Uitspraak · Belastingrecht

Gerechtshof Amsterdam, 24 september 2026

ECLI:NL:GHAMS:2026:2836Zaaknummer 25/1944 en 25/1945

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24 september 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
25/1944 en 25/1945
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Aanslagen IB/PVV 2022 en 2023. Werkhervattingsuitkering gedeeltelijk ongeschikten van UWV. Geen arbeidskorting toegepast. Schending verbod van discriminatie en evenredigheidsbeginsel? Schending hoorplicht? Geen recht op een dwangsom en schadevergoeding.

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank

De uitspraak is gedaan door mrs. H.E. Kostense, voorzitter, W.J. Blokland en M. Ferrier, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen als griffier. De beslissing is op 24 september 2026 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Ontstaan en loop van het geding
  2. 2 Feiten
  3. 3 Geschil in hoger beroep
  4. 4 Het oordeel van de rechtbank
  5. 5 Beoordeling van het geschil
  6. 6 6. Kosten
  7. 7 Beslissing

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 25/1944 en 25/1945

24 september 2026

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X], wonende te [Z], belanghebbende,

tegen de uitspraak van 29 juli 2025 in de zaken met kenmerken HAA 24/8025 en 24/8026 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 1 juni 2024 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over het jaar 2022 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.514.

1.1.2.

De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 28 juni 2024 een aanslag IB/PVV over het jaar 2023 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.354.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de aanslagen bezwaar gemaakt. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 23 oktober 2024 heeft de inspecteur de bezwaren ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen de uitspraken op bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank. In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard en de inspecteur (aangeduid als ‘verweerder’) gelast het door belanghebbende (aangeduid als ‘eiser’) betaalde griffierecht van € 51 te vergoeden.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft meerdere nadere stukken ingediend.

1.5.

Partijen hebben het Hof meegedeeld geen bezwaar te hebben tegen het achterwege laten van een zitting. Hierop heeft het Hof besloten een zitting achterwege te laten en partijen bij brief van 19 augustus 2026 bericht dat het onderzoek is gesloten en dat schriftelijk uitspraak zal worden gedaan.

1.6.

Na sluiting van het onderzoek heeft het Hof op 3 september 2026 een brief van belanghebbende ontvangen met enige vragen, gedagtekend 3 september 2026. Het Hof heeft in hetgeen belanghebbende in deze brief aanvoert geen reden gevonden om tot heropening van het onderzoek over te gaan. Het Hof rekent de brief van belanghebbende niet tot de gedingstukken en slaat daar verder geen acht op.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:

“1. In 2022 en 2023 ontving eiser een werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Hij heeft deze uitkering verantwoord in zijn aangiftes IB/PVV onder rubriek 13 ‘Pensioen, lijfrente of andere uitkering.’ Bij het vaststellen van de aanslagen IB/PVV over 2022 en 2023 heeft verweerder niet de arbeidskorting van artikel 8.11 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) toegepast.”

2.2.

Het Hof gaat eveneens uit van deze feiten. In aanvulling hierop stelt het Hof de volgende feiten vast.

2.3.

Belanghebbende heeft bij brief met dagtekening 9 juli 2024 (door de inspecteur ontvangen op 15 juli 2024) bezwaar gemaakt tegen de aanslagen IB/PVV 2022 en 2023. In deze brief heeft belanghebbende ook verzocht om hem met betrekking tot de belastingjaren 2020, 2021 en 2024 (en latere jaren) bij ambtshalve te nemen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb een fiscale korting toe te kennen gelijk aan de voor die jaren geldende arbeidskorting.

2.4.1.

Bij brief met dagtekening 8 oktober 2024 heeft belanghebbende een ingebrekestelling verzonden die blijkens de aanhef is gericht aan de “Belastinginspecteur van de belastingdienst kantoor Hoorn”. In deze ingebrekestelling is – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

“De inspecteur heeft, omtrent het bezwaarschrift van de betrokkene, [van de mogelijkheid tot verlenging van de beslistermijn met zes weken] gebruikt gemaakt (…). (…) [Dit betekent] dat de uiterlijke beslistermijn op het ingediende bezwaarschrift afliep op 7 oktober 2024.

De betrokkene wilt met dit schrijven de inspecteur in gebreke stellen, omdat de betrokkene geen besluit/beslissing heeft ontvangen binnen de wettelijke gestelde termijn. Wanneer de betrokkene na ontvangst van dit document en poststuk, niet binnen 2 weken voorzien is van een besluit/beslissing, verbeurt u de betrokkene een dwangsom voor elke dag dat u in gebreke bent.(…)o Wanneer dit document onjuist is geadresseerd, dan wordt de geadresseerde verzocht het originele document retour te zenden aan de betrokkene”

2.4.2.

Tot de door de inspecteur in eerste aanleg overgelegde gedingstukken behoort een afschrift van de onder 2.4.1 vermelde ingebrekestelling. Dit afschrift is voorzien van een oplegvel van het “DIV [Hof: Documentaire Informatievoorziening] team Apeldoorn” waarop als ontvangstdatum van de ingebrekestelling is ingevuld: “9-10-2024”. De kopie van de ingebrekestelling is voorzien van een datumstempel van de ‘Belastingdienst CFD DIV Apeldoorn’ waarin als datum van ontvangst is vermeld: “7 okt. 2024”.

2.5.1.

