Uitspraak · Strafrecht

Gerechtshof Amsterdam, 20 oktober 2026

ECLI:NL:GHAMS:2026:3003Zaaknummer 23-000440-26

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20 oktober 2026
Publicatiedatum
23 oktober 2026
Zaaknummer
23-000440-26
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Hoger beroep
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vernietiging, want artikel 378a Wetboek van strafrecht. Bedreiging met enig misdfrijf tegen het leven gericht; vernieling; tweemal winkeldiefstal; wederrechtelijk binnendringen besloten lokaal. Bespreking bewijsverweer ten aanzien van bedreiging. Gevangenisstraf 3 weken, waarvan 1 voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar + contactverbod (t.a.v. bedreiging).

Het hof:

Vernietigt het vonnis waartegen beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 15-250020-25 onder 1, 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 15-277740-25 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 15-250020-25 onder 1, 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 15-277740-25 onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) week, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt daarbij als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen

enkele wijze – direct of indirect – contact zal leggen of laten leggen met slachtoffer [slachtoffer 1], geboren op

[geboortedag 2] 1971.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. K.J. Veenstra, mr. E. de Greeve en mr. D. Radder, in tegenwoordigheid van mr. L.A.H. van Wieren, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 oktober 2026.

Mr. K.J. Veenstra is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Onderzoek van de zaak
  2. Tenlasteleggingen
  3. Vonnis waartegen beroep
  4. Bewezenverklaring
  5. Bewijsmiddelen
  6. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
  7. Strafbaarheid van de verdachte
  8. Oplegging van straf
  9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
  10. BESLISSING

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000440-26

datum uitspraak: 20 oktober 2026

TEGENSPRAAK (279 Sv)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 20 november 2025 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-250020-25 en 15-277740-25 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1991,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 oktober 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

Zaak met parketnummer 15-250020-25: 1.hij op of omstreeks 17 september 2025 te Den Helder [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "Ik ga je liquideren", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.hij op of omstreeks 21 september 2025 te Schagen opzettelijk en wederrechtelijk - één of meerdere ramen, en/of - één (tuin)stoel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 2], toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

3.hij op of omstreeks 21 september 2025 te Schagen één of meerdere winkelartikelen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel 1], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Zaak met parketnummer 15-277740-25 (gevoegd): 1.hij op of omstreeks 20 oktober 2025 te Den Helder winkelgoederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel 2], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2.hij op of omstreeks 20 oktober 2025 te Den Helder in het besloten lokaal een supermarkt bij [winkel 2], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 3 augustus 2025 schriftelijk de toegang tot die winkel ontzegd voor de duur van één jaar.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waartegen beroep

Het vonnis zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bespreking van het in hoger beroep gevoerde bewijsverweer t.a.v. feit 1 in de zaak met parketnummer 15-250020-25

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van wat de verdachte in de zaak met parketnummer 15-250020-25 onder 1 ten laste is gelegd. De raadsman heeft aangevoerd dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die op 17 september 2025 telefonisch aangever [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) heeft bedreigd. De raadsman heeft de betrouwbaarheid van de herkenning van de stem van de verdachte door [slachtoffer 1] betwist. Daarnaast voert hij aan dat niet aannemelijk is dat de getuige [getuige] (hierna: [getuige]) het gesprek tussen [slachtoffer 1] en de verdachte goed heeft kunnen horen, omdat het onwaarschijnlijk is dat [slachtoffer 1] zijn telefoon op luidspreker heeft gezet.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte was in de periode voorafgaand aan 17 september 2025 cliënt bij het bedrijf van [slachtoffer 1]. Dit bedrijf biedt onderdak, verzorging, begeleiding en dagbesteding aan mensen met complexe psychosociale problemen. De verdachte verbleef tot kort voor 17 september 2025 in een pand van dit bedrijf. [slachtoffer 1] kende daarom de verdachte en heeft hem vaker gesproken. Op 6 september 2025 heeft [slachtoffer 1] aan de verdachte meegedeeld dat hij het pand waar hij verbleef op 8 september 2025 moest verlaten. Gelet op het voorgaande ziet het hof geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de herkenning van de stem van de verdachte door [slachtoffer 1].

