Uitspraak · Materieel strafrecht
Rechtbank Noord-Nederland, 13 oktober 2026
ECLI:NL:RBNNE:2026:4469Zaaknummer 18-174493-26
- Instantie
- Rechtbank Noord-Nederland
- Datum uitspraak
- 13 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 23 oktober 2026
- Zaaknummer
- 18-174493-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht, Materieel strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig, Op tegenspraak
- Zittingsplaats
- Groningen
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Veroordeling voor opzettelijk aanwezig hebben (2 onder C Opiumwet) en dealen (2 onder B Opiumwet) van heroïne, cocaïne en MDMA; veroordeling voor bezit vuurwapen en munitie (26 WWM); rekening met leeftijd en motivatie voor gedragsverandering verdachte; afwijken oriëntatiepunten; gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen, met aftrek, waarvan 349 dagen voorwaardelijk, proeftijd 3 jaren en bijzondere voorwaarden, en maximale taakstraf van 240 uren
De rechtbank
Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 349 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt, waarbij de reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn en contact zal opnemen met veroordeelde voor de eerste afspraak;
- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen op de door de zorgverlener te bepalen wijze door de AFPB te [plaats] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt;
- dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het verblijfadres, zolang de reclassering dat nodig vindt. Bij de start dient de veroordeelde op doordeweekse dagen met dagbesteding 12 uur op het verblijfadres te zijn. Op doordeweekse dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling en op dagen in het weekend is dat 20 uur. De reclassering kan tijdens deze periode de dagen en tijden waarop het locatiegebod geldt, al dan niet tijdelijk verminderen. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met de veroordeelde en afhankelijk van de dagbesteding. Het huidige verblijfadres is Groenendaal 31, Groningen. Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft.
De veroordeelde werkt voor maximaal 6 maanden of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatiegebod. De veroordeelde verlaat Nederland niet zonder toestemming van de Reclassering gedurende de duur van het elektronisch toezicht;
4. dat de veroordeelde een VAVO opleiding bij [school] of bij een soortgelijke instelling volgt en/of zich inzet voor het vinden en behouden van betaald werk / dagbesteding;
5. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan controles, bestaande uit urineonderzoek/ademtest/speekseltest, om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en/of lijst II (softdrugs) en/of en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, waarbij de reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
6. dat de veroordeelde werkt aan bewustwording van de levensstijl en middelenproblematiek. Hiertoe werkt de veroordeelde binnen het reclasseringstoezicht mee aan de begeleidingsmodule Stap voor Stap;
7. dat de veroordeelde zich laat begeleiden door Stichting Exodus Groningen of een soortgelijke organisatie, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de begeleiding nodig vindt.
Geeft aan de reclasseringsinstelling GGZ VNN, [adres 2], de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
een taakstraf voor de duur van 240 uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Zwarts, voorzitter, mr. J. Faber en mr. T.R. Bosker, rechters, bijgestaan door mr. S. Runia, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 oktober 2026.
Mr. Faber is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18-174493-26
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 13 oktober 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats], wonende te [adres 1].
