Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 9 augustus 2013
ECLI:NL:HR:2013:196Zaaknummer 13/00078
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 9 augustus 2013
- Publicatiedatum
- 9 augustus 2013
- Zaaknummer
- 13/00078
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Partij kan niet als getuige onder ede worden gehoord
5 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2013.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
9 augustus 2013
nr. 13/00078
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 november 2012, nrs. 10/00924, 10/00925 en 10/00926, betreffende (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, premie arbeidsongeschiktheidsverzekeringen zelfstandigen en premie Ziekenfondswet.
1 Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende zijn over het jaar 2000 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen opgelegd, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur zijn verminderd.
Aan belanghebbende is over het jaar 2001 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd. Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen opgelegd. De Inspecteur heeft het daartegen gemaakte bezwaar bij uitspraak niet‑ontvankelijk verklaard.
Aan belanghebbende zijn over het jaar 2002 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen opgelegd, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur zijn gehandhaafd.
Aan belanghebbende zijn voor het jaar 2003 aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en premie Ziekenfondswet opgelegd, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur zijn gehandhaafd.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2004 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
De Rechtbank te Haarlem (nrs. AWB 08/5975, 08/6598 en 08/7485) heeft de tegen die uitspraken ingestelde beroepen gegrond verklaard voor zover zij zien op de navorderingsaanslagen over het jaar 2000 en het jaar 2001, de uitspraken van de Inspecteur vernietigd voor zover het een niet toekennen van een vergoeding van de in bezwaar gemaakt kosten betreft en de Inspecteur veroordeeld in de kosten van belanghebbende in bezwaar. Voor het overige zijn de beroepen ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, de bij de Rechtbank ingestelde beroepen ongegrond verklaard voor zover zij zien op de aanslag in de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen voor het jaar 2001 en de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2004 en voor het overige gegrond, de uitspraken van de Inspecteur in zoverre vernietigd en de (navorderings)aanslagen deels verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2 Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3 Beoordeling van de klachten
Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof het aanbod gedaan om zelf onder ede een verklaring af te leggen. Het Hof heeft dit aanbod gepasseerd op de grond dat in de belastingprocedure voor een partijverklaring onder ede geen plaats is. Voor zover de klachten dit oordeel van het Hof bestrijden, falen zij aangezien ’s Hofs oordeel juist is. De Algemene wet bestuursrecht noch de Algemene wet inzake rijksbelastingen geeft een voorziening die het horen van een van de partijen als getuige mogelijk maakt. Er bestaat geen aanleiding om zonder daartoe strekkende wettelijke bepaling aan te nemen dat een partij in belastingzaken als getuige kan worden gehoord (vgl. HR 17 juni 1992, nr. 27048, BNB 1992/295, en HR 21 maart 2001, nr. 35680, ECLI:NL:HR:2001:AB0632, BNB 2001/178).
De klachten kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4 Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5 Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2013.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:GHAMS:2012:BY4964 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:PHR:2024:1398 Parket bij de Hoge Raad, 20 december 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2024:7001 Rechtbank Gelderland, 2 juli 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2024:2464 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16 april 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2022:4499 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 16 november 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:2909 Gerechtshof Den Haag, 1 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:104 Gerechtshof Den Haag, 21 januari 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:7315 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10 september 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:7321 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10 september 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:7322 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10 september 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2019:29 Hoge Raad, 11 januari 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2018:266 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 januari 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:4148 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 29 september 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:1693 Gerechtshof Den Haag, 6 juni 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:CBB:2017:156 College van Beroep voor het bedrijfsleven, 21 april 2017 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2017:1315 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 24 maart 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:145 Gerechtshof Den Haag, 25 januari 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2016:1530 Gerechtshof Den Haag, 17 mei 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2014:2919 Gerechtshof Amsterdam, 10 juli 2014 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2014:416 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21 januari 2014 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2013:7503 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 8 oktober 2013 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2012:BY4964 Gerechtshof Amsterdam, 22 november 2012 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.