Uitspraak · Strafrecht

Gerechtshof Den Haag, 12 oktober 2026

ECLI:NL:GHDHA:2026:3054Zaaknummer 22-001652-25

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12 oktober 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
22-001652-25
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Hoger beroep
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vrijspraak poging tot moord en zware mishandeling. Veroordeling wegens bedreiging van ex-partner met de dood door haar op klaarlichte dag op straat met een mes te overmeesteren, naar de grond te brengen en het mes in de richting van de hals te bewegen. Gevangenisstraf van 2 jaren, met aftrek van voorarrest, en TBS met voorwaarden na andersluidend advies van de reclassering. Toewijzing van de vordering benadeelde partij.

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 meer subsidiair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

De voorlopige hechtenis wordt geschorst op het moment van opname in een forensische kliniek of soortgelijke zorginstelling.

Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis worden dezelfde voorwaarden verbonden als de hierna te noemen voorwaarden die gesteld worden bij de terbeschikkingstelling.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, waarbij als algemene voorwaarde geldt dat de verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en stelt daarbij ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen voorts de volgende bijzondere voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde:

1. De terbeschikkinggestelde laat zich opnemen, nadat dit door de rechter is bevolen, in een Forensische kliniek of een soortgelijke instelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor de plaatsing. De opname start aansluitend op de detentie en duurt gedurende de volledige looptijd van de tbs-maatregel of zoveel korter als de reclassering in overleg met de behandelaar(s) van de kliniek noodzakelijk acht.

2. De terbeschikkinggestelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen en controle daarop kan onderdeel zijn van de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg en begeleid wonen nodig vindt, werkt de terbeschikkinggestelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

3. De terbeschikkinggestelde zal zich laten behandelen door een forensisch ambulante behandelinstelling of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering en/of de zorginstelling dat nodig vindt. Het innemen van medicijnen en de controle daarop kan onderdeel zijn van de behandeling;

4. De terbeschikkinggestelde werkt mee aan controles op het gebruik van alcoholhoudende drank en/of andere verdovende middelen, zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt;

5. De terbeschikkinggestelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit;

6. De terbeschikkinggestelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt in dat de terbeschikkinggestelde zich meldt op afspraken bij de reclassering, zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt. Daarbij houdt de verdachte zich aan aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de terbeschikkinggestelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden;

7. De terbeschikkinggestelde neemt op geen enkele wijze contact op met het slachtoffer [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2];

8. De terbeschikkinggestelde neemt op geen enkele wijze contact op met het slachtoffer [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum 3];

9. De terbeschikkinggestelde zet zich in voor het realiseren en behouden van een passende en door de reclassering goedgekeurde dagbesteding;

10. De terbeschikkinggestelde verschaft de reclassering zicht op de voortgang van zijn behandeling en begeleiding door andere instellingen of hulpverleners als dat van belang is voor het toezicht;

11. De terbeschikkinggestelde gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering;

geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 38, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht om de terbeschikkinggestelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat de opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

Legt aan de verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.548,12 (drieduizend vijfhonderdachtenveertig euro en twaalf cent) bestaande uit € 1.048,12 (duizend achtenveertig euro en twaalf cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van

€ 3.548,12 (drieduizend vijfhonderdachtenveertig euro en twaalf cent) bestaande uit

€ 1.048,12 (duizend achtenveertig euro en twaalf cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 35 (vijfendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op

  • 1 december 2024 over een bedrag van € 385,00;
  • 21 november 2024 over een bedrag van € 531,00 en
  • 26 februari 2025 over een bedrag van € 132,12,

en van de immateriële schade op 8 juni 2024.

Dit arrest is gewezen door mr. K. Versteeg, als voorzitter, mr. A.S.I. van Delden en

mr. C. Fetter, leden, in bijzijn van de griffier mr. G. Schmidt-Fries.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 12 oktober 2026.

Mr. C. Fetter is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Onderzoek van de zaak
  2. Procesgang
  3. Tenlastelegging
  4. Vordering van de advocaat-generaal
  5. Standpunt van de verdediging
  6. Het vonnis waarvan beroep
  7. Vrijspraak van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde
  8. Bewezenverklaring
  9. Bewijsvoering
  10. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
  11. Strafbaarheid van de verdachte
  12. Motivering van de op te leggen straf en maatregelen
  13. Vordering tot schadevergoeding
  14. Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer
  15. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Rolnummer: 22-001652-25

Parketnummers: 09-188471-24

Datum uitspraak: 12 oktober 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 mei 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1963,

thans gedetineerd in de [naam penitentiaire inrichting]

