Uitspraak · Strafprocesrecht
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 oktober 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:6951Zaaknummer 21-000484-25
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 28 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 21-000484-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht, Strafprocesrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor een verkrachting in 1993. Verdachte, die toen ongeveer 20 jaar oud was, en het slachtoffer, elf à twaalf jaar oud, verbleven destijds in een moskee-internaat. Het hof bevestigt het vonnis van de rechtbank, behalve voor zover het betreft de strafoplegging en de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij. Het hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden, waarvan veertien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en een contact- en locatieverbod. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij wordt gedeeltelijk toegewezen. Omdat het smartengeld wordt vastgesteld op het actuele, geïndexeerde ‘smartengeldprijspeil’, stelt het hof de ingangsdatum voor de wettelijke rente vast op het moment van indiening van de vordering door de benadeelde partij.
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en de beslissingen met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
De straf
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 14 (veertien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
1. gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact
opneemt, zoekt of heeft met slachtoffer [benadeelde], geboren op [geboortedag 2]
1981;
2. zich gedurende de proeftijd niet bevindt op het terrein van alle moskeeën in [plaats] die zijn aangesloten bij de Stichting Islamitisch Centrum Nederland, te weten:
- SIC [locatie 1];
- SIC [locatie 2];
- SIC [locatie 3];
- SIC [locatie 4];
- SIC [locatie 5].
Aan voornoemde bijzondere voorwaarden zijn op grond van artikel 14c, derde lid, sub a en b, van het Wetboek van Strafrecht van rechtswege de voorwaarden verbonden dat verdachte:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en
- zijn medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in het zesde lid, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 11.465,00 (elfduizend vierhonderdvijfenzestig euro) bestaande uit € 1.465,00 (duizend vierhonderdvijfenzestig euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 11.465,00 (elfduizend vierhonderdvijfenzestig euro) bestaande uit € 1.465,00 (duizend vierhonderdvijfenzestig euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 82 (tweeëntachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 8 januari 2025, de datum van indiening van de vordering tot schadevergoeding.
Overig
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. R.H. Koning, mr. A. van Maanen en mr. M.A.P. Timmerman, in aanwezigheid van de griffier mr. G.A. Dunnink en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 28 oktober 2026.
Mr. M.A.P. Timmerman is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000484-25
Uitspraakdatum: 28 oktober 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 31 januari 2025 met parketnummer 05-035974-24 in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag 1] 1971 in [geboorteplaats],
wonende te [adres].
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 15 oktober 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. P.A.J. van Putten, en van wat de benadeelde partij [benadeelde] en zijn advocaat, mr. A. Vossenberg, hebben aangevoerd.
Het vonnis
In het vonnis is bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting. De rechtbank Gelderland heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daaraan heeft de rechtbank als bijzondere voorwaarde een contact- en locatieverbod verbonden. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] geheel toegewezen.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank Gelderland grotendeels op juiste gronden heeft beslist. Het hof bevestigt het vonnis met verbetering en aanvulling van gronden, behalve voor zover het betreft de strafoplegging en de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij. Ten aanzien van die onderdelen van het vonnis komt het hof tot andere beslissingen dan de rechtbank Gelderland. In zoverre vernietigt het hof daarom het vonnis en zal opnieuw rechtdoen.
Verbetering van gronden
In plaats van de alinea met randnummer 14 in de overwegingen met betrekking tot het bewijs van de rechtbank overweegt het hof als volgt.
Het hof is van oordeel dat de resultaten van het opgenomen gesprek van bepalende invloed zijn geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek en/of de verdere vervolging. De uitwerking van de opname van het gesprek bij [instelling] is een niet zonder meer weg te laten onderdeel van de gebruikte bewijsvoering. In zoverre kan worden aangenomen dat de onrechtmatige opname van het gesprek bepalende invloed heeft gehad op het uiteindelijke verloop van de vervolging, ten minste in de fase van de berechting.