Daarnaast kan naar het oordeel van het hof de verklaring van [getuige] als steunbewijs voor de bedreiging worden gebruikt. Zij heeft een mannenstem aan de telefoon de woorden ‘ik ga je liquideren’ horen schreeuwen. Het hof neemt aan dat dit ook te horen kan zijn geweest als de telefoon niet op speaker heeft gestaan. Hoe dan ook heeft deze getuige verklaard dat zij de verdachte kent en zijn stem herkende, omdat hij cliënt van haar was. Het hof ziet geen reden om aan de geloofwaardigheid van deze getuige te twijfelen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 15-250020-25 onder 1, 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 15-277740-25 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak met parketnummer 15-250020-25: 1.hij op 17 september 2025 te Den Helder [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "Ik ga je liquideren";

2.hij op 21 september 2025 te Schagen opzettelijk en wederrechtelijk ramen, die aan [slachtoffer 2] toebehoorden, heeft vernield;

3.hij op 21 september 2025 te Schagen winkelartikelen, die aan [winkel 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Zaak met parketnummer 15-277740-25 (gevoegd): 1.hij op 20 oktober 2025 te Den Helder winkelgoederen, die aan [winkel 2] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2.hij op 20 oktober 2025 te Den Helder in het besloten lokaal een supermarkt bij [winkel 2] in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen, immers was hem, verdachte, met ingang van 3 augustus 2025 schriftelijk de toegang tot die winkel ontzegd voor de duur van één jaar.

Hetgeen in de zaak met parketnummer 15-250020-25 onder 1, 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 15-277740-25 onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsmiddelen

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 15-250020-25 feit 1:

1. Een proces-verbaal aangifte van [slachtoffer 1] van 19 september 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [pagina’s 22 t/m 24].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Plaats delict: [adres 2].

Ik doe aangifte tegen [verdachte] van bedreiging.

Ik ben eigenaar van [bedrijf]. [bedrijf] biedt onderdak, verzorging, begeleiding en dagbesteding aan mensen met complexe psychosociale problemen in de kop van Noord-Holland.

Ik huur een pand aan [adres 2]. In dit pand verbleef tot voor kort [verdachte].

Op zaterdag 6 september 2025 heb ik tegen [verdachte] gezegd dat hij het pand aan de [adres 2] op maandag 8 september moest verlaten.

In de nacht van dinsdag 16 september 2025 op woensdag 17 september 2025 werd ik omstreeks 01.30 uur gebeld op mijn mobiele telefoon. Ik hoorde aan de stem dat het [verdachte] was. Ik hoorde hem zeggen dat hij mij ging liquideren. Ik ben hierdoor erg bang geworden. Ik verblijf op dit moment niet op mijn woonadres. Ik kijk meer over mijn schouder dan normaal. Ik vind het gedrag [verdachte] zeer onberekenbaar en ik ben bang dat hij mij ook wat aan kan doen.

2. Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige] van 22 september 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [pagina’s 25 t/m 27].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige]:

Op woensdag, 17 september 2025 omstreeks 01.27 uur werd mijn man, [slachtoffer 1], gebeld. Ik hoorde een mannenstem schreeuwen. Ik herkende direct de stem van [verdachte]. Ik ken hem omdat ik hem ook in levende lijve heb gesproken maar ook omdat hij mij ook weleens heeft gebeld. Ik ken al onze cliënten wel van stem.

Ik hoorde [verdachte] schreeuwen "Je weet wat je mij hebt aangedaan. Daar moet je voor boeten. Ik ga je liquideren".

