Uitspraak · Materieel strafrecht

Rechtbank Noord-Nederland, 4 augustus 2026

ECLI:NL:RBNNE:2026:3244Zaaknummer 18.075170.26

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
4 augustus 2026
Publicatiedatum
13 augustus 2026
Zaaknummer
18.075170.26
Rechtsgebied
Strafrecht, Materieel strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig, Op tegenspraak
Zittingsplaats
Groningen
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Veroordeling tot voorwaardelijke gevangenisstraf en maximale taakstraf ter zake diefstal in vereniging door middel van valse sleutel (311 Sr), medeplegen van witwassen (47 en 420bis Sr) en het voorhanden hebben en doorsturen van lijsten met e-mailadressen en bijbehorende wachtwoorden om computervredebreuk mee te plegen (139d Sr). Artikel 63 Sr van toepassing en forse overschrijding redelijke termijn.

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 5 primair en 5 subsidiair in de zaak met parketnummer 18.238075.22 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18.075170.26 en het onder 1, 2, 3, 4 primair en 6 primair ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18.238075.22 bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen telefoon (GSM, omschrijving: G1219426).

Ten aanzien van parketnummer 18.075170.26:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 1] te betalen:

  • het bedrag van 40.549,60 (zegge: veertigduizend vijfhonderdnegenenveertig euro en zestig eurocent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 oktober 2024 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op 39,-.

Verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 40.549,60 (zegge: veertigduizend vijfhonderdnegenenveertig euro en zestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 192 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Ten aanzien van parketnummer 18.238075.22, feit 2:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 3] te betalen:

  • het bedrag van 1.081,50 (zegge: duizendeenentachtig euro en vijftig eurocent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 november 2019 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.081,50 (zegge: duizendeenentachtig euro en vijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 november 2019 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 10 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 5] te betalen:

  • het bedrag van 506,50 (zegge: vijfhonderdzes euro en vijftig eurocent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 november 2019 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 5] aan de Staat te betalen een bedrag van 506,50 (zegge: vijfhonderdzes euro en vijftig eurocent), vermeerderd met de

wettelijke rente vanaf 21 november 2019 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 5 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan

[slachtoffer 6] te betalen:

  • het bedrag van 1.450,- (zegge: veertienhonderdvijftig euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 november 2019 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 6] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.450,-(zegge: veertienhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 november 2019 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 14 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan

[slachtoffer 8] te betalen:

  • het bedrag van 613,50 (zegge: zeshonderddertien euro en vijftig eurocent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 november 2019 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 8] aan de Staat te betalen een bedrag van 613,50 (zegge: zeshonderddertien euro en vijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 november 2019 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 6 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 9] te betalen:

  • het bedrag van 1.500,- (zegge: vijftienhonderd euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 november 2019 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 9] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.500,-(zegge: vijftienhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 november 2019 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 15 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Ten aanzien van parketnummer 18.238075.22, feit 6:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 12] te betalen:

  • het bedrag van 2.060,- (zegge: tweeduizendzestig euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 november 2019 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 12] aan de Staat te betalen een bedrag van 2.060,-(zegge: tweeduizendzestig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 november 2019 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 20 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. de Ruijter, voorzitter, mr. M.S. van der Kuijl en

mr. C. Brouwer, rechters, bijgestaan door A.W. ten Have-Imminga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 augustus 2026.

Mr. De Ruijter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1. Tenzij anders vermeld zijn de in de voetnoten opgenomen bewijsmiddelen naar wettelijk voorschrift

opgemaakte processen-verbaal, afkomstig uit het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024319798, gesloten op 28 maart 2025.

2 aangifte + bijlage op pagina 62 e.v.

3 verhoor verdachte op pagina 274 e.v. en pagina 350 e.v.

4 bevindingen verbalisant + bijlage op pagina 436 e.v.

5 bevindingen verbalisant op pagina 136

6 bevindingen verbalisant + bijlage op pagina 219 e.v.

7 bevindingen verbalisant + bijlage op pagina 138 e.v.

8 bevindingen verbalisanten op pagina 122 e.v. en pagina 124 e.v.

9 verhoor verdachte op pagina 472 e.v.

10 bevindingen verbalisant op pagina 136

11 Tenzij anders vermeld zijn de in de voetnoten opgenomen bewijsmiddelen naar wettelijk voorschrift

opgemaakte processen-verbaal, afkomstig uit het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2019335331, gesloten op 1 augustus 2024.

12 aangifte op pagina 569 e.v.

13 aangifte op pagina 573 e.v.

14 aangifte op pagina 578 e.v.

15 aangifte op pagina 584 e.v.

16 aangifte op pagina 595 e.v.

17 aangifte op pagina 606 e.v.

18 aangifte op pagina 615 e.v.

19 aangifte op pagina 633 e.v.

20 bevindingen verbalisant + bijlage, pagina 602 e.v.

21 verhoor getuige op pagina 537 e.v.

22 bevindingen verbalisant, pagina 554 e.v.

23 aangifte op pagina 783 e.v.

24 aangifte op pagina 786 e.v.

25 bevindingen verbalisant + bijlage op pagina 773 e.v.

26 verhoor verdachte op pagina 827 e.v.

27 aangifte op pagina 791 e.v.

28 aangifte op pagina 906 e.v.

29 aangifte op pagina 914 e.v.

30 bevindingen verbalisant + bijlage op pagina 922 e.v.

31 verhoor verdachte op pagina 976 e.v.

32 bevindingen verbalisant + bijlage op pagina 890 e.v.

33 verklaring verdachte ter terechtzitting

34 bevindingen verbalisant op pagina 1219 e.v.