Bij aangetekend verzonden brief met dagtekening 18 oktober 2024, met als onderwerp “Voorgenomen beslissing op bezwaar 2022 en 2023” heeft de inspecteur onder meer het volgende aan belanghebbende meegedeeld:

“Op 15 juli 2024 ontving ik uw bezwaar. Het gaat om het bezwaar tegen [o.a. de aanslagen IB/PVV 2022 en 2023]. Voorts wilt u tevens dat de jaren 2020 en 2021, waarvoor geen belastingaangiften zijn ingediend en evenmin -aanslagen vastgesteld, ook worden meegenomen in de procedure.

Op 7 oktober 2024 liep de beslistermijn af, maar ontving u geen besluit op bezwaar. Bij schrijven met dagtekening 8 oktober 2024, ontvangstdatum 9 oktober 2024, heeft u de inspecteur in gebreke gesteld.

(…)

Voorgenomen beslissing

Ik ben van plan om uw bezwaar af te wijzen.

Ingebrekestelling en het recht om te worden gehoord

Uiterlijk woensdag 23 oktober 2024 dient de inspecteur een uitspraak op bezwaar te doen, om een dwangsom te voorkomen. Tegelijkertijd wil ik u in de gelegenheid stellen om te worden gehoord. (…) U kunt dit gesprek voeren op een kantoor van de Belastingdienst, via de telefoon of via een videoverbinding. Dit kan wat mij betreft aanstaande maandag (21 oktober 2024) of dinsdag (22 oktober 2024) op een tijdstip die u het beste uitkomt. Gezien de tijd dringt, wil ik u verzoeken om uw voorkeur telefonisch [Hof: doorkiesnummer vermeld] of per mail [Hof: e-mailadres vermeld] zo snel mogelijk aan mij door te geven.

Als deze data u niet uitkomen, zal ik een besluit op bezwaar nemen zonder u vooraf te horen. Wilt u toch op een ander moment gehoord worden, dan verzoek ik u de ingebrekestelling in te trekken. Indien u de ingebrekestelling wil intrekken verzoek ik u dit schriftelijk aan mij mede te delen. Tevens verneem ik graag op welke dagen en tijden u in de gelegenheid bent om gehoord te worden.

U mag uw dossier bekijken

U hebt ook inzagerecht. Dit betekent dat u uw dossier kunt bekijken. Dit kan vóór

het gesprek of tijdens het gesprek. (…)

Contactgegevens

Mijn contactgegevens en het postadres vindt u op de 1e pagina. (…)”

2.5.2.

Op de eerste bladzijde van de genoemde brief is het postadres vermeld (een postbusnummer in Amsterdam) van de Belastingdienst Particulieren, kantoor Amsterdam. Op de eerste bladzijde zijn tevens het e-mailadres en het doorkiesnummer vermeld van de medewerker die het bezwaarschrift namens de inspecteur in behandeling heeft genomen en de brief van 18 oktober 2024 heeft opgesteld.

2.5.3.

De inspecteur heeft als bijlage bij zijn verweerschrift in eerste aanleg een uitdraai overgelegd van track & trace gegevens van PostNL met betrekking tot de aangetekende verzending en de ontvangst van de brief van 18 oktober 2024. Hierin is vermeld dat deze brief op 19 oktober 2024 (om 14:33 uur) is bezorgd op het woonadres van belanghebbende en er staat een handtekening op.

2.6.

Belanghebbende heeft schriftelijk gereageerd op de onder 2.5.1 vermelde brief van de inspecteur, bij brief met dagtekening 21 oktober 2024. Blijkens de aanhef van deze brief en de adressering van de enveloppe heeft belanghebbende deze brief geadresseerd aan de inspecteur van de Belastingdienst kantoor Hoorn, met vermelding van het kantooradres te Hoorn. Belanghebbende heeft de enveloppe met brief op 22 oktober 2024 op het belastingkantoor te Hoorn afgeleverd, waar deze (blijkens een datumstempel op de enveloppe) op 22 oktober 2024 in ontvangst is genomen. In deze brief heeft belanghebbende onder meer meegedeeld dat hij de ingebrekestelling niet intrekt, dat hij eerst de op de zaak betrekking hebbende stukken wenst te ontvangen en dat hij vervolgens zijn standpunten naar voren zal brengen in een hoorzitting. Voorts heeft belanghebbende een aantal argumenten naar voren gebracht ter onderbouwing van zijn standpunt dat hem een fiscaal voordeel moet worden toegekend overeenkomend met het bedrag van de arbeidskorting.

2.7.

Bij brief met dagtekening 23 oktober 2024 heeft de inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan inzake de belastingjaren 2022 en 2023 en heeft hij zijn beslissing meegedeeld op de onder 2.3 vermelde verzoeken van belanghebbende inzake de jaren 2020 en 2021. In deze brief is – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

“Horen en inzage

In mijn brief van 18 oktober 2024 kreeg u de uitnodiging om uw bezwaar mondeling aan mij toe te lichten op maandag 21 oktober 2024 of dinsdag 22 oktober 2024. Ook vroeg ik u of u de stukken over de zaak in wilt zien. Ik kreeg hierop geen reactie van u. Daarom ga ik ervan uit dat u uw bezwaar niet mondeling wilt toelichten. En dat u de stukken over de zaak niet wilt inzien.

(…)Beoordeling van uw bezwaar tegen de aanslag

(…)

Beoordeling van uw verzoek

In de belastingjaren 2020 en 2021 is bij de loonheffing op uw WGA-uitkering de arbeidskorting niet toegepast. Over deze jaren heeft u geen aangifte ingediend. Evenmin heeft de inspecteur een IB-aanslag vast gesteld. Nu er geen aanslag is vastgesteld, moet ik uw verzoek om vermindering afwijzen.

(…)

Beslissing op uw bezwaar en verzoek

Ik wijs uw bezwaar en uw verzoek af.

Bent u het niet eens met deze beslissing?