[verdachte] is erg onbetrouwbaar in gedrag.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 15-250020-25 feit 2:

1. Een proces-verbaal aangifte van [slachtoffer 2] van 21 september 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [pagina’s 7 t/m 16].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik doe aangifte van de vernieling van mijn ramen. Mijn ramen zijn vernield door mijn zoon [verdachte].

Op zondag 21 september 2025 omstreeks 14.30 uur was ik in mijn woning op de [adres 3].

Ik was nog niet eens bij de voordeur toen ik een stoel door het raam zag komen. Dit was een wit kleurige tuinstoel. Hij kwam zo door mijn raam naast de voordeur. Deze is helemaal gebroken. Ik keek vervolgens door het gat in het raam en ik herkende mijn zoon [verdachte] die voor de voordeur stond.

Ik hoorde vervolgens twee harde klappen op de ramen vanuit de woonkamer. Ik liep naar de

woonkamer en ik zag dat de ramen aan de zijkant van de woning, ter hoogte van de woonkamer, kapot waren.

2. Een proces-verbaal van bevindingen van 21 september 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [pagina’s 19 t/m 21].Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de bevindingen van de verbalisanten:

Op 21 september 2025 kregen wij het verzoek om naar de [adres 3] te gaan te [plaats].

Wij zagen dat het glas van het raam van de voordeur en het raam naast de voordeur kapot was. Wij zagen glasscherven liggen buiten op de grond en in de hal van de woning. In de gang zagen

wij een witte tuinstoel staan. Wij hoorde [slachtoffer 2] zeggen dat zijn zoon [verdachte] de ramen had vernield en ook de witte tuinstoel had gebruikt.

Nu de verdachte ten aanzien van de overige feiten heeft bekend en door of namens hem geen bewijsverweer is gevoerd, volstaat het hof met de navolgende opsomming van de bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 15-250020-25 feit 3:

  • een proces-verbaal van bevindingen van 21 september 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [pagina’s 19 t/m 21];
  • een proces-verbaal aangifte van [persoon 1] (namens [winkel 1]) van 21 september 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [pagina’s 30 t/m 33];
  • een proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 21 september 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [pagina’s 48 t/m 52].

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 15-277740-25 (gevoegd) feit 1:

  • een proces-verbaal van aangifte van [persoon 2] (namens [winkel 2]) van 20 oktober 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [pagina’s 11 t/m 17];
  • een proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 20 oktober 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [pagina’s 23 t/m 25].

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 15-277740-25 (gevoegd) feit 2:

  • een proces-verbaal van aangifte van [persoon 2] (namens [winkel 2]) van 20 oktober 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [pagina’s 11 t/m 17];
  • een geschrift, zijnde een ontzegging van toegang van 3 augustus 2025 [pagina 30];
  • een proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 20 oktober 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [pagina’s 23 t/m 25].

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaak met parketnummer 15-250020-25 onder 1, 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 15-277740-25 onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in de zaak met parketnummer 15-250020-25 onder 1 bewezenverklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het in de zaak met parketnummer 15-250020-25 onder 2 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Het in de zaak met parketnummer 15-250020-25 onder 3 bewezenverklaarde levert op:

diefstal.

Het in de zaak met parketnummer 15-277740-25 onder 1 bewezenverklaarde levert op:

diefstal.

Het in de zaak met parketnummer 15-277740-25 onder 2 bewezenverklaarde levert op:

in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten verminderd toerekeningsvatbaar was.

Het hof overweegt hierover als volgt.