De verdediging heeft aangevoerd dat het onrechtmatig handelen van de aangever tot bewijsuitsluiting dient te leiden, omdat sprake is van een schending van het eerlijk proces zoals is bepaald in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), in samenhang met artikel 8 van het EVRM.
Het hof overweegt dat uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat schending van artikel 8 van het EVRM niet zonder meer een inbreuk oplevert op de in artikel 6 van het EVRM vervatte waarborg van een eerlijk proces (Hoge Raad, 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH8889). De Hoge Raad neemt ook in aanmerking dat gelet op de rechtspraak van EHRM aan een niet gerechtvaardigde inbreuk op het door het eerste lid van artikel 8 van het EVRM gewaarborgde recht in de strafprocedure tegen verdachte geen rechtsgevolgen behoeven te worden verbonden, mits zijn recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM wordt gewaarborgd (EHRM 12 mei 2000, nr. 35394/97, NJ 2002/180 ( [naam] tegen Verenigd Koninkrijk), zie ook Hoge Raad, 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889 en de toepassing daarvan Hoge Raad 12 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1159).
Het hof is van oordeel dat het recht op een eerlijk proces van verdachte niet is geschonden door het onrechtmatig opnemen van het herstelgesprek door de aangever. Bewijsuitsluiting is daarmee niet noodzakelijk om een schending van artikel 6 EVRM te voorkomen. Evenmin is aannemelijk geworden dat een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel ernstig is geschonden en dat daarbij opsporingsambtenaren betrokken waren, op grond waarvan tot bewijsuitsluiting zou moeten worden overgegaan.
Het hof zal gelet op het wat hiervoor is overwogen, en met inachtneming van de in artikel 359a lid 2 van het Wetboek van Strafvordering opgenomen beoordelingsfactoren, dan ook volstaan met de constatering dat met het heimelijk opnemen van het vertrouwelijke herstelbemiddelingsgesprek door de aangever sprake is van een schending van artikel 8 van het EVRM.
Aanvulling van gronden
Onder de alinea met randnummer 21 in de overwegingen met betrekking tot het bewijs van de rechtbank overweegt het hof aanvullend als volgt.
Verdachte heeft ter terechtzitting bij het hof verklaard dat hij aangever op zijn blote rug heeft gekust tijdens het stoeien. Ook heeft hij de broek van aangever naar beneden getrokken. Het hof gebruikt ook deze verklaring voor het bewijs.
Verdachte heeft over het voorgaande verklaard dat hij dit alles voor de grap deed. Het hof gaat, mede gelet op de overige bewijsmiddelen, aan dat laatste gedeelte van de verklaring van verdachte voorbij en zal dit onderdeel, anders dan dat eerste deel van die verklaring, als niet-redengevend buiten de bewijsvoering laten.
Oplegging van straf en/of maatregel
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte – in lijn met het vonnis van de rechtbank – een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren dient te worden opgelegd, met daaraan verbonden een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod voor de moskeeën in [plaats] die bij SICN zijn aangesloten.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich – voor het geval het hof toekomt aan de strafoplegging – op het standpunt gesteld dat in strafmatigende zin rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de ouderdom van de zaak.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig feit, te weten verkrachting van een jongen die destijds 11 à 12 jaar oud was. Hij heeft daarmee een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van een jong persoon gemaakt. Hij heeft daarbij gebruik gemaakt van de kwetsbare positie van het slachtoffer alsook van het overwicht dat hij uit hoofde van zijn leeftijd en zijn positie binnen het moskee-internaat op het slachtoffer had. Hij heeft het slachtoffer in de nacht meegenomen naar een afgesloten ruimte en hem daar verkracht. Het behoeft geen uitleg dat het slachtoffer zeer angstige momenten heeft moeten doormaken. Seksuele delicten hebben voor (jeugdige) slachtoffers vaak ernstige en langdurige psychische gevolgen. Ook in deze zaak is dat het geval, zoals blijkt uit de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring. Verdachte heeft destijds alleen oog gehad voor bevrediging van zijn eigen behoeften en hij heeft niet stilgestaan bij de (ernstige) gevolgen die zijn daad zou kunnen hebben voor het minderjarige slachtoffer.
Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 11 september 2026 blijkt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, zodat dat niet strafverhogend werkt. Het hof heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 26 juni 2024. Daaruit komt – kort samengevat – naar voren dat niet is gebleken van problemen die de aandacht van de reclassering behoeven. De reclassering adviseert bij veroordeling tot een voorwaardelijke straf om geen bijzondere voorwaarden op te leggen, behalve het door het slachtoffer verzochte contact- en locatieverbod.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de onderhavige zaak impact heeft gehad op zijn persoonlijke omstandigheden. Zo is hij zijn baan als GGZ-verpleegkundige kwijtgeraakt.
De verdediging heeft het tijdsverloop als reden voor strafmatiging aangevoerd. Het hof is evenwel van oordeel dat in ernstige zedenzaken met jonge slachtoffers het tijdsverloop niet zonder meer een reden is om de op te leggen straf te matigen. De aard van het misdrijf brengt met zich dat een slachtoffer vaak niet direct tot melding kan overgaan, bijvoorbeeld vanwege angst, schaamte of de impact van de gebeurtenissen. Ook in dit geval acht het hof het tijdsverloop om die reden geen aanleiding tot strafmatiging. Het vergeldingselement en het strafdoel preventie, in het bijzonder generale preventie, zijn nog bovendien nog onverkort aan de orde. Het feit dat de verkrachting in de jaren 1992 en 1993 heeft plaatsgevonden, maakt het feit niet minder ernstig.
Naar het oordeel van het hof kan op het plegen van een ernstig strafbaar feit als verkrachting niet anders worden gereageerd dan met oplegging van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Het hof heeft ziet echter in de persoonlijke omstandigheden van verdachte reden om een lagere onvoorwaardelijke straf op te leggen dan door de advocaat-generaal is gevorderd.
Het hof zal, alles afwegende, een gevangenisstraf opleggen voor de duur van twintig maanden, waarvan veertien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Het hof zal, mede gelet op de uitdrukkelijke wens van het slachtoffer, daaraan verbinden een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod voor alle bij de SICN aangesloten moskeeën in [plaats].
Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 12.125,04 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd.
De vordering valt uiteen in de volgende onderdelen:
Materiële schade:
Dertig gesprekken met [psychotherapeut] 2012: € 500,00;
Niet uit verzekering-vergoede zorgkosten + eigen risico 2022: € 714,02;
Kosten sessie coaching 2022: € 80,00;
Niet uit verzekering-vergoede zorgkosten + eigen risico 2023: € 331,02;
Niet uit verzekering-vergoede zorgkosten + eigen risico 2025: € 419,96;
Niet uit verzekering-vergoede zorgkosten 2026: € 80,04.
De benadeelde partij heeft daarnaast de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht voor het bedrag dat niet door de vordering van de benadeelde partij is gedekt. Dat is een bedrag van € 689,96 (subsidiair € 770,00, voor het geval het bedrag van € 80,04 niet als materiele schade wordt toegewezen) bestaande uit de ziektekosten van 2026 en de toekomstige ziektekosten voor 2027.
Immateriële schade:
€ 10.000,00 aan smartengeld.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij integraal kan worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De schadevergoedingsmaatregel dient te worden verhoogd met de ziektekosten uit 2026 en de toekomstige ziektekosten uit 2027.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van de materiele schade op het standpunt gesteld dat niet blijkt dat de gevorderde zorgkosten en het eigen risico rechtstreeks verband houden met het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, omdat onderzoek naar het causale verband een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren.
