Uitspraak · Civiel recht
Hoge Raad, 19 april 2013
ECLI:NL:HR:2013:BY6108Zaaknummer 12/00081
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 19 april 2013
- Publicatiedatum
- 27 juni 2013
- Zaaknummer
- 12/00081
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Schadevordering verhuurder na opzegging bedrijfsruimtehuur door curator van failliete huurder, opleveringsverplichting, art. 7:224 BW. Niet-nakoming wederkerige overeenkomst na faillissement, bevoegdheid curator, art. 37 Fw, concurrente vordering, art. 37a Fw, paritas-beginsel. Uitzonderingen, huurpenningen na faillissement, onbevoegde opzegging of handelen in strijd met door curator na te leven verbintenis, Hoge Raad komt terug van ‘toedoencriterium’ (HR 28 september 1990, LJN AD1243, NJ 1991/305). Ontruimingsverplichting als boedelschuld (HR 9 juni 2006, LJN AV9234, NJ 2007/21), art. 39 Fw.
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op € 781,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als de voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, C.A. Streefkerk, G. Snijders en M.V. Polak en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 19 april 2013.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
19 april 2013
Eerste Kamer
12/00081
DV/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. F.M.L. Dekkers,
t e g e n
Bruno Joannes TIDEMAN,
kantoorhoudende te 's-Gravenhage,
handelend in zijn hoedanigheid van curator van [A] B.V.,
voorheen gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. P.P. Hart.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en de curator.
1. Het geding in feitelijke instantie
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar het vonnis in de zaak 1081633/11-5167 van de kantonrechter te Leiden van 23 november 2011.
Het vonnis van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de kantonrechter heeft [eiseres] sprongcassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De curator heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor de curator toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot vernietiging.
De advocaat van de curator heeft bij brief van 19 december 2012 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [Eiseres] heeft met ingang van 1 maart 2009 een bedrijfsruimte in [plaats] verhuurd aan (de rechtsvoorganger van) [A] B.V. (hierna: de B.V.).
(ii) Bij vonnis van 26 oktober 2010 is de B.V. door de rechtbank Den Haag failliet verklaard. De curator heeft de huurovereenkomst opgezegd, waardoor deze is geëindigd per 31 januari 2011. Het gehuurde is per die datum ontruimd en leeg opgeleverd.
(iii) Bij de oplevering is gebleken dat er schade is aan de buitengevel en deuren van het pand van de bedrijfsruimte tot een bedrag van € 24.000,--.
3.2 [Eiseres] vordert in deze procedure betaling van de curator van dit bedrag van € 24.000,-- als boedelschuld. Volgens [eiseres] heeft de B.V. de schade veroorzaakt en gaat het om opleveringsschade, die dient te worden vergoed op grond van art. 7:224 BW en de algemene bepalingen van de huurovereenkomst met betrekking tot de oplevering. De in die bepalingen geregelde verplichting tot correcte oplevering van het gehuurde is in dit geval een boedelschuld, omdat deze verplichting is ontstaan door toedoen van de curator, namelijk door de opzegging van de huurovereenkomst.
De curator heeft aangevoerd dat de verplichting om de schade te herstellen niet voortvloeit uit de opleveringsverplichting, maar uit de algemene bepalingen van de huurovereenkomst, die verplichten tot herstel van die schade tijdens de looptijd van de huur, en uit de wettelijke bepalingen omtrent huur. [eiseres] moet de vordering dus indienen als concurrente vordering.
3.3 De kantonrechter heeft de vordering afgewezen op de grond dat ingevolge de algemene bepalingen van de huurovereenkomst de schade al tijdens de looptijd van de huur voor rekening kwam van de B.V., en dat het daarom geen schade betreft die naar haar aard pas na het beëindigen van de huurovereenkomst moet worden vergoed. De verplichting tot herstel van de schade bestond al voor de opzegging, aldus de kantonrechter.
3.4 De middelen bestrijden het oordeel van de kantonrechter in de eerste plaats met een betoog dat erop neerkomt dat de vordering van [eiseres] voortvloeit uit de opleveringsverplichting en daarom een boedelschuld is, omdat de opleveringsverplichting is ontstaan door toedoen van de curator, namelijk door diens opzegging van de huurovereenkomst. Hieraan doet volgens de middelen niet af dat ook ingevolge de algemene bepalingen van de huurovereenkomst een verplichting tot herstel van de schade bestaat.
