Uitspraak · Strafrecht
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 december 2016
ECLI:NL:GHARL:2016:10362Zaaknummer 16-652902-16
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 14 december 2016
- Publicatiedatum
- 23 december 2016
- Zaaknummer
- 16-652902-16
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Hoger beroep, Beschikking
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Artikel 78 Sv. Verzamelfeit. Omschrijving feiten in vordering voorlopige hechtenis (vgl. gerechtshof Arnhem, 4 februari 2005, ECLI:NL:GHARN:2005:466)
BESLISSING:
Het hof bevestigt de beschikking voor zover daartegen hoger beroep is ingesteld.
Aldus gegeven op 14 december 2016 door mrs E.A.K.G. Ruys, voorzitter, F.A.M. Bakker en A.W.M. Elders, raadsheren, in tegenwoordigheid van H. de Graaf, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.
Volledige tekst
beschikking
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Arnhem
pkn: 16-652902-16
avnr: 002040-14
Het gerechtshof heeft te beslissen op het hoger beroep ingesteld door
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [1994],
verblijvende in het huis van bewaring te [detentieadres].
Het hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht van 1 december 2016, voor zover houdende het bevel tot gevangenhouding van verdachte.
Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door
mr A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht, in raadkamer van heden.
Het hof heeft gezien bovengenoemde beschikking en de akte opgemaakt door de griffier bij die rechtbank van 2 december 2016.
OVERWEGINGEN:
Het hof is na onderzoek gebleken dat de gronden waarop de rechtbank het bevel tot gevangenhouding van verdachte heeft gegeven ook thans nog bestaan, zodat de beschikking van de rechtbank, voor zover daarvan beroep is ingesteld, met overneming van de gronden dient te worden bevestigd.
Gelet op artikel 78, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en onder verwijzing naar zijn beslissing van 4 februari 2005, NbSr 2005, 5, nr. 74, is het hof van oordeel dat de officier van justitie, nu dat blijkens het dossier mogelijk is, bij een eventuele vordering tot verlenging van de voorlopige hechtenis de feiten waarop die vordering ziet zo nauwkeurig mogelijk dient te omschrijven, opdat voor het verdere verloop van de strafvervolging van verdachte duidelijkheid kan ontstaan ten aanzien van welke feiten de voorlopige hechtenis is bevolen.
Het hof heeft gelet op het bepaalde in de artikelen 65, 66, 67, 67a ,71 en 78 van het Wetboek van Strafvordering.
BESLISSING:
Het hof bevestigt de beschikking voor zover daartegen hoger beroep is ingesteld.
Aldus gegeven op 14 december 2016 door mrs E.A.K.G. Ruys, voorzitter, F.A.M. Bakker en A.W.M. Elders, raadsheren, in tegenwoordigheid van H. de Graaf, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.