Uitspraak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Den Haag, 13 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30073Zaaknummer K/4502/12231599
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 13 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- K/4502/12231599
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Verbintenissenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Tussenuitspraak
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Huurrecht. Huurder failliet. Vordering huurbetaling, ontbinding en ontruiming na faillissement ingesteld tegen huurder, curator niet in rechte betrokken. Tussenvonnis. Artikel 25 lid 2 Fw.
5 De beslissing
De kantonrechter
stelt [eisende partijen] in de gelegenheid om zich bij akte uit te laten over wat hierboven onder 4.5 is overwogen en verwijst de zaak daarvoor naar de rol van 10 november 2026,
houdt iedere verdere beslissing aan.
| Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Meester en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
JB/bc
Zaaknummer: 12231599 \ RL EXPL 26-10110
Vonnis van 13 oktober 2026
in de zaak van
1 [eiseres 1],
te [woonplaats 1],2. [eiseres 2],
te [woonplaats 2],3. [eiser],
te [woonplaats 3],
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisende partijen],
gemachtigde: BoitenLuhrs Incasso Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats 4],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 6 van 8 mei 2026;
- de aantekeningen van de griffier van de mondeling genomen conclusie van antwoord van 20 mei 2026;
- de akte wijziging eis van de zijde van [eisende partijen] van 8 september 2026;
Op 8 september 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden waarbij voor [eisende partijen] zijn verschenen mr. [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]. [gedaagde] is op de mondelinge behandeling niet verschenen. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden. Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
[gedaagde] huurt sinds 1 oktober 2022 de woning aan de [adres] (hierna: de woning) voor een huurprijs van thans € 466,32.
Op 16 september 2025 is het faillissement van [gedaagde] uitgesproken. Het faillissement is gepubliceerd in het Centraal Insolventieregister.
3 Het geschil
[eisende partijen] vordert bij eiswijziging – samengevat - dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- de huurovereenkomst wordt ontbonden;
- [gedaagde] wordt veroordeeld om de woning te ontruimen;
- [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 5.538,56, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 4.972,25;
- [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van (een vergoeding gelijk aan) de lopende huur (een bedrag van € 466,32) voor iedere maand dat [gedaagde] de woning in bezit houdt na 31 augustus 2026, een ingegane maand voor een volle gerekend;
- [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten.
[eisende partijen] leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] ernstig tekort is geschoten in zijn verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst door een huurachterstand te laten ontstaan. De huurachterstand betrof bij dagvaarding een bedrag van € 3.624,64. [gedaagde] is ondanks aanmaning en sommatie in gebreke gebleven met tijdige en volledige betaling van de verschuldigde huurpenningen. Hierdoor maken [eisende partijen] ook aanspraak op een bedrag van € 480,19 aan incassokosten inclusief btw en een bedrag van € 86,12 aan wettelijke rente.
[gedaagde] erkent de huurachterstand maar voert verweer tegen de gevorderde ontbinding en ontruiming. Zijn faillissement is inmiddels opgeheven en hij gaat weer aan de slag als zzp-er/kraanmachinist.
4 De beoordeling
In deze zaak staat tussen partijen centraal de vraag of [gedaagde] veroordeeld dient te worden tot betaling van de huurachterstand en of ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning moet plaatsvinden. Voordat de kantonrechter toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil, moet eerst worden vastgesteld wat het faillissement van [gedaagde] betekent voor deze procedure.
Faillissement van [gedaagde]
Op 16 september 2025 is het faillissement van [gedaagde] uitgesproken. Uit het Centraal Insolventieregister blijkt niet dat dit faillissement is geëindigd. [eisende partijen] vorderen in deze procedure de huurachterstand vanaf oktober 2025. Deze huurpenningen, die na faillissement verschuldigd zijn worden, zijn op grond van een wettelijke uitzondering boedelschulden.[_c3db83e6-04f4-45d6-a806-4b54961e9b53] Een vordering tot betaling van die boedelschulden is een boedelvordering die wordt ingesteld tegen de curator. Een veroordeling van de gefailleerde heeft geen rechtskracht tegen de boedel.[_a0107240-df73-4b92-a864-0f718e1b65eb]
Ten aanzien van de vordering tot ontbinding geldt het volgende. De huurovereenkomst is een wederkerige overeenkomst. Weliswaar brengt het faillissement niet mee dat de curator partij wordt bij de huurovereenkomst.[_cb395f91-1406-44c4-a55b-1484a1997362] Maar het uit de huurovereenkomst voortvloeiende huurrecht van de huurder is een goed in de zin van art. 1:431 lid 1 BW, meer specifiek een vermogensrecht, dat in de boedel valt. Een vordering tot ontbinding van een dergelijke wederkerige overeenkomst is daarmee een vordering die rechten of verplichtingen uit de failliete boedel tot onderwerp heeft en die géén vordering is tot nakoming van een verbintenis. Een dergelijke vordering wordt ook ingesteld tegen de curator en een veroordeling van de gefailleerde heeft geen rechtskracht tegen de boedel.[_95dac63f-5c17-4992-bdcc-c85c2994ad09]
De vordering tot ontruiming kan een vordering zijn waarbij de failliete boedel niet betrokken is en die tegen de gefailleerde zelf moet worden ingesteld. Maar voor zover er zich in de woning zaken bevinden die tot de boedel behoren, geldt eveneens dat [eisende partijen] voor verwijdering van deze zaken een vordering bij de curator moeten instellen.[_63c87a0a-4d46-412a-a3ba-114728f76769]
Een toewijzend vonnis zou dus op grond van artikel 25 lid 2 Fw tegenover de failliete boedel geen rechtskracht hebben. De kantonrechter zal [eisende partijen] daarom in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over de betekenis van het faillissement van [gedaagde] voor voortzetting van deze procedure.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5 De beslissing
De kantonrechter
stelt [eisende partijen] in de gelegenheid om zich bij akte uit te laten over wat hierboven onder 4.5 is overwogen en verwijst de zaak daarvoor naar de rol van 10 november 2026,
houdt iedere verdere beslissing aan.
| Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Meester en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026. |
Voetnoten
- Art. 39 Fw.
- Artikel 25 lid 1 en 2 Fw.
- HR 15 april 2026, ECLI:NL:HR:2016:665.
- Artikel 25 Fw.
- HR 19-04-2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6108, r.o. 3.8 (Koot Beheer/Tideman).
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.