.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde ontslagen van alle rechtsvervolging en ter zake van het onder 1 meer subsidiair en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van een jaar, met aftrek van voorarrest. Daarnaast is de terbeschikkingstelling (hierna: tbs) van de verdachte met bevel tot verpleging van overheidswege gelast. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] is beslist als in het vonnis waarvan beroep omschreven.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1. hij, op of omstreeks 8 juni 2024 te Zoetermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven:

- zich met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, naar die [slachtoffer 1] heeft begeven en/of die [slachtoffer 1] heeft opgewacht en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer 1] heeft beetgepakt en/of naar de grond heeft gebracht en/of bovenop die [slachtoffer 1] is gaan zitten en/of

- ( vervolgens) een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, tegen de keel van die [slachtoffer 1] heeft gezet en/of

- met dat mes, althans dat scherp en/of puntig voorwerp, in/tegen, althans in de richting van, de hals, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1] heeft gestoken en/of gesneden en/of bewogen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 8 juni 2024 te Zoetermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen:

- zich met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, naar die [slachtoffer 1] heeft begeven en/of die [slachtoffer 1] heeft opgewacht en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer 1] heeft beetgepakt en/of naar de grond heeft gebracht en/of bovenop die [slachtoffer 1] is gaan zitten en/of

- ( vervolgens) een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, tegen de keel van die [slachtoffer 1] heeft gezet en/of

- met dat mes, althans dat scherp en/of puntig voorwerp, in/tegen, althans in de richting van, de hals, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1] heeft gestoken en/of gesneden en/of bewogen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 8 juni 2024 te Zoetermeer, [slachtoffer 1], heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door:

- zich met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, naar die [slachtoffer 1] te begeven en/of die [slachtoffer 1] op te wachten en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer 1] beet te pakken en/of naar de grond te brengen en/of bovenop die [slachtoffer 1] te gaan zitten en/of

- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, te tonen en/of

- ( vervolgens) dat mes, althans dat scherp en/of puntig voorwerp, tegen de keel van die [slachtoffer 1] te zetten en/of

- met dat mes, althans dat scherp en/of puntig voorwerp in/tegen, althans in de richting van, de hals, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1] te steken en/of snijden en/of bewegen;

2.hij, in of omstreeks de periode van 26 mei 2024 tot en met 8 juni 2024 te Zoetermeer en/of Odijk, althans in Nederland, [slachtoffer 1] en/of J. [slachtoffer 2] (indirect) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door:

- tegen een derde, te weten [getuige 1], te zeggen dat hij die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] gaat afmaken en/of wil vermoorden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- tegen een derde, te weten [getuige 2], (telefonisch) te zeggen: “ik heb ze (te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]) geobserveerd en ik ga ze allebei kapot maken met een lachend gezicht”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- tegen een derde, te weten politieambtenaar [naam politieambtenaar 1], te zeggen dat hij [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dood gaat maken en/of gaat afmaken, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- tegen een derde, te weten politieambtenaar [naam politieambtenaar 2], te zeggen dat hij dood wil en [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] gaat meenemen en/of dat hij niet vrijgelaten moet worden, want het gaat echt gebeuren, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, terwijl voornoemde uitlatingen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] hebben bereikt.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair impliciet primair (poging tot moord) en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren, met aftrek van voorarrest. Verder heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de tbs van de verdachte met bevel tot verpleging van overheidswege wordt gelast.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. In dit verband heeft de verdediging naar voren gebracht dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte niet was gericht op de dood van aangeefster [slachtoffer 1] dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, aangezien de verdachte zijn partner slechts vreselijk bang wilde maken met het tonen van het mes.

Ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 1 meer subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde

In de onderhavige zaak staat ter discussie de vraag of de verdachte heeft gepoogd zijn ex-partner [slachtoffer 1] van het leven te beroven.

Alvorens tot een beantwoording van die vraag te komen, zal het hof eerst de daarvoor aan het dossier ontleende relevante feiten en omstandigheden weergeven. In dit verband merkt het hof op dat die feiten en omstandigheden niet door de verdediging zijn betwist.

Relevante feiten en omstandigheden

Op 8 juni 2024 ging de verdachte met een mes op zak naar de woning van de moeder van zijn ex-partner [slachtoffer 1] in Zoetermeer. Nadat hij kort had staan wachten, zag de verdachte zijn ex-partner aan komen lopen. Vervolgens pakte de verdachte haar beet, bracht haar naar de grond en ging boven op haar zitten. Terwijl hij op haar zat, pakte hij het tevoren door hem meegebrachte mes en bewoog hij dat mes in de richting van de hals van zijn ex-partner. Laatstgenoemde verzette zich tegen de aanval van de verdachte, door met haar beide handen het mes af te weren. Als gevolg daarvan had zij oppervlakkige snijverwondingen aan haar handen opgelopen. Omstanders riepen dat de verdachte moest ophouden. Na een korte worsteling stond de verdachte vervolgens op en liep hij weg. Kort na het incident werd de verdachte in zijn woning aangehouden.