In deze brief staan 2 beslissingen: de uitspraak op uw bezwaar én de beslissing op

het verzoek.

Bent u het niet eens met de uitspraak op bezwaar?

(…)

Bent u het niet eens met de beslissing op het verzoek?

Als u denkt dat mijn beslissing op het verzoek om voor de belastingjaren 2021 en 2022 [het Hof verstaat: 2020 en 2021] geen arbeidskorting en belastingrente toe te kennen onjuist is, dan kunt u bezwaar maken bij de inspecteur van de Belastingdienst. (…)”

3 Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is onder meer in geschil of de aanslagen terecht en naar de juiste bedragen zijn vastgesteld. Meer specifiek is in geschil of:

a. de inspecteur in strijd heeft gehandeld met het verbod van discriminatie zoals opgenomen in diverse verdragsbepalingen door belanghebbende geen fiscaal voordeel gelijk aan de arbeidskorting toe te kennen;

b. het niet toekennen van het onder a genoemde fiscale voordeel in strijd is met het evenredigheidsbeginsel;

c. de inspecteur de hoorplicht als bedoeld in artikel 7:2 Awb heeft geschonden;

d. de rechtbank heeft gehandeld in strijd met een de goede procesorde.

4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft over het geschil als volgt overwogen:

“6. Partijen zijn het erover eens dat de zaken niet moeten worden teruggewezen naar de bezwaarfase indien de rechtbank zou oordelen dat sprake is van schending van het hoorrecht of enig ander beginsel van behoorlijk bestuur. De rechtbank zal daarom zelf in de zaken voorzien.

7. In de jaren 2022 en 2023 heeft eiser een werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten ontvangen. Die uitkering vormt geen arbeidsinkomen als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet IB 2001. Naar de letter van de wet komt eiser dan ook niet in aanmerking voor de arbeidskorting.

8. In zijn arrest van 13 april 2018 (ECLI:NL:HR:2018:429, rechtsoverweging 2.5.2) geeft de Hoge Raad het volgende kader voor toetsing of sprake is van strijd met de door eiser aangehaalde verdragsbepalingen:

“() Artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM, in samenhang met artikel 1 EP, alsook artikel 1 van het Twaalfde Protocol, verbieden niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Dit betekent dat alleen sprake is van discriminatie indien het gemaakte onderscheid geen gerechtvaardigde doelstelling heeft of indien er geen redelijke verhouding bestaat tussen de maatregel die het onderscheid maakt en het daarmee beoogde gerechtvaardigde doel (…). Hierbij verdient opmerking dat op fiscaal gebied aan de wetgever in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van de bedoelde verdragsbepalingen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen (…). Indien het niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, ras en etnische afkomst, dient het oordeel van de wetgever daarbij te worden geëerbiedigd, tenzij het van redelijke grond ontbloot is (…). Dit laatste kan niet snel worden aangenomen. Het onderscheid moet van dien aard zijn dat de keuze van de wetgever evident van redelijke grond ontbloot is (…). De hiervoor bedoelde ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever in belastingzaken omvat naar het oordeel van de Hoge Raad bij uitstek de verdeling van de belastingdruk over categorieën belastingplichtigen, zoals in dit geval aan de orde is. ()”

9. Het toekennen van het recht op arbeidskorting is niet gebaseerd op een onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, onderscheidend criterium is of al dan niet loon uit tegenwoordige dienstbetrekking wordt genoten. Doel van de regeling is het verrichten van betaalde arbeid te stimuleren. Aan eiser kan worden toegegeven dat de prikkel om betaald werk te gaan verrichten aan hem in de jaren in geding niet besteed was; hij kon niet de afweging maken om weer aan het werk te gaan want hij was daartoe toen niet in staat. Dat maakt evenwel nog niet dat de regeling van iedere redelijke grond ontbloot is, of dat er geen redelijke verhouding bestaat tussen de maatregel die het onderscheid maakt en het daarmee beoogde doel. Het gemaakte onderscheid valt binnen de ruime beoordelingsvrijheid die in het algemeen op fiscaal gebied aan de wetgever toekomt. Van schending van het discriminatieverbod is zodoende geen sprake. De beroepen zijn in zoverre ongegrond.

10. Eiser klaagt evenwel terecht erover dat verweerder de stukken die op de zaken betrekking hebben niet gedurende tenminste een week voor eiser ter inzage heeft gelegd, en eiser niet de mogelijkheid heeft verschaft om een 10-dagen-stuk in te kunnen dienen. Dat behoeft niet te leiden tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar omdat eiser daarbij geen belang heeft. Ook in zoverre zijn de beroepen ongegrond. Wel ziet de rechtbank in de klacht van eiser reden om aan hem het griffierecht te laten terugbetalen.

Proceskosten

11. Om een veroordeling in de proceskosten is niet gevraagd. Er is om die reden geen reden voor een dergelijke veroordeling.”

5 Beoordeling van het geschil

Arbeidskorting. Verbod van discriminatie. Evenredigheidsbeginsel

Standpunten partijen

5.1.1.

Belanghebbende heeft in hoger beroep het standpunt ingenomen dat toepassing van de wettelijke regeling inzake de arbeidskorting (artikel 8.11 Wet IB 2001) in de omstandigheden van zijn geval onevenredig nadelig uitwerkt en daarmee in strijd komt met het recht op gelijke behandeling zoals gewaarborgd in onder meer de artikelen 4 en 5 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (hierna: VN-Gehandicapten-verdrag), artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: EVRM), artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM (hierna: het Twaalfde Protocol) en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR). Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft belanghebbende onder meer – kort samengevat – het volgende aangevoerd.