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 29 september 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B. Hartman, advocaat te Diemen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door de officier van justitie mr. S. Zoer.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 16 juni 2026 te Groningen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 139.26 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of ongeveer 153.6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 20.22 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde heroïne en/of cocaïne en/of MDMA
(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij in of omstreeks de periode van 16 april 2026 tot en met 16 juni 2026 te Groningen opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, ongeveer 139.26 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of ongeveer 153.6 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 20.22 gram MDMA in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde heroïne en/of cocaïne en/of MDMA
(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
3
hij in op of omstreeks 16 juni 2026 te Groningen een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Glock, type 19, kaliber 9 mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
4
hij op of omstreeks 16 juni 2026 te Groningen munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 25 stuks, volmantelpatronen van het kaliber 9 mm voorhanden heeft gehad.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feiten 1, 2, 3 en 4. Ten aanzien van feit 2 heeft zij aangevoerd dat de gewichten weggestreept kunnen worden in de bewezenverklaring, nu niet bekend is hoeveel drugs verdachte in die periode heeft verkocht.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er in het dossier bewijs is voor alle feiten. Hij heeft daarbij wel opgemerkt dat sprake is van eendaadse samenloop tussen feiten 1 en 2.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht feiten 1, 2, 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Deze opgave luidt als volgt:
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 29 september 2026;
- een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 juni 2026, opgenomen op pagina 27 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2026162909 d.d. 25 augustus 2025, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant 1];
- een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 16 juni 2026, opgenomen op pagina 160 e.v. van voornoemd dossier;
- een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 16 juni 2026, opgenomen op pagina 165 e.v. van voornoemd dossier;
- een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 16 juni 2026, opgenomen op pagina 169 van voornoemd dossier;
- een schriftelijk bescheid, te weten een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 16 juni 2026, opgenomen op pagina 172 e.v. van voornoemd dossier;
- een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 18 augustus 2026, opgenomen op pagina 77 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant 2], [verbalisant 3], [verbalisant 4] en [verbalisant 5];
- een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2026.08.12.065, d.d. 13 augustus 2026, opgenomen op pagina 86 van voornoemd dossier, opgemaakt door ing. [deskundige], op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige;
- een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2026.08.12.065, d.d. 13 augustus 2026, opgenomen op pagina 87 van voornoemd dossier, opgemaakt door ing. [deskundige], op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige;
10. een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2026.08.12.065, d.d. 13 augustus 2026, opgenomen op pagina 88 van voornoemd dossier, opgemaakt door ing. [deskundige], op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige;
10. een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2026.08.12.065, d.d. 13 augustus 2026, opgenomen op pagina 89 van voornoemd dossier, opgemaakt door ing. [deskundige], op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige;
10. een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2026.08.12.065, d.d. 13 augustus 2026, opgenomen op pagina 90 van voornoemd dossier, opgemaakt door ing. [deskundige], op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige;
10. een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2026.08.12.065, d.d. 13 augustus 2026, opgenomen op pagina 91 van voornoemd dossier, opgemaakt door ing. [deskundige], op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige;
10. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 augustus 2026, opgenomen op pagina 130 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant 6];
10. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 augustus 2026, opgenomen op pagina 133 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant 6];
10. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 juli 2026, opgenomen op pagina 103 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant 7].
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de exacte gewichten van de door verdachte verhandelde drugs niet bewezen verklaard kunnen worden. De rechtbank zal deze gewichten in feit 2 niet bewezen verklaren, zodat ook geen sprake is van eendaadse samenloop tussen feiten 1 en 2. Immers gaat het bij feit 1 om het opzettelijk aanwezig hebben van de aangetroffen drugs op 16 juni 2026 en bij feit 2 om het verkopen, verstrekken en vervoeren van drugs in de periode voorafgaand aan 16 juni 2026.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht feiten 1, 2, 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1
hij op 16 juni 2026 te Groningen opzettelijk aanwezig heeft gehad 139,26 gram van een materiaal bevattende heroïne en 153,6 gram van een materiaal bevattende cocaïne en 20,22 gram van een materiaal bevattende MDMA, zijnde heroïne en cocaïne en MDMA,
telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
2
hij in de periode van 16 april 2026 tot en met 16 juni 2026 te Groningen opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde heroïne en cocaïne en MDMA,
telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
3
hij op 16 juni 2026 te Groningen een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Glock, type 19, kaliber 9 mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad;
4
hij op 16 juni 2026 te Groningen munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 25 stuks, volmantelpatronen van het kaliber 9 mm voorhanden heeft gehad.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
- opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
- opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
- handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
- handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feiten 1, 2, 3 en 4 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Daarbij heeft zij gevorderd aan het voorwaardelijk deel de door de reclassering geadviseerde voorwaarden te verbinden, met uitzondering van het elektronisch toezicht.
Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat zij heeft gelet op de ernst van de feiten, straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, de richtlijnen van het openbaar ministerie en het strafblad van verdachte. Gelet op al die factoren is volgens de officier van justitie slechts een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor een straf die rekening houdt met zowel het maatschappelijke belang als het persoonlijke belang van verdachte. De reclassering beschrijft dat sprake is van een hoog recidiverisico, maar stelt tegelijkertijd dat er een groot verschil kan worden gemaakt met ondersteuning, controle en stimulatie van de huidige positieve koers. Het klopt dat verdachte eerder een PIJ-maatregel heeft ondergaan en het is ook wel mogelijk dat er nog steeds enige problematiek speelt. Volgens de verdediging is noch de verdachte, noch de maatschappij gebaat bij een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf die de hulpverlening doorkruist. De raadsman heeft verzocht om pragmatisch tot een straf te komen en te kiezen voor een mildere strafmodaliteit, waarbij gedacht kan worden aan het opleggen van de maximale taakstraf van 240 uren per afzonderlijk feit.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van GGZ VNN, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich onder meer schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van heroïne, cocaïne en MDMA en aan het gedurende ongeveer twee maanden dealen van dezelfde soort harddrugs. Door zijn handelen heeft verdachte bijgedragen aan het in het verkeer brengen van deze drugs, waarvan het gebruik bedreigend is voor de volksgezondheid. Bovendien gaat het gebruik van harddrugs regelmatig gepaard met criminaliteit en (andere) overlast. Dit blijkt ook maar uit het feit dat verdachte ook een vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens en munitie brengt onaanvaardbare risicos met zich voor de veiligheid van personen en zorgt voor gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Persoon van verdachte
Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit.
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 25 september 2026. Hierin beschrijft de reclassering dat zij sinds de start van het schorsingstoezicht op
2 juli 2026 een positieve ontwikkeling bij verdachte ziet. De reclassering ziet motivatie bij hem voor gedragsverandering. Verdachte komt afspraken na, werkt mee aan elektronisch toezicht en stelt zich open en begeleidbaar op. Hij is inmiddels ook gestart met een VAVO-opleiding, die zorgt voor structuur, dagbesteding en toekomstperspectief. De reclassering schat de kans op herhaling nog wel in als hoog en
acht het van belang dat verdachte blijvend wordt ondersteund om dit risico in te perken. Het advies is dan ook een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht, ambulante behandeling, locatiegebod met elektronische monitoring, het volgen van een opleiding en/of dagbesteding, beheersing van het middelengebruik, het volgen van de module Stap voor Stap en ambulante begeleiding. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou betekenen dat verdachte moet stoppen met de VAVO-opleiding, welke opleiding een belangrijk onderdeel is voor zijn toekomstperspectief. Het voortzetten van deze opleiding wordt gezien als belangrijk voor recidivevermindering en het opbouwen van een gezondere toekomst.
De reclassering heeft geadviseerd om het volwassenenstrafrecht toe te passen. Hiertoe heeft zij overwogen dat verdachte nog wel bij zijn ouders woont en een opleiding volgt, maar dat hij al een PIJ-maatregel heeft afgerond en dit de hoogst mogelijke justitiële druk is voor jongvolwassenen.
De reclassering heeft ter terechtzitting dit advies bevestigd en aangegeven een intrinsieke motivatie voor gedragsverandering bij verdachte te zien.
Tot slot heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte open en eerlijk heeft verklaard over zijn eigen handelen. Ter terechtzitting heeft hij duidelijk gemaakt dat hij inziet dat hij verkeerd heeft gehandeld en dat hij gemotiveerd is om zijn leven een positieve wending te geven. Hij heeft daarbij aangegeven zich te willen houden aan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.
Op te leggen straf
De rechtbank stelt voorop dat een (lange) onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel passend is bij de feiten waaraan verdachte zich schuldig heeft gemaakt. Uit de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht volgt dat voor het dealen van harddrugs voor een periode van 2 maanden, het opzettelijk aanwezig hebben van (ongeveer) 300 gram harddrugs en het voorhanden hebben van een pistool in de woning, gevangenisstraffen van respectievelijk 6 maanden, 3 maanden en 4 maanden worden genoemd als oriëntatiepunt.
Toch ziet de rechtbank in dit geval aanleiding om (fors) af te wijken van deze oriëntatiepunten. Hiertoe overweegt zij als volgt.
