Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 23 juni 2026

ECLI:NL:RBDHA:2026:30868Zaaknummer NL25.50773 en NL25.50775

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
NL25.50773 en NL25.50775
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening+bodemzaak
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Regulier; verblijfsvergunning voor verblijf bij ex-partner ingetrokken; aanvraag voor verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen en/of verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd afgewezen; procesbelang vanwege verblijfsgat; niet ambtshalve vaststellen of eiser rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8 van het EVRM tijdens het verblijfsgat; eiser valt niet onder de werking van besluit 1/80; geen vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf dus mocht de aanvraag worden afgewezen; belangen van het kind; verweerder mocht afzien van horen; beroep is ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
  2. Inleiding
  3. Beoordeling door de rechtbank
  4. Beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: NL25.50773 en NL25.50775

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. H. Uzumcu),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning en afwijzing van zijn aanvraag, en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.

1.1.

Verweerder heeft met het besluit van 17 april 2025 de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht ingetrokken en de aanvraag afgewezen. Met het bestreden besluit van 25 september 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

1.2.

De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde. Verweerder is met bericht vooraf niet ter zitting verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1984 en heeft de Turkse nationaliteit. Eiser is op 12 maart 2021 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie-of gezinslid’ bij zijn inmiddels ex-partner, [naam 1]. Eiser heeft op 25 oktober 2024 een aanvraag ingediend voor een ‘EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen’ en/of een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd.

2.1.

Verweerder heeft met het bestreden besluit de verblijfsvergunning van eiser voor verblijf bij zijn ex-partner met terugwerkende kracht ingetrokken vanaf 8 januari 2024, omdat eiser vanaf dat moment niet meer voldeed aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend. Eiser woont volgens de BRP[_79248aee-7363-4353-b1c5-3f30829cafe0] immers sinds 8 januari 2024 op een ander adres dat zijn ex-partner.

2.2.

Verweerder heeft met het bestreden besluit ook de aanvraag van eiser afgewezen, omdat eiser door de intrekking geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland en daardoor niet aan de voorwaarde voldoet dat hij vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig in Nederland verblijft.[_a89fee8c-a310-49e4-82c3-c4e48c28af99] Ook voldoet eiser volgens verweerder niet aan het middelenvereiste.

3. Eiser beschikt inmiddels met ingang van 3 december 2025 over een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking ‘Verblijf als familie- of gezinslid’. Hij heeft op basis daarvan rechtmatig verblijf bij zijn nieuwe partner, [naam 2].

Wat vindt eiser in beroep?

4. Eiser is het niet eens met de intrekking van zijn verblijfsvergunning met terugwerkende kracht. In de beroepsgronden heeft eiser aangevoerd dat hij onder het toepassingsbereik van Besluit 1/80 valt en de intrekking met terugwerkende kracht een nieuwe beperking vormt en dat is in strijd met de standstill-bepaling van artikel 13 van Besluit nr. 1/80. Dat de relatie tussen eiser en zijn ex-partner is verbroken en dat zij niet langer woonachtig zijn op hetzelfde adres, maakt niet dat er sprake is van een schijnrelatie en het niet doorgeven van de gewijzigde situatie is geen frauduleuze omstandigheid op grond waarvan het verblijf met terugwerkende kracht ingetrokken kan worden. Eiser heeft ook geen onjuiste gegevens verstrekt of gegevens achtergehouden en daarmee dus niet frauduleus gehandeld. Daarnaast heeft verweerder geen evenwichtige belangenafweging gemaakt. Eiser neemt actief deel aan en is onderdeel van de Nederlandse maatschappij. Hij heeft geen banden meer met zijn thuisland. Het bestreden besluit is in strijd met eisers recht op privé- en familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM[_0c2b206f-5bfa-4d8e-bb25-7d67fdc6e3e4]. Ten onrechte zijn daarnaast de belangen van de minderjarige zoon van eiser, [naam minderjarige], niet betrokken in de belangenafweging. Ook is het bestreden besluit in strijd met het IVRK[_9a9b2db6-59f9-4530-aeb6-2d835b6642ab]. Op 24 november 2025 heeft eiser ook een kind gekregen met zijn nieuwe partner, [naam 2]. Eiser voldoet ten aanzien van dat kind aan de eisen die voortvloeien uit het arrest Chavez-Vilchez. Tot slot is eiser ten onrechte niet gehoord voorafgaand aan het bestreden besluit.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5. Eiser beschikt sinds 3 december 2025 over een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd bij zijn nieuwe partner, daarom beoordeelt de rechter eerst of eiser nog procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.