5.1.2.

Hoewel het stimuleren van het verrichten van arbeid (waarop de regeling van de arbeidskorting is gebaseerd) op zich een legitiem doel is, is het daarbij gemaakte onderscheid tussen werkenden en niet-werkenden in een geval als dat van belanghebbende evident onredelijk. Belanghebbende en andere personen die buiten hun wil niet kunnen werken, worden uitgesloten van een fiscaal voordeel dat gelijkwaardig is aan de arbeidskorting, waardoor zij een disproportioneel hogere belastingdruk ondervinden. Een redelijke en objectieve rechtvaardiging hiervoor ontbreekt. Artikel 5, lid 2, van het VN-Gehandicaptenverdrag verbiedt elke discriminatie op grond van een handicap en garandeert personen met een handicap effectieve wettelijke bescherming tegen discriminatie. Ook de overige in 5.1.1 genoemde verdrags- en protocolbepalingen vereisen dat personen met een handicap gelijkwaardig worden behandeld en dat zij niet worden uitgesloten of benadeeld. In deze specifieke context beschikt de wetgever over een beperkte beoordelingsruimte en dient een strengere toetsing plaats te vinden op proportionaliteit en redelijkheid. Het standpunt van belanghebbende is dat hij op grond van (onder meer) de hiervoor weergegeven argumenten recht heeft op een fiscaal voordeel dat gelijkwaardig is aan de arbeidskorting, zodat hij vanwege zijn medisch vastgestelde arbeidsongeschiktheid niet onevenredig meer belasting hoeft te betalen dan personen met een vergelijkbaar bruto-inkomen die arbeid verrichten.

5.1.3.

De inspecteur is van opvatting dat het verschil in behandeling tussen werkenden en niet-werkenden bij toepassing van de arbeidskorting geen verboden discriminatie oplevert; de inspecteur acht het oordeel hierover van de rechtbank in rechtsoverweging 9 juist. De inspecteur heeft hierbij nog opgemerkt dat de situatie waarop het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1657, hierna: het arrest van 15 november 2024) betrekking heeft, niet vergelijkbaar is met die van belanghebbende. In het arrest van 15 november 2024 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het verschil in behandeling bij uitbetaling van een WGA (Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten)-uitkering door de werkgever (wel arbeidskorting) dan wel het UWV (geen arbeidskorting) een ongelijke behandeling van gelijke gevallen betreft waarvoor geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. De situatie waarin belanghebbende verkeert is daarmee niet vergelijkbaar, aangezien belanghebbende in de in geschil zijnde jaren naast zijn WGA-uitkering geen loon ontving van een werkgever, zo stelt de inspecteur.

Oordeel Hof

5.1.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende op grond van artikel 8.11, lid 1, juncto artikel art. 8.1, lid 1, onderdeel e, Wet IB 2001 geen recht heeft op de arbeidskorting, aangezien belanghebbende in de onderhavige jaren geen inkomen behaald met tegenwoordige arbeid heeft genoten, maar uitsluitend een WGA-uitkering. Op grond van artikel 94 van de Grondwet vinden wettelijke voorschriften evenwel geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met eenieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Verbod van discriminatie

5.1.5.

Artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM, in samenhang met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM verbieden niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen, maar alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ervoor ontbreekt. De rechtbank heeft hiervoor in rechtsoverweging 8 van haar uitspraak het juiste juridische kader geschetst, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:429. Zoals de Hoge Raad in rechtsoverweging 2.5.2 van dat arrest heeft overwogen, is uitgangspunt dat op fiscaal gebied aan de wetgever in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van de bedoelde verdragsbepalingen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. De in het arrest besproken ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever in belastingzaken omvat bij uitstek de verdeling van de belastingdruk over categorieën belastingplichtigen. Hetzelfde heeft te gelden met betrekking tot het verbod van discriminatie in artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM (vgl. HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:429 en HR 22 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1206). Wel dient bij de beoordeling van de aan de wetgever toekomende beoordelingsvrijheid rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat bij leden van kwetsbare groepen deze beoordelingsvrijheid minder ruim kan zijn; dit mede in het licht van de bij de betreffende regeling betrokken belangen.

5.1.6.

Het Hof is van oordeel dat de meeste bepalingen van het VN-Gehandicaptenverdrag (waaronder artikel 4) een programma-karakter hebben, aangezien de daarin vastgestelde verplichtingen tot de staten zijn gericht en de uitvoering of werking van deze bepalingen nadere handelingen van de partijen bij het verdrag vereisen. Die bepalingen van het VN-Gehandicaptenverdrag zijn daarom niet aan te merken als een ieder verbindende bepalingen als bedoeld in de artikel 94 van de Grondwet. Artikel 5, lid 1, van het VN-Gehandicaptenverdrag lijkt te zijn ontleend aan de bepaling van artikel 26 IVPBR. Die bepaling heeft, ook in combinatie met artikel 5, lid 2, geen verdergaande strekking dan artikel 26 IVBPR (en art. 14 EVRM), zo zij al – en anders dan het Hof van Justitie voor het unierecht heeft uitgemaakt (in zijn arrest van 18 maart 2014, zaak C-363/12, ECLI:EU:C:2014:159) – naar haar aard eenieder zou verbinden en derhalve rechtstreekse werking zou hebben in de Nederlandse rechtsorde.

5.1.7.