Ten aanzien van het immateriële gedeelte van de vordering heeft de raadsman aangevoerd dat voor de geleden schade ook andere oorzaken mogelijk zijn, zoals het verblijf op het internaat met alle vreselijke ervaringen daar. Het doen van onderzoek naar de vaststelling van het causale verband tussen het ten laste gelegde feit en de geleden immateriële schade zou een onevenredige belasting van het strafproces opleveren. De benadeelde partij dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard voor dat gedeelte van de vordering.
Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat de wettelijke rente ten aanzien van het smartengeld niet kan worden vastgesteld vanaf 1 januari 1993 naar het huidige prijspeil.
Oordeel van het hof
Materiële schade
In de gevorderde kosten van € 500,00 voor de dertig gesprekken met [psychotherapeut] in 2012 en de € 80,00 voor de coaching sessie in 2022 zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard, dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. Zo zijn er geen facturen voor deze behandelingen. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om dat gedeelte alsnog nader te onderbouwen, leidt tot een onevenredige belasting van het strafproces. De benadeelde partij kan daarom in dit gedeelte van de vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De benadeelde partij heeft verder in hoger beroep een vergoeding gevorderd van € 1.545,04 aan zorgkosten, bestaande uit € 714,02 voor niet-vergoede zorgkosten en het eigen risico in het jaar 2022, € 331,02 voor niet-vergoede zorgkosten en het eigen risico in het jaar 2023, € 419,96 voor niet-vergoede zorgkosten en het eigen risico in het jaar 2025 en € 80,04 voor niet-vergoede zorgkosten in het jaar 2026.
Het hof stelt vast dat de niet vergoede zorgkosten over het jaar 2026 niet waren opgenomen in de oorspronkelijke vordering. Deze kunnen thans niet alsnog worden toegevoegd en alsnog gevorderd, zodat het hof dat deel van de vordering niet kan toewijzen. Het overig gevorderde bedrag van € 1.465,00 (zijnde derhalve de genoemde bedragen over 2022, 2023 en 2025) is naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd. Het hof zal deze gevorderde zorgkosten daarom toewijzen.
In hoger beroep is voorts verzocht ambtshalve de in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht bedoelde schadevergoedingsmaatregel op te leggen en te bepalen dat de benadeelde partij nog extra zorgkosten heeft gehad, bestaande uit het eigen risico over 2026 en het toekomstige eigen risico over 2027.
Ten aanzien hiervan overweegt het hof het volgende.
Op grond van artikel 421, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kan de benadeelde partij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in hoger beroep voegen. Volgens artikel 421, derde lid, van de Wetboek van Strafvordering kan de benadeelde partij, wanneer de gevorderde schadevergoeding in eerste aanleg niet is toegewezen, zich slechts in hoger beroep voegen binnen de grenzen van haar eerste vordering. Uit dit samenstel van bepalingen volgt dat door of namens de benadeelde partij de vordering tot schadevergoeding in hoger beroep niet kan worden uitgebreid met schadeposten die niet reeds in eerste aanleg zijn opgevoerd (Hoge Raad 17 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0945).
Het voorgaande neemt niet weg dat de strafrechter ambtshalve, los van een door een benadeelde partij ingestelde vordering, de in artikel 36f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde schadevergoedingsmaatregel kan opleggen, indien en voor zover de verdachte tegenover het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht (HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793).
Naar het oordeel van het hof impliceren de artikelen 421, eerste en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering echter dat de mogelijkheid om in hoger beroep over te gaan tot oplegging van een schadevergoedingsmaatregel die geen verband houdt met eerder in de strafprocedure gevorderde schade, moet worden voorbehouden aan zeer uitzonderlijke gevallen waarin het slachtoffer zich niet in eerste aanleg in het geding heeft gevoegd. Daarbij kan worden gedacht aan een geval waarin sprake is van schade die in eerste aanleg in het geheel niet was te voorzien.
In deze zaak is zo’n uitzonderlijk geval niet aan de orde. Het hof zal voor de zorgkosten van 2026 en 2027 dan ook geen schadevergoedingsmaatregel opleggen.
