Uitspraak · Strafrecht

Hoge Raad, 1 november 1897

ECLI:NL:HR:1897:3Zaaknummer 266

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
1 november 1897
Publicatiedatum
3 februari 2025
Zaaknummer
266
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Medeplichtigheid.

Volledige tekst

Nº 266

De Hooge Raad der Nederlanden,

Op het beroep van [requirant], oud 58 jaren, commissionnair in bouwmaterialen, geboren te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], in verzekerde bewaring, requirant van cassatie voor zoover hij daarbij is veroordeeld tegen een arrest van het Gerechtshof te 's Hertogenbosch van den zeven en twintigsten Juli 1897, waarbij, met bepaling, dat de tijd door den veroordeelde voorloopig in verzekerde bewaring doorgebracht bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel zal worden in mindering gebracht + bevel tot teruggave der overtuigingsstukken binnen veertien dagen, nadat het arrest in kracht van gewijsde zal zijn gegaan aan de daarbij genoemde personen, die ze hebben medegedeeld en toepassing van artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht - is bevestigd een vonnis der Arrondissements-Rechtbank Breda van den 3 Juni 1897, bij welk vonnis de requirant is schuldig verklaard aan medeplichtigheid aan valschheid in geschrift en aan medeplichtigheid aan het opzettelijk gebruik maken van een valsch geschrift als ware het echt en onvervalscht, kunnende uit dat gebruik eenig nadeel ontstaan en wel door het opzettelijk verschaffen van inlichtingen tot het plegen van de beide misdrijven en te dier zake, met toepassing van de artikelen 48, 49, 56 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, veroordeeld tot gevangenisstraf voor den tijd van twee jaren, met beslissing omtrent de overtuigingstukken als in het vonnis is vermeld;

Gehoord het verslag van den Raadsheer Gulje;

Gezien de insinuatie, namens den Procureur-Generaal aan den requirant beteekend, ter kennisgeving van den dag voor de behandeling dezer zaak bepaald;

Gelet op het middel van cassatie, namens den requirant voorgesteld bij pleidooi:

Schending en verkeerde toepassing van de artikels 24, 218, 239 van het Wetboek van Strafvordering in

verband met de artikels 48, 49, 56, 225 van het Wetboek van Strafrecht, doordien het Hof bevestigd heeft het, in deze gewezen veroordeelend vonnis van de Arrondissements- Rechtbank te Breda, alhoewel die Rechtbank niet bevoegd was, van deze zaak kennis te nemen;

Gehoord den Advocaat-Generaal Gregory, namens den Procureur-Generaal, in zijne conclusie, strekkende daartoe, dat de Hooge Raad het beklaagde arrest van het Gerechtshof te 's Hertogenbosch zal vernietigen en, doende wat dat Gerechtshof had behooren te doen, mede zal vernietigen het vonnis a quo der Arrondissements-Rechtbank te Breda en de zaak naar den bevoegden rechter zal verwijzen;

Overwegende, dat de requirant heeft terechtgestaan ter zake van in het jaar 1896 vóór of op den 6 November te [woonplaats] opzettelijk behulpzaam te zijn geweest bij en opzettelijk gelegenheid, middelen en inlichtingen te hebben verschaft aan:

den aldaar wonenden [betrokkene 1] tot het in den loop der maanden October of November 1896 te Haarlemmermeer opzettelijk valschelijk door zijnen broeder [betrokkene 2] doen schrijven en opmaken der navolgende telegramaangifte " [betrokkene 3] kantoor [adres] U kunt de palen adres [betrokkene 1] zonder rembours afgeven; vracht hier ontvangen, [A] " en " [betrokkene 1] [a-straat] te [woonplaats], order gegeven aan [betrokkene 3] de palen aan U adres zonder rembours af te leveren [A] ",

en zulks met het oogmerk om deze valsche telegramaangiften aan een bureau der rijkstelegraaf te Breda te doen indienen als echt en onvervalscht, en om van de overeenkomstig die valsche telegramaangiften overgeseinde, alzoo valschelijk opgemaakte, telegrammen gebruik te maken en te doen gebruik maken als waren deze echt en onvervalscht opdat, zonder dadelijke betaling van den koopprijs deze [betrokkene 1] in het bezit zoude geraken van eene partij heipalen, welke zich bevond of zoude bevinden bij [betrokkene 3] te [woonplaats], agent der firma [B], welke heipalen onder voorwaarde van aflevering tegen dadelijke betaling van den koopprijs door den houthandelaar [A] te Breda aan het adres van dezen [betrokkene 1] waren afgezonden of zouden worden afgezonden;