De arbeidskorting is ingevoerd bij de Wet IB 2001. Blijkens de wetsgeschiedenis is het doel van de arbeidskorting het verrichten van betaalde arbeid aantrekkelijker te maken, waarbij de arbeidskorting voor een deel het arbeidskostenforfait van artikel 37 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 heeft vervangen. De wetgever beoogde de arbeidskorting ten tijde van de invoering ervan zodanig vorm te geven “(…) dat daarvan een maximale stimulerende werking uitgaat op mensen in een uitkeringssituatie om toe te treden tot de arbeidsmarkt” (Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, blz. 284). In de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel Wet IB 2001 is over het doel van de arbeidskorting – en de verhouding tot het vroegere arbeidskostenforfait – onder meer het volgende vermeld (Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, blz. 9 en 27):

“De leden van de CDA-fractie constateren dat de voorstellen van de regering relatief ongunstig uitpakken voor: middeninkomens, alleenverdieners (met kinderen), uitkeringsgerechtigden, AOW-ers met een pensioen en wat vermogen en ondernemers. (…) Ook de regering wil de inkomenseffecten voor de middeninkomens, met name de alleenverdieners, verbeteren. (…) Ten aanzien van de relatieve kleine inkomenseffecten van uitkeringsgerechtigden wijst de regering erop dat een van de belangrijkste doelstellingen van de belastingherziening het bevorderen van de arbeidsparticipatie is. Dit geldt met name voor uitkeringsgerechtigden. Door werken meer lonend te maken verbetert de zogenoemde replacement rate en wordt het voor uitkeringsgerechtigden aantrekkelijker om een baan te accepteren.

De leden van de CDA-fractie hebben grote twijfels over de hoogte van de arbeidskorting, die maar liefst 8 tot 9 miljard zou kosten. De hoogte van de arbeidskorting leidt volgens de leden tot een vergroting van de verschillen tussen werkenden en niet-werkenden, waaronder gepensioneerden. (…) De stelling van de leden van de CDA-fractie dat een arbeidskorting leidt tot een groter financieel verschil tussen werken en niet-werken is juist. Sterker nog, dit is de bedoeling van de arbeidskorting. De regering is van mening dat momenteel het verschil tussen een netto uitkering en het netto loon van een laag betaalde baan te klein is. Dit betekent dat het in bepaalde situaties onvoldoende lonend kan zijn om een betaalde baan te accepteren vanuit een uitkeringsituatie. Het aanbod van arbeid aan de onderkant van de arbeidsmarkt wordt hierdoor geremd. Door de invoering van de arbeidskorting wordt werken lonender.

(…)

Het deel van het huidige arbeidskostenforfait dat in het nieuwe stelsel onder de naam algemene aftrek is gehandhaafd ziet op een forfaitaire tegemoetkoming voor werknemers voor kleine kostenposten die niet door een werkgever worden vergoed. Het deel van het huidige arbeidskostenforfait dat in het nieuwe stelsel is omgezet in een arbeidskorting heeft daarentegen geen kostenkarakter, maar heeft betrekking op de in de loop van de jaren negentig toegepaste verhogingen van het arbeidskostenforfait die als doel hadden werken aantrekkelijker te maken.

Aangezien in zoverre derhalve niet sprake is van kosten, maar van een stimuleringsregeling is in het nieuwe stelsel– onder meer op grond van overwegingen van effectiviteit– gekozen voor het instrument van de heffingskorting.”

5.1.8.

Het hiervoor beschreven doel van de arbeidskorting is sinds de invoering ervan niet wezenlijk gewijzigd, waarbij wel moet worden opgemerkt dat met de met ingang van 2009 ingevoerde afbouw van de arbeidskorting vanaf een bepaald inkomen een aanvullend inkomenseffect is beoogd en het arbeidskortingspercentage alsmede de maximale hoogte van de arbeidskorting in de loop der jaren per saldo (relatief fors) zijn verhoogd. De arbeidskorting is daarbij mede gebruikt in het kader van koopkrachtbeleid (zie onder meer de memorie van toelichting bij het Belastingplan 2008, Kamerstukken II 2003/04, 29 210, nr. 3, blz. 6-8).

5.1.9.

Of bij de toetsing aan het discriminatieverbod in de hiervoor genoemde verdrags- en protocolbepalingen (hierna ook: het discriminatieverbod) gevallen als gelijk zijn aan te merken, moet worden beoordeeld vanuit het doel van de desbetreffende regeling. Het betreft, zoals hiervoor vermeld, primair het bevorderen van het verrichten van betaalde arbeid door het lonender maken daarvan, en voorts onder meer het bieden van een compensatie voor het verval van het arbeidskostenforfait. Vooral vanuit die doelstellingen bezien zijn personen die betaalde arbeid verrichten en personen die dit (om welke reden dan ook) niet doen, niet aan te merken als gelijke gevallen. Daarbij is ook van belang dat bij het al dan niet toekennen van de arbeidskorting enkel onderscheid wordt gemaakt tussen belastingplichtigen met tegenwoordige arbeid genoten als winst uit onderneming, loon en/of resultaat uit een of meer werkzaamheden en alle andere belastingplichtigen voor wie dat niet geldt. Het toekennen van het recht op arbeidskorting is niet gebaseerd op een onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon. Gelet op deze context is het doel dat de wetgever met de arbeidskorting beoogt aan te merken als een gerechtvaardigd doel.

5.1.10.

