Uitspraak · Civiel recht
Hoge Raad, 22 juni 2018
ECLI:NL:HR:2018:976Zaaknummer 17/00932
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 22 juni 2018
- Publicatiedatum
- 22 juni 2018
- Zaaknummer
- 17/00932
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Arbeidsrecht. Comparitie in hoger beroep ten overstaan van raadsheer-commissaris in meervoudig te beslissen zaak (HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3259 en ECLI:NL:HR:2017:3264). Wanneer vloeit uit gedragslijn van werkgever jegens werknemer een arbeidsvoorwaarde voort? Maatstaf en gezichtspunten.
De Hoge Raad:
in het principale beroep:
vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 november 2016;
verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt Pontmeyer in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van FNV begroot op € 944,60 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris;
in het incidentele beroep:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Pontmeyer in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van FNV begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, M.V. Polak, M.J. Kroeze en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 22 juni 2018.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
22 juni 2018
Eerste Kamer
17/00932
LZ/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING,gevestigd te Utrecht,
EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaten: mr. H.J.W. Alt en mr. S. Kousedghi,
t e g e n
1. TIMBER AND BUILDING SUPPLIES HOLLAND N.V. (voorheen Pontmeyer N.V.),
2. PONTMEYER HIBIN B.V.,
3. HOUTKONSTRUKTIE NEDERLAND B.V.,
4. HKN TIMMER B.V.,
5. HKN KANTOOR B.V.,
6. HKN HOUT B.V.,
7. PONTMEYER HOUT B.V.,
8. PONTMEYER SERVICES B.V.,
9. PONTMEYER GROOTHANDEL B.V.,
10. PONTMEYER HANDELSBEDRIJVEN B.V.,
alle gevestigd te Zaandam, gemeente Zaanstad,
VERWEERSTERS in cassatie, eiseressen in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
advocaat: mr. S.F. Sagel.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als FNV en Pontmeyer.
1 Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak 3000937\CV EXPL 14-3105 van de kantonrechter te Zaanstad van 17 juli 2014 en 11 december 2014;
b. de arresten in de zaak 200.169.600/01 van het gerechtshof Amsterdam van 19 januari 2016, 26 april 2016 en 8 november 2016.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2 Het geding in cassatie
Tegen de arresten van het hof van 26 april 2016 en8 november 2016 heeft FNV beroep in cassatie ingesteld. Pontmeyer heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld tegen de arresten van 19 januari 2016 en 8 november 2016. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot gedeeltelijke vernietiging en verwijzing in het principale cassatieberoep en verwerping in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep.
De advocaat van FNV en de advocaat van Pontmeyer hebben ieder bij brief van 26 april 2018 op die conclusie gereageerd.
3 Uitgangspunten in cassatie
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Binnen Pontmeyer gelden diverse cao’s, die aan werknemerszijde (mede) door FNV zijn afgesloten, waaronder de CAO voor de houthandel (hierna: CAO-Houthandel).
(ii) Pontmeyer heeft in 2011 en 2012 van haar centrale ondernemingsraad (hierna: COR) instemming verzocht om over te gaan tot wijziging van onder meer de inschaling en de salarisontwikkeling van twee groepen werknemers, te weten (a) werknemers die een functiegroep hebben die uitstijgt boven functiegroep 8 van de CAO-Houthandel, en (b) werknemers in de functieschalen 7 en 8 van de CAO-Houthandel die een salaris verdienen boven de cao-grens (beide groepen werknemers worden hierna gezamenlijk aangeduid als boven-cao-werknemers). Het gewijzigde beloningsbeleid voor boven-cao-werknemers hield onder meer in dat zij niet langer de tot dan toe gebruikelijke (automatische) CAO-loonsverhoging (conform art. 21 CAO-Houthandel), dan wel indexering zouden ontvangen. In plaats daarvan is voor boven-cao-werknemers een salarisverhoging afhankelijk gesteld van de beoordeling van de betrokken werknemer.
(iii) De COR heeft met deze voornemens ingestemd. Pontmeyer heeft FNV niet betrokken bij de onderhandelingen over het gewijzigde beloningsbeleid.
(iv) Pontmeyer heeft de werknemers op wie het gewijzigde beloningsbeleid betrekking had, in mei 2012 per brief van deze wijziging op de hoogte gebracht.