Oordeel van het hof

Naar het oordeel van het hof kan op grond van de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op de dood van zijn ex-partner heeft gehad. Hierbij is in de eerste plaats van belang dat het hof niet buiten redelijke twijfel kan vast stellen dat de verdachte het mes tegen de keel van zijn ex-partner heeft gezet, nu haar verklaring dat dit wel zou zijn gebeurd onvoldoende steun vindt in het dossier. Hierbijet hof heeft hierbij in overweging genomen dat verdachtes ex-partner blijkens de bewijsmiddelen geen enkel letsel aan haar hals had opgelopen en dat de genoemde afweerverwondingen aan haar handen slechts oppervlakkig van aard waren. Daarbij komt dat de verdachte na de korte worsteling is opgestaan en weggelopen. Het slachtoffer heeft hierover verklaard dat zij doodsbang was en niet wist waarom de verdachte zijn aanval (het hof begrijpt: ineens) staakte, alsmede dat de verdachte toen “triomfantelijk weg liep, zo van: kijk dat heb ik voorlopig even geflikt”. Het hof kan er in dit opzicht niet aan voorbijgaan dat de verdachte van het begin af aan over het incident heeft verklaard dat hij zijn ex-partner op dat moment heeft willen bedreigen en dat voor hem het doel van zijn optreden op dat moment was bereikt. Uit al het voorgaande leidt het hof af dat het kennelijk niet de bedoeling van de verdachte was om het slachtoffer te doden, maar uitsluitend om haar te bedreigen en dat, nu dat was gelukt, verdere handelingen geen doel meer dienden.

Dat de verdachte in de dagen voorafgaand aan het incident en kort daarna verbale doodsbedreigingen richting zijn ex-partner heeft geuit, doet aan bovengenoemd oordeel niet af. De dochter van de verdachte en de getuige [getuige 2] hebben immers beiden verklaard dat de verdachte vaker verbale dreigementen uitte, zonder daaraan ook daadwerkelijk uitvoering te geven.

Het voorgaande brengt mee dat het hof niet wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij hiervan dient te worden vrijgesproken.

Op grond van hetgeen het hof hierboven heeft overwogen, acht het hof evenmin wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft gehad, zodat hij ook van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. hij, op of omstreeks 8 juni 2024 te Zoetermeer, [slachtoffer 1], heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door:

- zich met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, naar die [slachtoffer 1] te begeven en/of die [slachtoffer 1] op te wachten en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer 1] beet te pakken en/of naar de grond te brengen en/of bovenop die [slachtoffer 1] te gaan zitten en/of

- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, te tonen en/of

- (vervolgens) dat mes, althans dat scherp en/of puntig voorwerp, tegen de keel van die [slachtoffer 1] te zetten en/of

- met dat mes, althans dat scherp en/of puntig voorwerp in/tegen, althans in de richting van, de hals, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1] te steken en/of snijden en/of bewegen;

2.hij, in of omstreeks de periode van 26 mei 2024 tot en met 8 juni 2024 te Zoetermeer en/of Odijk, althans in Nederland, [slachtoffer 1] en/of J. [slachtoffer 2] (indirect) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door:

- tegen een derde, te weten [getuige 1], te zeggen dat hij die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] gaat afmaken en/of wil vermoorden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- tegen een derde, te weten [getuige 2], (telefonisch) te zeggen: “ik heb ze (te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]) geobserveerd en ik ga ze allebei kapot maken met een lachend gezicht”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- tegen een derde, te weten politieambtenaar [naam politieambtenaar 1], te zeggen dat hij [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dood gaat maken en/of gaat afmaken, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- tegen een derde, te weten politieambtenaar [naam politieambtenaar 2], te zeggen dat hij dood wil en [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] gaat meenemen en/of dat hij niet vrijgelaten moet worden, want het gaat echt gebeuren, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, terwijl voornoemde uitlatingen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] hebben bereikt.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

1:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Op de toerekenbaarheid van de verdachte zal hierna worden ingegaan onder het kopje ‘Oordeel van het hof naar aanleiding van de adviezen’.

Motivering van de op te leggen straf en maatregelen

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregelen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zijn ex-partner met de dood bedreigd door haar op klaarlichte dag op straat met een mes in zijn handen te overmeesteren en naar de grond te brengen. In de periode daaraan voorafgaand en kort daarna heeft zijn ex-partner via derden gehoord dat de verdachte had gedreigd haar en haar nieuwe partner te zullen gaan vermoorden. Aanleiding hiervoor was de omstandigheid dat de verdachte het niet kon verkroppen dat zijn ex-partner de relatie had beëindigd. Door zo te handelen heeft de verdachte bij zijn ex-partner en haar nieuwe partner gevoelens van grote angst en onveiligheid teweeggebracht. Zijn ex-partner heeft tijdens de overmeestering gevreesd voor haar leven. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat zijn ex-partner tot op de dag van vandaag nog te kampen heeft met angstgevoelens door hetgeen haar overkomen was en dat zij vreest voor de dag waarop de verdachte in vrijheid zal worden gesteld. De omstandigheid dat zij op straat is aangevallen, draagt bovendien bij aan al bestaande gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Diverse buurtbewoners zijn getuige geweest van deze gebeurtenis, die diepe indruk op hen heeft gemaakt.