De vraag zou hooguit kunnen zijn of het discriminatieverbod is geschonden doordat het voordeel van de arbeidskorting verder gaat dan de daaraan ten grondslag gelegde doelen kunnen rechtvaardigen, zodat in wezen een voordeel wordt verstrekt dat niet meer in relatie tot de legitieme doelen van de arbeidskorting staat. Die vraag moet ontkennend worden beantwoord. Zelfs indien in aanmerking wordt genomen dat het voordeel van de arbeidskorting in de loop der jaren is toegenomen en bij bepaalde inkomens en onder bepaalde omstandigheden substantieel kan zijn, is dat onvoldoende grond voor het oordeel dat bedoeld voordeel buitenproportioneel is, mede gezien de ruime beoordelingsmarge van de wetgever, ook niet voor zover daarmee een potentieel kwetsbare groep belastingplichtigen wordt uitgesloten die niet in staat zijn om arbeid te verrichten. Overigens kan erop gewezen worden dat de fiscale faciliteit van de arbeidskorting onderdeel is van een meeromvattend geheel van aftrekposten en tegemoetkomingen in de Wet IB 2001. De hiermee gepaard gaande verdeling van de belastingdruk over categorieën belastingplichtigen valt bij uitstek onder de in 5.1.5 besproken ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever in belastingzaken.

5.1.11.

Ten overvloede overweegt het Hof dat, indien de situatie van belanghebbende al onder de reikwijdte valt van het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2024 – belanghebbende heeft in 2022 en 2023 uitsluitend van het UWV een WGA-uitkering uitbetaald gekregen en niet (mede) van een werkgever – toepassing van de beslissing in dat arrest niet tot het door belanghebbende bepleite resultaat kan leiden (het toekennen van een voordeel overeenkomend met de arbeidskorting). De Hoge Raad heeft het rechtsherstel immers overgelaten aan de regelgever en deze heeft daar inmiddels met ingang van 1 januari 2027 gevolg aan gegeven (Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 10 juli 2026 tot wijziging van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 en de Regeling loonbelasting- en premietabellen 1990, Stcrt. 2026, nr. 25913).

Evenredigheidsbeginsel

5.1.12.

In het zogenoemde Harmonisatiewetarrest (HR 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het grondwettelijke toetsingsverbod ook inhoudt dat de rechter een wet in formele zin niet mag toetsen aan (ongeschreven) algemene rechtsbeginselen, zoals het evenredigheidsbeginsel. Wel is de rechter bevoegd om een wet in formele zin buiten toepassing te laten indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, en die omstandigheden tot gevolg hebben dat de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd komt met algemene rechtsbeginselen of ander ongeschreven recht, dat die toepassing achterwege moet blijven (zie onder meer het genoemde Harmonisatiewetarrest en HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:815, r.o. 3.3.3-3.3.4).

5.1.13.

Dergelijke bijzondere omstandigheden doen zich in het onderhavige geval niet voor. Zoals hiervoor is overwogen, heeft de wetgever er bewust voor gekozen om, als fiscale beloning voor het verrichten van betaalde arbeid, het recht op de arbeidskorting toe te kennen aan belastingplichtigen die inkomen uit tegenwoordige arbeid verrichten. Daarmee heeft de wetgever bewust de afweging gemaakt om aan alle belastingplichtigen die geen arbeid verrichten (waaronder belastingplichtigen die feitelijk niet werken of niet kunnen werken) deze korting niet toe te kennen.

5.1.14.

De conclusie is dat het standpunt van belanghebbende dat hem voor de jaren 2022 en 2023 een compenserend fiscaal voordeel moet worden verleend, moet worden verworpen.

Hoorplicht

5.2.1.

Belanghebbende is van mening dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan zijn standpunt dat de inspecteur niet alleen het inzagerecht, maar ook de hoorplicht heeft geschonden. Belanghebbende heeft in zijn bezwaarschrift expliciet verzocht om te worden gehoord en de inspecteur heeft hem daarvoor in zijn brief van 18 oktober 2024, waarvan belanghebbende stelt pas op 21 oktober 2024 kennis te hebben genomen, een onaanvaardbaar korte reactietermijn gegeven. De omstandigheid dat de resterende beslistermijn vanwege de ingebrekestelling kort was, dient volgens belanghebbende voor rekening van de inspecteur te blijven.

5.2.2.

De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat de hoorplicht niet is geschonden.

Belanghebbende heeft in de vooraankondiging uitspraak op bezwaar van 18 oktober 2024 (hierna: de vooraankondiging), die op 19 oktober 2024 bij hem is bezorgd, kunnen lezen dat de inspecteur hem heeft uitgenodigd voor een hoorgesprek op 21 of 22 oktober 2024 op elk door hem gewenst tijdstip en op een door hem zelf te bepalen wijze, met het expliciete verzoek om daarover contact op te nemen. Doordat belanghebbende de keuze heeft gemaakt om op 22 oktober 2024 om 14:19 uur een schriftelijke reactie bij de Belastingdienst kantoor Hoorn af te leveren in plaats van telefonisch dan wel per e-mail contact op te nemen met de bezwaarbehandelaar, heeft hij het risico genomen dat de brief de inspecteur niet op tijd zou bereiken. Gelet op deze omstandigheden is de hoorplicht niet geschonden, zo stelt de inspecteur.

5.2.3.

Bij zijn oordeel acht het Hof van belang dat de inspecteur belanghebbende in de vooraankondiging de gelegenheid heeft geboden om op een van de twee door hem vermelde dagen te worden gehoord, op een door belanghebbende te kiezen tijdstip en wijze: op een belastingkantoor, telefonisch of door middel van videobellen. Voorts is van belang dat de inspecteur belanghebbende expliciet heeft verzocht om vóór het verstrijken van de beslistermijn contact met hem op te nemen voor het maken van nadere afspraken. Het Hof acht het vanwege de korte beslistermijn die resteerde vanwege de door belanghebbende ingediende ingebrekestelling, niet onredelijk dat de inspecteur belanghebbende heeft verzocht vóór het einde van de beslistermijn contact met hem op te nemen, waarbij hij bovendien een e-mailadres en een doorkiesnummer heeft vermeld, alsmede het adres van het kantoor waar de inspecteur (de bezwaarbehandelaar) kon worden bereikt (Belastingdienst Particulieren Amsterdam). Uit de verdere gang van zaken – de met dagtekening 21 oktober opgestelde schriftelijke reactie van belanghebbende – blijkt dat belanghebbende ook daadwerkelijk in staat was om binnen deze termijn contact op te nemen met de inspecteur.