35 bevindingen verbalisant + bijlage, opgenomen in de aanvullende stukken, los gevoegd bij het dossier

36 bevindingen verbalisant + bijlage op pagina 1370 e.v.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Tenlastelegging
  2. Beoordeling van het bewijs
  3. Bewezenverklaring
  4. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
  5. Strafbaarheid van verdachte
  6. Strafmotivering
  7. Benadeelde partijen
  8. Toepassing van wetsartikelen
  9. Uitspraak
  10. De rechtbank
  11. Verklaart verbeurd de in beslag genomen telefoon (GSM, omschrijving: G1219426).

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18.075170.26

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18.238075.22

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 4 augustus 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats], wonende te [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 juli 2026, welk onderzoek is gesloten op 4 augustus 2026.

Verdachte is op 7 juli 2026 verschenen, bijgestaan door mr. J.A.J. Brahm, advocaat te Berkel en Rodenrijs. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting van 7 juli 2026 vertegenwoordigd door mr. S.G. Broekstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd

in de zaak met parketnummer 18.075170.26 dat:

primair

hij in of omstreeks de periode van 23 oktober 2024 tot en met 29 oktober 2024 te

Stadskanaal en/of Musselkanaal en/of Onstwedde en/of Emmen en/of Groningen, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) een geldbedrag (van in totaal ongeveer 40.549,60), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn/haar mededader(s) zich (telkens) de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse

sleutel, door (telkens) onbevoegd met de pinpas en/of pincode van voorgenoemde [slachtoffer 1] geld te pinnen en/of (pin)transacties te initiëren, althans deze te gebruiken;

subsidiair

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of enig onbekend gebleven daders in of omstreeks de periode van 23 oktober 2024 tot en met 29 oktober 2024 te Stadskanaal en/of Musselkanaal en/of Onstwedde en/of Emmen en/of Groningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) een geldbedrag (van in totaal ongeveer 40.549,60), dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander dan aan die voorgenoemde verdachten en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl die voorgenoemde verdachten en/of zijn/haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door (telkens) onbevoegd met de pinpas en/of pincode van

voorgenoemde [slachtoffer 1] geld te pinnen en/of (pin)transacties te initiëren,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 23 oktober 2024 tot en met 29 oktober 2024 te Stadskanaal en/of Musselkanaal en/of

Onstwedde en/of Emmen en/of Groningen, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door voorgenoemde verdachten als bestuurder van een auto, althans enig vervoersmiddel, op te halen en/of te vervoeren en/of naar [slachtoffer 1] en/of pinautomaten en/of winkels te vervoeren;

en in de zaak met parketnummer 18.238075.22 dat:

1

hij op of omstreeks 18 december 2019, te Rijsen en/of Stadskanaal, althans in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) (van) een geldbedrag (van ongeveer 7340,-), althans een of meer voorwerpen

Sub b

  • heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
  • gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;

2

hij in of omstreeks de periode van 22 november 2019 tot en met 23 november 2019, te Tilburg en/of Monnickendam en/of Amsterdam en/of Leiden en/of Amersfoort en/of Lemmer en/of Soest, althans in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens)(van) een geldbedrag (van ongeveer 6898,-), althans een of meer voorwerpen

Sub b

  • heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
  • gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;

3

hij in of omstreeks de periode van 8 december 2019 tot en met 18 december 2019 te

Stadskanaal, althans in Nederland, (telkens) een grote hoeveelheid emailadressen en/of accountnamen in combinatie met computerwachtwoorden en/of toegangscodes en/of daarmee vergelijkbaar gegevens, waardoor toegang kon worden gekregen tot een (deel van een) geautomatiseerd werk heeft vervaardigd, verworven, ingevoerd, verspreid en/of anderszins ter beschikking heeft gesteld en/of voorhanden heeft gehad, met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab, eerste lid, 138b of 139c Wetboek van strafrecht werd gepleegd, door (telkens) bovengenoemde lijst in de vorm van screenshots, althans afbeeldingen, op zijn telefoon te hebben opgeslagen en/of te staan;

4 primair

hij in of omstreeks de periode van 25 september 2019 tot en met 3 oktober 2019 te Lage Mierde en/of Heemstede, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een voorwerp, te weten één of meer geldbedrag(en) (van in totaal ongeveer (3825,-) heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, althans gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), dan wel redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;

subsidiair

een of meer onbekend gebleven personen, in of omstreeks de periode van 25 september 2019 tot en met 3 oktober 2019 te Lage Mierde en/of Heemstede, althans in Nederland, een voorwerp, te weten één of meer geldbedrag(en) (van in totaal ongeveer 3825,-) heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, althans gebruik heeft gemaakt, terwijl hij/zij wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat voorwerp en/of dat/die geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 25 september 2019 tot en met 3 oktober 2019 te Lage Mierde en/of Heemstede, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen meermalen, in ieder geval éénmaal, een bankpas en/of pincode en/of bankrekeningnummer mee te geven en/of ter beschikking te stellen;

5 primair

hij, op of omstreeks 11 december 2019 te Pelt, althans in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een voorwerp, te weten één of meer geldbedrag(en) (van in totaal ongeveer (1350,-), heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, althans gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), dan wel redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;

subsidiair

een of meer onbekend gebleven personen, op of omstreeks 11 december 2019 te Pelt, althans in Nederland, een voorwerp, te weten één of meer geldbedrag(en) (van in totaal ongeveer 1350,-) heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, althans gebruik heeft gemaakt, terwijl hij/zij wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat voorwerp en/of dat/die geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op of omstreeks 11 december 2019 te Pelt, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen meermalen, in ieder geval éénmaal, zijn, verdachtes, bankpas en/of pincode en/of bankrekeningnummer mee te geven en/of ter beschikking te stellen;

6 primair

hij, in of omstreeks de periode van 19 november 2019 tot en met 17 januari 2020 te