Het strafblad van de verdachte

Het hof heeft bij de beraadslaging acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 14 september 2026. Hieruit volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Over de verdachte opgemaakte rapporten

In de onderhavige zaak is over de persoon van de verdachte een aantal Pro Justitia rapporten en reclasseringsadviezen opgemaakt. Het betreft de volgende rapporten en adviezen:

  • een Pro Justitia rapport (Forensisch Triple Onderzoek) van 19 maart 2025 opgemaakt door drs. M.H. Keppel, GZ-psycholoog, en drs. M.D. van Ekeren, psychiater;
  • een Pro Justitia rapport (aanvullend neuropsychologisch en neurologisch onderzoek) van 11 maart 2025 opgemaakt door dr. L. Breuer, klinisch neuropsycholoog, en

drs. E. Strijks, neuroloog;

- de reclasseringsadviezen van 11 april 2025, 24 april 2026 en 21 september 2026.

Bovengenoemde rapporteurs concluderen dat bij de verdachte sprake is van een neurocognitieve stoornis op basis van traumatisch hersenletsel, middelengebruik en een stoornis in (ernstig) alcoholgebruik. Daarnaast is er volgens hen bij de verdachte sprake van persoonlijkheidsproblematiek met narcistische trekken. Die stoornissen en problematiek waren ook aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde en hebben de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde beïnvloed. Volgens de rapporteurs is verdachtes gedragskeuze ontstaan in een ‘state of mind’ die voor een belangrijk deel samenhangt met de neurocognitieve stoornis, waarbij de narcistische persoonlijkheidsproblematiek met krenking, boosheid en wanhoop de uiteindelijke trigger is geweest. In de pathologische ‘state of mind’ maakte de verdachte een inadequaat plan, waarbij een bij een neurocognitieve stoornis passend onvermogen tot adequaat overzicht, een verminderd probleemoplossend vermogen, ontremming, problemen met impulscontrole en een gebrekkige Theory of Mind, hebben doorgewerkt in het tenlastegelegde, aldus de rapporteurs Keppel en Van Ekeren.

Met het aanwezig geachte verband tussen de beschreven problematiek van de verdachte en het hem tenlastegelegde, adviseren de rapporteurs om de verdachte het hem tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen.

Kans op recidive

Keppel en Van Ekeren achten het recidiverisico klinisch gezien hoog: de verdachte heeft het tenlastegelegde meerdere malen aangekondigd en heeft ook nadien geen afstand kunnen nemen van zijn intenties. De verdachte heeft tijdens zijn detentie meerdere keren benoemd ‘de klus te willen afmaken’. Primair is het recidiverisico hoog ten aanzien van zijn ex-partner en haar nieuwe partner. Mogelijk zou er in de toekomst gevaar kunnen ontstaan voor een eventuele toekomstige partner van wie de verdachte zich afhankelijk maakt en die hem zou teleurstellen. Buiten een relationele dynamiek wordt het recidiverisico ingeschat als laag. Daarbij hebben zij opgemerkt dat verder alcoholgebruik tot verdere neurocognitieve schade zou kunnen leiden, wat het recidiverisico verder vergroot.

Interventieadvies

Om het recidiverisico te verlagen adviseren Keppel en Van Ekeren een behandeling die aanvankelijk klinisch vormgegeven moet worden. De behandeling dient te zijn gericht op abstinentie van alcohol en psycho-educatie ten aanzien van de eigen beperkingen.

Gezien de ernst van de neurocognitieve stoornis is de verdachte beperkt leerbaar waardoor het accent vooral op ondersteuning en structurering dient te zijn gericht. Een steunend structurerende leefomgeving is dus van belang. Keppel en Van Ekeren verwachten dat de verdachte zich, deels als gevolg van de narcistische persoonlijkheidstrekken, aanvankelijk mogelijk tegen behandeling zal verzetten, maar dat hij - na uitleg, steun en structurering – (wel) mee zal werken.

