Uitspraak · Materieel strafrecht

Rechtbank Noord-Nederland, 17 juli 2026

ECLI:NL:RBNNE:2026:2957Zaaknummer 18-096744-26

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
18-096744-26
Rechtsgebied
Strafrecht, Materieel strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig, Op tegenspraak
Zittingsplaats
Leeuwarden
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

De rechtbank in Leeuwarden veroordeelt verdachte voor het bezit van een vuurwapen, cocaïne en de handel in cocaïne gepleegd te Leeuwarden in de periode 1 april 2025 tot en met 30 maart 2026.

De rechtbank

Verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 8 (acht), niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 (twee) jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht bij reclassering

1. Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Veroordeelde houdt zich aan de regels die gelden binnen de meldplichtafspraken, ook als dit inhoudt dat veroordeelde meewerkt aan het doorlopen van de [methode]. Voor de eerste afspraak meldt veroordeelde zich binnen 5 werkdagen nadat hij in vrijheid is gesteld bij Verslavingszorg Noord Nederland op het adres [adres].

Ambulante behandeling

2. Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door GGZ Friesland en/of Verslavingszorg Noord Nederland of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start per eerstvolgend aanbod. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op het opstellen van diagnostiek en de daaruit voortkomende aandachtspunten, waaronder in ieder geval het versterken van de weerbaarheid.

Beheersing middelengebruik

3. Dat veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol, harddrugs en/of softdrugs. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

Ambulante begeleiding

4. Dat veroordeelde gedurende de proeftijd ambulant wordt begeleid door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de begeleiding nodig vindt. Veroordeelde werkt mee aan de regels en gedragingen die gelden binnen de begeleiding.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of

meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het

Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

een taakstraf voor de duur van 120 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan verdachte onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.F. Brouwer, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en

mr. H.C.L. Vreugdenhil, rechters, bijgestaan door mr. J.K. Qiu, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 juli 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Beoordeling van het bewijs
  2. Bewezenverklaring
  3. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
  4. Strafbaarheid van verdachte
  5. Strafmotivering
  6. Toepassing van wetsartikelen
  7. Uitspraak
  8. De rechtbank
  9. Meldplicht bij reclassering
  10. Ambulante behandeling
  11. Beheersing middelengebruik
  12. Ambulante begeleiding

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer: 18-096744-26

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 17 juli 2026 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats], wonende te [adres],

thans gedetineerd te [instelling].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 juli 2026.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.V. van Blitterswijk, advocaat te Rotterdam. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Janssens.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 30 maart 2026 te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden,

  • een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Zoraki, type M906-P, kaliber 7,65mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of
  • munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten negen, althans meerdere, kogelpatronen, merk/type Sellier & Bellot, kaliber 7,65mm, voorhanden heeft gehad;

2

hij op of omstreeks tussen 1 april 2025 tot en met 30 maart 2026 te Leeuwarden, althans in Nederland, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een (grote) hoeveelheid van een matriaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3

hij op of omstreeks 30 maart 2026 te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, opzettelijk aanwezig heeft gehad, 11,26 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft voor het ten laste gelegde onder 1 en 3 zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Zij heeft ten aanzien van het ten laste gelegde onder 2 betoogd dat bij een bewezenverklaring uit moet worden gegaan van een kortere dealperiode. Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat zijn eerdere verklaring dat “hij vanaf april/mei 2025 is begonnen met het dealen van harddrugs” niet klopt. Verdachte voelde zich tijdens het politieverhoor niet goed en lijkt te hebben gegokt wanneer hij met het dealen is begonnen. De bevindingen in het dossier wijzen enkel op een dealperiode beginnend vanaf september 2025, hetgeen past bij de ter terechtzitting afgelegde verklaring van verdachte dat hij na de zomer van 2025 is begonnen met de handel in harddrugs.