Heemstede en/of Eibergen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een voorwerp, te weten één of meer geldbedrag(en) (van in totaal ongeveer (15583,95), heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, althans gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), dan wel redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;

subsidiair

een of meer onbekend gebleven personen, in of omstreeks de periode van 19 november 2019 tot en met 17 januari 2020 te Heemstede en/of Eibergen, althans in Nederland, een voorwerp, te weten één of meer geldbedrag(en) (van in totaal ongeveer 15583,95) heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, althans gebruik heeft gemaakt, terwijl hij/zij wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat voorwerp en/of dat/die geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 19 november 2019 tot en met 17 januari 2020 te Heemstede en/of Eibergen, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen meermalen, in ieder geval éénmaal, een bankpas en/of pincode en/of bankrekeningnummer mee te geven en/of ter beschikking te stellen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het subsidiair ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18.075170.26 en het onder 1, 2, 3, 4 primair, 5 primair en 6 primair ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18.238075.22.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 18.075170.26 ten laste gelegde en van de feiten 2, 3, 4, 5 en 6 in de zaak met

parketnummer 18.238075.22.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 18.075170.26 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte 1] niet zonder meer als een eenduidige persoonsidentificatie van verdachte kunnen worden beschouwd. Het door hem gegeven signalement levert daarvoor geen overtuigende bevestiging op en het aanwijzen van een woning kan dat niet zonder meer ondervangen. Het ondersteunt zijn bekendheid met een locatie, maar geeft geen zelfstandig antwoord op de voor deze strafzaak beslissende vragen naar de wetenschap, het opzet en de concrete bijdrage van verdachte. Ook uit de aangetroffen berichten op de telefoon van [medeverdachte 3] blijkt niet dat verdachte wetenschap had van het onbevoegde gebruik van de bankpas en pincode van aangeefster. Voor medeplegen is geen bewijs. Uit de objectieve bewijsmiddelen kan geen organiserende, initiërende of sturende rol van verdachte worden afgeleid. Niet blijkt welke concrete gedraging van verdachte, bezien tegen de achtergrond van het gehele feitencomplex, zodanig wezenlijk was voor de uitvoering van het ten laste gelegde feit dat deze als medeplegen kan worden gekwalificeerd.

Ook medeplichtigheid kan niet worden bewezen. Zelfs indien de rechtbank bewezen zou achten dat verdachte op enig moment een of meer betrokkenen heeft vervoerd, dan moet daarnaast worden vastgesteld dat hij wist welk strafbaar handelen hij daarmee ondersteunde en dat zijn opzet daarop was gericht. Er ontbreekt echter voldoende bewijs dat verdachte wetenschap had van het onbevoegde gebruik van de bankpas en pincode, waarmee het opzet op het gronddelict ontbreekt.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 18.238075.22 heeft de raadsvrouw het volgende aangevoerd.

Feit 2. De verklaring van [getuige 1] zegt niet wie feitelijk over de bankpas beschikte en wie de transacties heeft uitgevoerd. Ook de gegevens op de telefoon van verdachte geven geen antwoord op de vraag wie de geldbedragen feitelijk heeft verworven, voorhanden heeft gehad, overgedragen, omgezet of gebruikt. Van medeplegen is geen sprake, omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt bij de concrete witwashandelingen.

Feit 3. Verdachte ontkent het strafbare oogmerk en de omstandigheid dat gegevens op zijn telefoon zijn aangetroffen of in communicatie met anderen voorkomen, bewijst dat oogmerk niet zonder meer. Dat verdachte met anderen over accountgegevens heeft gesproken, bewijst niet met welk doel hij dat deed. Uit communicatie over of uitwisseling van gegevens kan niet zonder meer worden afgeleid dat verdachte daarmee het oogmerk had om computervredebreuk of een van de andere specifiek in artikel 139d, tweede lid, Sr genoemde misdrijven te laten plegen.

Feit 4. Uit de bewijsmiddelen kan onvoldoende worden vastgesteld dat verdachte zelf over de ten laste gelegde geldbedragen heeft beschikt of dat hij nauw en bewust heeft samengewerkt met degene of degenen die de bedragen op de rekening hebben laten binnenkomen, opgenomen of overgeboekt. Het doorgeven van een boodschap op verzoek van een ander en het hebben van contact met de rekeninghouder zijn daarvoor niet zonder meer voldoende. Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid ontbreekt het opzet op zijn hulpverlening én op het strafbare feit waarbij verdachte behulpzaam zou zijn geweest.

Feit 6. Uit de verklaring van [naam 4] kan niet zonder meer worden afgeleid dat verdachte betrokken is geweest bij alle afzonderlijke geldstromen die samen het ten laste gelegde totaalbedrag vormen. De verklaring dat een bankpas en pincode zouden zijn afgegeven, is daarvoor op zichzelf onvoldoende.

Onvoldoende blijkt waaruit de nauwe en bewuste samenwerking bij de concrete witwashandelingen zou hebben bestaan. Er is geen objectieve geldstroom naar een rekening van verdachte vastgesteld en uit de contante opnames blijkt niet dat verdachte degene is geweest die de bedragen heeft opgenomen of ontvangen. Ook medeplichtigheid kan niet worden bewezen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht feit 5 in de zaak met parketnummer 18.238075.22 niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. Primair is ten laste gelegd dat verdachte, al dan niet met een ander, 1.350,- heeft witgewassen. Subsidiair is verdachte medeplichtigheid aan het witwassen ten laste gelegd. Uit de stukken in het dossier blijkt dat aangever op 11 december 2019 een bedrag van 1.350,- heeft overgemaakt naar de bankrekening van verdachte. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij opeens een geldbedrag op zijn bankrekening gestort kreeg, dat hij wist dat het geld niet voor hem bestemd was en dat hij het daarom heeft teruggestort. Op een overzicht van de bankrekening van verdachte is te zien dat het bedrag van 1.350,-op 17 december 2019 is teruggeboekt naar de rekening van aangever.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier niet is bewezen dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het geld dat op zijn rekening werd gestort, van misdrijf afkomstig was. Enkel het ontvangen van een geldbedrag is daarvoor niet voldoende. Evenmin acht de rechtbank bewezen dat verdachte behulpzaam is geweest bij het witwassen door zijn bankrekening ter beschikking te stellen.

