Conclusie · Arbeidsrecht

Parket bij de Hoge Raad, 23 oktober 2026

ECLI:NL:PHR:2026:1016Zaaknummer 26/00209

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23 oktober 2026
Publicatiedatum
29 oktober 2026
Zaaknummer
26/00209
Rechtsgebied
Civiel recht, Arbeidsrecht
Soort
Conclusie

Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Beëindiging exploitatie van een hotel. Raadplegingsplicht bij collectief ontslag geschonden (art. 3 WMCO)? Omvang van billijke vergoeding in dit verband (art. 7 lid 2 WMCO)? Vervaltermijn voor deze billijke vergoeding verstreken (art. 7 lid 3 WMCO)? Adviesrecht personeelsvergadering in acht genomen (art. 35b WOR)? Toepassing van het Allerzorg-arrest (ECLI:NL:HR:2022:1058).

5 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 [werkneemster 1]
  2. 1 Inleiding en samenvatting
  3. 2 Feiten
  4. 3 Procesverloop
  5. 4 Bespreking van het cassatiemiddel
  6. 5 Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 26/00209

Zitting 23 oktober 2026

CONCLUSIE

R.H. de Bock

In de zaak

Hotel Park Meerendonk B.V.

advocaat: mr. M.B.A. Alkema

tegen

1 [werkneemster 1]

2. [werkneemster 2]

3. [werknemer 3]

advocaat: mr. H.J.W. Alt

1 Inleiding en samenvatting

1.1

HPM heeft de arbeidsovereenkomsten van verweerders in cassatie (hierna: Werknemers), die werkzaam waren voor het door haar geëxploiteerde Mövenpick Hotel Den Bosch, met toestemming van het UWV opgezegd wegens bedrijfseconomische redenen, namelijk volledige bedrijfssluiting van het hotel (de a-grond). HPM heeft via een activa-transactie de huurovereenkomst van het pand waarin het hotel gevestigd was, overgedragen aan een andere exploitant. Door deze andere exploitant werd met de gemeente ’s-Hertogenbosch overeengekomen dat voor een periode van drie jaar asielzoekers en statushouders in het pand worden gehuisvest waarbij het pand zou worden onderverhuurd aan het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA).

1.2

Werknemers hebben het ontslag aangevochten en gesteld dat HPM niet heeft voldaan aan de verplichting tot melding en raadgeving die geldt bij een voorgenomen collectief ontslag (art. 3 lid 1 Wet Melding Collectief Ontslag, WMCO). Op die grond hebben Werknemers onder meer verzocht om een billijke vergoeding (art. 7 lid 2 WMCO). Na een afwijzende beslissing door de kantonrechter heeft het hof het verzoek om een billijke vergoeding toegewezen. Volgens het hof had HPM voorafgaand aan het ondertekenen van de overeenkomst met de nieuwe exploitant aan de meldingsverplichting moeten voldoen en heeft zij ernstig verwijtbaar gehandeld door dit na te laten. Bij de berekening van de billijke vergoeding heeft het hof aansluiting gezocht bij de gezichtspunten uit de New Hairstyle-beschikking. Ook heeft het hof daarbij betrokken dat HPM in de aanloop naar de volledige bedrijfssluiting behalve de meldingsplicht uit de WMCO ook art. 35b lid 5 Wet op de Ondernemingsraden (WOR) heeft geschonden.

1.3

De hiertegen gerichte cassatieklachten van HPM slagen m.i. niet. Dat geldt ook voor de klacht dat de vervaltermijn van art. 7 lid 3 WMCO zou zijn verstreken.

2 Feiten

2.1

In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.[_d89ad6f7-fae1-4280-82b8-5f6dae639747]

2.2

[werkneemster 1], geboren in 1972, is op 1 november 1996 bij Hotel Park Meerendonk B.V. (HPM) in dienst getreden. Laatstelijk betrof het een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De functie van [werkneemster 1] was front office manager. Het salaris bedroeg laatstelijk € 3.795,06 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag, nachttoeslag en bonus.

2.3

[werkneemster 2], geboren in 1982, had laatstelijk een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met HPM. Partijen verschillen van mening over de datum van indiensttreding: 1 november 2003 (volgens [werkneemster 2]) dan wel 1 februari 2007 (volgens HPM). De functie van [werkneemster 2] was sales en marketing manager. Het salaris bedroeg laatstelijk € 1.999,03 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag, nachttoeslag en bonus.

2.4

[werknemer 3], geboren in 1968, is op 1 juni 2002 bij HPM in dienst getreden. Laatstelijk betrof het een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De functie van [werknemer 3] was general manager. Het salaris bedroeg laatstelijk € 7.353,55 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag en bonus.

2.5

HPM heeft tot 1 januari 2024 het Mövenpick Hotel ’s-Hertogenbosch (Mövenpick Den Bosch) geëxploiteerd. Het gebouw werd door HPM gehuurd. Werknemers verrichtten hun werkzaamheden in het hotel.

2.6

Enig aandeelhouder van HPM is Hotel Park Handelskade B.V. (HPH), die de hotels Mövenpick Amsterdam en Mövenpick Den Haag exploiteert. Directeur van HPH is [betrokkene 1] ( [betrokkene 1] ).

2.7

Op 7 december 2023 is Hotel Pettelaar Den Bosch Exploitatie B.V. (Hotel Pettelaar) opgericht.

2.8

HPM[_0854f234-d0a5-4e1f-b626-c83ee4ae4319] is in het laatste kwartaal van 2023 met onder meer Hotel Pettelaar in gesprek gegaan over een mogelijke overname van Mövenpick Den Bosch. In de tweede helft van oktober 2023 heeft HPM voor het eerst vernomen van de mogelijkheid dat Mövenpick Den Bosch zou worden overgenomen door Hotel Pettelaar. Op zaterdag 28 oktober 2023 heeft [betrokkene 2] ( [betrokkene 2] ), partner en middellijk aandeelhouder in en van Hotel Pettelaar, [werknemer 3] geïnformeerd over de voorgenomen overname van de exploitatie en huisvesting van asielzoekers en statushouders door Hotel Pettelaar. [werknemer 3] heeft vanaf dat moment tot na het ondertekenen van de overeenkomst verschillende keren vragen gesteld om duidelijkheid te krijgen over de consequenties van de voorgenomen transactie. Op grond van een tussen Hotel Pettelaar en het COA te sluiten – en daadwerkelijk gesloten – overeenkomst zouden voor een periode van drie jaar asielzoekers en statushouders in het hotel worden gehuisvest.

2.9

Op 30 oktober 2023 heeft een bijeenkomst met alle werknemers van HPM plaatsgevonden om hen over de voorgenomen transactie te informeren. Ook op 30 oktober 2023 hebben alle werknemers een brief ontvangen met de volgende inhoud:

“Beste collega,

Vanmiddag heeft er een all employee meeting plaatsgevonden in het Mövenpick Hotel 's- Hertogenbosch. Tijdens deze bijeenkomst heeft [betrokkene 1] medegedeeld dat het hotel medio januari 2024 een opvanglocatie gaat worden voor asielzoekers.

Het Mövenpick Hotel in 's-Hertogenbosch past al langere tijd niet meer in het HR-Group portfolio. Om het in de toekomst voor langere tijd rendabel te exploiteren is een rigoreuze renovatie nodig. Geruime tijd zijn de pandeigenaar en de HR-Group aan het kijken voor de juiste invulling. Dit soort bouwtrajecten nemen veel tijd in beslag waarbij ook grondig overleg met de gemeente heeft plaatsgevonden.

Tijdens de gesprekken met de gemeente 's-Hertogenbosch is er een dwingende wens naar voren gekomen om in de tussenliggende periode (drie jaar) vluchtingen onderdak te bieden. De HR-Group heeft hier gehoor aan gegeven. Dit betekent dat het hotel een opvanglocatie gaat worden voor asielzoekers. Hierbij behoudt het hotel zijn hotelfunctie en worden de reguliere gasten vervangen door vluchtelingen.

Wat houdt dit in voor jullie als medewerkers? Voor deze tussenliggende periode zal de naam Mövenpick verdwijnen maar alle rechten, plichten en ancieniteit zullen worden overgenomen. Kortom, jullie behouden jullie baan met de nu geldende arbeidsvoorwaarden.

In de komende periode komen wij bij jullie terug met meer informatie. De reden waarom wij jullie reeds nu op de hoogte stellen is omdat vanavond de gemeenteraad zal worden geïnformeerd waardoor het publiekelijk wordt.

Wij begrijpen dat dit als een verassing komt en staan open voor al jullie vragen.

[betrokkene 1] [betrokkene 3]

Regional Vice President Mövenpick Netherlands Human Resources Manager”

2.10

Op 7 december 2023 heeft [betrokkene 1] aan alle werknemers een e-mail gestuurd, waarin is vermeld, kort gezegd, dat de onderhandelingen tussen de nieuwe eigenaar en het hogere management van de HR-Group nog steeds lopen waardoor er nog geen duidelijkheid is over de toekomst van de werknemers. Gestreefd wordt naar een overgangsdatum van 1 januari 2024. Salarissen worden doorbetaald na 1 januari 2024.

2.11

De gesprekken met Hotel Pettelaar hebben geresulteerd in een op 15 december 2023 ondertekende overeenkomst waarbij ook HPM partij was. In de overeenkomst is onder meer het volgende bepaald:

“1.1 The Lease Agreement (...) will be terminated (...) with effect as of January 1, 2024, 00:00 hrs. (...) ("End Date").

1.2

Upon termination of the Lease Agreement (...), the operation/business of the Mövenpick Hotel, including all employees (...) shall be transferred by the Lessee (hof: HPM) to the Operator (Hotel Pettelaar) (...).

(...)

5.1

Operator and Lessee assume the applicability of Sections 7:662 et seq. of the Dutch Civil Code in respect of a transfer of undertaking, and that as a result thereof all employees of Lessee (...) will join Operator by operation of law as of the End Date. In the event that there is no transfer of undertaking (...), Operator and Lessee hereby agree that they will treat this as a transfer of undertaking and will contractually give effect to Sections 7:662 et seq. (...).

5.2

Operator and Lessee undertake to use all reasonable means at their disposal to ensure that all Employees will be transferred to Operator and employed there – if required by offering employment agreements (...).

(...)

5.4

If any Employee alleges or claims that his or her employment agreement has not been transferred to Operator by operation of !aw as of the End Date, Lessee and Operator will treat each other commercially as if such Employee has transferred and Operator will try to convince such Employee to have been transferred (...).

5.5

The Operator shall keep the Lessee fully and effectively indemnified from and against all and any Employment Liabilities arising from any (alleged) claim from any Employee not to have been transferred by operation of law to Operator on the End Date.

(...)”

2.12

Op 18 december 2023 heeft [betrokkene 1] aan alle werknemers een brief gestuurd met de volgende inhoud:

“Beste (...),

Zoals door ons in een town hall meeting maandag 30 oktober nader is toegelicht, is Hotel Park Meerendonk B.V. (de Vennootschap) voornemens de huidige huurovereenkomst met betrekking tot het Mövenpick Hotel gelegen aan het Pettelaarpark 90 te 's-Hertogenbosch (het Vastgoed) per 1 januari 2024 te beëindigen.

Het is de bedoeling dat Hotel Pettelaar Den Bosch Exploitatie B.V. (de Exploitant) de huurovereenkomst verkrijgt op basis van "as is where is" wat betekent dat de Exploitant de exploitatie/bedrijfsvoering van het Mövenpick Hotel aanvaardt in de huidige staat, inclusief alle huidige werknemers in dienst van de Vennootschap.

