Uitspraak · Civiel recht
Hoge Raad, 12 september 2014
ECLI:NL:HR:2014:2665Zaaknummer 14/01665
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 12 september 2014
- Publicatiedatum
- 12 september 2014
- Zaaknummer
- 14/01665
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Prejudiciële beslissing
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Prejudiciële vraag (art. 392 Rv). Familierecht. Ondertoezichtstelling. Recht van hoger beroep voor belanghebbende (art. 806 lid 1 en 798 lid 1 Rv). Is de ouder zonder gezag in een procedure tot (verlenging van) ondertoezichtstelling belanghebbende indien het verzoek niet van hem/haar afkomstig is? Recht op bescherming van ‘family life’ (art. 8 EVRM) van de ouder zonder gezag (HR 21 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7043, NJ 2010/397).
De Hoge Raad:
beantwoordt de prejudiciële vraag op de hiervoor in 3.4 weergegeven wijze.
Deze beslissing is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, G. Snijders, G. de Groot en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 12 september 2014.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
12 september 2014
Eerste Kamer
14/01665
LZ/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Prejudiciële beslissing
in de zaak van:
[de vader],zonder vaste woonplaats,
VERZOEKER in hoger beroep,
niet verschenen in de prejudiciële procedure,
t e g e n
de stichting STICHTING BUREAU JEUGDZORG NOORD-BRABANT,gevestigd te Eindhoven,
VERWEERSTER in hoger beroep,
niet verschenen in de prejudiciële procedure.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vader en Jeugdzorg.
1 Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak 252169 JE RK 12-1267 van de kinderrechter in de rechtbank Breda van 31 augustus 2012;
b. de beschikking in de zaak C/02/266826 JE RK 13-1412 van de kinderrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 augustus 2013;
c. de tussenbeschikking in de zaak HV 200.136.029/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 27 maart 2014.
De tussenbeschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2 De prejudiciële procedure
Bij laatst genoemde tussenbeschikking heeft het hof op de voet van art. 392 Rv de volgende prejudiciële vraag gesteld:
“Dient in een procedure tot (verlenging van de) ondertoezichtstelling de ouder zonder gezag, indien het verzoek tot (de verlenging van de) ondertoezichtstelling niet van hem/haar afkomstig is, als belanghebbende te worden aan gemerkt?”
Na daartoe desgevraagd in de gelegenheid te zijn gesteld hebben partijen geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot indienen van schriftelijke opmerkingen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt ertoe dat de Hoge Raad de gestelde prejudiciële vraag ontkennend zal beantwoorden.
3 Beantwoording van de prejudiciële vraag
Bij de beantwoording van de prejudiciële vraag gaat de Hoge Raad uit van de volgende feiten.
(i) Op [geboortedatum] 2010 is [de zoon] geboren (hierna: de zoon). Zijn moeder is belast met het eenhoofdig gezag. De vader heeft de zoon erkend. De relatie tussen de moeder en de vader is verbroken in januari 2013.
(ii) De zoon is op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming onder toezicht gesteld van de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant (hierna: Bureau Jeugdzorg).
In de onderhavige procedure is de ondertoezicht-stelling op verzoek van Bureau Jeugdzorg verlengd tot 28 februari 2014. De vader heeft hoger beroep tegen de desbetreffende beschikking ingesteld.
Het hof heeft, in het kader van de beoordeling van de ontvankelijkheid van de vader in zijn hoger beroep, op de voet van art. 392 Rv aan de Hoge Raad de vraag voorgelegd of in een procedure tot (verlenging van de) ondertoezichtstelling de ouder zonder gezag, indien het verzoek tot (verlenging van de) ondertoezichtstelling niet van hem/haar afkomstig is, als belanghebbende dient te worden aangemerkt.
Bij de beantwoording van deze vraag wordt het volgende vooropgesteld.
In afwijking van art. 358 lid 2 Rv kan in zaken betreffende het personen- en familierecht (anders dan scheidingszaken) hoger beroep worden ingesteld:
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden (art. 806 lid 1 Rv).
3.3.3 Art. 798 lid 1 Rv bepaalt dat voor de toepassing van de eerste afdeling (van Boek 3, titel 6) – waarvan art. 806 Rv deel uitmaakt – onder belanghebbende wordt verstaan: degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Tot de in artikel 798 lid 1 Rv bedoelde rechten en verplichtingen worden gerekend de door internationale verdragen beschermde rechten, voor zover daarop door de burger rechtstreeks een beroep kan worden gedaan (zoals het recht op ‘family life’ in de zin van art. 8 EVRM) (vgl. Kamerstukken II 1991-1992, 22 487, nr. 3, p. 6-7). De rechter in hoger beroep bepaalt zelfstandig of sprake is van een belanghebbende in de zin vanart. 798 lid 1 Rv (Kamerstukken II 1991-1992, 22 487, nr. 3, p. 12).