FNV vordert, kort samengevat en voor zover in cassatie van belang, dat Pontmeyer wordt veroordeeld de eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden voor de boven-cao-werknemers ongedaan te maken. FNV vordert deze ongedaanmaking zowel voor haar leden als voor niet-leden voor zover werkzaam bij Pontmeyer. Aan haar vordering heeft zij ten grondslag gelegd dat Pontmeyer niet bevoegd was eenzijdig primaire arbeidsvoorwaarden – voor sommige werknemers met terugwerkende kracht – in te voeren in afwijking van het volgens de CAO-Houthandel geldende beoordelingssysteem. FNV heeft zich op het standpunt gesteld dat zij op grond van art. 3:305a BW bevoegd is tot het instellen van de vorderingen.
De kantonrechter heeft FNV niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering, op de grond dat geen sprake is van gelijksoortige belangen als bedoeld in art. 3:305a BW.
In zijn eerste tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat de vordering van FNV zich wel leent voor behandeling op de voet van art. 3:305a BW. Het hof heeft partijen vervolgens in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de vraag of de zaak naar de kantonrechter moet worden teruggewezen, of dat het hof de zaak aan zich moet houden.
In zijn tweede tussenarrest heeft het hof overwogen dat het onvoldoende gronden aanwezig acht om af te wijken van de hoofdregel dat in geval hoger beroep is ingesteld tegen een eindvonnis, de gehele zaak in beginsel naar de appelrechter wordt overgebracht ter beslissing door deze instantie. Het hof heeft een comparitie van partijen gelast.
De comparitie heeft plaatsgevonden ten overstaan van een raadsheer-commissaris.
In zijn eindarrest heeft het hof het vonnis van de kantonrechter vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van FNV afgewezen. De in cassatie relevante overwegingen van het hof zullen hierna worden weergegeven.
4 Beoordeling van het middel in het principale beroep
Onderdeel 2.1 klaagt dat, nu de comparitie in hoger beroep heeft plaatsgevonden ten overstaan van een raadsheer-commissaris en direct daarna het eindarrest is gewezen door drie raadsheren, in strijd is gehandeld met het onmiddellijkheidsbeginsel van art. 134 Rv en art. 6 EVRM, zodat het eindarrest nietig is. Het onderdeel doet daartoe een beroep op de regels uiteengezet in HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3076, NJ 2015/181, en HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:662. FNV heeft geen afstand gedaan van haar fundamentele recht om haar standpunt mondeling uiteen te zetten ten overstaan van de rechters die de beslissing nemen, aldus het onderdeel.
Deze klacht treft doel. Daartoe wordt als volgt overwogen.
In zijn tweede tussenarrest (van 26 april 2016) heeft het hof (in rov. 2.5) overwogen dat het aanleiding ziet een verschijning van partijen te gelasten, dat de comparitie tevens zal worden benut voor het beproeven van een schikking, en dat de specifieke onderwerpen die tijdens deze comparitie in ieder geval aan de orde zullen worden gesteld, voorafgaand aan de comparitie door het hof bekend worden gemaakt. Blijkens het dictum van dit tussenarrest zou de comparitie plaatsvinden ten overstaan van een raadsheer-commissaris.
In dit tussenarrest is niet bepaald dat de comparitie uitsluitend strekte tot het beproeven van een schikking dan wel het verkrijgen van inlichtingen, een en ander als bedoeld in art. 87 Rv respectievelijk art. 88 Rv, in samenhang met art. 353 lid 1 Rv, en niet mede ertoe strekte om partijen in de gelegenheid te stellen hun stellingen toe te lichten.
Met het oog op de comparitie heeft de griffier namens de raadsheer-commissaris bij brief een aantal vragen aan partijen voorgelegd.
De comparitie heeft plaatsgevonden ten overstaan van een raadsheer-commissaris.
Uit het proces-verbaal van de comparitie en de schriftelijke aantekeningen die partijen ten behoeve van de comparitie hebben overgelegd, blijkt dat partijen de in de brief van de griffier gestelde vragen hebben beantwoord. Tevens blijkt daaruit dat partijen de comparitie hebben benut om hun stellingen toe te lichten.
Nu de door het hof gelaste comparitie mede is benut om partijen in de gelegenheid te stellen hun stellingen toe te lichten, had deze comparitie in deze meervoudig te beslissen zaak in beginsel dienen plaats te vinden ten overstaan van de drie raadsheren die de beslissing zouden nemen. Van deze regel kon worden afgeweken door tijdig voor de comparitie (schriftelijk of elektronisch) aan partijen mee te delen dat, nu was bepaald dat de comparitie zou worden gehouden ten overstaan van een raadsheer-commissaris, partijen gelegenheid hadden om te verzoeken dat de comparitie zou worden gehouden ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zou nemen. (HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3259 en HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3264, rov. 3.5.1 en 3.6.2-3.6.3)
In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat de hiervoor in 4.1.4 bedoelde mededeling niet aan partijen is gedaan, nu het tweede tussenarrest en het proces-verbaal van de comparitie hierover niets vermelden.