De rechtbank acht feit 1 in de zaak met parketnummer 18.238075.22 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

  • de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 7 juli 2026;
  • een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 23 december 2019, opgenomen op pagina 294 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2019335331 d.d. 1 augustus 2024, inhoudend de verklaring van [getuige 2];
  • een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen

d.d. 18 december 2019, opgenomen op pagina 317 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisanten.

Ten aanzien van het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18.075170.26 stelt de rechtbank uit de bewijsmiddelen uit het dossier1 de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 23 oktober 2024 wordt aangeefster [slachtoffer 1] meerdere keren gebeld door een man die zich voorstelt als [getuige 3], politieagent van de recherche. Volgens [getuige 3] wordt onderzoek gedaan naar een grootschalig risico van inbraken en hij houdt aangeefster op de hoogte van het onderzoek.

Aangeefster krijgt de opdracht geld van haar spaarrekening over te schrijven naar haar betaalrekening met verschillende omschrijvingen. [getuige 3] zegt tegen aangeefster dat de politie aan de deur zal komen om haar sieraden en bankpas op te halen. Meteen hierna komt iemand aan de deur bij aangeefster om de sieraden op te halen. Ongeveer 30 à 45 minuten later komt iemand anders de bankpas ophalen. In totaal is een bedrag van 35.000,-- opgenomen van de bankrekening van aangeefster en is voor een bedrag van 5.549,60 met haar bankpas gepind bij verschillende bedrijven in Emmen en Groningen.2

In de periode van 23 oktober tot en met 29 oktober 2024 is door verschillende personen geld gepind met de bankpas van aangeefster. [medeverdachte 1] is een van die personen. Hij was benaderd door [medeverdachte 3] met de vraag of hij 200,- wilde verdienen. [medeverdachte 3] zou de volgende dag iemand sturen om [medeverdachte 1] op te halen op het adres van de vriendin van [medeverdachte 1] aan [adres] (de rechtbank begrijpt: [adres] ). [medeverdachte 1] werd de volgende ochtend vroeg opgehaald door een jongen, die suikerziekte heeft en woont aan [adres]. Met die jongen is [medeverdachte 1] naar Musselkanaal gereden. Daar heeft [medeverdachte 1] 5.000,- gepind. De jongen vroeg toen of [medeverdachte 1] de volgende dag weer 200,- wilde verdienen. De volgende dag werd

[medeverdachte 1] weer opgehaald door de jongen uit [plaats], die ook wel [naam 1] wordt genoemd. In Musselkanaal heeft [medeverdachte 1] bij dezelfde geldmaat als de dag ervoor 5.000,- gepind. De derde keer dat [medeverdachte 1] door de jongen uit [plaats] werd opgehaald, heeft [medeverdachte 1] 5.000,-gepind bij een geldautomaat in Onstwedde. [medeverdachte 1] heeft telkens gepind met dezelfde bankpas en code die de jongen uit [plaats] hem had gegeven. Op de twee overige dagen werd [medeverdachte 1] opgehaald door [medeverdachte 3] die hem dezelfde pas en code gaf. Op de laatste dag zijn de jongen uit [plaats] en [medeverdachte 3] met [medeverdachte 1] naar Emmen gereden, waar [medeverdachte 1] naar verschillende winkels werd gestuurd om spullen te halen. Dit ging om twee Cartier-brillen, parfums en twee Stone Island jassen.3

Op de telefoon van [medeverdachte 3] staan meerdere telefoonscripts aangaande helpdesk-fraude, waarin onder meer staat vermeld [getuige 3] politie Stadskanaal. [medeverdachte 1] staat als contact in de telefoon van [medeverdachte 3]. Een andere contact is [gebruikersnaam 2] (body: [verdachte] ). Op 25 oktober 2024 om 14:33 uur stuurt [medeverdachte 3] een bericht naar [gebruikersnaam 2], inhoudende: “ [adres] ”.4 Op diezelfde dag om 15:29 uur wordt met de pas van aangeefster [slachtoffer 1] in Musselkanaal 5.000,- opgenomen.5 Op de camerabeelden6 van deze geldopname heeft [medeverdachte 1] zichzelf herkend als degene die het geld pint.

Op 24 oktober 2024 wordt met de bankpas van aangeefster 5.000,- gepind in Stadskanaal. Op de camerabeelden7 wordt [medeverdachte 2] door twee verbalisanten herkend als degene die pint.8

Op grond van de opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank acht bewezen dat [medeverdachte 1] het over verdachte heeft waar hij verklaart over een jongen uit [plaats] die suikerziekte heeft en die ook wel [naam 1] wordt genoemd. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte 1] te twijfelen. Het adres in [plaats] dat [medeverdachte 1] noemt, is het woonadres van verdachte.

Verdachte heeft bovendien suikerziekte.9 [medeverdachte 1] staat als contact in de telefoon van [medeverdachte 3] vermeld. De rechtbank acht ook aannemelijk dat het verdachte is die als contact onder de naam [gebruikersnaam 2] in de telefoon van [medeverdachte 3] staat. [medeverdachte 3] heeft het adres van de vriendin van [medeverdachte 1] naar verdachte gestuurd, waarop verdachte naar dit adres is gereden om [medeverdachte 1] op te halen. Verdachte heeft de pas van aangeefster meerdere keren aan [medeverdachte 1] gegeven om daarmee te pinnen en de tijdstippen waarop is gepind10 passen naadloos in de verklaring van [medeverdachte 1]. Verdachte is ook met [medeverdachte 1] naar Emmen gereden, waar [medeverdachte 1] in meerdere winkels dure goederen heeft betaald met de bankpas van aangeefster.