Concluderend acht het hof de volgende materiële posten voor toewijzing vatbaar:
Niet uit verzekering-vergoede zorgkosten + eigen risico 2022: € 714,02;
Niet uit verzekering-vergoede zorgkosten + eigen risico 2023: € 331,02;
Niet uit verzekering-vergoede zorgkosten + eigen risico 2025: € 419,96.
Immateriële schade
Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) geeft een limitatieve opsomming van de gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten in geval van:
a. oogmerk om zodanige schade toe te brengen;
b. lichamelijk letsel, aantasting in de eer of goede naam of aantasting in de persoon op andere wijze;
c. bepaalde gevallen van aantasting van de nagedachtenis van een overledene.
Van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is sprake in geval van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, de persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Het hof is van oordeel dat de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij meebrengen dat van de hier bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. De benadeelde partij heeft geestelijk letsel onder andere in de vorm van PTSS opgelopen, zoals naar voren is gekomen uit de toelichting bij de vordering van de benadeelde partij en de slachtofferverklaring. Het hof acht voldoende onderbouwd dat de psychische klachten hun oorsprong vinden in het handelen van verdachte, zodat dit aan verdachte is toe te rekenen. Dat aan de huidige emotionele en psychische problemen voornamelijk andere oorzaken ten grondslag liggen die niet met het misbruik te maken hebben, is niet aannemelijk geworden. Bij de begroting heeft het hof de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan verdachte te maken verwijt laten meewegen, en voorts gelet op de bedragen die de Nederlandse rechters in (enigszins) vergelijkbare gevallen zijn toegekend, waaronder de maximaal toegekende bedragen, rekening houdend met (eventuele) geldontwaarding. Naar maatstaven van billijkheid zal het hof het smartengeld op een bedrag van € 10.000,- vaststellen.
De wettelijke rente
Het hof overweegt dat wanneer het smartengeld wordt vastgesteld op het actuele, geïndexeerde ‘smartengeldprijspeil’ én wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het bewezenverklaarde feit, er tweemaal compensatie plaatsvindt. Om die reden zal het hof de hoogte van het smartengeld wel vaststellen op het huidige ‘smartengeldprijspeil’ maar de wettelijke rente laten ingaan op het moment van indiening van de vordering door de benadeelde partij, te weten op 8 januari 2025.
De schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 242 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en de beslissingen met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
De straf
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 14 (veertien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
1. gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact
opneemt, zoekt of heeft met slachtoffer [benadeelde], geboren op [geboortedag 2]
1981;
2. zich gedurende de proeftijd niet bevindt op het terrein van alle moskeeën in [plaats] die zijn aangesloten bij de Stichting Islamitisch Centrum Nederland, te weten:
- SIC [locatie 1];
- SIC [locatie 2];
- SIC [locatie 3];
- SIC [locatie 4];
- SIC [locatie 5].
Aan voornoemde bijzondere voorwaarden zijn op grond van artikel 14c, derde lid, sub a en b, van het Wetboek van Strafrecht van rechtswege de voorwaarden verbonden dat verdachte:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en
- zijn medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in het zesde lid, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 11.465,00 (elfduizend vierhonderdvijfenzestig euro) bestaande uit € 1.465,00 (duizend vierhonderdvijfenzestig euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 11.465,00 (elfduizend vierhonderdvijfenzestig euro) bestaande uit € 1.465,00 (duizend vierhonderdvijfenzestig euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 82 (tweeëntachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 8 januari 2025, de datum van indiening van de vordering tot schadevergoeding.
Overig
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. R.H. Koning, mr. A. van Maanen en mr. M.A.P. Timmerman, in aanwezigheid van de griffier mr. G.A. Dunnink en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 28 oktober 2026.
Mr. M.A.P. Timmerman is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 8 EVRM meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6 EVRM meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 359a Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 36f Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 421 Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 6:106 BW meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 14a Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 14b Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 14c Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 242 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 1 WID meer uitspraken over dit artikel
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.