3.5 Dit betoog is ongegrond. Dat de schadevergoedingsvordering van de verhuurder in een geval zoals hier aan de orde een boedelschuld oplevert, is (a) niet te verenigen met de regels die de Faillissementswet in art. 37 e.v. kent met betrekking tot wederkerige overeenkomsten, en komt (b) in strijd met hetgeen uit die wet volgt omtrent het ontstaan van boedelschulden. Dit wordt hierna uitgewerkt in 3.6 respectievelijk 3.7.
3.6.1 Voor wederkerige overeenkomsten die ten tijde van de faillietverklaring nog niet of niet geheel zijn nagekomen - waaronder begrepen de op dat tijdstip lopende duurovereenkomsten -, gaat de Faillissementswet uit van het volgende stelsel. Op zichzelf brengt het faillissement geen wijziging in de verbintenissen die voortvloeien uit een overeenkomst (Van der Feltz I, p. 409). De curator heeft echter, zoals blijkt uit art. 37 lid 1 Fw, de mogelijkheid om overeenkomsten niet gestand te doen en dus de daaruit voortvloeiende verbintenissen niet na te komen (vgl. HR 3 november 2006, LJN AX8838, NJ 2007/155). Die verbintenissen leveren in het faillissement een concurrente vordering op die, indien het geen geldvordering betreft, overeenkomstig art. 133 Fw voor de geschatte waarde kan worden ingediend (Van der Feltz I, p. 388-389). Indien de curator de overeenkomst niet gestand doet, kan de wederpartij deze ook ontbinden, na de weg van art. 37 lid 1 Fw te hebben gevolgd, en heeft zij daarnaast wegens het tekortschieten in de nakoming van de overeenkomst een concurrente vordering op grond van art. 37a Fw.
Ingeval de curator in verband met het belang van de boedel besluit de overeenkomst niet gestand te doen, resteert voor de wederpartij dus steeds - behoudens door de wet erkende redenen van voorrang - een concurrente vordering. Dit is in overeenstemming met het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers dat aan de Faillissementswet ten grondslag ligt.
3.6.2 Indien de gefailleerde ten tijde van de faillietverklaring huurder of werkgever is, zijn de huur, het loon en de premieschulden op grond van art. 39 en 40 Fw vanaf de dag van de faillietverklaring boedelschuld, zulks in afwijking van de hiervoor in 3.6.1 vermelde hoofdregel. Het gaat hier om een uitzondering om redenen van billijkheid (Van der Feltz I, p. 419, 420 en 428). Deze uitzondering brengt mee dat de curator die in het belang van de boedel geen verdere uitvoering aan de lopende huur- of arbeidsovereenkomst wenst te geven, deze overeenkomst dient op te zeggen teneinde te voorkomen dat de boedelschuld ter zake van de daaruit voortvloeiende huur, loon of premieschulden oploopt. Art. 39 en 40 Fw verklaren hem tot deze opzegging bevoegd, mits hij daarbij de in die artikelen genoemde termijnen in acht neemt. Door die opzegging ontstaat (dus) geen schadeplichtigheid (Van der Feltz I, p. 423, en HR 14 januari 2011, LJN BO3534, NJ 2011/114).
Indien de curator besluit de huur- of arbeidsovereenkomst te beëindigen, is derhalve slechts sprake van een boedelvordering met betrekking tot de huur, het loon of de premieschulden die verschuldigd zijn gedurende een beperkte periode na de faillietverklaring.
3.6.3 In het hiervoor in 3.6.1 en 3.6.2 weergegeven stelsel van de Faillissementswet past niet dat, indien de curator in het belang van de boedel de huur beëindigt, de schadevergoedingsverplichting die in verband met de huurbeëindiging ontstaat, een boedelschuld is op de enkele grond dat zij is ontstaan als gevolg van een rechtshandeling - en dus door toedoen - van de curator. Daarmee zou immers een uitzondering worden gemaakt op de hoofdregel dat indien de curator in het belang van de boedel geen uitvoering geeft aan een door de gefailleerde voor de faillietverklaring aangegane overeenkomst, slechts een concurrente vordering voor de wederpartij resteert, en op het aan die regel ten grondslag liggende beginsel van de gelijkheid van schuldeisers. Voor die uitzondering valt in de Faillissementswet geen rechtvaardiging of grond te vinden. Van een boedelschuld is daarom geen sprake.