Als gevolg van de voortzetting van de activiteiten van de onderneming (en een overdracht van alle vereiste activa en werknemers om deze activiteiten voorlopig in de normale gang van zaken voort te zetten) zal uw tewerkstelling bij de Vennootschap automatisch van rechtswege overgaan naar de Exploitant per 1 januari 2024 (de Overdracht).

De voorgestelde overdrachtsdatum van uw dienstverband is 1 januari 2024 (de Overdrachtsdatum). Vanaf deze datum is de Exploitant uw nieuwe werkgever. We zijn ons ervan bewust dat de bovenstaande overdrachtsdatum op korte termijn is.

Het bovenstaande betekent dat de Exploitant uw anciënniteit (d.w.z. ononderbroken dienstverband) en alle andere arbeidsvoorwaarden (bijv. salaris, 8% vakantietoeslag, (opgebouwde) vakantiedagen en tijd voor tijd dagen vanaf de Overdrachtsdatum zal respecteren.

Hoewel op dit moment nog niet alle details bekend zijn, hebben wij begrepen dat het de intentie van de Exploitant is om het Vastgoed vervolgens te (onder)verhuren voor een periode van 3 jaar met twee optionele opeenvolgende periodes van elk 1 jaar aan het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers. Ten tijde van de onderverhuur is het voornemen om het Vastgoed te her ontwikkelen/renoveren, waarbij onder andere wordt overwogen om het hotel uit te breiden met één of meerdere verdiepingen (topping up) (tezamen: de Onderverhuur en Renovatie).

Het is waarschijnlijk dat de Onderverhuur en Renovatie gevolgen heeft voor sommige van de huidige personeelsleden. Deze medewerkers zullen zo snel mogelijk (volgende maand eerste week Januari 2024) door de Exploitant en [betrokkene 3] (Human Resources) worden uitgenodigd voor persoonlijke gesprekken om een minnelijke schikking te bespreken. Wij raden u aan om onduidelijkheden en vragen te noteren, zodat deze punten tijdens de gesprekken nader toegelicht of beantwoord kunnen worden.

(…)”

2.13

Op 19 december 2023 heeft [werknemer 3] overleg gevoerd met [betrokkene 1], HR manager [betrokkene 3], [betrokkene 2] en [betrokkene 4], jurist. [werknemer 3] heeft vervolgens, ook op 19 december 2023, een bericht aan alle werknemers gestuurd met de volgende inhoud:

“Beste allen,

Iedereen heeft inmiddels de brief van [betrokkene 1] ontvangen. Naar aanleiding van deze brief zijn er vele vragen gekomen vanuit het team. We hebben vandaag een constructief gesprek gehad. Namens de nieuwe eigenaar kan ik de volgende aanvullingen doen.

 De nieuwe eigenaar heeft het goed voor met ons team.

 De nieuwe eigenaar wil in een persoonlijk gesprek met jullie van gedachten wisselen.

 [betrokkene 3] en ik zullen beide aanwezig zijn bij de gesprekken. Deze gesprekken worden vanaf vandaag met eenieder gepland door [betrokkene 3], zij neemt hiervoor persoonlijk contact met jullie op. Deze gesprekken gaan plaatsvinden op 4 of 5 januari.

 Vanaf 1 januari is de nieuwe eigenaar verantwoordelijk voor het "hotel”.

 De nieuwe eigenaar neemt het "hotel" over in de staat zoals het hotel er nu bij staat, kortom alles is van de nieuwe eigenaar en blijft staan.

 Naast 1 januari worden ook 2 en 3 januari 2024 vrij gegeven, dus men hoeft zich niet te melden op 1 januari 2024. Waarvoor dank aan de nieuwe eigenaar

(...)”

2.14

De advocaat van Werknemers heeft per e-mail van 3 januari 2024 de door HPM gestelde overgang van onderneming in twijfel getrokken en bericht dat Werknemers pas na beantwoording van hun vragen konden aangeven wat zij wilden. Op 4 januari 2024 heeft HPM definitief aan Werknemers laten weten dat het hotel per 1 januari 2024 was overgegaan van HPM naar Hotel Pettelaar en dat Werknemers derhalve per die datum in dienst van Hotel Pettelaar waren gekomen. Werknemers zijn niet naar de op 4 en 5 januari 2024 geplande gesprekken gekomen.

2.15

Hotel Pettelaar heeft aan Werknemers voorschotten ter zake van het loon over januari en februari 2024 betaald. Op vordering van Werknemers heeft de kantonrechter bij vonnis in kort geding van 8 april 2024 HPM veroordeeld tot loondoorbetaling vanaf 1 maart 2024. De kantonrechter heeft daarbij voorlopig geoordeeld dat HPM onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een overgang van onderneming. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is – alles in samenhang bezien – de identiteit van Mövenpick Den Bosch in de nieuwe situatie niet behouden gebleven, nu Hotel Pettelaar geen hotel meer exploiteert maar het gebouw ten behoeve van het COA huurt met het oog op huisvesting en plaatsing van asielzoekers, die niet gelijk kunnen worden gesteld aan ‘normale’ hotelgasten die zelf hun verblijf boeken.[_027bf2ac-9b39-44d0-8aeb-367a74aeee36]

2.16

Op 8 maart 2024 heeft HPM aan het UWV toestemming gevraagd om de arbeidsovereenkomsten met Werknemers op te zeggen wegens bedrijfseconomische redenen, meer in het bijzonder omdat de bedrijfsactiviteiten van HPM per 1 januari 2024 volledig zijn geëindigd. Op 20 juni 2024 heeft het UWV de toestemming verleend. Bij brieven van 25 juni 2024 heeft HPM de arbeidsovereenkomsten opgezegd tegen 31 augustus 2024.

2.17

In totaal is er met tien van de 25 werknemers van HPM een vaststellingsovereenkomst gesloten en voor vier werknemers een ontslagvergunning aangevraagd bij het UWV. Van de overige elf werknemers hebben twee werknemers een functie elders geaccepteerd, zijn zeven werknemers bij Hotel Pettelaar in dienst getreden, is van één werkneemster de arbeidsovereenkomst niet verlengd en heeft één werknemer zelf opgezegd.[_e4f3df9b-5fcd-4cc8-b1de-a1f2f48630b5]

3 Procesverloop

3.1

Bij verzoekschrift van 21 april 2024 hebben Werknemers de rechtbank Oost-Brabant verzocht om hun arbeidsovereenkomsten met HPM te ontbinden. Verder hebben Werknemers enkele verzoeken gedaan die daarmee samenhangen.

3.2

Op 17 augustus 2024[_c5186516-60a2-4f90-8b7a-42e92d4e4a8e] hebben Werknemers een gewijzigd verzoekschrift ingediend, waarin zij de rechtbank Oost-Brabant het volgende hebben verzocht:

- voor recht te verklaren dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst van ieder van Werknemers in strijd met art. 7:669 lid 1 en lid 3 sub a BW was, omdat niet is voldaan aan de meld- en raadplegingsverplichtingen uit de WMCO, verplichtingen uit de WOR en/of de herplaatsingsverplichtingen uit het BW;

- HPM te veroordelen tot betaling aan ieder van Werknemers van de transitievergoeding op grond van art. 7:673 BW;

- HPM te veroordelen tot betaling aan ieder van de Werknemers van een billijke vergoeding op grond van art. 7 lid 2 WMCO en art. 7:682 lid 1[_4b5c45de-d869-412f-af73-96439e681c16] sub b BW;

- HPM te veroordelen tot betaling aan ieder van Werknemers van de maximaal haalbare bonus op grond van de voor die Werknemer geldende bonusregeling;

- HPM te veroordelen tot betaling aan Werknemers van de kosten van de onderhavige procedure en de nakosten.

3.3

HPM heeft bezwaar gemaakt tegen het gewijzigd verzoekschrift. De kantonrechter heeft het bezwaar van HPM op 27 augustus 2024 afgewezen.

3.4

HPM heeft op 19 augustus 2024 een verweerschrift ingediend en op 21 september 2024 een (aangepast) verweerschrift ingediend met enkele tegenverzoeken. Verzocht is:

- te verklaren voor recht dat de ontslagvergunningen van het UWV d.d. 20 juni 2024 rechtsgeldig zijn verkregen en dat de arbeidsovereenkomsten met Werknemers door HPM door opzegging rechtsgeldig per 1 september 2024 zijn beëindigd;

- Werknemers te veroordelen in de volledige proceskosten van HPM van € 15.450,00 wegens misbruik van recht;

- veroordeling van Werknemers in de kosten van deze procedure van HPM, met inbegrip van de nakosten.

3.5

Bij beschikking van 13 november 2024 heeft de kantonrechter alle verzoeken van Werknemers afgewezen omdat, kort samengevat en voor zover in cassatie van belang, bij HPM op geen enkel moment het voornemen bestond om de arbeidsovereenkomsten van tenminste 20 werknemers te beëindigen, en de WMCO derhalve toepassing mist. Ook het verzoek om uitbetaling van bonussen is afgewezen. De tegenverzoeken zijn gedeeltelijk toegewezen, aldus dat voor recht is verklaard dat de ontslagvergunningen van het UWV d.d. 20 juni 2024 rechtsgeldig zijn verkregen en dat de arbeidsovereenkomsten met Werknemers door HPM rechtmatig zijn opgezegd en per 1 september 2024 zijn beëindigd.

3.6

Bij beroepschrift van 12 februari 2025 hebben Werknemers onder aanvoering van elf grieven hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter.

3.7

HPM heeft een verweerschrift ingediend met een incidenteel hoger beroep dat strekt tot veroordeling van Werknemers in de werkelijk gemaakte proceskosten, althans in de proceskosten volgens het liquidatietarief.

3.8

Op 3 juli 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Beide partijen hebben daarbij spreekaantekeningen overgelegd. Er is een proces-verbaal opgemaakt van de mondelinge behandeling.

3.9

Bij beschikking van 23 oktober 2025 heeft het hof de bestreden beschikking vernietigd en voor recht verklaard dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst van ieder van Werknemers in strijd was met art. 7:669 lid 1 en lid 3 onder a BW, omdat niet is voldaan aan de meld- en raadplegingsverplichtingen uit de WMCO en de WOR. Het hof veroordeelt HPM tot betaling aan elk van Werknemers van een bedrag voor de billijke vergoeding en een bedrag voor de bonus over 2023.

3.10

Het hof heeft aan deze beslissingen het volgende ten grondslag gelegd. Allereerst is overwogen dat een richtlijnconforme uitleg van art. 3 lid 1 WMCO met zich brengt dat de beslissing van HPM om onderhandelingen te starten met Hotel Pettelaar met het doel de exploitatie van Mövenpick Den Bosch te staken en die (al dan niet in gewijzigde vorm) aan Hotel Pettelaar over te dragen, moet worden aangemerkt als een strategische of commerciële beslissing die haar dwong een collectief ontslag te overwegen of te plannen als bedoeld in het arrest van 22 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:115 van het HvJEU. HPM heeft de overeenkomst waarmee de onderhandelingen met Hotel Pettelaar zijn bezegeld, ondertekend op 15 december 2023. Het besluit om die onderhandelingen te starten is dus noodzakelijkerwijs eerder dan op 15 december 2023 genomen. Niet in geschil is dat HPM in die periode 25 werknemers in dienst had. Of dat besluit al op 30 oktober 2023 was genomen, zoals Werknemers betogen en HPM betwist, kan in het midden blijven. In elk geval had HPM de melding collectief ontslag op 15 december 2023 gedaan moeten hebben. Het feit dat HPM destijds meende dat Werknemers op grond van overgang van onderneming van rechtswege bij Hotel Pettelaar in dienst zouden komen, maakt dat niet anders (rov. 3.9.6).

3.11

Verder overweegt het hof dat de vervaltermijn van twee maanden in art. 7 lid 3 WMCO nog niet was verstreken op het moment dat Werknemers bij gewijzigd verzoekschrift verzochten om de billijke vergoeding (rov. 3.9.7-3.9.10).