Het oordeel van de rechtbank

De dealperiode

De rechtbank gaat uit van de verklaring die verdachte tijdens het eerste politieverhoor op 30 maart 2026 heeft afgelegd. In dit verhoor heeft verdachte specifiek aangegeven dat hij “vóór de zomer van 2025, rond april/mei 2025” is begonnen met het dealen van harddrugs. Verdachte heeft deze verklaring op 2 april 2026 desgevraagd bij de rechter-commissaris gehandhaafd en hij heeft op 10 april 2025 bij het tweede politieverhoor verklaard nergens van terug te willen komen. Verdachte heeft dus tot tweemaal toe de gelegenheid gehad om zijn verklaring te wijzigen, maar is bij zijn eerste verklaring gebleven. De rechtbank zal desondanks in het voordeel van verdachte uitgaan van de latere maand die verdachte in zijn verklaring heeft genoemd als beginmoment van het dealen, te weten mei 2025.

Bewijsmiddelen

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

  • de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 3 juli 2026;
  • een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 maart 2026, opgenomen op pagina 8 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland in het onderzoek FOGO NN1R026017 d.d. 8 mei 2026, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant], [verbalisant], [verbalisant] en [verbalisant];
  • een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 maart 2026, opgenomen op pagina 17 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant];
  • een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 april 2026, opgenomen op pagina 62 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant];
  • een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek wapen d.d. 29 april 2026, opgenomen op pagina 68 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant];
  • een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 8 mei 2026, opgenomen op pagina 79 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant].

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde bewezen wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1

hij op 30 maart 2026 te Leeuwarden

  • een wapen van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool van het merk Zoraki, type M906-P, kaliber 7,65mm zijnde een vuurwapen en;
  • munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten negen kogelpatronen merk/type Sellier & Bellot, kaliber 7,65mm, voorhanden heeft gehad;

2

hij tussen 1 mei 2025 tot en met 30 maart 2026 te Leeuwarden opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd een hoeveelheid van een materiaal zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3

hij op 30 maart 2026 te Leeuwarden opzettelijk aanwezig heeft gehad 11,26 gram zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. de eendaadse samenloop van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet

wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III; en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

2. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

3. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden overeenkomstig het reclasseringsadvies.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor een straf die bij benadering gelijk is aan het duur van het voorarrest zodat verdachte niet nog veel langer moet vastzitten. Zij heeft voorts aangegeven dat een voorwaardelijke gevangenisstraf met reclasseringstoezicht op zijn plaats is en dat verdachte bereidwillig staat tegenover een eventuele taakstraf.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het reclasseringsadvies van 15 juni 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 1 april 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van het feit

Verdachte heeft zich gedurende een klein jaar puur uit winstbejag schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne: een voor de volksgezondheid schadelijke stof. Het gebruik van cocaïne leidt in veel gevallen tot ernstige verslavingsproblematiek en het plegen van verwervingscriminaliteit. Verdachte is een schakel geweest tussen de criminele drugsorganisaties en de gebruikers. Hij heeft hiermee bijgedragen aan het in stand houden van het drugscircuit dat geweld niet schuwt en de samenleving ernstig ondermijnt. Aan de andere kant lijkt hij slechts kleinschalig lijkt te hebben gehandeld. Zijn handel is niet opgevallen. Sterker nog: de politie had hem ook helemaal niet als drugsdealer in het vizier. Verdachte kwam pas bij de politie in beeld tijdens een ander onderzoek naar een ernstig geweldsincident. Daarnaast heeft verdachte een naar behoren functionerend vuurwapen in huis gehad met bijbehorende scherpe munitie. Naar eigen zeggen voor zijn eigen veiligheid, maar als er in de kringen waarin hij zich begaf een onveilige situatie zich zou hebben voorgedaan of een conflict was ontstaan, dan was het gebruik van dat wapen niet denkbeeldig. Anders gezegd, zon wapen heb je in je bezit om mee te schieten. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens werkt het plegen van ernstige geweldsdelicten in de hand en is een katalysator voor conflictescalatie. Daarmee is het bezit van een vuurwapen en munitie, ook al lagen die thuis, een ernstig feit en het is louter door het optreden van de politie dat het wapen uit de omloop is gehaald.