en tot het opzettelijk in het eind der maand October of in het begin der maand November 1896 te [woonplaats] overhandigen dezer valsche telegramaangiften aan den mede te 's- Gravenhage wonenden [betrokkene 4], met den last, althans met de bedoeling en met de wetenschap dat deze [betrokkene 4] die valsche telegramaangiften als echt en onvervalscht zou indienen aan een telegraafbureau te Breda en door deze gebruikmaking, althans door middel dezer valsche telegramaangiften zou doen opmaken en doen overseinen aan voornoemden [betrokkene 3] en aan [betrokkene 1] zelven valsche telegrammen overeenkomstig deze aangiften, met het oogmerk om van die afgezonden valsche telegrammen gebruik te maken, zooals hierboven is omschreven;

en tot het opzettelijk op 6 of 7 November 1896 te [woonplaats] door denzelfden [betrokkene 1] gebruik maken van deze valsche telegrammen en telegramaangiften als waren deze echt en onvervalscht, door, toen genoemde [betrokkene 3] hem mededeelde dat hij draadbericht had ontvangen van den houthandelaar [A] te Breda en gezegde [betrokkene 1] wist, dat dit was het telegram, dat hij zelf valschelijk had doen opmaken en [betrokkene 4] had doen overseinen, op grond van den inhoud van dit telegram de boven omschreven partijen heipalen zonder betaling tot zich te nemen, weg te voeren of te doen wegvoeren en aan [betrokkene 5] te [woonplaats] te verkoopen en af te leveren;

en aan meergemelden [betrokkene 4], om op den 6 November 1896 aan het telegraafbureau van het spoorwegstation te Breda voormelde valsche telegramaangiften opzettelijk als waren deze echt en onvervalscht in te leveren en door middel hiervan opzettelijk valschelijk te doen opmaken en overseinen aan voornoemden [betrokkene 3] en aan [betrokkene 1] de door deze ontvangen telegrammen woordelijk met de valsche telegramaangiften overeenkomende, met het oogmerk dat meergemelde [betrokkene 1] van deze valsche telegramaangiften en telegrammen zou gebruik maken als echt en onvervalscht, om daarmede zonder dadelijke betaling in het bezit van voorschreven partij heipalen te geraken;

zijnde deze telegramaangiften en telegrammen bestemd om te dienen tot bewijs dat de houthandelaar [A] vergunning gaf bedoelde heipalen zonder dadelijke betaling af te leveren en kunnende uit het gebruik dezer valsche telegramaangiften en daarmede overeenstemmende telegrammen nadeel ontstaan hetzij voor [B], hetzij voor den houthandelaar [A], hetzij voor [betrokkene 3];

en zulks door meergemelden [betrokkene 1] tot deze handelingen aan te sporen, door te zeggen, dat hij daarmede zoo rijk kon worden als hij maar wilde en door hem daarbij raad te geven en inlichtingen te verschaffen in deze bewoordingen of in daarmede overeenkomstige: "Je moet [A] te Breda schrijven om hout, eerst à contant, later tegen rembours; wanneer het hout is afgezonden, gaat een derde persoon naar Breda om af te zenden twee valsche telegrammen ten name van [A] tot opheffing van het rembours aan [betrokkene 3] en te gelijk ontvangt gij ook een dergelijk telegram, waarop het rembours wordt opgeheven"- verder hem in te lichten, dat die telegramaangiften moesten worden geschreven door een vreemd persoon, dat op den dag der overseining [betrokkene 1] moest blijven te [woonplaats], doch een derde die telegrammen moest afzenden;

ten gevolge van welke raadgevingen en inlichtingen [betrokkene 1] en [betrokkene 4] voornoemd hebben bedreven de feiten hierboven omschreven en tot belooning van welke inlichtingen requirant heeft ontvangen tien gulden, welke som vrouw [betrokkene 1] namens haren man aan requirant heeft uitgekeerd;