Opmerking verdient dat de gerechten ook bij procesreglement kunnen regelen dat partijen kunnen verzoeken dat de mondelinge behandeling wordt gehouden ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zal nemen. Met een dergelijke regeling wordt voldoende gelegenheid gegeven voor het doen van dat verzoek.
Het vorenstaande betekent dat het eindarrest dient te worden vernietigd. Indien na verwijzing – al dan niet op verzoek van partijen – opnieuw een comparitie wordt gelast, moet hetgeen in de hiervoor in 4.1.4 genoemde uitspraken is overwogen, in acht worden genomen (HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:484, rov. 4.1.2).
Aan het vorenstaande doet niet af dat partijen in een dagvaardingszaak, ook na een comparitie als de onderhavige, op de voet van art. 134 Rv alsnog om pleidooi ten overstaan van de meervoudige kamer kunnen verzoeken. Uit het enkele feit dat FNV niet om pleidooi heeft verzocht, kan niet worden afgeleid dat zij na de comparitie alsnog afstand heeft gedaan van het haar toekomende recht om bij de comparitie haar stellingen toe te lichten ten overstaan van de raadsheren die de beslissing zouden nemen.
De overige onderdelen van het middel klagen alle inhoudelijk over het door het hof gegeven oordeel.
Deze klachten behoeven geen behandeling omdat, wegens het slagen van onderdeel 2.1, vernietiging moet volgen en de zaak in hoger beroep opnieuw moet worden behandeld en beslist.
Ten overvloede wordt naar aanleiding van de onderdelen 2.2 en 2.3 het volgende overwogen.
De onderdelen keren zich tegen hetgeen het hof heeft overwogen (in rov. 3.12, vijfde tot en met zevende volzin, eindarrest) over de vraag – kort gezegd – of uit een gedragslijn een tussen werknemer en werkgever geldende arbeidsvoorwaarde kan ontstaan. De bestreden overweging luidt:
“Wanneer (…), zonder dat daarover iets is afgesproken, en dus in zekere zin: ongevraagd, jaarlijkse of periodieke salarisverhogingen door de werkgever worden toegekend, dan zal dat, op een bepaald moment, en in toenemende mate, bij werknemers verwachtingen scheppen. Die verwachtingen, ook wanneer zij lange tijd gekoesterd zijn, leiden echter niet zonder meer tot een recht op een dergelijke toekenning. Daarvoor zijn nadere omstandigheden nodig, die echter niet zijn gesteld of gebleken.”
De vraag wanneer uit een door de werkgever jegens de werknemer gedurende een bepaalde tijd gevolgde gedragslijn voortvloeit dat sprake is van een tussen partijen geldende (de arbeidsovereenkomst aanvullende) arbeidsvoorwaarde, laat zich niet in algemene zin beantwoorden. Het komt aan op de zin die partijen aan elkaars gedragingen (en in verband daarmee staande verklaringen) hebben toegekend en in de gegeven omstandigheden daaraan redelijkerwijs mochten toekennen. In dit verband komt betekenis toe aan gezichtspunten als (i) de inhoud van de gedragslijn, (ii) de aard van de arbeidsovereenkomst en de positie die de werkgever en de werknemer jegens elkaar innemen, (iii) de lengte van de periode gedurende welke de werkgever de desbetreffende gedragslijn heeft gevolgd, (iv) hetgeen de werkgever en de werknemer in verband met deze gedragslijn jegens elkaar hebben verklaard of juist niet hebben verklaard, (v) de aard van de voor- en nadelen die voor de werkgever en de werknemer uit de gedragslijn voortvloeien, en (vi) de aard en de omvang van de kring van werknemers jegens wie de gedragslijn is gevolgd.
5 Beoordeling van het middel in het voorwaardelijk incidentele beroep
Nu het middel in het principale beroep doel treft, is de voorwaarde vervuld waaronder het incidentele beroep is ingesteld.
Het incidentele middel richt klachten tegen het oordeel van het hof in (rov. 3.5 van) het eerste tussenarrest dat de vordering van FNV zich leent voor behandeling op de voet van art. 3:305a BW.