De ondertoezichtstelling van minderjarigen is geregeld in de vierde afdeling van titel 14 van Boek 1 BW, welke titel ziet op het gezag over minderjarige kinderen.
Het ouderlijk gezag omvat de plicht en het recht van de ouder om zijn minderjarige kind te verzorgen en op te voeden (art.1:247 lid 1 BW). De maatregel van ondertoezichtstelling beperkt het gezag. De met het toezicht belaste stichting kan ter uitvoering van haar taak zo nodig schriftelijk aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De met het gezag belaste ouder en de minderjarige dienen deze aanwijzingen op te volgen (art. 1:258 BW). Dergelijke aanwijzingen kunnen op verzoek van de met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder vervallen worden verklaard (art. 1:259 lid 1 BW).
Het verzoek tot ondertoezichtstelling kan worden gedaan door een ouder, een ander die de minderjarige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, de Raad voor de Kinderbescherming of het openbaar ministerie (art. 1:254 lid 4 BW). Zij die bevoegd zijn tot het indienen van een verzoek tot ondertoezichtstelling zijn tevens bevoegd tot het indienen van een verzoek tot verlenging van die maatregel; voorts komt de bevoegdheid om verlenging te verzoeken toe aan de met het toezicht belaste stichting (art. 1:256 lid 2 BW).
De kinderrechter kan de ondertoezichtstelling opheffen indien de grond daarvoor niet langer bestaat. Het verzoek tot opheffing kan worden gedaan door de stichting die met het toezicht is belast, de met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder (art. 1:256 lid 4 BW).
Uit het voorgaande volgt dat de maatregel van ondertoezichtstelling ingrijpt in de rechtsbetrekking tussen de met het gezag beklede ouder(s) en de minderjarige en aldus rechtstreeks betrekking heeft op de uit het ouderlijk gezag voortvloeiende rechten en verplichtingen. De rechten en verplichtingen van de niet met het gezag beklede ouder worden daardoor niet rechtstreeks geraakt in de zin van art. 798 lid 1 Rv. Hiermee strookt dat, wanneer een ondertoezichtstelling eenmaal van kracht is geworden, slechts de met het gezag beklede ouder(s) en de minderjarige zelf (mits twaalf jaar of ouder) tegen de door de met het toezicht belaste stichting gegeven aanwijzingen kunnen opkomen en – naast de stichting – om opheffing van de maatregel kunnen vragen en dus niet de niet met het gezag beklede ouder. Aan dat laatste ligt blijkens de parlementaire geschiedenis de gedachte ten grondslag dat het niet wenselijk is dat een beperking van het gezag van de ouder, die zowel door de ouder die de beperking moet dulden als door de stichting die met het toezicht is belast wordt aanvaard respectievelijk gewenst, op verzoek van een niet met het gezag belaste derde zou kunnen worden opgeheven (Kamerstukken II 1992-1993, 23 003, nr. 3, p. 33).
Gelet hierop kan de niet met het gezag beklede ouder in het kader van een ondertoezichtstelling niet worden beschouwd als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv en dus evenmin als belanghebbende in de zin van art. 806 lid 1 Rv. Hem komt daarom niet uit dien hoofde de bevoegdheid toe hoger beroep in te stellen van een beslissing tot (verlenging van de) ondertoezicht-stelling. De omstandigheid dat de wetgever aan de niet met het gezag beklede ouder wel de bevoegdheid heeft toegekend een (verlenging van de) ondertoezichtstelling – een beperking van het gezag van de andere ouder – te verzoeken, doet daaraan, gelet op hetgeen in 3.3.5 is overwogen, niet af. In dit verband is van belang dat de wetgever een onderscheid heeft gemaakt tussen degenen die een verzoek kunnen doen en degenen die als belanghebbenden worden beschouwd.
Bij het vorenstaande verdient opmerking dat indien de niet met het gezag beklede ouder zelf een (verlenging van de) ondertoezichtstelling heeft verzocht en dit verzoek niet (volledig) wordt toegewezen, hij als verzoeker in de zin van art. 806 lid 1, aanhef en onder a, in verbinding met art. 358 lid 2 Rv daartegen hoger beroep kan instellen. Indien hoger beroep wordt ingesteld tegen de toewijzing van een dergelijk verzoek van de niet met het gezag beklede ouder, dan dient die ouder, als verzoeker in eerste aanleg in de zin van art. 361 lid 1 Rv, te worden opgeroepen voor de behandeling van dat hoger beroep.