3.12

Ook is volgens het hof sprake van schending van verplichtingen uit de WOR. De bijeenkomst van 30 oktober 2023 kan niet worden aangemerkt als een personeelsvergadering als bedoeld in art. 35b lid 5 WOR (rov. 3.10.6-3.10.7).

3.13

Het hof ziet in de omstandigheden van de zaak aanleiding om Werknemers op grond van art. 7 lid 2 WMCO een billijke vergoeding toe te kennen (rov. 3.12.6). Voor de vaststelling van de hoogte daarvan past het hof de gezichtspunten van New Hairstyle[_41b05463-dbe1-484e-9bbb-a3eea7f1f726] toe, die volgens het hof ook gelden voor art. 7 lid 2 WMCO (rov. 3.12.6-3.12.7). Aan de hand van deze gezichtspunten komt het hof tot een billijke vergoeding ter hoogte van twee maandsalarissen, verhoogd met een factor 2 (rov. 3.12.11). Het hof werkt uit waar dit per individuele werknemer toe leidt (rov. 13.12.12). Ook wijst het hof de verzochte bonussen over 2023 toe (rov. 3.14.2).

3.14

De overige beslissingen van het hof zijn in cassatie verder niet van belang (rov. 3.15.1-3.27), afgezien van de beslissing omtrent de proceskosten (rov. 3.25).

3.15

HPM heeft op 23 januari 2026, tijdig, cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof van 23 oktober 2025.

3.16

Werknemers hebben op 26 maart 2026 via hun advocaat laten weten dat zij afzien van het voeren van verweer.

4 Bespreking van het cassatiemiddel

4.1

Het cassatiemiddel bevat negen onderdelen. Onderdelen 1, 2, 3, 4, 5 en 7 vallen uiteen in verschillende subonderdelen.

Onderdeel 1: art. 3 lid 1 WMCO

4.2

Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 3.9.6, waarin het hof heeft geoordeeld dat HPM haar verplichting op grond van art. 3 lid 1 WMCO heeft geschonden. Het onderdeel bestaat uit twee subonderdelen. Ter bespreking van dit onderdeel is het volgende op te merken.

4.3

Art. 3 lid 1 WMCO bepaalt dat een werkgever die voornemens is de arbeidsovereenkomsten van tenminste twintig werknemers, werkzaam in één werkgebied, op een of meer binnen een tijdvak van drie maanden gelegen tijdstippen te beëindigen, dit ter tijdige raadpleging schriftelijk dient te melden aan de belanghebbende verenigingen van werknemers, met een gelijktijdige schriftelijke melding aan het UWV.

4.4

De raadpleging heeft ten minste betrekking op de mogelijkheden om de collectieve ontslagen te voorkomen of in aantal te verminderen en ook op de mogelijkheid de gevolgen ervan te verzachten, door het nemen van sociale begeleidingsmaatregelen, meer bepaald om bij te dragen tot de herplaatsing of de omscholing van de betrokken werknemers (art. 3 lid 2 WMCO).[_13890c94-6397-45ea-95d2-27a05b951d9d]

4.5

De WMCO vormt de implementatie van Richtlijn 98/59/EG (hierna: de Richtlijn), en eerdere richtlijnen die hierin zijn opgegaan, inzake collectief ontslag.[_5523950e-a938-424c-beef-6f0a186ff397] Het doel van deze regelgeving is tijdige inschakeling van de belanghebbende werknemersvertegenwoordigers bij een voornemen tot collectief ontslag om met hen te overleggen over zo’n voornemen en de gevolgen van een collectief ontslag voor werknemers.[_721139e9-6f2b-4564-9682-911ffe8b3310]

4.6

Art. 3 lid 1 en lid 2 WMCO vormen de implementatie van art. 2 lid 1 en lid 2 en art. 3 lid 1 van Richtlijn 98/59/EG.[_25f9c9cc-0f37-4a5e-94f2-94d1657026f7] Deze bepalingen van de Richtlijn luiden als volgt:

Artikel 2

1. Wanneer een werkgever overweegt tot collectief ontslag over te gaan, is hij verplicht de vertegenwoordigers van de werknemers tijdig te raadplegen teneinde tot een akkoord te komen.

2. De raadpleging moet ten minste betrekking hebben op de mogelijkheden om collectief ontslag te voorkomen of om de omvang ervan te verminderen alsook op de mogelijkheid de gevolgen ervan te verzachten door het nemen van sociale begeleidingsmaatregelen, meer bepaald om bij te dragen tot herplaatsing of omscholing van de ontslagen werknemers.

(…)

Artikel 3

1. De werkgever is verplicht van elk plan voor collectief ontslag schriftelijk kennis te geven aan de bevoegde overheidsinstantie. (…)

4.7

De WMCO en Richtlijn 98/59/EG maken zelf niet concreet wanneer de raadplegingsverplichting precies ingaat.[_bc69f394-2de5-4cdb-904f-53c23505a10a] Het begrip ‘tijdig’ is op een later moment aan art. 3 lid 1 WMCO toegevoegd.[_b31e94f9-6bc5-460c-b086-2453eef70210]

4.8

Uit de parlementaire behandeling van de WMCO blijkt dat de vertegenwoordigers van werknemers zo snel mogelijk in kennis moeten worden gesteld.[_1feb408e-3587-45a5-add0-4381a21637b7] De werkgever moet in een vroeg stadium met de werknemersvertegenwoordigers overleggen, ter voorkoming of beperking van werkloosheid.[_9a7f6259-3c4b-473f-8e13-f4173ed05add] Ook is benadrukt dat art. 3 lid 1 WMCO niet wordt gerelateerd aan de mate waarin een voornemen van de werkgever concreet is. Als beraad heeft geresulteerd in een voornemen moet er gemeld worden, waarbij niet van belang is hoe vaag het voornemen is. Het precieze tijdstip voor melding is niet in algemene zin te geven.[_2537d5a3-b52b-4b78-8ffa-676e4b48d6b9]

4.9

Het HvJEG heeft in het arrest Nielsen & Søn geoordeeld dat de Richtlijn slechts van toepassing is wanneer de werkgever daadwerkelijk beoogt collectief ontslag te verlenen of een plan voor collectief ontslag heeft opgesteld.[_199f2c91-ef58-4a45-b02d-306358957bac] In het arrest Junk overwoog het HvJEG dat de verplichtingen inzake raadpleging en kennisgeving vóór een beslissing van de werkgever tot opzegging van de arbeidsovereenkomsten ontstaan, gelet ook op de doelstelling om opzeggingen van arbeidsovereenkomsten te voorkomen of het aantal ervan te verminderen.[_2a71c5f2-bfd9-45d9-8f80-c808db4230af]

4.10

In het hierop volgende arrest Akavan/Fujitsu Siemens overwoog het HvJEG dat een voortijdig ontstaan van de raadplegingsverplichting kan leiden tot resultaten die in strijd zijn met het doel van de richtlijn, zoals een beperking van de flexibiliteit van de ondernemingen wat hun herstructurering betreft, een verzwaring van de administratieve verplichtingen en een onnodige aansporing van de werknemers om zich zorgen te maken over hun werkzekerheid. Echter, wanneer zou worden begonnen met een raadpleging wanneer een beslissing die een collectief ontslag noodzakelijk maakt reeds is genomen, kan deze niet meer dienstig zijn voor het onderzoek van mogelijke alternatieven om dat ontslag te voorkomen.[_43db2705-b01e-4677-b93c-adaab81f66e2] Het HvJEG concludeert dat de raadplegingsprocedure door de werkgever moet worden ingeleid op het moment dat een strategisch of commercieel besluit is genomen dat hem ertoe dwingt een collectief ontslag te overwegen of te plannen.[_2531876d-ae90-40dd-98c4-ac3561ec25c1]

4.11

Het Hof herhaalde zijn oordeel uit Akavan in Socha en Ciupa.[_d0fbd2d1-ced7-483a-9ebf-b415b79ff290] Overwogen werd dat de raadplegingsprocedure van toepassing is wanneer de werkgever voornemens is om ten nadele van de werknemers over te gaan tot een eenzijdige wijziging van de beloningsvoorwaarden die leidt tot de beëindiging van de arbeidsverhouding als die werknemers weigeren die wijziging te aanvaarden. Gelet op de doelstelling die wordt nagestreefd met de raadplegingsprocedure – het voorkomen of in aantal beperken van opzeggingen van arbeidsovereenkomsten alsook het verzachten van de consequenties daarvan – moet de raadplegingsprocedure worden ingesteld op het ogenblik waarop de werkgever overweegt om tot dergelijke wijzigingen over te gaan.[_dcb9eadb-2e92-4b35-a00d-07ddab4b3c45]

4.12

In Resorts Mallorca is op deze rechtspraak voortgeborduurd.[_308b26cf-d959-4830-8f17-fcec28190aaf] In deze zaak lag de prejudiciële vraag voor of art. 2 van de Richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de verplichtingen tot raadpleging en kennisgeving waaraan die richtlijn haar nuttig effect ontleent, ontstaan op het moment waarop de onderneming in het kader van een herstructureringsproces overweegt om arbeidsovereenkomsten te beëindigen en het aantal beëindigingen de drempel voor collectief ontslag mogelijkerwijs overschrijdt, ook al bereikt het aantal ontslagen of daarmee gelijk te stellen beëindigingen die drempel uiteindelijk niet doordat dit aantal kon worden verlaagd door bedrijfsmaatregelen die werden genomen zonder voorafgaande raadpleging van de werknemersvertegenwoordigers. Het HvJEU beantwoordde deze vraag bevestigend.

4.13

De feiten in deze zaak waren als volgt. Verweerster had een overeenkomst ondertekend met vennootschappen van de groep Grupo Globales (die eigenaren waren van zeven hotels) en met Amla Explotaciones. Afgesproken werd dat de huurovereenkomsten van die hotels, die tot dan toe door verweerster werden beheerd, zouden worden beëindigd, dat de exploitatie van die hotels zou worden overgedragen aan Amla Explotaciones en dat alle arbeidsovereenkomsten van het personeel van die hotels zouden worden overgedragen aan Grupo Globales, die dus als werkgever zou worden gesubrogeerd in die overeenkomsten.

4.14

Het HvJEU overwoog dat gelet op de omvang van de ten uitvoer gebrachte wijziging van de beheers- en exploitatieactiviteit en de redelijkerwijs voorzienbare gevolgen ervan voor de werklast op de zetel van verweerster, het besluit om onderhandelingen te starten inzake de overdracht van de beheers- en exploitatieactiviteit van deze zeven hotels kan worden aangemerkt als een strategische of commerciële beslissing die verweerster ertoe dwong een collectief ontslag te overwegen of te plannen.[_51fa9847-7159-4646-bb6c-c108a728ec3a] Aangezien de beslissing om het beheer en de exploitatie van de zeven hotels over te dragen aan Amla Explotaciones noodzakelijkerwijs impliceerde dat verweerster een collectief ontslag overwoog, diende zij de in art. 2 van de richtlijn bedoelde raadpleging te houden.[_8a5d4a0e-0cdc-4d7c-968a-7f08e99b9af2] Herhaald werd dat het doel van de raadplegingsverplichting is het voorkomen of in aantal beperken van opzeggingen van arbeidsovereenkomsten alsook het verzachten van de consequenties daarvan.[_a5843d7e-38dc-4fe1-84f8-4b358f294c3b]

4.15

Uit deze rechtspraak komt naar voren dat voor het ontstaan van de raadplegingsverplichting het erom gaat om vast te stellen wanneer de strategische of commerciële beslissing wordt genomen die ertoe leidt dat een collectief ontslag moet worden overwogen of moet worden gepland. Zekerheid over het collectief ontslag is dus niet vereist. Of uiteindelijk minder personen worden ontslagen dan het voor collectief ontslag benodigde aantal, doet niet af aan de raadplegingsverplichting.[_a40a1740-2f68-44cb-aeeb-5dcc2a4b51b9] Zie in deze zin ook Van Haaren en Van der Woude:[_4862cfcc-b3cc-40d8-b4b3-2001827f06a5]

“(…) Daarmee lijkt het HvJ EU het raadplegingsmoment opnieuw iets naar voren te hebben gehaald. In het Akavan-arrest stelde het HvJ EG namelijk het overwegen of plannen van een collectief ontslag volgend op een strategisch besluit centraal als criterium (r.o. 48-49). Dan weet de werkgever nagenoeg zeker dat hij tot collectief ontslag overgaat, en dat acht het HvJ EU in het Resorts Mallorca-arrest nu schijnbaar te laat. Het oordeel in het Resorts Mallorca-arrest lijkt ons desalniettemin juist. Eén van de doelen van de Richtlijn, en meer specifiek de verplichting tot raadpleging, is immers het aantal ontslagen te beperken. Dit doel impliceert dat er nog géén sprake is van duidelijkheid over het definitieve aantal bedrijfseconomische ontslagen. Het bespreken van eventuele alternatieven voor collectief ontslag is nu bij uitstek een onderwerp dat in de raadplegingsprocedure met de vakbonden aan bod komt. Hoewel het tijdigheidscriterium dus verder wordt aangescherpt, sluit wat ons betreft het Resorts Mallorca-arrest aan bij het doel van de Richtlijn.”

