Uitspraak · Civiel recht
Hoge Raad, 21 juni 2002
ECLI:NL:HR:2002:AE4380Zaaknummer C00/250HR
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 21 juni 2002
- Publicatiedatum
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- C00/250HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
-
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 21 juni 2002.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
21 juni 2002
Eerste Kamer
Nr. C00/250HR
WS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[De vrouw], wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[De man], wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. M.H. van der Woude.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - heeft bij exploit van 27 maart 2000 onder anderen eiseres tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te Almelo en gevorderd - kort gezegd en voor zover in cassatie nog van belang - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw te veroordelen om mede te werken aan de verkoop en eigendomsoverdracht van haar aandeel in de woning aan de [a-straat 1] te [woonplaats] aan de in het petitum van de dagvaarding genoemde personen, zulks met bepaling dat bij gebreke van medewerking aan die verkoop en eigendomsoverdracht het door de President te wijzen vonnis zal vervangen de voor verkoop en eigendomsoverdracht bij de notaris noodzakelijke wilsverklaring van de vrouw.
De vrouw heeft de vordering bestreden.
De President heeft bij vonnis van 31 maart 2000 de vordering toegewezen.
Tegen dit vonnis heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem.
Bij arrest van 13 juni 2000 heeft het Hof het vonnis van de President van de Rechtbank van 31 maart 2000 bekrachtigd.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en het anticipatie-exploit zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De man heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De man heeft de zaak doen toelichten door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
3.1 In deze zaak kan worden uitgegaan van de feiten die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.
3.2 Evenals de President heeft het Hof de hiervoor onder 1 vermelde vordering van de man - kort gezegd: veroordeling van de vrouw tot medewerking aan de verkoop en overdracht van de tot de onverdeelde huwelijksgemeenschap behorende voormalige echtelijke woning aan degenen met wie de man de koopovereenkomst van 17 februari 2000 heeft gesloten, zulks onder de bepaling dat bij gebreke van die medewerking het te wijzen vonnis de voor de verkoop en eigendomsoverdracht noodzakelijke wilsverklaring van de vrouw zal vervangen (art. 3:300 lid 2 BW) - toewijsbaar geacht op grond van de overweging dat indien de man een machtiging als bedoeld in art. 3:174 BW zou hebben verzocht, hetgeen hij ten onrechte heeft nagelaten, die machtiging aan hem zou zijn verleend. Hiertegen keren zich de middelen.
3.3.1 Middel I komt erop neer dat de door het Hof bekrachtigde voorziening in kort geding niet kan worden gegeven, nu deze vergelijkbaar is met een machtiging als omschreven in art. 3:174 BW, welke machtiging te ver gaat voor een kort geding.
3.3.2 Het middel, dat - terecht - op zichzelf niet bestrijdt dat ook de President in kort geding bevoegd is op de voet van art. 3:300 lid 2 BW te bepalen dat zijn uitspraak in de plaats zal treden van een (deel van een) akte als bedoeld in die bepaling, berust op het uitgangspunt dat een machtiging tot het te gelde maken van een gemeenschappelijk goed als bedoeld in art. 3:174 lid 1 BW niet bij wijze van onmiddellijke voorziening in kort geding kan worden verleend. Dit uitgangspunt is evenwel onjuist, zodat het middel faalt.
3.4 Middel II, dat klaagt dat het Hof het vonnis van de President niet had mogen bekrachtigen nu in dit vonnis niet is "voorzien in voorafgaande betekening van dit vonnis en een termijn(-stelling) als bedoeld in art. 3:301 lid 1 sub b BW, zodat dit vonnis aldus niet kan worden ingeschreven in de openbare registers", faalt op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 12.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 21 juni 2002.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2002:AE4380 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:OGEAC:2025:85 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 14 april 2025 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBOVE:2024:6115 Rechtbank Overijssel, 20 november 2024 (civiel recht)
- ECLI:NL:OGEAC:2023:278 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 3 november 2023 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBLIM:2023:2102 Rechtbank Limburg, 24 maart 2023 (civiel recht)
- ECLI:NL:PHR:2023:106 Parket bij de Hoge Raad, 25 januari 2023 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2022:3941 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15 november 2022 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2022:7846 Rechtbank Rotterdam, 12 september 2022 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2022:4750 Rechtbank Rotterdam, 15 juni 2022 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2022:1861 Rechtbank Limburg, 10 maart 2022 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2021:13393 Rechtbank Rotterdam, 21 december 2021 (civiel recht)
- ECLI:NL:OGEAA:2021:542 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 13 oktober 2021 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBOVE:2021:3583 Rechtbank Overijssel, 21 september 2021 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHSHE:2021:2803 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 7 september 2021 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2021:2491 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 5 augustus 2021 (burgerlijk procesrecht)
- ECLI:NL:OGEAA:2020:594 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 30 september 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBAMS:2020:4596 Rechtbank Amsterdam, 16 september 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2020:13314 Rechtbank Rotterdam, 9 juli 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:OGEAA:2020:296 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 1 juli 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2020:13313 Rechtbank Rotterdam, 25 juni 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:OGEAA:2020:258 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 10 juni 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2020:13082 Rechtbank Rotterdam, 26 maart 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:OGEAC:2020:118 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 20 maart 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:OGEAA:2019:263 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 8 mei 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBOBR:2019:1760 Rechtbank Oost-Brabant, 28 maart 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:OGEAA:2019:185 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, 20 maart 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBOVE:2018:1105 Rechtbank Overijssel, 28 maart 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:PHR:2002:AE4380 Parket bij de Hoge Raad, 21 juni 2002 (civiel recht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.