5.2.4.

Belanghebbende heeft er evenwel voor gekozen om niet telefonisch of per e-mail contact op te nemen, maar uitsluitend schriftelijk te reageren en deze schriftelijke reactie bovendien op 22 oktober 2024 (’s middags) niet op het kantoor van de Belastingdienst Amsterdam, maar op het kantoor van de Belastingdienst Hoorn af te geven. Met deze handelwijze heeft belanghebbende gereageerd op een wijze waardoor het zo goed als uitgesloten was dat de inspecteur (de bezwaarbehandelaar) zijn reactie nog tijdig zou ontvangen; de brief van belanghebbende heeft de bezwaarbehandelaar dan ook pas na het verstrijken van de beslistermijn bereikt. Daarmee heeft belanghebbende de inspecteur de mogelijkheid ontnomen om in overleg met belanghebbende alsnog op korte termijn een hoorgesprek (met het daaraan gekoppelde inzagerecht) te organiseren. Gelet op deze specifieke feiten en omstandigheden is het Hof van oordeel dat de inspecteur, door op de laatste dag van de beslistermijn (op 23 oktober 2024) uitspraak op bezwaar te doen zonder belanghebbende te hebben gehoord, niet de hoorplicht heeft geschonden. Van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel dan wel enig ander beginsel van behoorlijk bestuur is evenmin sprake. Ten overvloede overweegt het Hof dat, indien wél zou worden geoordeeld dat de hoorplicht is geschonden, belanghebbende hierdoor niet is benadeeld, aangezien het geschil een rechtsvraag betreft en tussen partijen geen verschil van mening bestaat over de van belang zijnde feiten en de waardering daarvan (artikel 6:22 Awb).

Verzoeken toekennen dwangsommen en schadevergoeding

5.3.1.

Belanghebbende is van opvatting (in zijn nader stuk van 12 mei 2026) dat de rechtbank ten onrechte geen beslissing heeft genomen op de in zijn nader stuk in eerste aanleg van 16 mei 2025 gedane verzoeken tot het toekennen van dwangsommen wegens niet tijdig genomen beslissingen met betrekking tot de belastingjaren 2020, 2021 en 2024. Met betrekking tot de genoemde jaren heeft belanghebbende verzocht (zie onder 2.3) om met terugwerkende kracht een fiscale korting toe te passen die gelijk is aan de arbeidskorting over deze jaren. De inspecteur heeft deze verzoeken volgens belanghebbende ten onrechte opgevat als verzoeken tot ambtshalve vermindering; belanghebbende stelt voor deze jaren een aanvraag te hebben gedaan om een beschikking te geven op de voet van artikel 1:3 Awb. Belanghebbende heeft tegen de afwijzende beslissing van de inspecteur met betrekking tot de jaren 2020 en 2021 bezwaar aangetekend en de inspecteur op 27 maart 2025 in gebreke gesteld wegens het niet-tijdig beslissen op deze bezwaren. De inspecteur heeft op dit punt geen uitspraak op bezwaar gedaan en geen dwangsombeschikking gegeven. Op het verzoek inzake 2024 (en latere jaren) heeft de inspecteur geen beslissing gegeven. Aangezien de inspecteur hierover op 21 november 2024 een ingebrekestelling heeft ontvangen, heeft de inspecteur ook hierbij het maximale dwangsombedrag verbeurd, zo stelt belanghebbende.

5.3.2.

Belanghebbende heeft voorts het standpunt ingenomen (voor het eerst in zijn nader stuk van 12 mei 2026) dat de inspecteur een dwangsom heeft verbeurd wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift inzake de belastingjaren 2022 en 2023. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan op 23 oktober 2024, terwijl de wettelijke beslistermijn volgens belanghebbende (in zijn nader stuk van 12 mei 2026) is geëindigd op 3 oktober 2024. Aangezien de ingebrekestelling op 7 oktober 2024 door de inspecteur is ontvangen, trad het verzuim wegens niet-tijdig beslissen in op 22 oktober 2024. De inspecteur heeft daarom een dwangsom verbeurd van € 23, zo stelt belanghebbende. Aangezien de inspecteur volgens belanghebbende bovendien opeenvolgend dwangsommen heeft verbeurd, is de conclusie van belanghebbende dat de inspecteur dwangsommen verschuldigd is van totaal € 5.791 (exclusief wettelijke rente). Daarnaast heeft belanghebbende verzocht om de inspecteur te veroordelen tot een schadevergoeding van € 750 op grond van artikel 8:88 Awb, omdat de inspecteur onrechtmatig heeft gehandeld door de aanvragen van belanghebbende tot het nemen van een besluit niet tijdig af te handelen.

5.3.3.

De inspecteur is van mening dat de rechtbank een juiste uitspraak heeft gedaan en dat het hoger beroep ongegrond dient te worden verklaard.

5.3.4.

In het gesloten stelsel van rechtsmiddelen dat in het belastingprocesrecht van toepassing is, leidt niet elk verzoek van een belanghebbende tot een besluit waartegen een rechtsmiddel openstaat. Volgens artikel 26, lid 1, aanhef en onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) kan tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit, in afwijking van artikel 8:1 Awb, slechts beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld indien het gaat om een voor bezwaar vatbare beschikking.