3.7.1 Deze uitkomst strookt ook met hetgeen volgt uit de Faillissementswet met betrekking tot boedelschulden. Op grond van die wet zijn boedelschulden slechts die schulden die een onmiddellijke aanspraak geven jegens de faillissementsboedel hetzij ingevolge de wet, hetzij omdat zij door de curator in zijn hoedanigheid zijn aangegaan, hetzij omdat zij een gevolg zijn van een handelen van de curator in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis of verplichting. Onder het aangaan van een schuld door de curator in deze zin is te verstaan dat de curator deze schuld op zich neemt bij een rechtshandeling, doordat zijn wil daarop is gericht (art. 3:33 en 35 BW).
3.7.2 Vorderingen die een boedelschuld opleveren, moeten worden onderscheiden van vorderingen op de schuldenaar, met het oog op de voldoening waarvan de vereffening van de boedel plaatsvindt. Vorderingen die voortvloeien uit een reeds ten tijde van de faillietverklaring bestaande rechtsverhouding met de schuldenaar en die geen boedelschuld opleveren op een van de hiervoor in 3.7.1 vermelde gronden, behoren tot bedoelde vorderingen op de schuldenaar, ook als ze pas tijdens het faillissement ontstaan, zoals onder meer blijkt uit art. 37 en 37a Fw en de op art. 37 Fw gegeven toelichting (Van der Feltz I, p. 409).
3.7.3 Opmerking verdient dat uit het hiervoor in 3.6.1 vermelde uitgangspunt van de Faillissementswet dat het faillissement geen invloed heeft op wederkerige overeenkomsten, volgt dat de curator niet bevoegd is om overeenkomsten op te zeggen, tenzij de wet of de overeenkomst hem (of de schuldenaar) daartoe bevoegd maakt. Zegt de curator onbevoegd een overeenkomst op, dan is de verplichting tot vergoeding van de daaruit voortvloeiende schade een boedelschuld, omdat hij dan in strijd handelt met een door hem na te leven verbintenis. Daarmee valt op een lijn te stellen het geval dat de curator wel bevoegd is tot opzegging van een overeenkomst, maar alleen tegen betaling van een schadevergoeding of schadeloosstelling in verband met die beëindiging.
3.7.4 De in deze zaak aan de orde zijnde verplichting om op grond van de bepalingen van de huurovereenkomst dan wel art. 7:224 BW de schade aan het gehuurde bij het einde van de huur te herstellen dan wel te vergoeden, is een uit de huurovereenkomst voortvloeiende verbintenis van de schuldenaar, die bij het einde van de huur ontstaat of opeisbaar wordt. Die verbintenis is geen boedelschuld, maar een vordering op de schuldenaar (in de hiervoor in 3.7.2 genoemde zin), nu daarbij niet wordt voldaan aan de hiervoor in 3.7.1 genoemde voorwaarden voor het ontstaan van een boedelschuld. Dat is slechts anders indien de schade is ontstaan door een handelen van de curator, welk geval zich hier blijkens de stellingen van partijen niet voordoet.
3.8 Zoals uit het vorenstaande volgt, komt de Hoge Raad terug van het 'toedoencriterium' dat is geformuleerd in HR 28 september 1990, LJN AD1243, NJ 1991/305 (De Ranitz q.q./Ontvanger), HR 12 november 1993, LJN ZC1136, NJ 1994/229 (Frima q.q./Blankers-Van Gennip) en HR 18 juni 2004, LJN AN8170, NJ 2004/617 (Circle Plastics), zulks mede naar aanleiding van de in de conclusie van de Advocaat-Generaal genoemde kritiek die in de literatuur op dat criterium is geuit.
Opmerking verdient dat dit niet betekent dat in een geval als aan de orde was in laatstgenoemd arrest, de ontruimingsverplichting na de beëindiging van de huur geen boedelschuld kan zijn. Zoals volgt uit HR 9 juni 2006, LJN AV9234, NJ 2007/21 (rov. 3.5.2), kan de gewezen verhuurder uit hoofde van zijn recht op het gehuurde verlangen dat de curator de tot de boedel behorende zaken uit het gehuurde verwijdert. Deze verplichting rust op de curator in zijn hoedanigheid en is derhalve een boedelschuld.