5.1.

Eiser wijst er terecht op dat er door de intrekking van eisers verblijfsvergunning met terugwerkende kracht een verblijfsgat is ontstaan, omdat de opbouw van eisers langdurig verblijf daardoor is verbroken vloeit daaruit een procesbelang voort. Op zitting heeft eiser ook aangevoerd dat er procesbelang is omdat het terugkeerbesluit niet is ingetrokken. Ten aanzien daarvan overweegt de rechtbank dat het terugkeerbesluit van rechtswege is komen te vervallen op het moment dat eiser in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning. Een terugkeerbesluit geldt namelijk alleen jegens vreemdelingen die niet of niet langer rechtmatig verblijf hebben. Het procesbelang vloeit dus niet voort uit dit laatste.

6. De rechtbank is verder van oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is, dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

6.1.

Op zitting heeft eiser aangevoerd dat verweerder ambtshalve had moeten vaststellen of eiser op grond van zijn familie- en privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM verblijfsrecht had tijdens het verblijfsgat. De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond niet kan slagen. Eiser heeft niet uit eigen beweging aan verweerder doorgegeven dat zijn relatie met zijn ex-partner was geëindigd, terwijl hij hiertoe wel verplicht was. Bovendien heeft eiser zelf de aanvraag voor verblijf bij zijn nieuwe partner pas ingediend op 4 mei 2025. Er rust op verweerder geen verplichting om onderzoek te doen naar de nieuwe relatie van eiser nog voordat een aanvraag is ingediend. Bovendien heeft verweerder in de intrekkingsprocedure beoordeeld of de intrekking in strijd is met artikel 8 EVRM en is terecht tot het oordeel gekomen dat hier geen sprake van was.

6.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de verblijfsvergunning van eiser voor verblijf bij zijn ex-partner met terugwerkende kracht heeft mogen intrekken. Verweerder heeft kunnen concluderen dat eiser per 8 januari 2024 niet meer aan de voorwaarden daarvan voldeed. Eiser heeft ook niet bestreden dat de relatie met [naam 1] is beëindigd. Uit hetgeen eiser naar voren heeft gebracht blijkt daarbij niet dat eiser één jaar heeft gewerkt in dienstverband en ook niet dat hij reële en daadwerkelijke arbeid verricht, daarom valt eiser niet onder de werking van Besluit 1/80. Eiser kan dus geen beroep doen op de standstill-bepaling in artikel 13 van Besluit 1/80.

6.3.

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder eisers aanvraag voor een ‘EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen’ en/of een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd heeft mogen afwijzen, omdat eiser geen vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf heeft gehad. Eiser had tussen 8 januari 2024 en 3 december 2025 namelijk geen rechtmatig verblijf.

6.4.

Naar het oordeel van de rechtbank is daarnaast gesteld noch gebleken waarom het bestreden besluit de belangen van het kind schendt. Daarbij kunnen de belangen van het kind in de procedure die loopt tegen het intrekken van de verblijfsvergunning van het kind aan de orde komen.

6.5.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser niet had hoeven horen. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden.[_84a7a079-5d77-4fff-a743-6bccaaf5fe8b] Daarbij licht eiser niet nader toe waarover hij in het gehoor zou kunnen verklaren. Verweerder heeft op grond van wat naar voren is gebracht in bezwaar redelijkerwijs kunnen concluderen dat het bezwaar niet tot een andere uitkomst kon leiden. Verweerder heeft daarom van het horen in de bezwaarfase mogen afzien.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.

8. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit[_6332db21-f050-4fab-8cf7-b197b56bdbe7].

9. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

  1. Basisregistratie Personen.
  2. Artikelen 21 en 45b Vw.
  3. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
  4. Verdrag inzake de rechten van het kind.
  5. Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
  6. Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.