4.16

Geconcludeerd kan worden dat het HvJEU een strenge lijn hanteert bij het bepalen van het ontstaansmoment van de raadplegingsverplichting uit de Richtlijn. Deze strenge lijn zal ook moeten worden toegepast bij de uitleg van de op de Richtlijn gebaseerde WMCO.

4.17

Tegen deze achtergrond kunnen de verschillende subonderdelen worden besproken.

4.18

Subonderdeel 1.1 voert aan dat de overwegingen van het hof in rov. 3.9.6 onjuist en/of onbegrijpelijk zijn. Onjuist, omdat voor de toepassing van art. 3 lid 1 WMCO bepalend is of voor HPM destijds – dus: volgens het hof vóór 15 december 2023 – voorzienbaar was dat sprake was van een meldplicht. Dat deed zich niet voor, omdat HPM meende dat sprake zou zijn van een overgang van onderneming.

4.19

Het subonderdeel slaagt niet. Daargelaten de vraag of voorzienbaarheid dat sprake was van een meldplicht vereist is voor de toepassing van art. 3 lid 1 WMCO, heeft het hof in wezen geoordeeld dat in ieder geval bij ondertekening van de overeenkomst op 15 december 2023 voor HPM voorzienbaar was dat er een collectief ontslag zou moeten worden overwogen. Het hof overweegt in rov. 3.9.6 immers dat de beslissing van HPM om onderhandelingen te starten met Hotel Pettelaar met als doel de exploitatie van het hotel te staken en die (al dan niet in gewijzigde vorm) aan Hotel Pettelaar over te dragen, moet worden aangemerkt als een strategische of commerciële beslissing die haar dwong een collectief ontslag te overwegen of te plannen. Dat laatste was dus voor HPM toen voorzienbaar, temeer omdat HPM er zelf ook rekening mee heeft gehouden dat er geen sprake zou zijn van een overgang van onderneming (rov. 3.9.6). Het oordeel van het hof is geheel in lijn met de hiervoor weergegeven rechtspraak van het HvJEU: een beslissing die de werkgever dwingt collectief ontslag te overwegen of plannen, is al genoeg (zie onder 4.9 e.v.).

4.20

Subonderdeel 1.2 voert aan dat de overwegingen van het hof in rov. 3.9.6 onbegrijpelijk zijn. Het oordeel van het hof dat het feit dat HPM destijds meende dat de werknemers op grond van overgang van onderneming van rechtswege bij Hotel Pettelaar in dienst zouden komen, één en ander niet anders maakt, stoelt op de volgende drie overwegingen: (i) naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter was dat standpunt onjuist, (ii) HPM heeft nadien haar mening daarover kennelijk gewijzigd (zij heeft het UWV immers onvoorwaardelijk om toestemming gevraagd) en (iii) HPM heeft zelf toegelicht dat een onderneming er nooit helemaal zeker van is of er daadwerkelijk sprake is van een overgang van onderneming en dat zij het scenario waarin dat niet het geval zou zijn, heeft voorzien. Aangevoerd wordt dat de eerste twee argumenten betrekking hebben op gebeurtenissen van ruim ná de door het hof genoemde peildatum van uiterlijk 15 december 2023. Het vonnis van de kantonrechter in kort geding dateert van 8 april 2024 en daarmee heeft HPM bij de voorzienbaarheid dus geen rekening kunnen houden. De ontslagaanvraag bij het UWV is ingediend op 8 maart 2024. Zij kunnen volgens de klacht dus achteraf niet worden gebruikt om te verklaren dat HPM vóór en/of op 15 december 2023 had moeten kiezen voor een melding (’with the benefit of hindsight‘). Het derde argument ziet op een standaard contractuele bepaling voor de eventualiteit dat geen sprake zou zijn van een overgang van onderneming. Dat, terwijl – zo heeft ook de kantonrechter vastgesteld – in de overeenkomst ook is opgenomen dat HPM en Hotel Pettelaar zich verplichten “om met alle hen redelijkerwijs ten dienste staande middelen [zich, A-G] ervoor in te spannen dat alle Werknemers over zullen gaan naar Pettelaar en aldaar in dienst zullen treden op de geldende voorwaarden.”[_15fa0188-3a7e-4c44-85b1-6404706ea1cd] Door dat niet in zijn oordeel te betrekken, is het oordeel van het hof onbegrijpelijk, aldus het subonderdeel.

4.21

Het subonderdeel slaagt niet, alleen al omdat er geen enkel aanknopingspunt is in de rechtspraak van het HvJEU om aan te nemen dat er géén raadplegingsverplichting zou gelden wanneer een werkgever die een strategische beslissing neemt die tot het redelijkerwijs voorzienbare gevolg leidt dat een collectief ontslag moet worden overwogen, níet geldt wanneer de werkgever meende dat sprake was van overgang van onderneming. De door het subonderdeel genoemde en bestreden overwegingen kunnen dat niet anders maken.

Onderdeel 2: vervaltermijn art. 7 lid 3 WMCO

4.22

Onderdeel 2 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.9.10 dat art. 7 lid 3 WMCO meebrengt dat een verzoek tot vernietiging van de opzegging niet eerder kan worden gedaan dan nadat de opzegging heeft plaatsgevonden. Dit onderdeel moet worden beoordeeld tegen de volgende achtergrond.

4.23

Op grond van art. 7 lid 1 WMCO kunnen de opzegging door de werkgever en een op initiatief van de werkgever gesloten beëindigingsovereenkomst (in beginsel) op verzoek van de werknemer door de kantonrechter worden vernietigd, indien:

a. de werkgever niet aan de verplichting tot melding heeft voldaan;

b. de werkgever de belanghebbende verenigingen van werknemers en de ondernemingsraad, niet heeft geraadpleegd; of

c. niet is voldaan aan art. 5a lid 1 WMCO (beëindiging van de arbeidsovereenkomst kan pas een maand na de melding van het voornemen daartoe worden uitgevoerd, tenzij geraadpleegde vakbonden een positieve verklaring afgeven).

4.24

In plaats van vernietiging van de opzegging of de beëindigingsovereenkomst, kan de kantonrechter op verzoek van de werknemer ten laste van de werkgever een billijke vergoeding toekennen (art. 7 lid 2 WMCO).

4.25

Art. 7 lid 3 WMCO bepaalt dat de werknemer tot twee maanden na de dag waarop hij redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van het feit dat de werkgever niet heeft voldaan aan één of meer verplichtingen als bedoeld in het eerste of tweede lid, maar uiterlijk tot zes maanden na de opzegging van de arbeidsovereenkomst of het aangaan van de beëindigingovereenkomst, een verzoek kan doen als bedoeld in art. 7 lid 1 of lid 2 WMCO.[_a5940a92-c627-4b90-a828-c96058f50a5d]

4.26

De vervaltermijn van art. 7 WMCO is op 1 maart 2012 geïntroduceerd. Toen hield de vervaltermijn nog in dat de werknemer gedurende zes maanden na de opzegging van de arbeidsovereenkomst of het aangaan van de beëindigingsovereenkomst een beroep kan doen op een vernietigingsgrond als bedoeld in het eerste lid.[_e7c02c66-6ba2-4f17-8c41-42046125a4d5] Volgens de memorie van toelichting bij deze wijziging strekt art. 7 WMCO ertoe om de werknemer de beëindiging te kunnen laten vernietigen.[_2e854212-5b92-4029-9180-0a494efa42db]

4.27

De vervaltermijnen ten aanzien van verschillende arbeidsrechtelijke verzoeken zijn met de Wwz opgenomen in art. 7:686a lid 4 BW en art. 7 lid 3 WMCO.[_3ca26bbf-00ec-46a7-a8a8-4a2c9b970ef8]

4.28

Subonderdeel 2.1 voert aan dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat zijn oordelen over de vervaltermijn onbegrijpelijk zijn. De vervaltermijn van art. 7 lid 3 WMCO kan gaan lopen en is gaan lopen vóór de opzegging. De tekst van art. 7 lid 1 WMCO staat daar ook niet aan in de weg, zoals het hof ten onrechte veronderstelt. De tekst van art. 7 lid 3 WMCO is duidelijk: een verzoek tot vernietiging van de opzegging of toekenning van een billijke vergoeding kan niet meer worden gedaan twee maanden na de dag waarop de werknemer redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van het feit dat de werkgever niet heeft voldaan aan één of meer verplichtingen als bedoeld in het eerste of tweede lid.

4.29

De klacht gaat uit van een onjuiste lezing van art. 7 lid 3 WMCO. Ten onrechte wordt verondersteld dat de vervaltermijn al kan gaan lopen voordat de werkgever de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. Gelet op de systematiek en doelstelling van art. 7 WMCO kan het niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest om de vervaltermijn van art. 7 lid 3 WMCO te laten aanvangen vóórdat de werkgever de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. Als dat anders zou zijn, zou dat kunnen leiden tot de ongerijmde uitleg dat de bevoegdheid van werknemers om vernietiging van een opzegging te verzoeken al is vervallen (lid 3) voordat daadwerkelijk is opgezegd (lid 1). Dat kan niet juist zijn. Het bepaalde in lid 3 moet dus in samenhang worden gezien met het relevante aanknopingspunt voor het bepaalde in lid 1: de opzegging door de werkgever dan wel het sluiten van een beëindigingsovereenkomst.

4.30

Het feit dat Werknemers in het voorliggende geval op grond van lid 2 hebben gekozen voor een billijke vergoeding maakt dit niet anders. De mogelijkheid van een billijke vergoeding in lid 2 wordt volgens art. 7 WMCO immers als alternatief voor vernietiging krachtens lid 1 beschouwd, en moet daarom op dezelfde wijze worden behandeld als een verzoek om vernietiging.