Uit het Pro Justitia-rapport van 15 mei 2026, dat is opgemaakt in een andere strafzaak tegen de verdachte, volgt dat bij de verdachte sprake is van een psychotisch toestandsbeeld dat wordt geclassificeerd als een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere stoornis.[_042dbdb7-82f5-429f-b247-1013253142bd] Dit toestandsbeeld uit zich bij de verdachte onder meer in de waan dat hij een relatie met Dua Lipa heeft.[_de44004d-59b1-4f29-8876-6e5cd3720293] In de forensisch psychiatrische beschouwing van het rapport is te lezen dat sinds enkele jaren bij de verdachte een psychotische stoornis is ontstaan die zijn problemen doet verergeren en dat uit de informatie van de huisarts en de moeder naar voren komt dat er sinds november 2025 sprake was van een psychose waarvoor behandeling met medicatie geïndiceerd werd.[_5a420ffd-9edd-47c5-af40-96cedee2c835] In het rapport wordt geconcludeerd dat, gelet op het feit dat sprake was van een floride psychose ten tijde van de tenlastegelegde feiten waarop het rapport ziet, deze feiten (indien bewezen) in ieder geval in een verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend.[_d62eb36c-06ec-4c09-8b63-bdec27e5d7de]

In het verhoor van de verdachte op 21 september 2025 vertelt de verdachte ook over zijn relatie met Dua Lipa. Gelet hierop en op de conclusie van het rapport dat de psychotische stoornis bij de verdachte al lange tijd geleden is ontstaan, acht het hof het aannemelijk dat het psychotische toestandsbeeld, zoals hierboven omschreven, zich ook voordeed tijdens dit verhoor en de bewezenverklaarde feiten, zodat deze feiten enkel in een verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend.

Dit betekent dat de verdachte strafbaar is. Het voorgaande heeft echter wel een matigende werking op de op te leggen straf.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 weken met aftrek, waarvan 1 week voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde een contactverbod ten aanzien van [slachtoffer 1].

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en maatregel als door de politierechter opgelegd.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair verzocht een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen, te weten 3 dagen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht enkel een voorwaardelijke straf op te leggen. Met betrekking tot het contactverbod heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich in september 2025 en op 20 oktober 2025 schuldig gemaakt aan een aantal strafbare feiten. Hij heeft op 17 september 2025 de aangever, een zorgaanbieder in wiens pand de verdachte verbleef, bedreigd met de woorden: “ik ga je liquideren”. De aangever is hierdoor erg bang geworden. Op 21 september 2025 heeft de verdachte een aantal ramen ingegooid van het huis van zijn vader en daarmee in dat huis een enorme ravage veroorzaakt. Tot slot heeft de verdachte op 21 september 2025 en op 20 oktober 2025 in een supermarkt winkeldiefstallen gepleegd waarbij hij verschillende boodschappen heeft meegenomen, in het tweede geval terwijl hem voor dat filiaal van [winkel 2] de toegang was ontzegd.

Gelet op de ernst van de feiten – en in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 28 september 2026 herhaaldelijk voor soortgelijke feiten als nu bewezenverklaard is veroordeeld tot gevangenisstraffen – is in beginsel een gevangenisstraf zoals opgelegd door de politierechter passend en geboden. In hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte ziet het hof echter aanleiding deze gevangenisstraf te matigen.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken, waarvan 1 week voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met als bijzondere voorwaarde een contactverbod ten aanzien van [slachtoffer 1] passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63, 138, 285, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waartegen beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 15-250020-25 onder 1, 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 15-277740-25 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 15-250020-25 onder 1, 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 15-277740-25 onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) week, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt daarbij als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen

enkele wijze – direct of indirect – contact zal leggen of laten leggen met slachtoffer [slachtoffer 1], geboren op

[geboortedag 2] 1971.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. K.J. Veenstra, mr. E. de Greeve en mr. D. Radder, in tegenwoordigheid van mr. L.A.H. van Wieren, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 oktober 2026.

Mr. K.J. Veenstra is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Voetnoten

  1. Pro Justitia-rapport 15 mei 2026, p. 18.
  2. Pro Justitia-rapport 15 mei 2026, p. 17, 19, 23.
  3. Pro Justitia-rapport 15 mei 2026, p. 19.
  4. Pro Justitia-rapport 15 mei 2026, p. 23.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.