De rechtbank acht daarmee de rol van verdachte in het gezamenlijk ontvreemden van geld van de rekening van [slachtoffer 1] van een zodanig gewicht dat van medeplegen kan worden gesproken.

Ten aanzien van de feiten 2, 3, 4 en 6 in de zaak met parketnummer 18.238075.22 stelt de rechtbank uit de bewijsmiddelen uit het dossier11 de volgende feiten en omstandigheden vast.

ten aanzien van feit 2

In november en december 2019 doen [slachtoffer 2]12, [slachtoffer 3]13, [slachtoffer 4]14, [slachtoffer

5]15, [slachtoffer 6]16, [slachtoffer 7]17, [slachtoffer 8]18 en [slachtoffer 9]19 aangifte van fraude via Marktplaats. Aangevers hebben in totaal op 22 en 23 november 2019 een bedrag overgemaakt van 6.898,- op een bankrekening ten name van [getuige 1]. De goederen waarvoor zij hebben betaald zijn vervolgens niet geleverd. Op de bankrekening van [getuige 1] is te zien dat als de bedragen door de aangevers worden gestort, ze veelal gelijk contant bij een geldautomaat worden opgenomen.20 [getuige 1] verklaart dat hij de bankrekening heeft geopend in opdracht van verdachte en dat hij de bankpas aan verdachte heeft gegeven. Verdachte heeft tegen [getuige 1] gezegd dat verdachte samen met iemand anders de rekening vol wilde zetten tot 10.000,- of net zolang totdat de pas zou worden geblokkeerd.

[getuige 1] heeft zelf 150,- en benzinegeld ontvangen.21 Op de telefoon van verdachte is een chatgesprek met [getuige 1] aangetroffen over het aanvragen van een bankpas, een aanbetaling en het overdragen van de pas. Ook zijn fotos aangetroffen van bij- en afschrijvingen van de bankrekening van [getuige 1] .22

ten aanzien van feit 4

Op 30 september 2019 is namens mevrouw [slachtoffer 10] aangifte gedaan van oplichting. Zij heeft op 25 september 2019 contact gehad via Marktplaats in verband met een verkoop. Om de afgesproken verkoopprijs van 100,- te voldoen vroeg de koper via een link om een verificatie via een betaalverzoek van 1 cent. Daarna zou het afgesproken bedrag direct worden voldaan. Omdat de verificatie telkens niet lukte, heeft de koper meerdere linkjes gestuurd. Uiteindelijk is er, via de bankrekening van haar zoon, 2.000,-van de rekening van [slachtoffer 10] afgeschreven.23

Vervolgens heeft in oktober 2019 mevrouw [slachtoffer 11] aangifte gedaan van fraude via Marktplaats. Zij heeft op 29 september 2019 een bedrag van 1.825,- overgemaakt op een bankrekening ten name van [naam 2] in verband met de koop van een fotocamera. De fotocamera heeft zij nooit ontvangen.24 Op de ING-rekening van [naam 2] is te zien dat op 25 september 2019 vanaf 14.14 uur in totaal een bedrag van 2.000,- wordt geboekt van de rekening van de zoon van [slachtoffer 10] door middel van tikkies.

Omstreeks 14.24 uur wordt in Winschoten bij de ING in totaal 2.000,- opgenomen. Nadat aangeefster [slachtoffer 11] het afgesproken bedrag heeft voldaan, wordt diezelfde dag een bedrag van 1.820,-overgeboekt naar een bankrekening op naam van [naam 3] .25

[naam 2] verklaart dat verdachte bij hem in de klas zit en veel met pasjes bezig is, pasjes van mensen ophalen. [naam 2] heeft zijn ING-pas en pincode aan verdachte gegeven. Ze zijn, samen met [naam 4] en [medeverdachte 3], naar de ING in Winschoten gegaan. [medeverdachte 3] ging steeds tikkies sturen. [medeverdachte 3] heeft het geld op de bankrekening van [naam 2] gezet, verdachte heeft het er afgehaald. [naam 2] heeft 800,- gekregen.26

Op 1 oktober 2019 vraagt verdachte in een WhatsApp-gesprek aan [naam 2]: “Kan ik je pas nog verder vullen”. [naam 2] antwoordt op 2 oktober 2019 met: “Jo jawel”. Verdachte vervolgens: “Verhoog. Die ding naar 10k. Gwn zelfde als vorige x. 10000. Eey stuur me die inlog gegevens. Gebruikers naam wachteoord (de rechtbank begrijpt: wachtwoord). Die heeft [medeverdachte 3] nodig.” Op 3 oktober 2019 zegt verdachte tegen [naam 2]: “Stuur ff je pin. Gebruikers naam wachtwoord. [medeverdachte 3] gaat er 6k op gooien. Als er geld is gevallen haal ik het gelijk op”.

[naam 3], op wiens bankrekening een bedrag is overgeboekt vanaf de rekening van [naam 2], heeft op 9 januari 2020 aangifte gedaan van bedreiging. Hij verklaart dat hij begin oktober 2019 door ene [verdachte] is toegevoegd op Snapchat. [verdachte] vertelde hem dat hij nog 1.800,- moest betalen omdat dat bedrag nog op de geblokkeerde rekening van [naam 3] zou staan.27

ten aanzien van feit 6

In november 2019 doet [slachtoffer 12] aangifte van fraude via Marktplaats. Hij heeft op

19 november 2019 rond 15.00 uur een bedrag van 2.060,- overgemaakt op een bankrekening ten name van [naam 4] in verband met de koop van een cameralens. De lens heeft hij niet ontvangen.28 Aangever [slachtoffer 13] heeft op 17 januari 2020 om 10.15 uur een bedrag van

3.000,- overgemaakt op de bankrekening van [naam 4] in verband met de koop van een fotocamera via Marktplaats. Ook hij heeft de camera niet ontvangen.29

