Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Noord-Holland, 21 oktober 2026

ECLI:NL:RBNHO:2026:14341Zaaknummer K/4101/11991422

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21 oktober 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
K/4101/11991422
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Alkmaar
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Kredietverstrekker vordert van consument terugbetaling van de volledige lening en rente op grond van een consumentenkredietovereenkomst. De kantonrechter oordeelt dat de kredietverstrekker niet heeft voldaan aan de informatieplicht zoals bedoeld in artikel 7:60 BW en vernietigt de kredietovereenkomst. Een deel van de vordering wordt toegewezen op grond van onverschuldigde betaling.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan Bondora te betalen een bedrag van € 7.358,20,

5.2.

compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen proceskosten draagt,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.D.M. Hazeu en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het geschil
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Alkmaar

Zaaknummer: 11991422 \ CV EXPL 25-4597

Vonnis van 21 oktober 2026 (rvk)

in de zaak van

de rechtspersoon naar buitenlands recht Estland Bondora AS,

te Tallin, Estland,

eisende partij,

hierna te noemen: Bondora,

gemachtigde: Inkassier,

tegen

[gedaagde],

te [woonplaats],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

procederend in persoon.

De zaak in het kort

Kredietverstrekker vordert van consument terugbetaling van de volledige lening en rente op grond van een consumentenkredietovereenkomst. De kantonrechter oordeelt dat de kredietverstrekker niet heeft voldaan aan de informatieplicht zoals bedoeld in artikel 7:60 BW en vernietigt de kredietovereenkomst. Een deel van de vordering wordt toegewezen op grond van onverschuldigde betaling.

1 De procedure

1.1.

Bondora heeft bij dagvaarding van 25 november 2025 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft mondeling geantwoord.

1.2.

Op 25 september 2026 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat Bondora ter toelichting van haar standpunten naar voren heeft gebracht. [gedaagde] is - zonder bericht - niet op de zitting verschenen.

2 De feiten

2.1.

Op 22 oktober 2023 is online een krediet aangevraagd bij Bondora. In de aanvraag staat [gedaagde] als aanvrager van het krediet vermeld. Bondora heeft een bedrag van € 7.488,- overgemaakt naar het opgegeven bankrekeningnummer.

2.2.

Bondora heeft [gedaagde] in een e-mail van 27 februari 2024 aangemaand om een bedrag van € 665,67 te betalen en aangezegd dat als [gedaagde] dit bedrag niet binnen 30 dagen betaalt, de gehele lening inclusief rente opeisbaar wordt.

2.3.

Op 27 maart 2024 heeft Bondora de kredietovereenkomst per e-mail opgezegd en aanspraak gemaakt op een totaal te betalen bedrag van € 7.723,89, bestaande uit ‘de hoofdsom van de lening, het rentebedrag en eventuele incassokosten’.

2.4.

[gedaagde] heeft niet betaald en is op 25 november 2025 door Bondora gedagvaard.

3 Het geschil

3.1.

Bondora vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 8.746,39. Dit bedrag bestaat uit een hoofdsom van € 7.715,95 en € 1.030,44 aan vertragingsrente tot en met 8 oktober 2025. Bondora vordert ook de vertragingsrente over de hoofdsom vanaf 8 oktober 2025 tot aan de dag van betaling.

3.2.

De hoofdsom is als volgt opgebouwd:

krediet (resterend): € 7.358,20

rente op de niet betaalde maandtermijnen

(voor opeising): € 221,63

administratiekosten (resterend): € 24,20

aanvullende dienst ‘B on track’: € 11,96

aanvullende dienst ‘B Secure’: € 59,96

aanvullende dienst ‘B Secure +’: € 40,00

Totaal: € 7.715,95

3.3.

Bondora legt primair aan haar vordering ten grondslag, nakoming van de betalingsverplichting uit de kredietovereenkomst en de drie overeenkomsten voor aanvullende diensten. Subsidiair legt Bondora aan de vordering ten grondslag dat het totaalbedrag dat is uitgeleend en het totaalbedrag dat in rekening is gebracht voor de aanvullende diensten onverschuldigd is betaald door Bondora.

3.4.