Allereerst gelden de genoemde oriëntatiepunten voor het volwassenenstrafrecht. Hoewel de reclassering wel het volwassenenstrafrecht heeft geadviseerd en de rechtbank daarin meegaat, is de rechtbank wel van oordeel dat het om een jonge en enigszins kwetsbare verdachte gaat. Daarbij overweegt de rechtbank dat de reclassering de begeleidingsmodule Stap voor Stap heeft geadviseerd als bijzondere voorwaarde die voorliggend is bij jongvolwassenen.
Verdachte volgt inmiddels een opleiding en laat zien gemotiveerd te zijn. Met de reclassering is de rechtbank van oordeel dat deze positieve ontwikkeling gestimuleerd moet worden. De voortgang van deze opleiding en het huidige hulpverleningstraject doorkruisen met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf acht de rechtbank onwenselijk. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat ook de maatschappij daar niet bij gebaat zou zijn.
Oplegging van de maximale taakstraf in combinatie met een langere voorwaardelijke gevangenisstraf doet naar het oordeel van de rechtbank voldoende recht aan de ernst van de feiten en houdt daarbij rekening met de persoonlijke belangen van verdachte. De rechtbank ziet daarbij geen aanleiding om per feit de maximale taakstraf op te leggen. Alles afwegende legt de rechtbank aan verdachte op, een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 349 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Voorts legt de rechtbank een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis op.
De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaren. De rechtbank ziet, nu er sprake is van bewezenverklaarde feiten waarbij verdachte een wapen en munitie voorhanden heeft gehad, verdachte eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten en de reclassering het herhalingsgevaar als hoog inschat, voldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank acht het bovendien van belang dat verdachte blijvend wordt ondersteund bij de ingezette positieve lijn en dat de behandeling en begeleiding niet wegvallen na het eventuele instellen van een rechtsmiddel.
In beslag genomen goederen
Verdachte heeft ter terechtzitting (nogmaals) afstand gedaan van de in beslag genomen goederen. De rechtbank zal derhalve hieromtrent geen beslissing nemen.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10 van de Opiumwet en de artikelen 26, 55 Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 349 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt, waarbij de reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn en contact zal opnemen met veroordeelde voor de eerste afspraak;
- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen op de door de zorgverlener te bepalen wijze door de AFPB te [plaats] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt;
- dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het verblijfadres, zolang de reclassering dat nodig vindt. Bij de start dient de veroordeelde op doordeweekse dagen met dagbesteding 12 uur op het verblijfadres te zijn. Op doordeweekse dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling en op dagen in het weekend is dat 20 uur. De reclassering kan tijdens deze periode de dagen en tijden waarop het locatiegebod geldt, al dan niet tijdelijk verminderen. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met de veroordeelde en afhankelijk van de dagbesteding. Het huidige verblijfadres is Groenendaal 31, Groningen. Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft.
De veroordeelde werkt voor maximaal 6 maanden of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatiegebod. De veroordeelde verlaat Nederland niet zonder toestemming van de Reclassering gedurende de duur van het elektronisch toezicht;
4. dat de veroordeelde een VAVO opleiding bij [school] of bij een soortgelijke instelling volgt en/of zich inzet voor het vinden en behouden van betaald werk / dagbesteding;
5. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan controles, bestaande uit urineonderzoek/ademtest/speekseltest, om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en/of lijst II (softdrugs) en/of en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, waarbij de reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
6. dat de veroordeelde werkt aan bewustwording van de levensstijl en middelenproblematiek. Hiertoe werkt de veroordeelde binnen het reclasseringstoezicht mee aan de begeleidingsmodule Stap voor Stap;
7. dat de veroordeelde zich laat begeleiden door Stichting Exodus Groningen of een soortgelijke organisatie, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de begeleiding nodig vindt.
Geeft aan de reclasseringsinstelling GGZ VNN, [adres 2], de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
een taakstraf voor de duur van 240 uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Zwarts, voorzitter, mr. J. Faber en mr. T.R. Bosker, rechters, bijgestaan door mr. S. Runia, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 oktober 2026.
Mr. Faber is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 57 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 2 Opw meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 10 Opw meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 26 WWM meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 55 WWM meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 9 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 14a Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 14b Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 14c Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 22c Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 22d Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 1 WID meer uitspraken over dit artikel
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.