Op de bankrekening van [naam 4] is te zien dat in de avond van 19 november 2019 twee keer een bedrag van 1.000,- wordt opgenomen. Op 17 januari 2020 om 10.15 uur komt het door aangever [slachtoffer 13] overgemaakte bedrag binnen. Vervolgens wordt rond 11.30 uur te Winschoten in totaal 2.900,-opgenomen. Daarnaast komt op 17 december 2019 een bedrag binnen van 686,95 van een rekening op naam van [naam 5]. De volgende dag wordt in totaal 500,- opgenomen.30

[naam 4] kent verdachte van school. Verdachte vroeg hem of hij geld wilde verdienen. [naam 4] moest dan een betaalverzoek sturen op aangeven van verdachte. In dat betaalverzoek moest staan dat het een

Marktplaats betaalverzoek was. [naam 4] heeft dat twee of drie keer gedaan. Hij weet nog dat het een keer om 3.000,- ging. Als het geld op zijn bankrekening stond dan pinde verdachte het geld met de bankpas die [naam 4] aan verdachte had gegeven. [naam 4] heeft telkens de helft van het geld gekregen dat door [slachtoffer 13], [slachtoffer 12] en [naam 5] op zijn rekening is gestort.31

Op de telefoon van verdachte is een foto aangetroffen met daarop het rekeningnummer van [naam 4] en een oranje pas. Tevens is een foto aangetroffen, gemaakt op 19 november 2019 om 14.06 uur, van een schermafbeelding van een chat met de opmerking [slachtoffer 12] betaald 2k heerlijk en vervolgens een foto met twee zwarte vlakken met in het midden de vermelding ING Bank NV Betaalverzoek +2.060,00 en bovenaan [naam 4] 43s geleden uit Fotos.32

De rechtbank acht op grond van de opgenomen bewijsmiddelen de feiten 2, 4 primair en 6 primair wettig en overtuigend bewezen. [getuige 1], [naam 2] en [naam 4] hebben verklaard over de rol van verdachte. De rechtbank acht deze rol telkens van zodanig gewicht dat kan worden gesproken van medeplegen. [getuige 1] heeft de bankrekening, waarop de via fraude verkregen bedragen werden gestort, geopend in opdracht van verdachte. Vervolgens heeft [getuige 1] de bankpas aan verdachte gegeven. Ook [naam 2] heeft zijn bankpas aan verdachte gegeven. Verdachte heeft het geld dat via oplichting en fraude binnenkwam, van de rekening opgenomen door te pinnen met de pas van [naam 2]. Ook uit de verklaring van aangever [naam 3] is de betrokkenheid van verdachte af te leiden. Op het moment dat verdachte geld pinde met de pas van [naam 2] was ook [naam 4] aanwezig. Deze [naam 4] heeft op verzoek van verdachte betaalverzoeken gestuurd. Verdachte pinde vervolgens het geld van de rekening van [naam 4] met de bankpas die [naam 4] aan verdachte had gegeven. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van [getuige 1], [naam 2] en [naam 4] te twijfelen. Zij belasten ook zichzelf en hun verklaringen worden bovendien ondersteund door objectief technisch bewijs, aangetroffen op de telefoon van verdachte.

Met betrekking tot feit 6 acht de rechtbank het witwassen van een geldbedrag van 5.746,95 bewezen, het totale bedrag dat is betaald door [slachtoffer 13], [slachtoffer 12] en [naam 5]. De in het dossier genoemde betalingen door [naam 6] en [naam 7] vallen buiten de ten laste gelegde periode.

Ten aanzien van feit 3 in de zaak met parketnummer 18.28075.22 stelt de rechtbank het volgende vast.

Verdachte heeft lijsten met e-mailadressen en bijbehorende wachtwoorden doorgestuurd. Die lijsten kreeg hij toegestuurd of zocht hij op internet.33 In de telefoon van verdachte zijn chatgesprekken aangetroffen. Daaruit blijkt dat verdachte op 8 en 9 december 2019 een lijst met e-mailadressen en wachtwoorden stuurt naar [naam 8] .34 Op 9 december 2019 stuurt verdachte een lijst met 93 e-mailadressen en wachtwoorden aan [naam 10] .35 Op die dag stuurt verdachte ook een dergelijke lijst naar [naam 9].

Verdachte schrijft vervolgens: “Je moet in midden beginnen meerdere hebben deze”. [naam 9] vraagt dan: “wat voor postcode doe jij sltijd (de rechtbank begrijpt: altijd)” Verdachte antwoordt: ”Meestal aan grens belgie Of hoge noorde”.36

De rechtbank acht feit 3 wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft bekend dat hij lijsten met e-mailadressen en bijbehorende wachtwoorden kreeg toegestuurd of heeft opgezocht en vervolgens heeft doorgestuurd. Daarmee heeft hij die lijsten ook voorhanden gehad. De verklaring van verdachte dat hij niet wist wat anderen met die lijsten van plan waren, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Dat dergelijke lijsten (in onbevoegd bezit) redelijkerwijs geen ander doel kunnen dienen dan het plegen van computervredebreuk, is immers een feit van algemene bekendheid.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18.075170.26 en het onder 1, 2, 3, 4 primair en 6 primair ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18.238075.22 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

in de zaak met parketnummer 18.075170.26

hij in de periode van 23 oktober 2024 tot en met 29 oktober 2024 in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met een of meer anderen, telkens een geldbedrag (van in totaal

40.549,60), dat geheel aan [slachtoffer 1], toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders dat weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse

sleutel, door telkens onbevoegd met de pinpas en pincode van voorgenoemde [slachtoffer 1] geld te pinnen en pintransacties te initiëren;

in de zaak met parketnummer 18.238075.22

1

hij op 18 december 2019 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een geldbedrag van ongeveer 7340,- heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte wist dat dat geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

2

hij in de periode van 22 november 2019 tot en met 23 november 2019 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een geldbedrag van 6898,- heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte en zijn mededader(s) wisten dat dat geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