4.31

Subonderdeel 2.2 voert aan dat de oordelen van het hof in rov. 3.9.10 onbegrijpelijk zijn. Niet verklaard is waarom de vervaltermijn niet zou kunnen verstrijken voordat opzegging heeft plaatsgevonden. Het hof heeft dat niet toegelicht en de tekst van art. 7 lid 1 WMCO sluit niet uit dat de vervaltermijn al is verstreken voordat de opzegging heeft plaatsgevonden. Voorts is de beslissing van het hof onbegrijpelijk omdat door HPM is gesteld dat Werknemers reeds sinds 1 januari 2024 ermee bekend zijn dat HPM geen WMCO-melding of raadpleging heeft gedaan en HPM heeft gesteld dat Werknemers op 3 januari 2024 van oordeel waren dat geen sprake was van overgang van onderneming. De werknemers hebben pas bij gewijzigd verzoekschrift van 18 augustus 2024 een verzoek ingediend en dat is tardief. Het oordeel van het hof dat de vervaltermijn nog niet verstreken zou zijn ten tijde van de indiening van het verzoek, is dus onbegrijpelijk.

4.32

Deze motiveringsklacht slaagt niet. De klacht neemt ten onrechte tot uitgangspunt dat de vervaltermijn kan aanvangen voordat de opzegging heeft plaatsgevonden. Hiervoor is al toegelicht dat dit uitgangspunt niet juist is.

Onderdeel 3: voortbouwklacht

4.33

Onderdeel 3 bevat enkele voortbouwklachten. Nu de klachten van onderdelen 1 en 2 falen, zijn ook deze klachten tevergeefs voorgesteld.

Onderdeel 4: personeelsvergadering WOR

4.34

Onderdeel 4 is gericht tegen de oordelen van het hof in rov. 3.10.6 en 3.10.7, dat de bijeenkomst van 30 oktober 2023 niet kan worden aangemerkt als een personeelsvergadering in de zin van art. 35b lid 5 WOR en dat HPM niet heeft voldaan aan haar verplichting op grond van art. 35b lid 5 WOR. Ter bespreking van het onderdeel is het volgende van belang.

4.35

Op grond van art. 35b lid 1 WOR is de ondernemer, die een onderneming in stand houdt waarin in de regel ten minste tien personen maar minder dan 50 personen werkzaam zijn en waarvoor geen ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging is ingesteld, verplicht de in deze onderneming werkzame personen tenminste tweemaal per kalenderjaar in de gelegenheid te stellen gezamenlijk met hem bijeen te komen. Een dergelijke bijeenkomst wordt een personeelsvergadering genoemd.

4.36

Art. 35b lid 5 WOR bepaalt dat de in de onderneming werkzame personen, in een vergadering als bedoeld in art. 35b lid 1 WOR (de personeelsvergadering), door de ondernemer in de gelegenheid worden gesteld advies uit te brengen over elk door hem voorgenomen besluit dat kan leiden tot verlies van de arbeidsplaats of tot een belangrijke verandering van de arbeid, de arbeidsvoorwaarden of de arbeidsomstandigheden van tenminste een vierde van de in de onderneming werkzame personen. Het advies wordt op een zodanig tijdstip gevraagd dat het van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit. De in de eerste volzin bedoelde verplichting geldt niet, indien en voor zover de betrokken aangelegenheid voor de onderneming reeds inhoudelijk geregeld is in een collectieve arbeidsovereenkomst of in een regeling, vastgesteld door een publiekrechtelijk orgaan.

4.37

Bij een voorgenomen besluit dat kan leiden tot, onder meer, verlies van de arbeidsplaats moet de werkgever dus een personeelsvergadering beleggen waarin werknemers in de gelegenheid worden gesteld advies uit te brengen over het voorgenomen besluit.

4.38

Art. 35b WOR is in de jaren ’80 in de wet opgenomen om te voorzien in medezeggenschap voor werknemers.[_17169024-f181-4366-8530-392a642c228d] De overlegverplichting heeft geen vrijblijvend karakter: werknemers kunnen de kantonrechter verzoeken te bepalen dat gevolg wordt gegeven aan art. 35b WOR (art. 36a WOR).

4.39

Jellinghaus en Van het Kaar benadrukken terecht dat het niet voldoende is om werknemers buiten de personeelsvergadering om hun mening te vragen over een onderwerp als bedoeld in art. 35b lid 5 WOR: werknemers moeten vooraf op de hoogte worden gesteld van het voorliggende besluit en dienen relevante informatie vooraf te ontvangen.[_64ada955-f718-4002-b691-0c65cb658b0f] Een individuele raadpleging van de werknemers voldoet dus niet aan art. 35b lid 5 WOR. Ook Verburg schrijft dat in de personeelsvergadering het advies moet worden gegeven, waarbij acht moet worden geslagen op het voorschrift in de tweede volzin van lid 5, dat het advies op een zodanig tijdstip wordt gevraagd dat het van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit.[_53354cac-329f-4f45-aeb4-c6c6bce25697] Ook hieruit volgt dat het vragen van advies buiten een personeelsvergadering om, niet volstaat.

4.40

Tegen deze achtergrond kunnen de verschillende klachten worden besproken.

4.41

Subonderdeel 4.1 voert aan dat de oordelen van het hof in rov. 3.10.6 en 3.10.7 onjuist zijn, omdat art. 35b WOR niet meer of andere eisen stelt aan een personeelsvergadering dan dat:

- de in de onderneming werkzame personen in de gelegenheid worden gesteld gezamenlijk met de ondernemer bijeen te komen (art. 35b lid 1 WOR);

- de in de onderneming werkzame personen door de ondernemer, in een vergadering als bedoeld in het eerste lid, in de gelegenheid worden gesteld advies uit te brengen over elk door de ondernemer voorgenomen besluit dat kan leiden tot verlies van de arbeidsplaats of tot een belangrijke verandering van de arbeid, de arbeidsvoorwaarden of de arbeidsomstandigheden van tenminste een vierde van de in de onderneming werkzame personen. Het advies wordt op een zodanig tijdstip gevraagd dat het van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit.

4.42

Volgens HPM getuigt het oordeel van het hof dat de bijeenkomst op 30 oktober 2023 niet kan worden aangemerkt als een personeelsvergadering in de zin van art. 35b WOR van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof overweegt ten onrechte dat gesteld noch gebleken is dat HPM haar werknemers voorafgaand aan of tijdens die bijeenkomst duidelijk heeft gemaakt dat de bijeenkomst (mede) tot doel had om hen advies te vragen over het voorgenomen besluit. Voldoende is echter, zo stelt het subonderdeel, dat de ondernemer de werknemers in de gelegenheid stelt advies uit te brengen, niet dat hij ze vraagt advies uit te brengen. Het vragen van advies is dus ook niet het doel van de vergadering, dat is het in de gelegenheid stellen tot het geven van advies. Voorafgaande bekendmaking van het (vermeende) doel van de vergadering wordt in art. 35b WOR niet als vereiste gesteld en ook in die zin is het hof dus uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, aldus het subonderdeel.

4.43

Voor zover het subonderdeel betrekking heeft op de bekendmaking van het vermeende doel van de vergadering, mist het feitelijke grondslag. Uit het oordeel van het hof blijkt niet dat het hof voorafgaande bekendmaking van het doel van de vergadering als vereiste van art. 35b WOR heeft gehanteerd. Het hof heeft slechts vastgesteld dat gesteld noch gebleken is dat HPM voorafgaand of tijdens de bijeenkomst van 30 oktober 2023 duidelijk heeft gemaakt dat de bijeenkomst (mede) tot doel had om de werknemers om advies te vragen.

4.44

Voor het overige is het subonderdeel ongegrond. Het doel van art. 35b lid 5 WOR is dat werknemers in een personeelsvergadering de mogelijkheid krijgen om advies uit te brengen op een zodanig tijdstip dat het van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit. Het subonderdeel neemt ten onrechte tot uitgangspunt dat er bij het realiseren van dit doel een verschil bestaat tussen werknemers in de gelegenheid stellen om advies uit te brengen of hen om advies te vragen. Dat komt op hetzelfde neer.

4.45

Subonderdeel 4.2 voert aan dat de oordelen van het hof in rov. 3.10.6 en 3.10.7 onbegrijpelijk zijn. Het hof motiveert niet waarom alleen aan de vereisten van art. 35b lid 5 WOR zou zijn voldaan indien HPM haar werknemers voorafgaand aan of tijdens die bijeenkomst duidelijk zou hebben gemaakt dat de bijeenkomst (mede) tot doel had om hen advies te vragen over het voorgenomen besluit. Het hof motiveert ook niet waarom – als zou komen vast te staan dat aan de werknemers is voorgehouden dat verdere (individuele) gesprekken zouden volgen waarin invloed zou kunnen worden uitgeoefend – dat niet maakt dat HPM alsnog de verplichting om werknemers in een personeelsvergadering om advies te vragen heeft nageleefd. In de perceptie van het hof betreft het immers het vragen van advies in de vergadering, maar het geven van advies hoeft niet in de vergadering. Voorts zijn de beslissingen onbegrijpelijk ten opzichte van het oordeel van het hof dat ook met de correspondentie tussen HPM en [werknemer 3] – ongeacht of die namens het voltallige personeel handelde en ongeacht de inhoud daarvan – HPM niet aan die verplichting heeft voldaan. [werknemer 3] is general manager leidinggevend personeel en heeft in die zin een verantwoordelijkheid voor communicatie met het overige personeel. De beslissingen van het hof zijn ook onbegrijpelijk in het licht van de vaststellingen van het hof dat op 30 oktober 2023 een bijeenkomst met alle werknemers van HPM heeft plaatsgevonden om hen over de voorgenomen transactie te informeren (rov. 3.2.9) en hen eveneens op 30 oktober 2023 een brief is gezonden ten aanzien van de voorgenomen transactie (rov. 3.2.9). Daarmee is voldaan aan een eventuele informatieverplichting en het hof legt niet uit waarom dat niet het geval zou zijn.

4.46

Ook dit subonderdeel faalt. Op basis van art. 35b lid 5 WOR rustte op HPM de verplichting om de in de onderneming werkzame personen in een vergadering in de gelegenheid te stellen advies uit te brengen over het voorgenomen besluit. Uit die formulering volgt duidelijk dat slechts aan de verplichting kan worden voldaan in een personeelsvergadering (zie ook onder 4.39). Dat het hof heeft geoordeeld dat met verdere (individuele) gesprekken waarin invloed zou kunnen worden uitgeoefend, alsmede met de correspondentie tussen HPM en [werknemer 3] en de brief van 30 oktober 2023 die aan alle werknemers is gezonden, niet aan deze verplichting kon worden voldaan, is daarom volkomen terecht. De vaststelling van het hof dat op 30 oktober 2023 een bijeenkomst met alle werknemers van HPM heeft plaatsgevonden om hen over de voorgenomen transactie te informeren, maakt dit niet anders. Het hof heeft immers geoordeeld dat gesteld noch gebleken is dat HPM voorafgaand of tijdens die informatiebijeenkomst duidelijk heeft gemaakt aan haar werknemers dat de bijeenkomst (mede) tot doel had om hen advies te vragen over het voorgenomen besluit. Uiteraard is dat wel vereist: wordt volstaan met het informeren van werknemers, dan worden werknemers niet in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over een voorgenomen besluit (vgl. ook onder 4.39). Het subonderdeel berust dus op een onjuiste uitleg van art. 35b lid 5 WOR.

Onderdeel 5: de billijke vergoeding

4.47

Onderdeel 5 is gericht tegen de oordelen van het hof in rov. 3.12.6 en 3.12.11, waarin het hof heeft geoordeeld dat het aanleiding ziet om in de omstandigheden van deze zaak een billijke vergoeding aan Werknemers toe te kennen op grond van art. 7 lid 2 WMCO, gelet op de schending van de meldplicht op grond van de WMCO door HPM, de schending van art. 35b WOR door HPM en (in geringe mate) de onterechte verstrekking van de personeelsgegevens door HPM. Ter bespreking van het onderdeel is het volgende van belang.