Overwegende, dat bij het onderzoek der zaak ter terechtzitting van de Rechtbank te Breda namens den requirant is aangevoerd, dat die Rechtbank niet bevoegd was over het hem ten laste gelegde recht te doen, op grond dat de handelingen blijkens de dagvaarding zouden zijn gepleegd te [woonplaats] en niet te Breda, de requirant te [woonplaats] woonachtig is en ook aldaar werd aangehouden;

dat de Rechtbank dienaangaande heeft overwogen: "dat, al mogen enkele onderdeelen van het strafbare feit elders zijn gepleegd, zoo als het schrijven der aangeboden telegramaangiften te Haarlemmermeer, de opdracht aan [betrokkene 4] tot het doen aanbieden ter overseining te [woonplaats] en (al moge) evenzoo in [woonplaats] het verschaffen der middelen en der inlichtingen tot het plegen van dat feit hebben plaats gehad, in ieder geval het feit zelf eerst te Breda tot volkomenheid is gebracht en alzoo moet worden aangenomen, dat aldaar het misdrijf is gepleegd;

"dat nu beklaagde, terechtstaande voor medeplichtigheid aan een te Breda gepleegd feit, geacht moet worden aldaar zijn strafbare handelingen te hebben verricht, daar eerst aldaar zijne handelingen tot strafbare feiten zijn geworden, aangezien die handelingen dat karakter niet zouden hebben verkregen, indien niet de aanbieding ter overseining hadde plaats gehad;

"wat de medeplichtigheid aan de gebruikmaking der valsche telegrammen betreft, (dat) deze beide samenhangende feiten gevoegd zijn op grond van artikel 127 alinea 7 van het Wetboek van Strafvordering, zoo dat ook te dien opzichte deze Rechtbank bevoegd is om van de bij dagvaarding aangebrachte vervolging kennis te nemen en daarop recht te doen";

Overwegende, dat het Hof zich met deze beslissing heeft vereenigd en dat bij het middel van cassatie wordt bestreden de stelling van het bevestigde vonnis, dat een medeplichtige geacht moet worden zijne strafbare handelingen te hebben verricht ter plaatse waar het misdrijf is gepleegd waaraan hij medeplichtig is;

Overwegende daaromtrent, dat waar ten deze vaststaat, dat de requirant niet woont, noch is gevonden in het arrondissement Breda, de Rechtbank van dat arrondissement naar artikel 24 van het Wetboek van Strafvordering alleen dan bevoegd was van de zaak kennis te nemen als het feit in dat arrondissement was begaan;

dat het aan den requirant ten laste gelegde feit bestaat in het opzettelijk verschaffen van inlichtingen tot het plegen van valschheid in geschrift en strafbare gebruikmaking van een valsch geschrift en dat die inlichtingen blijkens de dagvaarding en het onderzoek ter terechtzitting door hem zijn verschaft te [woonplaats];

dat hieruit volgt de onbevoegdheid der Rechtbank te Breda;

dat toch het opzettelijk geven van inlichtingen tot een misdrijf, dat dientengevolge door anderen wordt gepleegd een strafbaar feit oplevert en de plaats waar een strafbaar feit is gepleegd is die waar de schuldige heeft gehandeld, in dit geval alzoo, waar de inlichtingen zijn verschaft;

dat de omstandigheid, dat de ten gevolge der inlichtingen gepleegde misdrijven elders zijn gepleegd, niet kan uitwerken dat de inlichtingen op eene andere plaats zijn verschaft, dan waar zulks werkelijk heeft plaatsgevonden, terwijl ook uit geene wetsbepaling is af te leiden, dat zij zouden mogen worden "geacht op eene andere plaats te zijn verstrekt;

dat mitsdien het middel van cassatie is gegrond;

Vernietigt het arrest door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch den 27 Juli 1897 in deze zaak gewezen;

Recht doende krachtens artikel 105 der Wet op de Rechterlijke Organisatie:

Vernietigt mede het vonnis door de Arrondissements-Rechtbank te Breda den 3 Juni 1897 in deze zaak gewezen;

Gezien artikel 218 in verband met de artikelen 23 en 24 van het Wetboek van Strafvordering; Verklaart de Arrondissements-Rechtbank te Breda onbevoegd om van deze zaak kennis te nemen;

Verwijst de zaak naar de Arrondissements-Rechtbank te [woonplaats].

Gewezen te [woonplaats] bij de Heeren Mrs. Kalff, President, de Pinto, Jhr. de Jonge, Clant van der Mijll, Hanlo, Gulje en Telders, Raden, in tegenwoordigheid van den Griffier van der Jagt, die dit arrest hebben onderteekend, en door den President in tegenwoordigheid van de genoemde Heeren uitgesproken ter openbare terechtzitting van den eersten November 1800 zeven en negentig.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Samenhangende uitspraken

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.