[gedaagde] voert verweer. Hij heeft geen overeenkomst met Bondora gesloten. Hij is niet bekend met Bondora en hij vermoedt dat zijn voormalige partner de overeenkomst met Bondora op zijn naam heeft afgesloten, daarbij misbruik makend van zijn paspoort.

4 De beoordeling

De kantonrechter is bevoegd en Nederlands recht is van toepassing

4.1.

Bondora is gevestigd in Estland en de procedure draagt daarom een internationaal karakter. De kantonrechter dient allereerst te beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is van deze vordering kennis te nemen. De vordering van Bondora is gebaseerd op de tussen partijen gesloten kredietovereenkomst. In artikel 16.3 van de op deze kredietovereenkomst toepasselijke algemene voorwaarden is bepaald dat de rechtbanken van Estland ‘niet-exclusief’ bevoegd zijn. Deze bepaling sluit de bevoegdheid van de Nederlandse rechter dus niet uit. De kantonrechter ontleent zijn bevoegdheid aan artikel 4 lid 1 herschikte EEX Verordening (EU) nr. 1215/2012, aangezien [gedaagde] is opgeroepen voor het gerecht van de lidstaat waarin hij woonplaats heeft. Gelet op de woonplaats van [gedaagde] is de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar bevoegd van de vordering kennis te nemen.

4.2.

Met betrekking tot het toepasselijke recht overweegt de kantonrechter als volgt. Op grond van artikel 3 Rome I Verordening (EG) 593/2008 (hierna: Rome I) wordt de overeenkomst beheerst door het recht dat partijen hebben gekozen. In artikel 16.1 van de algemene voorwaarden is een rechtskeuze opgenomen voor de wetgeving van de Republiek Estland. De kredietovereenkomst kwalificeert echter als een consumentenovereenkomst, want is aangegaan tussen Bondora als handelaar en [gedaagde] als consument. Artikel 6 lid 2 Rome I bepaalt dat een rechtskeuze er niet toe mag leiden dat de consument de bescherming verliest welke hij geniet op grond van bepalingen waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken volgens het Nederlandse recht. Op grond van lid 1 van artikel 6 Rome I zou het Nederlands recht namelijk van toepassing zijn geweest op de kredietovereenkomst als geen rechtskeuze was gemaakt.

Moet [gedaagde] een lening met rente en bijkomende kosten terugbetalen?

4.3.

Beoordeeld moet worden of [gedaagde] op grond van een kredietovereenkomst een bedrag van € 8.388,12 moet betalen. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] wel het aan hem (resterende) uitgeleende bedrag moet terugbetalen, maar niet de rente, de administratiekosten en de kosten voor aanvullende diensten. Dit oordeel wordt hieronder toegelicht.

4.4.

[gedaagde] is, ondanks dat hij behoorlijk is opgeroepen, niet op de zitting verschenen. [gedaagde] heeft dus geen vragen van de kantonrechter kunnen beantwoorden of inlichtingen kunnen geven. Ook heeft hij de nadere toelichting van Bondora niet weersproken. Dat komt voor rekening en risico van [gedaagde]. De kantonrechter verbindt daaraan ook het gevolg dat [gedaagde] de nadere toelichting van Bondora niet heeft betwist, zodat de stellingen in die toelichting voor juist worden gehouden. Dit heeft tot gevolg dat als vaststaand wordt aangenomen dat [gedaagde] een kredietovereenkomst met Bondora heeft gesloten en daarbij ook bijkomende diensten heeft afgenomen. Het verweer van [gedaagde] dat hij de overeenkomst niet heeft gesloten, maar dat zijn voormalige partner hier achter zit, wordt dus niet voor juist gehouden. [gedaagde] heeft dat verweer onvoldoende toegelicht en hij heeft ook niet uitgelegd hoe het kan dat hij zijn paspoort in mei 2023 kwijt was terwijl de kredietovereenkomst in oktober 2023 is afgesloten. De kantonrechter gaat er dus vanuit dat [gedaagde] de lening heeft afgesloten en ook dat [gedaagde] het krediet op zijn bankrekening heeft ontvangen.

4.5.