Indien de strafmaat het toelaat, zijn Keppel en Van Ekeren van mening dat een behandeling in het kader van tbs met voorwaarden in de rede ligt. Zij adviseren de reclassering onderzoek te laten doen naar de mogelijkheden voor behandeling in het kader van tbs met voorwaarden. Mocht uit onderzoek blijken dat tbs met voorwaarden niet haalbaar wordt geacht, dan zien Keppel en Van Ekeren geen andere mogelijkheid dan behandeling in het kader van tbs met verpleging van overheidswege te adviseren. Een hoog beveiligingsniveau wordt daarbij niet noodzakelijk geacht. Zij geven in overweging om naast een tbs met voorwaarden aan de verdachte de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, zodat na ommekomst van de tbs langdurig toezicht mogelijk blijft.

Advies van de reclassering

De reclassering heeft in haar advies van 11 april 2025 negatief geadviseerd over tbs met voorwaarden. De reclassering ziet geen aanknopingspunten om met voorwaarden het recidiverisico te beperken of het gedrag van de verdachte te veranderen. Het ontbreekt de verdachte aan probleembesef en probleeminzicht, wat nodig is om een tbs met voorwaarden te laten slagen. Het ontbreken van probleembesef en inzicht is een gevolg van de bij de verdachte vastgestelde diagnostiek, waarbij sprake is van een cognitieve stoornis, een ernstige stoornis in het alcoholgebruik en persoonlijkheidsproblematiek met narcistische trekken. Voor een tbs met voorwaarden is het volgens de reclassering van belang dat de verdachte zich aan de algemene en bijzondere voorwaarden committeert. De reclassering schat in dat de verdachte zich als gevolg van zijn problematiek niet aan die voorwaarden kan houden.

De reclassering is van mening dat zonder stevig forensisch kader geen gedragsbeïnvloeding zal plaatsvinden. De reclassering heeft geen ingang gevonden om de verdachte te motiveren zijn medewerking te verlenen aan een forensisch begeleidingstraject met interventies, zoals een langdurige klinische opname. Gelet op de aard van de problematiek van de verdachte, het hem tenlastegelegde en het hoge recidiverisico, is de reclassering van mening dat een klinische behandeling in het kader van een justitiële maatregel noodzakelijk is.

In de adviezen van 24 april 2026 en 21 september 2026 heeft de reclassering haar op

11 april 2025 gegeven advies gehandhaafd.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 28 september 2026 zijn de reclasseringswerkers [naam reclasseringswerker 1] en [naam reclasseringswerker 2] als deskundige gehoord. Zij hebben verklaard te volharden in de op schrift gestelde adviezen. Zij hebben tevens opgemerkt dat de verdachte ter terechtzitting van het hof meer over de feiten en over zichzelf heeft verklaard dan hij eerder tegenover hen heeft gedaan en hebben voorts verklaard dat, indien de verdachte deze houding eerder ook tegenover de reclassering had getoond, deze houding in hoger beroep mogelijk wél aanknopingspunten zou hebben opgeleverd voor nader onderzoek naar de mogelijkheden voor een tbs met voorwaarden.

Oordeel van het hof naar aanleiding van de adviezen

Het hof is van oordeel dat het Pro Justitia rapport van Keppel en Van Ekeren - het enige rapport waarin de deskundigen de mate van toerekenbaarheid van de verdachte hebben beoordeeld - op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de bevindingen van de beide rapporteurs worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijke onderbouwing.

Het hof neemt die bevindingen over en maakt die tot de zijne, en beschouwt de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde als verminderd toerekenbaar.

De op te leggen gevangenisstraf

Hiervoor heeft het hof aandacht besteed aan de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten en de impact daarvan op de slachtoffers, waaronder met name verdachtes ex-partner. Ook heeft het hof gekeken naar de persoon van de verdachte en de Pro Justitia rapporten die over hem zijn uitgebracht.

Gezien de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten kan niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een vrijheidsbenemende straf.

In de ernst van met name het onder 1 bewezen verklaarde feit, de omstandigheden waaronder dat is begaan en de impact daarvan op het slachtoffer, ziet het hof aanleiding aan de verdachte een gevangenisstraf van langere duur dan door de rechtbank is opgelegd, op te leggen.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

De op te leggen maatregelen

Het hof ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of aan de verdachte een maatregel moet worden opgelegd en zo ja, welke. Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

In artikel 37a, lid 1, aanhef en sub 1̊ en 2̊, Sr is bepaald dat een verdachte bij wie tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, op last van de rechter ter beschikking kan worden gesteld indien het door hem begane feit behoort tot het misdrijf omschreven in artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Ingevolge het bepaalde in artikel 37a, lid 3, Sr kan de rechter bovengenoemde last geven slechts nadat hij een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht. Zodanig advies dient door de gedragsdeskundigen gezamenlijk dan wel door ieder van hen afzonderlijk te zijn uitgebracht.

Het hof stelt vast dat aan deze in de wet gestelde voorwaarden is voldaan. Het rapport is inmiddels weliswaar verouderd, maar zowel de verdediging als het openbaar ministerie hebben desgevraagd ingestemd met het gebruik van het rapport voor een eventueel op te leggen maatregel.

