorwaarden voor het aannemen van psychische overmacht wordt niet snel voldaan. De rechtbank is van oordeel dat geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden waaruit volgt dat sprake is geweest van een van buiten komende drang waaraan [verdachte] redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden, nog daargelaten dat het verweer van de verdediging onvoldoende is onderbouwd. Het beroep op psychische overmacht wordt verworpen.

De rechtbank is van oordeel dat er voor het overige ook geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat [verdachte] strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

7 De motivering van de straf

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie wil dat [verdachte] wordt veroordeeld tot 18 dagen jeugddetentie met aftrek van het voorarrest, en een voorwaardelijke taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 80 uren, met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie eist dat aan het voorwaardelijk strafdeel de door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) geadviseerde voorwaarden worden gekoppeld.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de geëiste werkstraf te matigen tot 40 uren.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf weegt de rechtbank een aantal punten mee: het soort feit dat is gepleegd, hoe zwaar dat feit is, hoe het is gebeurd en wat voor persoon [verdachte] is. De rechtbank kijkt daarbij naar het dossier en wat er tijdens de behandeling op de zitting naar voren is gekomen. De rechtbank vindt daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

De aard en de ernst van de gepleegde feiten

[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan drie strafbare feiten. Onder bedreiging met geweld heeft hij geprobeerd [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van zijn tas. [verdachte] heeft op een intimiderende manier druk gezet op het slachtoffer, waarbij hij een bivakmuts op had en ook een wapen heeft getoond. Hij heeft totaal geen respect getoond van het eigendom en de gevoelens van veiligheid van een ander, maar is enkel uit geweest op criminele zelfverrijking. De situatie is voor het slachtoffer zeer bedreigend en beangstigend geweest. Daarnaast leiden strafbare feiten als deze tot gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving in het algemeen. Ook heeft [verdachte] samen met anderen een fatbike gestolen en het kettingslot van deze fatbike vernield. Dit zijn hinderlijke feiten. Diefstallen en vernielingen veroorzaken niet alleen hinder en (financiële) schade voor de betrokkenen, maar brengen ook onrust mee.

De persoon van [verdachte]

Wat betreft de persoon van [verdachte] heeft de rechtbank gekeken naar zijn strafblad van

15 september 2026. Hierin staat dat hij niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het adviesrapport van de Raad van

10 september 2026 en geluisterd naar de toelichting die de jeugdreclasseringswerker en de vertegenwoordiger van de Raad op de zitting hebben gegeven. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het pro Justitia-rapport van 20 oktober 2025, waarin over [verdachte] is gerapporteerd door GZ-psycholoog M. Dubbelaar. Bovendien heeft de rechtbank geluisterd naar wat [verdachte] en zijn vader op de zitting over zijn persoonlijke omstandigheden hebben verteld.

[verdachte], een nu 17-jarige jongen, woont begeleid bij [instelling] in [vestigingsplaats]. Hij zegt dat het hier goed met hem gaat. [verdachte] is blij met de begeleiding en de hulp die hij krijgt. Hij kan nog wel eens snel boos worden, maar hij heeft geleerd dat hij dan eerst tot tien moet tellen. [verdachte] zegt dat hij nauwelijks meer drugs gebruikt en dat hij niet meer om gaat met vrienden die geen goede invloed op hem hebben. [verdachte] wil iets van zijn leven maken. Hij volgt nu een opleiding tot automonteur. In de toekomst hoopt hij een ICT-opleiding te volgen of piloot te worden. De Raad en de jeugdreclassering vinden een langere periode jeugdreclassering van belang, zodat de begeleiding in de komende periode kan worden voortgezet en [verdachte] verder aan zichzelf kan werken. [verdachte] moet niet worden overvraagd. De nadruk moet liggen op behandeling en het volgen van een opleiding. De Raad en de jeugdreclassering adviseren daarom een deels voorwaardelijke straf, waarbij aan het voorwaardelijk strafdeel verschillende bijzondere voorwaarden worden gekoppeld om zoveel mogelijk te voorkomen dat [verdachte] in de toekomst weer de fout ingaat. [verdachte] kan zich vinden in dit advies.