Dit zou in beginsel betekenen dat de vordering van Bondora moet worden toegewezen. In dit geval is echter sprake van een overeenkomst tussen een handelaar en een consument die buiten de verkoopruimte is gesloten. Dat heeft tot gevolg dat de wettelijke bepalingen over consumentenkredieten in titel 2A van Boek 7 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en artikel 4:34 Wet financieel toezicht (hierna: Wft) van toepassing zijn. Deze bepalingen zijn van (semi)dwingend recht. De kantonrechter zal de vordering van Bondora daarom ambtshalve toetsen aan deze (semi)dwingende bepalingen.[_4fc9ae65-0511-4313-9291-04eda7ee50d1]

(Pre)contractuele verplichtingen ex artikel 7:60 BW

4.6.

De kantonrechter dient te beoordelen of Bondora geruime tijd vóór het sluiten van de kredietovereenkomst, de op grond van de wet vereiste informatie aan [gedaagde] heeft verstrekt.[_a9a0f12e-0795-4b79-a23a-c888eb60f59d] De kantonrechter is van oordeel dat niet aan deze informatieplicht is voldaan en licht dit als volgt toe.

4.7.

Artikel 7:60 BW schrijft voor dat de consument tijdig en volledig geïnformeerd moet worden. Als uitgangspunt geldt dat de kredietverstrekker ervoor moet zorgen dat de consument in staat is om op basis van duidelijke, begrijpelijke criteria de economische gevolgen te beoordelen van de overeenkomst.[_c79eda3d-6733-41b8-a869-4ffd80697ce6] Wat onder ‘geruime tijd’ wordt verstaan, moet van geval tot geval beoordeeld worden. In de rechtspraak is echter bepaald dat onder geruime tijd niet wordt verstaan, het overhandigen van de precontractuele informatie op de dag waarop de kredietovereenkomst wordt gesloten.[_70d51112-b108-48d4-af86-11772d5e4ac3] Het is aan Bondora om gemotiveerd en onderbouwd te stellen dat aan deze informatieplicht is voldaan.

4.8.

Bondora heeft toegelicht hoe een kredietovereenkomst met haar in een online omgeving tot stand komt. Daaruit volgt dat de door haar te verstrekken informatie voor [gedaagde] zichtbaar werd op het moment waarop hem een aanbod is gedaan door Bondora. De volgende stap in het online-proces is dat [gedaagde] het aanbod accepteert door middel van een digitale ondertekening. Op dat moment is de overeenkomst tot stand gekomen. Dat het hele proces erop is gericht om zo snel mogelijk een kredietovereenkomst tot stand te brengen, volgt ook uit de tekst op het online bestelformulier: ‘Hallo! Ik ben Bondora, en ik ga je een lening helpen te krijgen in slechts enkele eenvoudige stappen. Het duurt maar een paar minuten!’.

4.9.

Uit de toelichting in de dagvaarding en de overgelegde printscreens blijkt dus niet dat de betreffende informatie geruime tijd vóór het sluiten van de kredietovereenkomst is verstrekt of dat [gedaagde] enige tijd heeft gekregen om een weloverwogen besluit te nemen.

4.10.

Bondora heeft tijdens de zitting ook geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat is voldaan aan de eis dat de verplichte informatie geruime tijd voor het aangaan van de overeenkomst aan [gedaagde] is verstrekt. Bondora heeft daarentegen bevestigd dat het proces snel gaat; binnen enkele minuten is het aanvraagproces doorlopen en kan het krediet zijn toegekend en overgemaakt.

4.11.

De kantonrechter oordeelt op basis hiervan dat de precontractuele informatie niet geruime tijd voor het sluiten van de kredietovereenkomst is overhandigd, maar op dezelfde dag, en dat Bondora daarmee niet heeft voldaan aan (de doelstelling van) artikel 7:60 BW. Artikel 7:60 lid 3 BW bepaalt dat Bondora daarmee een oneerlijke handelspraktijk als bedoeld in artikel 6:193b BW heeft verricht.

Vernietiging van de kredietovereenkomst

4.12.

Artikel 7:60 BW is een omzetting van de Richtlijn Consumentenkrediet 2008/48/EU. Nationale consument-beschermende bepalingen die voortvloeien uit Europese richtlijnen, moeten gelijkgesteld worden aan regels die naar nationaal recht van openbare orde zijn. Dat betekent dat, nu artikel 7:60 BW niet is nageleefd, niet is voldaan aan een regel van openbare orde die zich richt op de bescherming van de consument.