3.9 Gelet op het hiervoor overwogene heeft [eiseres] bij de overige klachten van de middelen geen belang, nu de gegrondbevinding daarvan niet tot een andere beslissing kan leiden.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op € 781,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als de voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, C.A. Streefkerk, G. Snijders en M.V. Polak en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 19 april 2013.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 7:224 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 37 Fw meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 133 Fw meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 37a Fw meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 39 Fw meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 40 Fw meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 3:33 BW meer uitspraken over dit artikel
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2012:BY6108 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:PHR:2026:998 Parket bij de Hoge Raad, 23 oktober 2026 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:PHR:2026:991 Parket bij de Hoge Raad, 16 oktober 2026 (insolventierecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:30073 Rechtbank Den Haag, 13 oktober 2026 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:HR:2026:239 Hoge Raad, 13 februari 2026 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:824 Gerechtshof Amsterdam, 2 april 2024 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBNNE:2023:5646 Rechtbank Noord-Nederland, 6 april 2023 (insolventierecht)
- ECLI:NL:RBROT:2023:2069 Rechtbank Rotterdam, 8 maart 2023 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBNNE:2023:316 Rechtbank Noord-Nederland, 26 januari 2023 (omgevingsrecht)
- ECLI:NL:RBOBR:2023:5061 Rechtbank Oost-Brabant, 17 januari 2023 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2022:1418 Rechtbank Rotterdam, 25 februari 2022 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2022:243 Rechtbank Noord-Holland, 19 januari 2022 (insolventierecht)
- ECLI:NL:PHR:2021:556 Parket bij de Hoge Raad, 4 juni 2021 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2020:8544 Rechtbank Rotterdam, 23 september 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHSHE:2020:2699 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 1 september 2020 (intellectueel-eigendomsrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:977 Gerechtshof Den Haag, 2 juni 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:RVS:2020:598 Raad van State, 26 februari 2020 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:3864 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 22 oktober 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:1026 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 19 maart 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:HR:2018:2067 Hoge Raad, 9 november 2018 (insolventierecht)
- ECLI:NL:RBOVE:2018:1901 Rechtbank Overijssel, 25 april 2018 (insolventierecht)
- ECLI:NL:HR:2018:424 Hoge Raad, 23 maart 2018 (insolventierecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2018:869 Rechtbank Amsterdam, 14 februari 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:HR:2017:3149 Hoge Raad, 15 december 2017 (insolventierecht)
- ECLI:NL:HR:2017:2907 Hoge Raad, 17 november 2017 (civiel recht)
- ECLI:NL:PHR:2017:1257 Parket bij de Hoge Raad, 10 november 2017 (insolventierecht)
- ECLI:NL:PHR:2017:1593 Parket bij de Hoge Raad, 13 oktober 2017 (insolventierecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2017:11688 Rechtbank Noord-Holland, 4 oktober 2017 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBNHO:2017:11715 Rechtbank Noord-Holland, 4 oktober 2017 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBAMS:2017:8649 Rechtbank Amsterdam, 13 september 2017 (insolventierecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2017:4726 Rechtbank Amsterdam, 5 juli 2017 (insolventierecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2017:6777 Rechtbank Midden-Nederland, 7 juni 2017 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:HR:2017:563 Hoge Raad, 31 maart 2017 (insolventierecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2017:1971 Rechtbank Amsterdam, 22 maart 2017 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBMNE:2017:3612 Rechtbank Midden-Nederland, 20 maart 2017 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2017:3915 Rechtbank Den Haag, 1 februari 2017 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBAMS:2016:9633 Rechtbank Amsterdam, 28 december 2016 (insolventierecht)
- ECLI:NL:PHR:2016:1196 Parket bij de Hoge Raad, 25 november 2016 (insolventierecht)
- ECLI:NL:PHR:2016:984 Parket bij de Hoge Raad, 30 september 2016 (civiel recht)
- ECLI:NL:HR:2016:1294 Hoge Raad, 24 juni 2016 (insolventierecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2016:2549 Rechtbank Noord-Nederland, 31 mei 2016 (civiel recht)
- ECLI:NL:HR:2016:665 Hoge Raad, 15 april 2016 (insolventierecht)
- ECLI:NL:GHARL:2015:5290 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 juli 2015 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHSHE:2015:2008 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 26 mei 2015 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBAMS:2015:2969 Rechtbank Amsterdam, 21 april 2015 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHDHA:2014:4490 Gerechtshof Den Haag, 23 december 2014 (civiel recht)
- ECLI:NL:RVS:2014:2728 Raad van State, 23 juli 2014 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:HR:2014:1681 Hoge Raad, 11 juli 2014 (insolventierecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2014:1960 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 19 maart 2014 (civiel recht)
- ECLI:NL:PHR:2012:BY6108 Parket bij de Hoge Raad, 7 december 2012 (civiel recht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.