Het hof is van oordeel dat gelet op de bij de verdachte vastgestelde ziekelijke stoornissen, de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de inhoud van de uitgebrachte rapporten sprake is van een hoog recidiverisico, waardoor, gegeven het ondersteunende gebruik van het mes, de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van tbs eist.

In afwijking van het standpunt van de advocaat-generaal en met de verdediging is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen niet eist dat de verdachte in het kader van de maatregel tbs met verpleging van overheidswege wordt verpleegd, doch dat die veiligheid voldoende kan worden beschermd indien de verdachte wordt behandeld in het kader van een tbs met voorwaarden, zoals door de rapporteurs Keppel en Van Ekeren is geadviseerd. Het hof acht in dit verband mede van belang dat de rapporteurs een hoog beveiligingsniveau niet noodzakelijk achten en dat zij verwachten dat de verdachte zich – deels als gevolg van de narcistische persoonlijkheidstrekken – aanvankelijk mogelijk tegen de in het begin klinisch vorm te geven behandeling zal verzetten, maar dat hij na uitleg, steun en structurering mee zal werken. Het hof merkt op dat het beeld dat de reclassering in het negatieve adviesrapport van de verdachte schetst past bij zijn ziektebeeld, maar dat gelet op het rapport van Keppel en van Eekeren te verwachten valt dat de verdachte na verdere uitleg en steun wel zal meewerken, zoals hij ook ter zitting heeft toegezegd. Bij dit oordeel heeft het hof verder betrokken de omstandigheid dat de verdachte, die thans 63 jaar is en in zijn leven niet eerder met politie of justitie in aanraking is gekomen, ter terechtzitting in hoger beroep van

28 september 2026 enig inzicht in zijn gedragingen heeft getoond en heeft verklaard open te staan voor een behandeling van zijn problematisch alcoholgebruik en gebrekkige impulscontrole.

Het hof is, met de advocaat-generaal, van oordeel dat een (langduriger) klinische behandeling van de verdachte noodzakelijk is, waarbij de behandeling dient te zijn gericht op abstinentie van alcohol en psycho-educatie ten aanzien van de beperkingen van de verdachte. Om die reden zal het hof de voorwaarde stellen dat de verdachte zich laat opnemen in een forensische kliniek of een soortgelijke zorginstelling en dat de opname de volledige looptijd van de tbs-maatregel duurt, of zoveel korter als de reclassering in overleg met de behandelaars van de kliniek noodzakelijk acht.

De verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep bereid verklaard eventueel aan hem op te leggen voorwaarden te zullen naleven. De voorwaarden zullen in het dictum nader worden aangegeven.

Voor het geval de verdachte zich ondanks zijn bereidverklaring niet aan één of meer van de voorwaarden mocht houden, overweegt het hof dat de maatregel van tbs wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het hof benoemt hierbij dat de verdachte het slachtoffer heeft overmeesterd en naar de grond gebracht met gebruikmaking van een mes. Dat betekent dat indien verdachte zich niet aan de gestelde voorwaarden houdt en de dwangverpleging alsnog wordt bevolen de duur van de maatregel niet gemaximeerd is.

Het hof zal op grond van het bepaalde in artikel 38, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht bevelen dat de tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

Voorwaardelijk verzoek

De verdediging heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het laten opmaken van een aanvullend reclasseringsadvies door een andere reclasseringswerken indien het hof de thans zich in het dossier bevindende reclasseringsadviezen zou volgen.

Nu het hof heeft beslist aan de verdachte een tbs met voorwaarden op te leggen en dus de reclasseringsadviezen hieromtrent niet te volgen, is niet aan de aan het verzoek gestelde voorwaarde voldaan. Dit betekent dat het hof het verzoek afwijst.

Voorlopige hechtenis

In zijn arrest van 26 november 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1729) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het geldend recht niet de mogelijkheid biedt om een niet onherroepelijk opgelegde, dadelijk uitvoerbare tbs-maatregel met voorwaarden ‘om te zetten’ in een tbs-maatregel met dwangverpleging. Zolang de oplegging van de tbs-maatregel niet onherroepelijk wordt (bijvoorbeeld door het instellen van cassatie), betekent dit dat de verdachte die de aan de tbs-maatregel verbonden voorwaarden overtreedt niet zonder meer op grond daarvan kan worden gedetineerd. Dit is anders indien door het overtreden van de voorwaarden een strafbaar feit wordt gepleegd waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Dat de betreffende voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn, maakt dat niet anders: de ‘omzettingsmogelijkheid’ kan niet eerder in beeld komen dan na het onherroepelijk worden van de oplegging van de tbs-maatregel. In het genoemde arrest heeft de Hoge Raad de feitenrechter evenwel gewezen op de mogelijkheid om in deze gevallen (het hof begrijpt: bij einduitspraak) de schorsing van de voorlopige hechtenis te bevelen. De feitenrechter kan dan vervolgens in het niet-naleven van de dadelijk uitvoerbare voorwaarde en/of in andere dreigende situaties aanleiding zien de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis te bevelen.