3

hij in de periode van 8 december 2019 tot en met 18 december 2019 in Nederland telkens een grote hoeveelheid emailadressen in combinatie met computerwachtwoorden waardoor toegang kon worden gekregen tot een (deel van een) geautomatiseerd werk, heeft verworven, verspreid en voorhanden heeft gehad, met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht werd gepleegd;

4 primair

hij in de periode van 25 september 2019 tot en met 3 oktober 2019 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, meerdere geldbedragen van in totaal 3825,- heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl hij en zijn mededader(s) telkens wisten dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

6

primair

hij in de periode van 19 november 2019 tot en met 17 januari 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, meerdere geldbedragen van in totaal 5.746,95 heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader(s) telkens wisten dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

in de zaak met parketnummer 18.075170.26

primair diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;

in de zaak met parketnummer 18.238075.22

1. medeplegen van witwassen,

2. medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd,

3. met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt gepleegd, een computerwachtwoord, toegangscode of een daarmee vergelijkbaar gegeven waardoor toegang kan worden verkregen tot een geautomatiseerd werk of een deel daarvan, verwerven, verspreiden en voorhanden hebben,

4. primair medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd, 6 primair medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het subsidiair ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18.075170.26 en het onder 1, 2, 3, 4 primair, 5 primair en 6 primair ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18.238075.22 wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 3 jaar en een taakstraf van 180 uur, te vervangen door 90 dagen hechtenis als verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, gepleit voor toepassing van het jeugdstrafrecht en oplegging van een werkstraf. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met de leeftijd van verdachte en de ontwikkelings-problematiek ten tijde van de feiten, de

huidige persoonlijke omstandigheden van verdachte en de forse overschrijding van de redelijke termijn.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van Reclassering Nederland, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich, al dan niet samen met anderen, schuldig gemaakt aan diefstal en het witwassen van ruim 23.000,-. Ook heeft hij lijsten met e-mailadressen en bijbehorende wachtwoorden in bezit gehad en doorgestuurd naar anderen om computervredebreuk mee te plegen. Door de diefstal is aan het slachtoffer financiële schade toegebracht van ruim

40.000,-. De diefstal is gepleegd met een door oplichting verkregen bankpas. Het slachtoffer heeft onder meer haar bankpas afgegeven in opdracht van een persoon die zich uitgaf als politieagent. Met die bankpas is vervolgens geld gepind en zijn luxe goederen gekocht. Van het vertrouwen van het slachtoffer is ernstig misbruik gemaakt, zoals zij ook ter terechtzitting heeft verklaard. De rechtbank rekent verdachte dit aan, evenals het witwassen. Door witwassen wordt de integriteit van het financiële en economische verkeer aangetast en meer specifiek het vertrouwen van de burger in het handelsverkeer. Witwassen is een ernstig strafbaar feit dat ondermijnend is voor de samenleving. Gelet op de ernst van deze feiten is in beginsel de oplegging van een aanzienlijke onvoorwaardelijke gevangenisstraf gerechtvaardigd.

Verdachte is in april 2026 veroordeeld voor onder meer oplichting, computervredebreuk en diefstal. Dit betekent dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van toepassing is. De rechtbank stelt verder vast dat in de zaak met parketnummer 18.238075.22 sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van meer dan vier jaar, uitgaande van de aanvang van de strafzaak op 18 december 2019, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. Met deze omstandigheden zal de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening houden.

Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met een proeftijd van 3 jaar en een maximale taakstraf opleggen van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis als verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht. Gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten, acht de rechtbank deze straf meer passend dan de straf die de officier van justitie heeft gevorderd, mede in aanmerking genomen dat de rechtbank in de zaak met parketnummer 18.075170.26, anders dan de officier van justitie, tot een veroordeling voor het primair ten laste gelegde komt.

De rechtbank ziet geen aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen (artikel 77c Sr). Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat uit het reclasseringsrapport niet is op te maken dat dit wordt geadviseerd. Verdachte was meerderjarig toen hij de bewezen verklaarde feiten pleegde en het uitgangspunt is dan dat het volwassenenstrafrecht wordt toegepast. Dit geldt temeer, nu verdachte ten tijde van deze uitspraak bijna 25 jaar oud is en er nauwelijks nog sprake is van pedagogische beïnvloeding.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank acht de in de zaak met parketnummer 18.238075.22 inbeslaggenomen telefoon vatbaar voor verbeurdverklaring nu met behulp van deze telefoon de in die zaak bewezen verklaarde feiten zijn begaan en deze telefoon toebehoort aan verdachte.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

ten aanzien van parketnummer 18.075170.26

1. [slachtoffer 1], tot een bedrag van 43.549,60 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, alsmede proceskosten ten bedrage van 39,-;

ten aanzien van parketnummer 18.238075.22

2. [ [slachtoffer 3], tot een bedrag van 1.081,50 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

2. [ [slachtoffer 5], tot een bedrag van 506,50 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

4. [ [slachtoffer 6], tot een bedrag van 1.450,- ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

4. [ [slachtoffer 8], tot een bedrag van 613,50 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

4. [ [slachtoffer 9], tot een bedrag van 1.500,- ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

4. [ [slachtoffer 12], tot een bedrag van 2.060,- ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] in de zaak met parketnummer 18.075150.26 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte verantwoordelijk is voor een deel van de vordering, te weten 10.000,-. De vordering moet voor dit bedrag worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Alle vorderingen in de zaak met parketnummer 18.238075.22 kunnen worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

Gelet op de door haar bepleite vrijspraak, heeft de raadsvrouw gesteld dat alle benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen moeten worden verklaard.

Oordeel van de rechtbank

in de zaak met parketnummer 18.075170.26

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden, voorzover deze schade ziet op het weggenomen geld. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde. De benadeelde partij heeft daarnaast een bedrag van 3.000,- gevorderd. Dit deel

ziet op de sieraden die zij heeft afgegeven.