4.48

Op grond van art. 7 lid 2 WMCO kan de kantonrechter op verzoek van de werknemer aan de werknemer een billijke vergoeding toekennen als de werknemer een beroep kan doen op art. 7 lid 1 WMCO (vernietiging van een opzegging of van een beëindigingsovereenkomst):

- de werkgever heeft niet voldaan aan de verplichting tot melding;

- de werkgever heeft de belanghebbende verenigingen van werknemers en de ondernemingsraad niet geraadpleegd;

- er is niet voldaan aan art. 5a lid 1 WMCO (beëindiging van de arbeidsovereenkomst kan pas een maand na de melding worden uitgevoerd, tenzij de vakbonden een positieve verklaring afgeven).

4.49

De Wwz heeft verschillende bepalingen geïntroduceerd op grond waarvan de rechter een billijke vergoeding kan toekennen aan de werknemer.[_7280b461-5a9f-4ee8-996c-9a8a81f4d2d6] Deze hebben betrekking op specifieke, wettelijk omschreven situaties. Soms is vereist dat de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. In andere gevallen veronderstelt een wettelijke grondslag voor een billijke vergoeding al dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen.[_14257029-5cd9-4fd0-af0c-c4e8ae7324c2] De strekking van een billijke vergoeding is in het algemeen om te voorkomen dat een werkgever zich ernstig verwijtbaar gedraagt en om aan een werknemer een vergoeding voor dit gedrag te bieden.[_a4852f5b-53de-439f-8b43-251511c5fba0]

4.50

Ook de in art. 7 lid 2 WMCO geboden mogelijkheid om een billijke vergoeding te verzoeken is ingevoerd met de inwerkingtreding van de Wwz.[_344e1d4e-eb70-4966-b394-eafad265cfc2]

4.51

In art. 7 lid 2 WMCO wordt ‘ernstig verwijtbaar handelen’ niet genoemd. M.i. ligt ‘ernstige verwijtbaarheid’ hier besloten in het handelen van een werkgever dat in strijd is met art. 3 lid 1 WMCO; in strijd handelen met voor de werkgever geldende wettelijke voorschriften is de werkgever ernstig aan te rekenen.[_2678e2a4-58e2-4e0a-856f-580ac6bac19f] Ook het hof is hiervan uitgegaan.

4.52

De rechter heeft beoordelingsvrijheid bij de vaststelling van de hoogte van de billijke vergoeding.[_5c25fd08-e32d-4a06-b1b0-4b070131d444] Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de rechter de billijke vergoeding dient te bepalen op een wijze die, en op het niveau dat, aansluit bij de bijzondere omstandigheden van het geval. De rechter dient in de motivering van zijn oordeel inzicht te geven in de omstandigheden die tot de beslissing over de hoogte van de vergoeding hebben geleid.[_1fd7e9e0-7625-48bc-8c53-8486c4bf127e]

4.53

In de New Hairstyle-beschikking heeft de Hoge Raad vooropgesteld dat uit de wetsgeschiedenis van de Wwz blijkt dat de hoogte van de billijke vergoeding naar haar aard in relatie zal staan tot het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever en niet tot de gevolgen van het ontslag, maar dat het stelsel van de Wwz zich er niet tegen verzet dat met de gevolgen van het ontslag rekening wordt gehouden bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding.[_a6fa91df-2bcd-4568-bec3-4197d28c1356]

4.54

Verder overwoog de Hoge Raad dat het van de omstandigheden van het geval afhangt of en in hoeverre bij de vaststelling van de billijke vergoeding rekening wordt gehouden met het inkomen dat de werknemer zou hebben genoten als de opzegging zou zijn vernietigd (op grond van het in die zaak aan de orde zijnde art. 7:681 lid 1, aanhef en onder a, BW). Relevante omstandigheden zijn in dit verband onder meer: of de werkgever de arbeidsovereenkomst ook op rechtmatige wijze zou hebben kunnen beëindigen, en op welke termijn dit dan had mogen gebeuren en vermoedelijk zou zijn gebeurd, de mate waarin de werkgever van de grond voor de vernietigbaarheid van de opzegging een verwijt valt te maken en (voor zover het om in de toekomst te derven loon gaat) of de redenen die de werknemer heeft om af te zien van vernietiging van de opzegging aan de werkgever zijn toe te rekenen. Voor de hoogte van de billijke vergoeding zijn volgens New Hairstyle ook de volgende aspecten relevant:

- of de werknemer inmiddels ander werk heeft gevonden, en de inkomsten die hij daaruit dan geniet;

- de (andere) inkomsten die hij in redelijkheid in de toekomst kan verwerven;

- bij de vergelijking tussen de situatie zonder de vernietigbare opzegging en de situatie waarin de werknemer zich thans bevindt, dient bovendien de eventueel aan de werknemer toekomende transitievergoeding te worden betrokken.

4.55

Bij het vaststellen van de billijke vergoeding als bedoeld in art. 7:681 lid 1, aanhef en onder a, BW gaat het uiteindelijk erom, zo is overwogen in New Hairstyle, dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Met de billijke vergoeding kan worden tegengegaan dat werkgevers voor een vernietigbare opzegging kiezen omdat dit voor hen voordeliger is dan het op de juiste wijze beëindigen van de arbeidsovereenkomst of het in stand houden daarvan.

4.56

De wetgever heeft geen specifiek punitief karakter willen toekennen aan de billijke vergoeding en daarom behoort bij het vaststellen van de hoogte van de billijke vergoeding daarmee geen rekening te worden gehouden, aldus de Hoge Raad in New Hairstyle.

4.57

In de Zinzia-beschikking van 8 juni 2018 over de billijke vergoeding van art. 7:671c lid 2 sub b BW heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de gezichtspunten uit de New Hairstyle-beschikking zien op de billijke vergoeding in het algemeen en ook relevant kunnen zijn voor een andere billijke vergoeding dan art. 7:681 lid 1 BW (rov. 3.3.2).[_c8b95a43-bc5b-45e0-b75e-6c3fbfd014da] Een vergelijkbaar oordeel heeft de Hoge Raad gegeven in de Service Now-beschikking.[_93cc626b-01fb-453c-919d-0071c03ef18b] Het ligt dan ook voor de hand dat de hiervoor genoemde gezichtspunten uit de New Hairstyle-beschikking ook van toepassing zijn bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding in de zin van art. 7 lid 2 WMCO, die immers ook met de Wwz is geïntroduceerd (zie onder 4.50).[_7044726b-36b2-4cd2-958b-0f4ceb11c3bf]

4.58

Voor zover elementen van de vaststelling van de billijke vergoeding zien op de vergoeding van schade van de werknemer, lenen de wettelijke regels van art. 6:95 e.v. BW zich voor overeenkomstige toepassing.[_65433052-650f-42a0-9e82-727be57d8314] Daarmee is ook van overeenkomstige toepassing art. 6:97 BW, waarvan de tweede volzin luidt dat als de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, zij dan wordt geschat.

4.59

De Hoge Raad heeft hieraan in de Zinzia-beschikking toegevoegd dat van belang is dat de omvang van de toe te kennen billijke vergoeding zich naar haar aard moeilijk laat motiveren.[_ca22fe43-b76b-494f-8b1f-50fc559897cd] Ook het partijdebat kan van invloed zijn op de motiveringsplicht van de rechter. In de ServiceNow-beschikking overwoog de Hoge Raad dat de rechter, indien het partijdebat daartoe aanleiding geeft, de gevolgen voor de werknemer van het verlies van de arbeidsovereenkomst, voor zover deze zijn toe te rekenen aan het ernstig verwijtbare gedrag van de werkgever, kenbaar dient te betrekken bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding.[_2e8cb2bf-c9bd-453c-9953-f8fdd11bd2b9] Op zijn minst zal uit de motivering dus naar voren moeten komen welke omstandigheden bepalend zijn geweest voor de beslissing om de billijke vergoeding op een bepaalde hoogte vast te stellen.

4.60

Tegen deze achtergrond kunnen de klachten worden besproken.

4.61

Subonderdeel 5.1 voert aan dat het hof met zijn oordelen in rov. 3.12.6 en 3.12.11 is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, omdat uit de New Hairstyle-beschikking niet blijkt dat de hoogte van de billijke vergoeding mede kan worden gebaseerd op schending van andere wettelijke bepalingen die niet een schending daarvan met vernietigbaarheid van de opzegging sanctioneren, zoals art. 35b WOR of het ten onrechte delen van personeelsgegevens. Andere verwijten dan die welke ten grondslag liggen aan vernietiging van de opzegging tellen niet mee; schending van art. 35b WOR en onterechte verstrekking van personeelsgegevens kunnen niet ten grondslag worden gelegd aan vernietiging van de opzegging en dus ook niet aan de billijke vergoeding.

4.62

Subonderdeel 5.2 voert aan dat, voor zover elementen van de vaststelling van de billijke vergoeding zien op de vergoeding van schade van de werknemer, de wettelijke regels van art. 6:95 e.v. BW zich lenen voor overeenkomstige toepassing en dat het bij het vaststellen van de billijke vergoeding uiteindelijk erom gaat dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, zo heeft de Hoge Raad in de New Hairstyle-beschikking bepaald. Het hof heeft niet vastgesteld dat en of de schending van art. 35b WOR een ernstig verwijtbaar handelen of nalaten oplevert van HPM, en zo ja, waarom. Het feit dat HPM haar verplichtingen op grond van de WMCO en de WOR niet heeft nageleefd maakt het besluit tot de bedrijfsbeëindiging als zodanig niet ernstig verwijtbaar. Bovendien heeft het hof in rov. 3.12.10 vastgesteld dat de billijke vergoeding niet is toegelicht, gespecificeerd of onderbouwd door de werknemers, ook niet voor wat betreft de schending van art. 35b WOR en de onterechte verstrekking van personeelsgegevens aan Hotel Pettelaar, althans het hof heeft daarover niet iets opgemerkt. Gelet daarop had het hof de verzochte billijke vergoeding moeten afwijzen.

4.63

Deze subonderdelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

4.64

Voorop te stellen is dat de rechter bij de vaststelling van de hoogte van die billijke vergoeding een grote beoordelingsvrijheid heeft. De door de Hoge Raad in New Hairstyle gegeven gezichtspunten vormen een niet-limitatieve opsomming van feiten en omstandigheden die de rechter hierbij kan betrekken en de rechter hoeft zich dus niet te beperken tot die gezichtspunten. In lijn met de New Hairstyle-gezichtspunten heeft het hof eerst in aanmerking genomen hoe lang de arbeidsovereenkomst vermoedelijk nog geduurd zou hebben als het ernstig verwijtbare handelen wordt weggedacht. Het hof is ervan uitgegaan dat HPM de arbeidsovereenkomst ongeveer twee maanden later alsnog op rechtmatige wijze had kunnen beëindigen, indien het UWV geen ontslagvergunningen had verleend vanwege schending van de WMCO en/of de WOR. Dit uitgangspunt is als zodanig niet bestreden door de klachten.

4.65

Verder heeft het hof overwogen dat een bedrag ter hoogte van twee maanden loon onvoldoende is, omdat het voor de werkgever niet voordeliger mag zijn om te kiezen voor een schending van de WMCO en/of de WOR dan voor een rechtmatige opzegging (rov. 3.12.11). Ook dit sluit aan bij de door de Hoge Raad gegeven uitgangspunten (zie onder 4.55).

4.66

Dat het hof vervolgens ook andere feiten en omstandigheden van het geval bij zijn beoordeling betrekt, namelijk schending van art. 35b WOR en de onterechte verstrekking van personeelsgegevens aan Hotel Pettelaar, is evenmin onjuist of onbegrijpelijk. Uit de New Hairstyle-beschikking blijkt immers dat de hoogte van de billijke vergoeding naar haar aard in relatie zal staan tot het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever en dat het er uiteindelijk om gaat dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever (zie onder 4.53). In dit geval bestaat het ernstig verwijtbaar handelen van HPM niet alleen uit schending van de raadplegingsplicht van de WMCO, maar ook uit het niet voldoen aan de verplichting van art. 35b lid 5 WOR en schending van de verplichting om niet zonder toereikende grondslag persoonsgegevens van Werknemers te delen met Hotel Pettelaar.