Deze klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
6 Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale beroep:
vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 november 2016;
verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt Pontmeyer in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van FNV begroot op € 944,60 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris;
in het incidentele beroep:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Pontmeyer in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van FNV begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, M.V. Polak, M.J. Kroeze en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 22 juni 2018.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:GHAMS:2016:4429 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
- ECLI:NL:PHR:2018:410 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:OGHACMB:2026:168 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 16 juni 2026 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBLIM:2026:5404 Rechtbank Limburg, 3 juni 2026 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2026:1101 Rechtbank Gelderland, 13 februari 2026 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2026:4233 Rechtbank Amsterdam, 22 januari 2026 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2025:13812 Rechtbank Noord-Holland, 26 november 2025 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:3463 Gerechtshof Amsterdam, 17 december 2024 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3569 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 14 november 2024 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2024:7448 Rechtbank Limburg, 22 oktober 2024 (civiel recht)
- ECLI:NL:OGHACMB:2024:119 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 9 april 2024 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBLIM:2024:513 Rechtbank Limburg, 5 februari 2024 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2023:8789 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 7 november 2023 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2023:4512 Rechtbank Noord-Nederland, 31 oktober 2023 (civiel recht)
- ECLI:NL:OGHACMB:2023:118 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 4 juli 2023 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBMNE:2023:3382 Rechtbank Midden-Nederland, 23 juni 2023 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2022:9784 Rechtbank Rotterdam, 4 november 2022 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:2617 Gerechtshof Amsterdam, 6 september 2022 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2022:5311 Rechtbank Rotterdam, 10 juni 2022 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2022:4209 Rechtbank Rotterdam, 20 mei 2022 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:RBOBR:2022:1959 Rechtbank Oost-Brabant, 10 mei 2022 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBLIM:2022:1888 Rechtbank Limburg, 9 maart 2022 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBMNE:2021:5381 Rechtbank Midden-Nederland, 3 november 2021 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:PHR:2021:1010 Parket bij de Hoge Raad, 29 oktober 2021 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2021:9290 Rechtbank Noord-Holland, 20 oktober 2021 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHSHE:2021:3082 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12 oktober 2021 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2021:1170 Rechtbank Midden-Nederland, 15 maart 2021 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:1473 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16 februari 2021 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBMNE:2020:5770 Rechtbank Midden-Nederland, 23 december 2020 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2020:5287 Rechtbank Midden-Nederland, 2 december 2020 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:9736 Rechtbank Noord-Holland, 18 november 2020 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:2193 Gerechtshof Den Haag, 17 november 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2020:5232 Rechtbank Rotterdam, 19 juni 2020 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:4049 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 mei 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:872 Gerechtshof Den Haag, 28 april 2020 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2020:3996 Rechtbank Rotterdam, 24 april 2020 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:811 Gerechtshof Den Haag, 21 april 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:268 Gerechtshof Den Haag, 18 februari 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:1882 Gerechtshof Den Haag, 11 februari 2020 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:PHR:2019:1267 Parket bij de Hoge Raad, 22 november 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBNHO:2019:8322 Rechtbank Noord-Holland, 8 oktober 2019 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:8005 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 1 oktober 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBNNE:2019:4116 Rechtbank Noord-Nederland, 1 oktober 2019 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2019:2035 Gerechtshof Den Haag, 13 augustus 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHDHA:2019:1490 Gerechtshof Den Haag, 18 juni 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:4757 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 4 juni 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHDHA:2019:1303 Gerechtshof Den Haag, 28 mei 2019 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:PHR:2019:626 Parket bij de Hoge Raad, 24 mei 2019 (burgerlijk procesrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2019:1121 Gerechtshof Den Haag, 21 mei 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:HR:2019:567 Hoge Raad, 12 april 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:HR:2019:569 Hoge Raad, 12 april 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:HR:2019:571 Hoge Raad, 12 april 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:PHR:2019:265 Parket bij de Hoge Raad, 20 maart 2019 (burgerlijk procesrecht)
- ECLI:NL:HR:2019:271 Hoge Raad, 22 februari 2019 (burgerlijk procesrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2019:1698 Rechtbank Noord-Holland, 22 februari 2019 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:591 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 19 februari 2019 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:322 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 31 januari 2019 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:HR:2019:106 Hoge Raad, 25 januari 2019 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:142 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 8 januari 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:10551 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 4 december 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2018:8979 Rechtbank Rotterdam, 5 november 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:OGEAM:2018:100 Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, 2 november 2018 (arbeidsrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.