Omdat een onderbouwing ontbreekt, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte van dit deel van de vordering te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal dit deel van de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De vordering zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van 40.549,60, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 29 oktober 2024.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachten deze al hebben betaald, en andersom.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedings-maatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op 39,-, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

in de zaak met parketnummer 18.238075.22

Met betrekking tot feit 2 hebben [slachtoffer 3], [slachtoffer 5], [slachtoffer 6],

[slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] zich als benadeelde partij gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat deze benadeelde partijen de gestelde schade hebben geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde. De vorderingen zullen daarom worden toegewezen, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Met betrekking tot feit 6 heeft [slachtoffer 12] zich als benadeelde partij gesteld. Ook ten aanzien van deze vordering is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

De rechtbank stelt vast dat verdachte de strafbare feiten samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachten deze al hebben betaald, en andersom.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedings-maatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36f, 47, 57, 63, 139d, 311 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 5 primair en 5 subsidiair in de zaak met parketnummer 18.238075.22 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18.075170.26 en het onder 1, 2, 3, 4 primair en 6 primair ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18.238075.22 bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen telefoon (GSM, omschrijving: G1219426).

Ten aanzien van parketnummer 18.075170.26:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 1] te betalen:

  • het bedrag van 40.549,60 (zegge: veertigduizend vijfhonderdnegenenveertig euro en zestig eurocent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 oktober 2024 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op 39,-.

Verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 40.549,60 (zegge: veertigduizend vijfhonderdnegenenveertig euro en zestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 192 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Ten aanzien van parketnummer 18.238075.22, feit 2:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 3] te betalen:

  • het bedrag van 1.081,50 (zegge: duizendeenentachtig euro en vijftig eurocent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 november 2019 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.081,50 (zegge: duizendeenentachtig euro en vijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 november 2019 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 10 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 5] te betalen:

  • het bedrag van 506,50 (zegge: vijfhonderdzes euro en vijftig eurocent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 november 2019 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 5] aan de Staat te betalen een bedrag van 506,50 (zegge: vijfhonderdzes euro en vijftig eurocent), vermeerderd met de

wettelijke rente vanaf 21 november 2019 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 5 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan

[slachtoffer 6] te betalen:

  • het bedrag van 1.450,- (zegge: veertienhonderdvijftig euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 november 2019 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 6] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.450,-(zegge: veertienhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 november 2019 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 14 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan

[slachtoffer 8] te betalen:

  • het bedrag van 613,50 (zegge: zeshonderddertien euro en vijftig eurocent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 november 2019 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 8] aan de Staat te betalen een bedrag van 613,50 (zegge: zeshonderddertien euro en vijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 november 2019 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 6 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 9] te betalen:

  • het bedrag van 1.500,- (zegge: vijftienhonderd euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 november 2019 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 9] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.500,-(zegge: vijftienhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 november 2019 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 15 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Ten aanzien van parketnummer 18.238075.22, feit 6:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 12] te betalen:

  • het bedrag van 2.060,- (zegge: tweeduizendzestig euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 november 2019 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 12] aan de Staat te betalen een bedrag van 2.060,-(zegge: tweeduizendzestig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 november 2019 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 20 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. de Ruijter, voorzitter, mr. M.S. van der Kuijl en

mr. C. Brouwer, rechters, bijgestaan door A.W. ten Have-Imminga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 augustus 2026.

Mr. De Ruijter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1. Tenzij anders vermeld zijn de in de voetnoten opgenomen bewijsmiddelen naar wettelijk voorschrift

opgemaakte processen-verbaal, afkomstig uit het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024319798, gesloten op 28 maart 2025.

2 aangifte + bijlage op pagina 62 e.v.

3 verhoor verdachte op pagina 274 e.v. en pagina 350 e.v.

4 bevindingen verbalisant + bijlage op pagina 436 e.v.

5 bevindingen verbalisant op pagina 136

6 bevindingen verbalisant + bijlage op pagina 219 e.v.

7 bevindingen verbalisant + bijlage op pagina 138 e.v.

8 bevindingen verbalisanten op pagina 122 e.v. en pagina 124 e.v.

9 verhoor verdachte op pagina 472 e.v.

10 bevindingen verbalisant op pagina 136

11 Tenzij anders vermeld zijn de in de voetnoten opgenomen bewijsmiddelen naar wettelijk voorschrift

opgemaakte processen-verbaal, afkomstig uit het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2019335331, gesloten op 1 augustus 2024.

12 aangifte op pagina 569 e.v.

13 aangifte op pagina 573 e.v.

14 aangifte op pagina 578 e.v.

15 aangifte op pagina 584 e.v.

16 aangifte op pagina 595 e.v.

17 aangifte op pagina 606 e.v.

18 aangifte op pagina 615 e.v.

19 aangifte op pagina 633 e.v.

20 bevindingen verbalisant + bijlage, pagina 602 e.v.

21 verhoor getuige op pagina 537 e.v.

22 bevindingen verbalisant, pagina 554 e.v.

23 aangifte op pagina 783 e.v.

24 aangifte op pagina 786 e.v.

25 bevindingen verbalisant + bijlage op pagina 773 e.v.

26 verhoor verdachte op pagina 827 e.v.

27 aangifte op pagina 791 e.v.

28 aangifte op pagina 906 e.v.

29 aangifte op pagina 914 e.v.

30 bevindingen verbalisant + bijlage op pagina 922 e.v.

31 verhoor verdachte op pagina 976 e.v.

32 bevindingen verbalisant + bijlage op pagina 890 e.v.

33 verklaring verdachte ter terechtzitting

34 bevindingen verbalisant op pagina 1219 e.v.

35 bevindingen verbalisant + bijlage, opgenomen in de aanvullende stukken, los gevoegd bij het dossier

36 bevindingen verbalisant + bijlage op pagina 1370 e.v.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.