Conclusie · Strafrecht

Parket bij de Hoge Raad, 1 november 1897

ECLI:NL:PHR:1897:2Zaaknummer 266

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
1 november 1897
Publicatiedatum
3 februari 2025
Zaaknummer
266
Rechtsgebied
Strafrecht
Soort
Conclusie

Inhoudsindicatie

Medeplichtigheid. Uitgetypte versie van de HR-conclusie in de strafzaak met HR-volgnummer 266 aan de hand van de in W. 7040 opgenomen tekst daarvan. De originele HR-conclusie is niet meer voorhanden.

Volledige tekst

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Gulje, en de advocaat van den req., Mr. E. Polis, de voorziening had toegelicht, heeft de adv .- gen. Gregory de volgende conclusie genomen:

Edel Hoog Achtbare Heeren, President en Raden!

Bij pleidooi is als eenig middel van cassatie voorgesteld: "schending en verkeerde toepassing van de artt. 24, 218, 239 Strafvord., in verband met de artt. 48, 49, 56, 225 Strafrecht, doordien het Hof bevestigd heeft het in dezen gewezen veroordeelend vonnis van de Arrond .- Rechtbank te Breda, alhoewel die Rechtbank niet bevoegd was van deze zaak kennis te nemen".

Bij een vonnis der Rechtbank te Breda dd. 3 Juni jl., dat bij het beklaagde arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch in hooger beroep werd bevestigd, is de req. veroordeeld ter zake van medeplichtigheid aan valschheid in geschrift en medeplichtigheid aan gebruikmaking van een valsch geschrift. Toch waren de feiten, waarvoor de req. werd veroordeeld, blijkens de dagvaarding en het onderzoek ter terechtzitting niet in het arrondissement Breda, maar te 's-Gravenhage gepleegd, woonde hij niet in dat arrondissement, maar te 's-Gravenhage en werd hij ook niet in dat arrondissement gevonden, maar te 's-Gravenhage aangehouden en gevangen genomen. Naar art. 24 Strafvord. was dus de Rechtbank te Breda onbevoegd om van deze strafzaak kennis te nemen en alleen bevoegd die te 's-Gravenhage.

Op deze onbevoegdheid werd dan ook al aanstonds door de verdediging gewezen, maar de Rechtbank verwierp de opgeworpen exceptie met de overweging "dat nu beklaagde, terecht staande voor medeplichtigheid aan een te Breda gepleegd feit, geacht moet worden aldaar zijne strafbare handelingen te hebben verricht, daar eerst aldaar zijn handelingen tot strafbare feiten zijn geworden, aangezien die handelingen dat karakter niet zouden hebben verkregen indien niet de aanbieding der overseiningen hadde plaats gehad". Als in alles geheel afhankelijk van en ondergeschikt aan het hoofdmisdrijf wordt alzoo de medeplichtigheid door de Rechtbank beschouwd. Eene meening echter, die m.i. terecht door den geachten pleiter is bestreden omdat, wel is waar, er zonder het bestaan van een hoofdmisdrijf niet aan medeplichtigheid kan worden gedacht, maar niettemin de medeplichtigheid als een geheel zelfs t a n d i g misdrijf moet worden aangemerkt.

Tot staving van dit mijn gevoelen zij het voldoende mij te beroepen op een ouderen en een nieuweren schrijver beiden van erkend gezag.

Handelende over den Code Pénal zegt Router (Traité théorique et pratique du droit criminel français, Paris 1836 I no. 116, p. 213): "Mais ce n'est qu'autant qu'il n'y a pas de crime du tout que tombe la complicité; s'il y avait impunité seulement à raison d'une cause personnelle au principal auteur de l'action, le complice serait punissable". En verder: "Mais s'il n'y avait aucune culpabilité dans le principal coupable, comme s'il était acquitté sur l'intention, on parce qu'il aurait été en démence au moment de l'action, le complice serait-il punissable. Il faut encore répondre affirmativement; en effet, l'art. 59, disant que "les complices d'un crime ou d'un délit seront punis de la même peine que les auteurs mêmes de ce crime ou délit, sauf les cas où la loi en aurait disposée autrement", ne fait pas dépendre la complicité punissable de l'existence d'un principalcoupable, mais de l'existence d'un crime ou délit pris abstractivement; or, si dans l'hypothèse posée il n'y en a pas relativement au principal auteur, il y en a pourtant relativement au complice, pourvu qu'il ait contribué à l'acte principal dans l'intention du crime; l'art. 60 complète cette argumentation".

Van de nieuweren noem ik Hugo Meijer, die zich in zijn "Lehrbuch des deutschen Strafrechtes" (Erlangen, 1882 §40, p. 244) aldus uitlaat: "Trotz der Unselbständigkeit ihres Thatbestandes ist dennoch auch in der Theilname eine selbständige Verschuldung gegeben und desswegen für die Frage nach Zeit und Ort der Verübung nicht die vom Thäter, sondern die vom Theilnehmer selbst entwickelte Phätigkeit massgebend. Und kein Widerspruch is es, wenn unter Umständen darnach ein anderes Gesetz auf dem Theilnemer zur Anwendung kommt, wie auf dem Thäter, und wenn unter Umständen sogar, nach den über den zeitlichen und raümlichen Wirkungskreis des Strafgesetzes geltenden Grundsätzen die Handlung des Eines bestraft wird, wo die des Anderen frei ausgeht".

Maar niet alleen de doctrine, ook de jurisprudentie is dit gevoelen toegedaan. In de noot t. a. pl. zegt Router: "La jurisprudence de la cour de cassation est constante a cet égard". En nog niet lang geleden werd hetzelfde beginsel gehuldigd bij arrest van den Hoogen Raad dd. 29 Jan. 1894 (N. Rspr. 166, bl. 79) (1) waar werd overwogen: "het accessoir karakter van medeplichtigheid", in tegenstelling van het plegen, medeplegen, of het, door de in art. 47, 2°. genoemde middelen, uitlokken van het misdrijf, in het stelsel van het Wetboek, onder meer, blijkende uit art. 50, niet belet, dat de verdachte van hier te lande begane feiten van medeplichtigheid aan eenig misdrijf, wordt vervolgd voor den, ingevolge het Wetboek van Strafvordering, betrekkelijk bevoegden Nederlandschen rechter, en dat, bij schuldigverklaring aan die feiten, de Nederlandsche strafwet op hem toepasselijk is, ook indien de dader, om welke reden dan ook, in Nederland niet vervolgbaar, of volgens de Nederlandsche wet niet strafbaar is, of wel het recht tot strafvordering te zijnen aanzien is vervallen".

Ik heb mitsdien de eer te concludeeren dat de Hooge Raad het beklaagde arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch zal vernietigen en, doende wat dat Gerechtshof had behooren te doen, mede zal vernietigen het vonnis a quo der Arrond .- Rechtbank te Breda en de zaak naar den bevoegden rechter zal verwijzen.

Samenhangende uitspraken

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.