4.67

Aan de vrijheid van het hof om deze omstandigheden te betrekken bij de vaststelling van de billijke vergoeding wordt geen afbreuk gedaan door de overweging van het hof in rov. 3.12.10, dat Werknemers niet hebben toegelicht hoe zij de door hen verzochte billijke vergoedingen hebben berekend, waaronder bedragen voor pensioenschade en secundaire arbeidsvoorwaarden. De laatstgenoemde posten heeft het hof immers buiten beschouwing gelaten, zo blijkt uit rov. 3.12.10. De door het hof wel in aanmerking genomen bedragen (loon) en de onder 4.66 genoemde feiten en omstandigheden, blijken uit de door partijen gewisselde processtukken en zijn op zichzelf ook niet bestreden door HPM. Anders gezegd: dat het hof de berekeningswijze van de billijke vergoeding door Werknemers niet volgt betekent niet dat het hof daarom geen enkele billijke vergoeding mocht toewijzen. Integendeel, op het hof rustte de verplichting om ambtshalve – begrensd door het partijdebat – die vergoeding vast te stellen en deze zo nodig te schatten (vgl. onder 4.58-4.59).

4.68

Aldus getuigt de beslissing van het hof om de billijke vergoeding vast te stellen op een bedrag ter hoogte van twee maanden loon te verhogen met een factor 2, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is die beslissing ook niet onbegrijpelijk.

4.69

Subonderdeel 5.3 voert aan dat de oordelen in rov. 3.12.6 en rov. 3.12.11 ook onbegrijpelijk zijn, omdat het hof geen kenbare vaststellingen heeft gedaan over ernstig verwijtbaar handelen of nalaten en over substantiering van de schade. De oordelen over de vermeende ernstige verwijtbaarheid van schending van art. 7 lid 2 WMCO zijn tegenstrijdig en daarom onbegrijpelijk, want in rov. 3.12.6, laatste volzin, oordeelt het hof dat de schending van art. 7 lid 2 WMCO ernstige verwijtbaarheid oplevert, maar in rov. 3.12.4 had het hof vastgesteld dat het feit dat HPM haar verplichtingen op grond van de WMCO en de WOR niet heeft nageleefd het besluit tot de bedrijfsbeëindiging als zodanig niet ernstig verwijtbaar maakt, aldus het subonderdeel.

4.70

Het hof heeft in zijn oordeel twee mogelijke grondslagen voor een billijke vergoeding besproken, namelijk art. 7:682 lid 1 sub b BW en art. 7 lid 2 WMCO. Voor de toekenning van een billijke vergoeding op grond van art. 7:682 lid 1 sub b BW is vereist dat herstel van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet mogelijk is vanwege het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Het hof heeft in rov. 3.12.4 overwogen dat herstel van de arbeidsovereenkomst niet meer mogelijk is vanwege het feit dat HPM geen economische activiteiten meer ontplooit ten behoeve waarvan zij de werknemers kan inzetten, en niet omdat HPM haar verplichtingen uit de WMCO en de WOR heeft geschonden.

4.71

Vervolgens bespreekt het hof de tweede grondslag voor de billijke vergoeding, art. 7 lid 2 WMCO. Het hof oordeelt dat op dat punt wél sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van HPM, nu de ernstige verwijtbaarheid hier besloten ligt in de in de wet omschreven situatie (rov. 3.12.6, laatste drie volzinnen). Niet is in te zien dat dit strijdig zou zijn met wat het hof heeft overwogen in rov. 3.12.4, nu het daar immers ging om een andere wettelijke grondslag. Het hof was verder niet hoe dan ook verplicht om de substantiering van de schade van Werknemers (ambtshalve) te onderzoeken.

4.72

Het subonderdeel faalt.

4.73

Subonderdeel 5.4 klaagt over rov. 3.12.11, waarin het hof in aanmerking neemt dat Werknemers een transitievergoeding hebben ontvangen en zij nadien een WW-uitkering dan wel elders salaris hebben ontvangen, maar daarin geen aanleiding ziet om de billijke vergoeding naar boven of naar beneden bij te stellen. Volgens het subonderdeel gaat het hof hier uit van een onjuiste rechtsopvatting omdat uit de New Hairstyle-beschikking volgt dat de transitievergoeding bij de vaststelling van de billijke vergoeding dient te worden betrokken en andere inkomsten erbij kunnen worden betrokken. Ook is het oordeel onbegrijpelijk, omdat het niet toelicht waarom de doelstelling van effectieve rechtsbescherming zou maken dat er geen rekening wordt gehouden met de transitievergoeding en andere inkomsten.

4.74

Ook dit subonderdeel faalt. Uit de New Hairstyle-beschikking kan worden afgeleid dat bij de vergelijking tussen de situatie zonder de vernietigbare opzegging en de situatie waarin de werknemer zich thans bevindt de eventueel aan de werknemer toekomende transitievergoeding (in de werkelijke, huidige situatie) dient te worden betrokken. Het hof heeft geheel in lijn hiermee de transitievergoeding bij zijn oordeel betrokken (rov. 3.12.11-3.12.12), maar hierin geen aanleiding gezien om de billijke vergoeding op basis van die transitievergoeding daadwerkelijk naar boven of beneden bij te stellen. Dat getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, omdat de rechtspraak van de Hoge Raad op dit punt alleen inhoudt dat bij de vergelijking tussen de situatie zonder de vernietigbare opzegging en de situatie waarin de werknemer zich thans bevindt de eventueel aan de werknemer toekomende transitievergoeding dient te worden betrokken (zie onder 4.54).

4.75

Dat het hof heeft overwogen dat de doelstelling van effectieve rechtsbescherming maakt dat geen bijstelling van de billijke vergoeding plaatsvindt op grond van de door Werknemers ontvangen transitievergoeding, sluit bovendien aan bij de overweging van de Hoge Raad in New Hairstyle dat bij het vaststellen van de hoogte van de billijke vergoeding ook in aanmerking kan worden genomen dat moet worden tegengegaan dat werkgevers voor een vernietigbare opzegging kiezen omdat dit voor hen voordeliger is dan het op de juiste wijze beëindigen van de arbeidsovereenkomst of het in stand houden daarvan (zie onder 4.55). In lijn hiermee heeft het hof terecht in aanmerking genomen dat de billijke vergoeding op een zodanig niveau diende te worden vastgesteld, dat werkgevers niet aansturen op schending van de meldingsplicht op grond van de WMCO en de verplichting uit de WOR, omdat dit voor hen voordeliger of handiger is. Dit zou de met deze verplichtingen beoogde rechtsbescherming van werknemers ondergraven.

Onderdeel 6: veegklacht

4.76

Onderdeel 6 bevat een voortbouwklacht. Deze slaagt niet.

Onderdeel 7: bonussen

4.77

Onderdeel 7 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.14.2 dat de bonus over 2023 mede gelet op art. 7:619 BW (bewijs voor afhankelijk loon) toegewezen wordt, omdat Werknemers hebben aangevoerd dat zij niet in staat zijn de door HPM geproduceerde cijfers te controleren nu HPM haar jaarrekening over 2023 niet heeft gedeponeerd.

4.78

Volgens subonderdeel 7.1 is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omdat art. 7:619 BW bepaalt dat indien het loon voor het geheel of voor een gedeelte bestaat in een bedrag dat afhankelijk is gesteld van enig gegeven dat uit de boeken, bescheiden of andere gegevensdragers van de werkgever moet kunnen blijken, de werknemer het recht heeft van de werkgever overlegging te verlangen van zodanige bewijsstukken als hij nodig heeft om dat gegeven vast te kunnen stellen. Voorts is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omdat op grond van art. 149 lid 1 Rv Werknemers gemotiveerd hadden moeten stellen, en bij voldoende gemotiveerde betwisting door HPM, op grond van art. 150 Rv, dienden te bewijzen dat zij aanspraak hebben op een bonus. Althans is het oordeel van het hof onbegrijpelijk.

4.79

Het subonderdeel faalt. Het hof heeft geoordeeld dat het hof de bonus over 2023 zal toewijzen, omdat Werknemers hebben aangevoerd dat zij niet in staat zijn de door HPM geproduceerde cijfers te controleren nu HPM haar jaarrekening over 2023 niet heeft gedeponeerd (rov. 3.14.2). Daarmee volgt het hof de benadering van de Hoge Raad in het arrest Allerzorg, dat van een partij niet kan worden gevergd dat zij een stelling onderbouwt voor zover de voor die onderbouwing benodigde gegevens zich bevinden in het domein van haar wederpartij en zij daar geen toegang toe heeft. In die situatie ligt het op de weg van de partij die over de gegevens beschikt, om in het kader van haar betwisting zodanige feitelijke gegevens te verstrekken dat de andere partij aanknopingspunten verschaft voor een eventuele nadere onderbouwing van haar stelling.[_b23bf117-d235-447f-b75c-c6b98a7708e4] Deze rechtspraak is ook hier relevant: voor de onderbouwing van hun stellingen over de bonusbedragen hadden Werknemers gegevens nodig die zich in het domein van HPM bevonden.

4.80

Subonderdeel 7.2 voert aan dat het debat zich in eerste aanleg en in hoger beroep toespitste op de vraag of de target voor de bruto operationele winst is behaald, waarover inhoudelijk is gedebatteerd. De oordelen van het hof zijn onbegrijpelijk, omdat het hof niets heeft vastgesteld over een vermeend verzoek van Werknemers tot overlegging van zodanige bewijsstukken (boeken bescheiden, andere gegevensdragers) als Werknemers nodig hebben om dat gegeven vast te kunnen stellen. Voorts zijn de oordelen van het hof onbegrijpelijk omdat de deponering van de jaarrekening niets zegt over de vraag of de jaarrekening al dan niet is vastgesteld en niets zegt over de mogelijkheid van controle op de juistheid van de door HPM geproduceerde cijfers. Bovendien zijn de oordelen van het hof onbegrijpelijk in het licht van het feit dat Werknemers zullen moeten stellen, en bij voldoende gemotiveerde betwisting door HPM zullen moeten bewijzen, dat zij aanspraak hebben op een bonus en dat het hof niet motiveert hoe die vermeende niet-controleerbaarheid van de door HPM gemotiveerd gestelde cijfers zich daartoe verhoudt.

4.81

Ook dit subonderdeel slaagt niet. In de gedachtegang van het hof is niet relevant wat Werknemers eventueel hadden kunnen verzoeken ten aanzien van de overlegging van bewijsstukken van HPM, ter onderbouwing van hun stellingen. Het hof oordeelt immers dat HPM zelf onvoldoende gemotiveerd heeft betwist wat Werknemers ten aanzien van de bonusbedragen hebben gesteld. Volgens het hof is daarbij van belang dat Werknemers hebben aangevoerd dat zij niet in staat waren de door HPM geproduceerde cijfers te controleren en dat dit veroorzaakt is doordat de jaarrekening over 2023, die in het domein van HPM ligt, niet is gedeponeerd. Dan is niet relevant of Werknemers ook een (expliciet) verzoek aan HPM hebben gedaan tot verstrekking van de jaarrekening. Het antwoord op de vraag of deponering van de jaarrekening daadwerkelijk controle van de door HPM geproduceerde cijfers mogelijk had gemaakt, zoals het subonderdeel zich nog afvraagt, is uiteraard ‘ja’, althans het is zeker niet onbegrijpelijk dat het hof ervan uit is gegaan dat de jaarrekening relevante informatie bevat over de bruto operationele winst van HPM.