Artikel 72 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering schrijft voor dat het bevel tot voorlopige hechtenis bij einduitspraak wordt opgeheven indien aan de verdachte (voor het feit waarvoor dat bevel is verleend) “noch een vrijheidsstraf van langere duur dan de reeds door hem in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, noch een maatregel welke vrijheidsbeneming medebrengt of kan medebrengen, onvoorwaardelijk is opgelegd”. Nu het hof de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zal leggen die korter is dan het reeds ondergane voorarrest in combinatie met een tbs-maatregel met voorwaarden, ziet het hof zich – mede gelet op het genoemde arrest van de Hoge Raad – voor de vraag gesteld of deze bepaling het hof ertoe verplicht de voorlopige hechtenis op te heffen.

Mede in navolging van het Gerechtshof Amsterdam, ECLI:NL:GHAMS:2025:1664 overweegt het hof als volgt. Ten aanzien van de in artikel 72 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering opgenomen voorwaarde dat de betreffende gevangenisstraf dan wel maatregel onvoorwaardelijk moet zijn opgelegd, is het hof van oordeel dat ook een tbs-maatregel met voorwaarden welke voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn verklaard, en welke maatregel vrijheidsbeneming met zich kan meebrengen te gelden heeft als een onvoorwaardelijk opgelegde tbs-maatregel in de zin van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof acht zich gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en het genoemde arrest van de Hoge Raad niet gehouden het bevel tot voorlopige hechtenis thans op te heffen. In plaats daarvan zal het hof de voorlopige hechtenis schorsen (onder dezelfde voorwaarden als gesteld in het kader van artikel 38 van het Wetboek van Strafrecht) met ingang van het moment dat de verdachte zal worden opgenomen in een forensische kliniek. Het met onmiddellijke ingang schorsen van dat bevel zou leiden tot een periode waarin de verdachte onbehandeld terugkeert in de samenleving en effectieve handhaving van de gestelde voorwaarden onvoldoende zeker gesteld kan worden. Een dergelijke situatie zou naar het oordeel van het hof, gelet op de problematiek van de verdachte en de noodzaak van behandeling, onverantwoorde risico’s voor de algemene veiligheid van personen en voor de gezondheid en veiligheid van de verdachte opleveren.

Het hof is zich ervan bewust dat het voorgaande betekent dat de verdachte (ook indien geen beroep in cassatie wordt ingesteld) mogelijk nog enkele maanden na de einduitspraak in voorarrest zal verblijven. Hoewel dat langere verblijf in voorarrest dienstig is aan het realiseren van de ook door de verdediging verzochte afdoening, is het hof zich bewust van de voor de verdachte onwenselijke gevolgen daarvan op korte termijn. Het hof verzoekt daarom de bij plaatsing, behandeling en tenuitvoerlegging betrokken instanties al het redelijkerwijs mogelijke in het werk te stellen om de verdachte op zo kort mogelijke termijn te laten opnemen in een passende kliniek.

Maatregel ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht

Nu gelet op de aard van de bij de verdachte bestaande stoornissen langdurige waarborgen met het oog op toekomstige risico's ten aanzien van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen noodzakelijk zijn, acht het hof het geraden om ter bescherming van de veiligheid van anderen naast de maatregel van tbs met voorwaarden een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Gezien het voorgaande kan - indien dit met alsdan bestaande risico’s noodzakelijk is - aldus worden bewerkstelligd dat de verdachte na afloop van de maatregel van tbs onder toezicht wordt gesteld.

Aan de wettelijke vereisten als bedoeld in artikel 38z, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht is voldaan.

De beoordeling van de noodzaak tot tenuitvoerlegging van de maatregel, en indien nodig onder welke voorwaarden, zal in de laatste fase van de aan verdachte opgelegde terbeschikkingstelling plaatsvinden. Een risicotaxatie van het dan aanwezige recidivegevaar dient in het kader van die beoordeling plaats te vinden.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde tot een bedrag van in totaal € 3.548,12, bestaande uit een bedrag van € 1.048,12 aan materiële schade en een bedrag van € 2.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van in totaal € 3.048,12, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot vergoeding van de gestelde materiële schade.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de verdediging verzocht het gevorderde bedrag te matigen tot een bedrag van € 1.500,00.

Oordeel van het hof ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding

Ten aanzien van de materiële schade

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij genoegzaam aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen. Hetgeen de raadsman ter onderbouwing van zijn andersluidende standpunt hieromtrent naar voren heeft gebracht noopt niet tot een ander oordeel.