De kantonrechter vernietigt daarom ambtshalve de kredietovereenkomst op grond van artikel 3:40 lid 2 BW.

4.13.

Als gevolg van deze vernietiging van de kredietovereenkomst, kan de vordering van Bondora niet worden toegewezen op grond van nakoming van de kredietovereenkomst.

Aan de beoordeling van de kredietwaardigheidstoets in artikel 4:34 Wft komt de kantonrechter niet meer toe.

Overeenkomsten aanvullende diensten

4.14.

De drie overeenkomsten die zien op de aanvullende diensten, zijn naar het oordeel van de kantonrechter niet los te zien van de kredietovereenkomst. De drie overeenkomsten worden in hetzelfde onlineproces aangegaan als de kredietovereenkomst. Met de vernietiging van de kredietovereenkomst, komt daarom ook de grondslag voor de betaling van de maandelijkse vergoedingen uit hoofde van de aanvullende diensten te vervallen.

Subsidiaire grondslag: onverschuldigde betaling

4.15.

Voor het geval de overeenkomsten zouden worden vernietigd, heeft Bondora subsidiair aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij recht heeft op terugbetaling van de aan [gedaagde] geleende bedragen en op de vergoeding van de aanvullende diensten op grond van onverschuldigde betaling. Op dat punt krijgt Bondora deels gelijk.

4.16.

Op grond van artikel 3:53 BW juncto artikel 6:203 BW moet [gedaagde] bij vernietiging van de overeenkomst in beginsel het geleende geld dat aan hem is uitgekeerd (zonder rentevergoeding en kosten) terugbetalen aan Bondora. Bondora moet de al door [gedaagde] betaalde aflossingen en rente terugbetalen aan [gedaagde]. Bondora moet daarnaast de door [gedaagde] betaalde maandelijkse vergoedingen voor de aanvullende diensten terugbetalen.

4.17.

Het staat vast dat Bondora een bedrag van € 7.488,- aan [gedaagde] heeft betaald. In de totale kredietsom van € 7.488,- zijn namelijk de contractkosten van € 288,- meegefinancierd. Bondora heeft op de zitting bevestigd dat [gedaagde] één aflossingstermijn van € 129,80 heeft betaald en zij verwijst daarbij naar het resterende leenbedrag dat wordt gevorderd uit hoofde van de kredietovereenkomst. Op grond van deze verklaring en op basis van het overgelegde betaalschema, komt het toe te wijzen bedrag uit op € 7.358,20.

4.18.

Voor wat betreft het gevorderde bedrag voor de verleende diensten (in totaal: € 111,92) heeft Bondora uitsluitend aangevoerd dat dit het totaalbedrag is van wat voor de verleende diensten in rekening is gebracht. Voor zover Bondora een beroep doet op artikel 6:203 lid 3 BW, namelijk dat Bondora een prestatie van andere aard dan een betaling van een geldsom heeft verricht, heeft Bondora onvoldoende gesteld om deze vordering toe te wijzen. Dit bedrag zal daarom worden afgewezen. De verder gevorderde bedragen aan rente en kosten zoals weergegeven in r.o. 3.2 zullen eveneens worden afgewezen.

Vertragingsrente

4.19.

De gevorderde contractuele vertragingsrente zal wordt afgewezen omdat de kredietovereenkomst wordt vernietigd en Bondora dus geen aanspraak toekomt op deze contractuele vertragingsrente.

Proceskosten

4.20.

De uitkomst van de procedure geeft aanleiding om de proceskosten te compenseren. Dit houdt in dat iedere partij zijn eigen proceskosten draagt.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan Bondora te betalen een bedrag van € 7.358,20,

5.2.

compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen proceskosten draagt,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.D.M. Hazeu en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026.

Voetnoten

  1. Vgl. Hof van Justitie EU 16 november 20210, C-76/10, ECLI:EU:C:2010:685 en Hoge Raad 12 februari 2016, ECLI:HR:2016:23
  2. Artikel 7:60 BW en artikel 5 en 6 van de Richtlijn Consumentenkrediet 2008/48
  3. Hof van Justitie EU 23 april 2025, ECLI:EU:C:2015:262, par. 41 (Van Hove)
  4. Hof Arnhem-Leeuwarden 9 juli 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:5655

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.