Voorts verdient opmerking dat de niet met het gezag beklede ouder ook bij een ondertoezichtstelling de mogelijkheid behoudt om zijn uit art. 8 EVRM voortvloeiende recht op bescherming van zijn 'family life' met de minderjarige te effectueren (vgl. HR 21 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7043, NJ 2010/397). Zo kan deze ouder ingevolge art. 1:377a lid 2 BW de rechter verzoeken een omgangsregeling te treffen en dient hij, ingeval de met het toezicht belaste stichting op de voet van art. 1:263b BW een verzoek tot wijziging van een bestaande omgangsregeling doet, als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv, in dat geding te worden betrokken.
Gelet op het voorgaande dient de prejudiciële vraag aldus te worden beantwoord dat in een procedure tot (verlenging van de) ondertoezichtstelling de niet met het gezag beklede ouder niet kan worden beschouwd als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv. Deze ouder heeft dan ook niet de bevoegdheid hoger beroep in te stellen van een beslissing dienaangaande indien het verzoek tot (verlenging van de) ondertoezichtstelling niet van hem afkomstig was.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
beantwoordt de prejudiciële vraag op de hiervoor in 3.4 weergegeven wijze.
Deze beslissing is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, G. Snijders, G. de Groot en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 12 september 2014.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 392 Rv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 358 Rv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 806 Rv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 798 Rv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 8 EVRM meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 1:258 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 1:259 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 1:254 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 1:256 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 361 Rv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 1:377a BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 1:263b BW
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2014:703 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:PHR:2026:995 Parket bij de Hoge Raad, 16 oktober 2026 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:RBROT:2025:8943 Rechtbank Rotterdam, 7 mei 2025 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2025:1091 Gerechtshof Amsterdam, 22 april 2025 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2025:85 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 16 januari 2025 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2025:251 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 8 januari 2025 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:7975 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 31 december 2024 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1483 Gerechtshof Den Haag, 21 augustus 2024 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:2483 Gerechtshof Amsterdam, 6 augustus 2024 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:5076 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 6 augustus 2024 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:PHR:2024:434 Parket bij de Hoge Raad, 17 april 2024 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1386 Gerechtshof Den Haag, 12 juli 2023 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHARL:2023:5795 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11 juli 2023 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:3350 Gerechtshof Amsterdam, 29 november 2022 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2251 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 7 juli 2022 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:529 Gerechtshof Amsterdam, 22 februari 2022 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:1443 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 februari 2022 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:9351 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 5 oktober 2021 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2021:5655 Rechtbank Noord-Nederland, 17 september 2021 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBMNE:2021:2650 Rechtbank Midden-Nederland, 18 mei 2021 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:RBROT:2020:12108 Rechtbank Rotterdam, 10 december 2020 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:2964 Gerechtshof Amsterdam, 27 oktober 2020 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:1630 Gerechtshof Den Haag, 9 september 2020 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:1253 Gerechtshof Den Haag, 8 juli 2020 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:1560 Gerechtshof Amsterdam, 19 mei 2020 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:2755 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 31 maart 2020 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:66 Gerechtshof Amsterdam, 7 januari 2020 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:4494 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12 december 2019 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:8686 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 oktober 2019 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2019:2638 Gerechtshof Amsterdam, 2 juli 2019 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2019:1258 Gerechtshof Den Haag, 23 mei 2019 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:3937 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 7 mei 2019 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:1211 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 7 februari 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:PHR:2018:1356 Parket bij de Hoge Raad, 19 oktober 2018 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2018:2730 Gerechtshof Den Haag, 17 oktober 2018 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2018:8191 Rechtbank Limburg, 13 juli 2018 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2018:6413 Rechtbank Limburg, 27 juni 2018 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:HR:2018:463 Hoge Raad, 30 maart 2018 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:HR:2018:488 Hoge Raad, 30 maart 2018 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:3030 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 maart 2018 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:2320 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 6 maart 2018 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:PHR:2018:162 Parket bij de Hoge Raad, 2 maart 2018 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:PHR:2018:113 Parket bij de Hoge Raad, 2 februari 2018 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:8535 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 september 2017 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:RBROT:2017:6912 Rechtbank Rotterdam, 8 september 2017 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2017:6914 Rechtbank Rotterdam, 8 september 2017 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2017:6916 Rechtbank Rotterdam, 8 september 2017 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2017:6917 Rechtbank Rotterdam, 8 september 2017 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2017:6918 Rechtbank Rotterdam, 8 september 2017 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2017:6919 Rechtbank Rotterdam, 8 september 2017 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2017:6995 Rechtbank Rotterdam, 8 september 2017 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:3629 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 17 augustus 2017 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:6129 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18 juli 2017 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:739 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 31 januari 2017 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:904 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 31 januari 2017 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2016:4087 Gerechtshof Amsterdam, 11 oktober 2016 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2016:2451 Gerechtshof Den Haag, 24 augustus 2016 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:6784 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 augustus 2016 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:3274 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 april 2016 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:2437 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24 maart 2016 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2016:1407 Rechtbank Noord-Nederland, 10 maart 2016 (personen- en familierecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.