De persoon en de persoonlijke omstandigheden

De rechtbank heeft ook acht geslagen op het strafblad van verdachte. Verdachte is in de afgelopen vijf jaren niet eerder onherroepelijk veroordeeld voor soortgelijke feiten. Hij heeft daarnaast bij de politie en ook ter zitting, weliswaar niet met veel woorden, maar wel consequent, zich schuldbewust opgesteld en zijn verantwoordelijk genomen. Hij ziet zelf ook in dat zijn leven gekenmerkt door buitensporig drankgebruik, geen werk en de drugshandel op straat, moet veranderen. Met hulp van zijn vriendin en de reclassering wil hij daaraan gaan werken. De reclassering staat positief tegenover het opleggen van toezicht en ziet mogelijkheden om met een viertal voorwaarden hem te begeleiden: meldplicht, ambulante behandeling, beheersing middelengebruik en ambulante begeleiding. Verdachte heeft aangegeven zich aan die voorwaarden te willen houden.

De strafmaat

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf de landelijk gehanteerde oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht als vertrekpunt genomen. Voor het “voorhanden hebben

van een vuurwapen” en de “handel in harddrugs gedurende een periode van 6 tot 12 maanden” geldt als richtsnoer tezamen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden. Verdachte heeft zich schuldbewust opgesteld en een bekennende verklaring afgelegd. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de op te leggen straf te matigen. Daarnaast is gebleken dat verdachte slechts kleine hoeveelheden harddrugs verkocht en afleverde met wisselende regelmaat. Dit is evenzeer een omstandigheid die strafverlagend wordt meegewogen.

Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet veel langer moet zijn dan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank bepaalt het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf op vier maanden, hetgeen betekent dat hij binnen twee weken na de datum van de uitspraak op vrije voeten komt. Daarnaast volgt de rechtbank het advies van de reclassering om aan het voorwaardelijk strafdeel bijzondere voorwaarden te verbinden. De officier van justitie heeft een proeftijd van 3 jaren gevorderd, maar in zijn requisitoir niet onderbouwd waarom in dit geval de maximale proeftijd nodig is. De rechtbank heeft geen omstandigheden gezien waaruit die noodzaak kan worden afgeleid. Het voorwaardelijke strafdeel zal daarom worden bepaald op 8 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

Hoewel een taakstraf doorgaans bij een veroordeling voor drugshandel en het bezit van een vuurwapen niet snel in beeld komt, ziet de rechtbank in deze zaak reden om tot oplegging daarvan over te gaan. Met een taakstraf beoogt de rechtbank, naast bestraffing, ook aan verdachte de benodigde structuur te bieden als hij weer in vrijheid wordt gesteld.

De rechtbank acht om bovengenoemde redenen de volgende straf passend en geboden:

- een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een

proeftijd van 2 jaren;

- aan het voorwaardelijke strafdeel worden de bijzondere voorwaarden verbonden overeenkomstig het

reclasseringsadvies;

- een taakstraf voor de duur van 120 uren.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 55 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 8 (acht), niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 (twee) jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht bij reclassering

1. Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Veroordeelde houdt zich aan de regels die gelden binnen de meldplichtafspraken, ook als dit inhoudt dat veroordeelde meewerkt aan het doorlopen van de [methode]. Voor de eerste afspraak meldt veroordeelde zich binnen 5 werkdagen nadat hij in vrijheid is gesteld bij Verslavingszorg Noord Nederland op het adres [adres].

Ambulante behandeling

2. Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door GGZ Friesland en/of Verslavingszorg Noord Nederland of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start per eerstvolgend aanbod. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op het opstellen van diagnostiek en de daaruit voortkomende aandachtspunten, waaronder in ieder geval het versterken van de weerbaarheid.

Beheersing middelengebruik

3. Dat veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol, harddrugs en/of softdrugs. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

Ambulante begeleiding

4. Dat veroordeelde gedurende de proeftijd ambulant wordt begeleid door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de begeleiding nodig vindt. Veroordeelde werkt mee aan de regels en gedragingen die gelden binnen de begeleiding.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of

meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het

Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

een taakstraf voor de duur van 120 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan verdachte onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.F. Brouwer, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en

mr. H.C.L. Vreugdenhil, rechters, bijgestaan door mr. J.K. Qiu, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 juli 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.