Onderdeel 8: proceskosten in eerste aanleg

4.82

Onderdeel 8 voert aan dat het oordeel van het hof in rov. 3.25 rechtens onjuist is, omdat het hof de grief in het incidenteel hoger beroep – gericht tegen de compensatie van de kosten door de kantonrechter – niet verder bespreekt nu het hof ambtshalve zal beslissen over de proceskosten, zowel die in eerste aanleg als die in hoger beroep. Een slagende grief van HPM in het incidenteel appel was nodig om het oordeel van de kantonrechter over compensatie van de proceskosten aan te tasten in het voordeel van HPM, aldus de klacht.

4.83

Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Zowel naar aanleiding van de grief in hoger beroep van Werknemers (rov. 3.16) als de grief in incidenteel hoger beroep van HPM (rov. 3.25) heeft het hof overwogen te beslissen over de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep. Vervolgens heeft het hof in rov. 3.27 geoordeeld dat het de compensatie van de proceskosten in eerste aanleg zal bekrachtigen en dat het ook de kosten van het hoger beroep zal compenseren, nu de werknemers en HPM ieder gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld. Anders dan het middel veronderstelt, heeft het hof dus geoordeeld over het incidenteel hoger beroep, door het oordeel van de kantonrechter over de proceskosten in eerste aanleg te bekrachtigen. Vanzelfsprekend kon het hof ambtshalve beslissen over de proceskosten in hoger beroep.

Onderdeel 9: veegklacht

4.84

Onderdeel 9 bevat slechts een voortbouwklacht. Omdat de hiervoor besproken onderdelen niet slagen, slaagt ook deze klacht niet.

Slotsom

4.85

De slotsom is dat alle klachten falen. Volledigheidshalve merk ik op dat er geen aanleiding bestaat om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU. Voor zover het Unierecht in deze zaak relevant is, geldt immers dat over de betekenis daarvan geen redelijke twijfel bestaat en dat deze al is opgehelderd door eerdere uitspraken van het HvJEU.

5 Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

Voetnoten

  1. Ontleend aan hof ’s-Hertogenbosch 23 oktober 2025, ECLI:NLGHSHE:2025:2925, rov. 3.1, met enkele redactionele aanpassingen.
  2. Het hof vermeldt in rov. 3.2.7 abusievelijk ‘verhuurder’. Zie vonnis kantonrechter, rov. 2.4.
  3. Ontleend aan productie 22 bij het gewijzigd verzoekschrift d.d. 17 augustus 2024 (rov. 4.6-4.8).
  4. Ontleend aan beschikking kantonrechter, rov. 4.7; het verweerschrift HPM d.d. 21 september 2024, nr. 87.
  5. In de bestreden beschikking wordt abusievelijk 22 augustus 2024 als datum van het gewijzigde verzoekschrift genoemd (rov. 3.3.1).
  6. De kantonrechter heeft abusievelijk vermeld dat werknemers zich hebben beroepen op art. 7:682 lid 2 sub b BW. Zie rov. 3.4 en 4.19. Zie voorts gewijzigd verzoekschrift d.d. 17 augustus 2024, nr. 63.
  7. HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle).
  8. Zie hierover G.J.J. Heerma van Voss, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 7. Bijzondere overeenkomsten. Deel V. Arbeidsovereenkomst, Deventer: Kluwer 2020/350.
  9. Laatstelijk gewijzigd in Stb. 2017, 484 (art. XXC).
  10. Kamerstukken II 2010/11, 32 718, nr. 3, p. 2.
  11. Zie hierover H.H. Voogsgeerd, ‘De gevolgen van het niet in acht nemen van de verplichting voor de werkgever om de bevoegde overheidsinstantie een afschrift te doen toekomen voor de geldigheid van een werknemer in het kader van een collectief ontslag’, TRA 2023/105; M.A.N. van Schadewijk, ‘Is een standplaatswijziging een vorm van ontslag? Dat hangt ervan af’, TRA 2025/112; K.A. van Haaren & J.J.H. van der Woude, ‘Het ontslagbegrip en het tijdigheidscriterium uit de Richtlijn collectief ontslag verder ingekleurd’, TAC 2025, nr. 1, p. 20 e.v.
  12. Zo ook K.A. van Haaren & J.J.H. van der Woude, ‘Het ontslagbegrip en het tijdigheidscriterium uit de Richtlijn collectief ontslag verder ingekleurd’, TAC 2025, nr. 1, p. 20 e.v.
  13. Stb. 1993, 386; Kamerstukken II 1992/93, 22970, nr. 3, p. 3. Zie Richtlijn 92/56/EG tot wijziging van Richtlijn 75/129/EG.
  14. Kamerstukken II 1974/75, 13324, nrs. 1-3, p. 7-8; Kamerstukken II 1992/93, 22970, nr. 3, p. 3.
  15. Kamerstukken II 1974/75, 13324, nrs. 1-3, p. 7-8.
  16. Kamerstukken II 1974/75, 13324, nrs. 1-3, p. 8-9.
  17. HvJEG 12 februari 1985, ECLI:EU:C:1985:61 (Nielsen & Søn), punt 17.
  18. HvJEG 27 januari 2005, ECLI:EU:C:2005:59 (Junk), punt 36-38.
  19. HvJEG 10 september 2009, ECLI:EU:C:2009:533 (Akavan/Fujitsu Siemens), punt 45-47.
  20. Akavan, punt 48-49.
  21. HvJEU 21 september 2017, ECLI:EU:C:2017:708 (Socha), punt 29 e.v.; HvJEU 21 september 2017, ECLI:EU:C:2017:711 (Ciupa), punt 34-38.
  22. Socha, punt. 34; Ciupa, punt 37.
  23. HvJEU 22 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:155 (Resorts Mallorca), JAR 2024/129, m.nt. K.A. van Haaren, punt 18.
  24. Resorts Mallorca, punt 27.
  25. Resorts Mallorca, punt 30.
  26. Resorts Mallorca, punt. 31.
  27. Vgl. ook W.H.A.C.M. Bouwens, ‘De raadplegingsverplichting bij collectief ontslag’, TRA 2024/91, par. 3. Zie ook N. Gundt, ‘Medezeggenschap bij collectief ontslag: WMCO en WOR, met elkaar of naast elkaar?’, ArA, afl. 2, 2025, p. 11-12.
  28. K.A. van Haaren & J.J.H. van der Woude, ‘Het ontslagbegrip en het tijdigheidscriterium uit de Richtlijn collectief ontslag verder ingekleurd’, TAC 2025, nr. 1, par. 5.1 (voetnoten weggelaten).
  29. Het middel verwijst naar het verweerschrift van HPM in hoger beroep, nr. 24 en het verweerschrift d.d. 21 september 2024 van HPM in eerste aanleg, nr. 68.
  30. Stb. 2014, 504 (Verzamelwet SZW), art. XXI.C; Stb. 2014, 216 (Wwz, art. IV.F); Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 3, p. 123. Zie voorts N. Dempsey in: P. Kruit en W.J.J. Wetzels (red.), Procesrecht in arbeidszaken (MSR nr. 88), Deventer: Wolters Kluwer 2024/5.2.2 (ten aanzien van het vergelijkbare art. 7:686a lid 4 sub c BW); hof ’s-Hertogenbosch 8 juni 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:2544 (ten aanzien van het vergelijkbare art. 7:686a lid 4 sub c BW); F.J.L. Pennings en L.C.J. Sprengers (red.), Ontslagrecht in hoofdlijnen (MSR nr. 72), Deventer: Kluwer 2020, par. 3.11.
  31. Stb. 2011, 597; Kamerstukken II 2011/12, 32718, A, p. 3-4.
  32. Kamerstukken II 2010/11, 32718, nr. 3, p. 7-8. Zie ook A.R. Houweling, P.G. Vestering en W.A. Zondag, Sdu Commentaar Arbeidsrecht Thematisch Deel II, Den Haag: Sdu 2023, p. 2343 e.v.
  33. Zie nader J.S. Engelman, ‘Termijnen in het arbeidsrecht: een overzicht onder de Wwz’, ArbeidsRecht 2015/49. Zie verder R. Bree, ‘Verjarings- en vervaltermijnen in het arbeidsovereenkomstenrecht (5): Onder de Wwz’, ArbeidsRecht 2019/39; J. van Drongelen, W.J.P.M. Fase en S.F.H. Jellinghaus, Individueel arbeidsrecht – deel 3: Ontslagrecht, Zutphen: Paris 2023, p. 512-513.
  34. Zie Stb. 1981, 416; Kamerstukken II 1979/80, 15893, nrs. 1-3, p. 9-10; Kamerstukken II 1995/96, 24615, nr. 3, p. 2, 4, 27 en 30.
  35. S.F.H. Jellinghaus, Sdu Commentaar Inzicht in de ondernemingsraad, Wet op de ondernemingsraden art. 35b.; R.H. van het Kaar, Groene Serie Rechtspersonen, art. 35b WOR, aant. 6.
  36. L.G. Verburg, Rood’s Wet op de ondernemingsraden 2019, art. 35b lid 5 WOR, aant. 1.4.1.
  37. Zie J.M. van Slooten, I. Zaal en J.P.H. Zwemmer, Handboek Nieuw ontslagrecht 2015, § 8.3.2.
  38. Vgl. Kamerstukken I 2013/14, 33 818, nr. C, p. 113.
  39. HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187, NJ 2017/298 m.nt. E. Verhulp, rov. 3.4.2 en 3.4.5 (New Hairstyle).
  40. Stb. 2014, 504 (Verzamelwet SZW), art. XXI.C; Stb. 2014, 216 (Wwz, art. IV.F). Zie ook Kamerstukken II 2013-2014, 33 818, nr. 3, p. 123.
  41. Vgl. ten aanzien van art. 7:681 BW Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 4, p. 61 (nader rapport). Zie daarover ook mijn conclusie voor de New Hairstyle-beschikking, nrs. 3.23-3.25.
  42. Zie mijn conclusie van 3 juli 2026, ECLI:NL:PHR:2026:682, onder 4.3-4.7 en 4.27; mijn conclusie voor de Blue Circle-beschikking, nrs. 3.13 e.v. met nadere verwijzingen.
  43. Zie mijn conclusie van 3 juli 2026, ECLI:NL:PHR:2026:682 (ING Bank), onder 4.3-4.7 en 4.27; HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187, NJ 2017/298 m.nt. E. Verhulp, rov. 3.4.2-3.4.5 (New Hairstyle I); HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:878, NJ 2019/170 m.nt. E. Verhulp, rov. 3.3.4 (Zinzia); HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2218, NJ 2019/173 m.nt. E. Verhulp, rov. 3.4.2-3.4.4 (ServiceNow); HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:955, NJ 2020/224, rov. 3.2.2 (Blue Circle).
  44. HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187, rov. 3.4.3-3.4.4 (New Hairstyle).
  45. HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:878, NJ 2019/170 m.nt. E. Verhulp, rov. 3.3.2 (Zinzia).
  46. HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2218, NJ 2019/173 m.nt. E. Verhulp, rov. 3.4.2 (ServiceNow).
  47. Idem N. Gundt, Arbeidsovereenkomst, art. 7 WMCO, aant. 3, Deventer: Kluwer (1 juli 2024).
  48. HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187, NJ 2017/298 m.nt. E. Verhulp, rov. 3.4.5 (New Hairstyle I).
  49. HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:878, NJ 2019/170 m.nt. E. Verhulp, rov. 3.3.6 (Zinzia).
  50. HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2218, NJ 2019/173 m.nt. E. Verhulp, rov. 3.4.2 (ServiceNow). Zie ook HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:955, NJ 2020/224, rov. 3.2.2 (Blue Circle).
  51. HR 8 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1058, JBPr 2023/19 m.nt. D.J. Beenders & J.P.C. Interfurth, rov. 3.2 (Allerzorg).

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.