De strafoplegging

Omdat [verdachte] minderjarig is, past de rechtbank het jeugdstrafrecht toe. De rechtbank houdt vervolgens bij het bepalen van de straf en de hoogte ervan rekening met straffen die in vergelijkbare gevallen door rechters zijn opgelegd. Hoewel de aard en de ernst van de gepleegde feiten een jeugddetentie rechtvaardigen, ziet de rechtbank vanwege de persoon van [verdachte] geen meerwaarde in de oplegging van een jeugddetentie die de duur van het voorarrest te boven gaat. De rechtbank overweegt dat [verdachte] zijn gedrag in de afgelopen periode in positieve zin heeft veranderd en dat deze lijn moet worden voortgezet. Om hem daar zoveel mogelijk bij te helpen, en om het risico op herhaling te verkleinen, vindt de rechtbank een voorwaardelijke taakstraf, in de vorm van een werkstraf, met daaraan gekoppeld de door Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden op zijn plaats.

De rechtbank vindt, alles afwegend, passend en geboden om aan [verdachte] op te leggen een onvoorwaardelijke jeugddetentie van 18 dagen met aftrek van het voorarrest (18 dagen) en een voorwaardelijke taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 80 uren met een proeftijd van twee jaren. Dit betekent dat [verdachte] de werkstraf nu niet hoeft uit te voeren, als hij zich aan de voorwaarden houdt. Om zoveel mogelijk te voorkomen dat [verdachte] in de toekomst weer de fout ingaat en hem daar de benodigde hulp voor te geven, zal de rechtbank aan het voorwaardelijk strafgedeelte de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden koppelen. Als [verdachte] tijdens de proeftijd van twee jaren een strafbaar feit pleegt of een van de bijzondere voorwaarden niet naleeft, moet hij alsnog de werkstraf uitvoeren. De rechtbank zal de jeugdreclassering de opdracht geven toezicht te houden op de naleving door [verdachte] van de opgelegde bijzondere voorwaarden en hem ten behoeve daarvan te begeleiden.

De jeugddetentie is onvoorwaardelijk, maar [verdachte] heeft deze al in het kader van het voorarrest uitgezeten. [verdachte] hoeft dus niet terug naar de jeugdgevangenis.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de artikelen 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 311, 317 en 350 Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1:

het misdrijf: poging tot afpersing;

feit 2:

het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen;

feit 3:

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel aan een ander toebehoort, vernielen;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor 18 (achttien) dagen;

- beveelt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de jeugddetentie geheel in mindering wordt gebracht;

- veroordeelt verdachte daarnaast tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 40 (veertig) dagen;

- bepaalt dat deze werkstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten als verdachte voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren de volgende voorwaarden niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte (zich) gedurende de proeftijd (of zoveel korter als de jeugdreclassering nodig vindt):

  • meldt bij de jeugdreclassering op de door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen, zo vaak en zolang deze instelling dat nodig vindt, en zich houdt aan de aanwijzingen die de jeugdreclassering hem in dat kader geeft;
  • meewerkt aan (andere) door de jeugdreclassering noodzakelijk gevonden ondersteuning of verwijzing naar (andere) hulpverleningsinstanties, ook als dit een ambulante behandeling (zoals psychomotorische therapie) inhoudt, als dit gedurende de begeleiding door de jeugdreclassering noodzakelijk wordt gevonden;
  • een (door de jeugdreclassering) te bepalen zinvolle dagbesteding heeft in de vorm van school of werk;
  • verblijft in een instelling voor begeleid of beschermd wonen, zoals [instelling] of een soortgelijke instelling, te bepalen door de jeugdreclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de jeugdreclassering voor hem opstelt;

- draagt aan de Jeugdbescherming Overijssel, met als verantwoordelijke gemeente Deventer (AST106), een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte:

ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

medewerking verleent aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

opheffing (geschorste) bevel voorlopige hechtenis

- heft het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van vandaag.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.E. Schaap, voorzitter, ook kinderrechter, mr. A. van Holten en mr. M. van Bruggen, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Klunder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2026.

Buiten staat

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

  1. Wanneer hierna wordt verwezen naar documenten/dossierpagina’s, zijn dit documenten of (de doorgenummerde) pagina’s uit het dossier van de politie-eenheid Oost-Nederland, met registratienummer PL0600-2025295189, van 4 september 2025. Er wordt steeds verwezen naar documenten/bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal, tenzij anders is vermeld.
  2. Zoals in artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering, is bepaald.
  3. Wanneer hierna wordt verwezen naar documenten/dossierpagina’s zijn dit documenten of (de doorgenummerde) pagina’s uit het dossier van de politie-eenheid Oost-Nederland, met zaaksregistratienummer PL0600-2025145731, van 31 maart 2025. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
  4. Zoals in artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering, is bepaald.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.