Wettelijke rente materiële schade

Het hof zal de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van de materiële schade eveneens toewijzen. De aanvangsdatum van de wettelijke rente wordt per schadepost bepaald als volgt:

  • 1 december 2024 over een bedrag van € 385,00 (eigen risico);
  • 21 november 2024 over een bedrag van € 531,00 (behandeling bij [instantie psychische hulpverlener 1] );
  • 26 februari 2025 over een bedrag van € 132,12 (factuur [instantie psychische hulpverlener 2] ).

Ten aanzien van de immateriële schade

Het hof acht op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep aannemelijk geworden dat de benadeelde partij als gevolg van de dreigementen, in het bijzonder die ten tijde van de aanval met het mes, psychische schade heeft geleden waarvoor zij een behandeling bij [instantie psychische hulpverlener 1] heeft ondergaan. Zij heeft EMDR ondergaan in het kader van de verwerking van de gebeurtenis op 8 juni 2024 in verband met angstklachten. Die behandeling is bovendien met stukken onderbouwd. Gelet hierop is naar het oordeel van het hof sprake van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’.

Het hof acht dan ook aannemelijk geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag.

Wettelijke rente immateriële schade

Het hof zal de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van de immateriële schade toewijzen met ingang van 8 juni 2024, omdat is komen vast te staan dat die schade vanaf die datum is ontstaan.

Kostenveroordeling

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 3.548,12 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 38, 38a, 38z, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 meer subsidiair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

De voorlopige hechtenis wordt geschorst op het moment van opname in een forensische kliniek of soortgelijke zorginstelling.

Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis worden dezelfde voorwaarden verbonden als de hierna te noemen voorwaarden die gesteld worden bij de terbeschikkingstelling.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, waarbij als algemene voorwaarde geldt dat de verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en stelt daarbij ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen voorts de volgende bijzondere voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde:

1. De terbeschikkinggestelde laat zich opnemen, nadat dit door de rechter is bevolen, in een Forensische kliniek of een soortgelijke instelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor de plaatsing. De opname start aansluitend op de detentie en duurt gedurende de volledige looptijd van de tbs-maatregel of zoveel korter als de reclassering in overleg met de behandelaar(s) van de kliniek noodzakelijk acht.

2. De terbeschikkinggestelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen en controle daarop kan onderdeel zijn van de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg en begeleid wonen nodig vindt, werkt de terbeschikkinggestelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

3. De terbeschikkinggestelde zal zich laten behandelen door een forensisch ambulante behandelinstelling of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering en/of de zorginstelling dat nodig vindt. Het innemen van medicijnen en de controle daarop kan onderdeel zijn van de behandeling;

4. De terbeschikkinggestelde werkt mee aan controles op het gebruik van alcoholhoudende drank en/of andere verdovende middelen, zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt;

5. De terbeschikkinggestelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit;

6. De terbeschikkinggestelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt in dat de terbeschikkinggestelde zich meldt op afspraken bij de reclassering, zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt. Daarbij houdt de verdachte zich aan aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de terbeschikkinggestelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden;

7. De terbeschikkinggestelde neemt op geen enkele wijze contact op met het slachtoffer [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2];

8. De terbeschikkinggestelde neemt op geen enkele wijze contact op met het slachtoffer [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum 3];

9. De terbeschikkinggestelde zet zich in voor het realiseren en behouden van een passende en door de reclassering goedgekeurde dagbesteding;

10. De terbeschikkinggestelde verschaft de reclassering zicht op de voortgang van zijn behandeling en begeleiding door andere instellingen of hulpverleners als dat van belang is voor het toezicht;

11. De terbeschikkinggestelde gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering;

geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 38, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht om de terbeschikkinggestelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat de opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

Legt aan de verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.548,12 (drieduizend vijfhonderdachtenveertig euro en twaalf cent) bestaande uit € 1.048,12 (duizend achtenveertig euro en twaalf cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van

€ 3.548,12 (drieduizend vijfhonderdachtenveertig euro en twaalf cent) bestaande uit

€ 1.048,12 (duizend achtenveertig euro en twaalf cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 35 (vijfendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op

  • 1 december 2024 over een bedrag van € 385,00;
  • 21 november 2024 over een bedrag van € 531,00 en
  • 26 februari 2025 over een bedrag van € 132,12,

en van de immateriële schade op 8 juni 2024.

Dit arrest is gewezen door mr. K. Versteeg, als voorzitter, mr. A.S.I. van Delden en

mr. C. Fetter, leden, in bijzijn van de griffier mr. G. Schmidt-Fries.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 12 oktober 2026.

Mr. C. Fetter is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Samenhangende uitspraken

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.