5.3.5.

Vaststaat dat ten tijde van de indiening van het verzoek van belanghebbende tot het toekennen van de onder 5.3.1 omschreven fiscale kortingen voor de desbetreffende belastingjaren (2020, 2021 en 2024) geen aanslagen IB/PVV zijn vastgesteld. De voor de jaren 2020 en 2021 genomen beslissingen van de inspecteur op deze verzoeken kunnen dan ook niet worden aangemerkt als voor bezwaar vatbare beschikkingen als bedoeld in artikel 9.6 Wet IB 2001. De beslissingen op de verzoeken van belanghebbende om hem de gevraagde fiscale korting te verlenen, kunnen (ook als zij zouden worden opgevat als verzoeken tot ambtshalve vermindering van de over de jaren 2020, 2021 en 2024 ingehouden loonheffing) niet worden aangemerkt als voor bezwaar vatbare beschikkingen. Tegen het niet tijdig nemen van dergelijke besluiten staat ook geen rechtsmiddel open. De inspecteur heeft zijn besluiten voor de jaren 2021 en 2021 dan ook ten onrechte aangemerkt als voor bezwaar vatbare beschikkingen.

5.3.6.

Belanghebbende heeft in (beroep en) hoger beroep verzocht om te oordelen dat de inspecteur ten onrechte geen beslissing heeft genomen op de door hem ingediende verzoeken tot het toekennen van een dwangsom. Aangezien deze verzoeken betrekking hebben op niet voor bezwaar vatbare beschikkingen, heeft artikel 4:19, lid 1, Awb tot gevolg dat de bestuursrechter geen oordeel kan geven over het niet-nemen van een dwangsombeschikking; uitsluitend de civiele rechter is hiertoe bevoegd (vgl. HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1797, r.o. 4.1.4 en 4.2.2-4.2.4). De rechtbank heeft de verzoeken van belanghebbende tot het toekennen van dwangsommen wegens niet-tijdig beslissen op zijn bezwaren respectievelijk (voor het jaar 2024) zijn verzoek terecht niet in behandeling genomen, wat er ook zij van de daarvoor gebezigde gronden.

5.3.7.

Met betrekking tot het onder 5.3.2 beschreven verzoek van belanghebbende tot het toekennen van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen op zijn bezwaren tegen de aanslagen IB/PVV 2022 en 2023 is het Hof van oordeel dat, anders dan belanghebbende uiteindelijk heeft gesteld, de termijn voor het nemen van een tijdige beslissing eindigde op (maandag) 7 oktober 2024. Belanghebbende heeft immers bezwaar gemaakt tegen twee aanslagen die in bezwaar gevoegd zijn behandeld, met dagtekening 1 juni 2024 (2022) respectievelijk 28 juni 2024 (2023). Gerekend vanaf de aanslag met de vroegste dagtekening (zaterdag 1 juni 2024) eindigde de zeswekentermijn voor het tijdig indienen van bezwaar daarom (na toepassing van de Algemene termijnenwet) op maandag 15 juli 2024. Ingevolge artikel 7:10, lid 1, Awb eindigde de beslistermijn voor de inspecteur zes weken later, op maandag 26 augustus 2024, welke termijn door de toepassing van artikel 7:10, lid 3, met zes weken is verlengd tot maandag 7 oktober 2024. Indien moet worden uitgegaan van de door belanghebbende gestelde datum van ontvangst door de inspecteur van de ingebrekestelling (7 oktober 2024, de laatste dag van de beslistermijn) is de ingebrekestelling prematuur, zodat geen sprake is van een ingebrekestelling in de zin van artikel 4:17 Awb. Daar komt overigens nog bij dat het Hof uit de onder 2.4.1 en 2.4.2 beschreven gang van zaken (een aan de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Hoorn gerichte ingebrekestelling die is ingekomen bij de Belastingdienst Apeldoorn) afleidt dat geen sprake is geweest van een per abuis één dag te vroeg gedane ingebrekestelling, maar van bewust een dag te vroeg indienen van de ingebrekestelling bij een ander belastingkantoor, teneinde de inspecteur op het verkeerde been te zetten met betrekking tot de datum van ontvangst van de ingebrekestelling. Indien wordt uitgegaan van de door de inspecteur gestelde datum van ontvangst van de ingebrekestelling (9 oktober 2024), is de uitspraak op bezwaar tijdig gedaan. Het standpunt van belanghebbende dat de inspecteur een dwangsom heeft verbeurd van € 23 wordt derhalve verworpen.

5.3.8.

Over het onder 5.3.2 beschreven verzoek van belanghebbende om het toekennen van een schadevergoeding oordeelt het Hof als volgt. Op grond van de overgangsbepalingen opgenomen in de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Stb. 2013, 50), in werking getreden op 1 juli 2013, is artikel 8:73 Awb (tekst tot 1 juli 2013) van toepassing op het verzoek van belanghebbende. Op grond van deze bepaling kan het Hof alleen een veroordeling tot schadevergoeding uitspreken als het (hoger) beroep gegrond is. Omdat het (hoger) beroep ongegrond is, is deze voorwaarde niet vervuld. Reeds om die reden komt het Hof niet aan het toekennen van een schadevergoeding toe.

Goede procesorde

5.4.

Belanghebbende heeft met hetgeen hij hierover heeft aangevoerd, geen feiten of omstandigheden aannemelijk gemaakt die kunnen leiden tot het oordeel dat de rechtbank in de onderhavige zaak (met betrekking tot de belastingjaren 2022 en 2023) in strijd met de goede procesorde heeft gehandeld. Dit nog daargelaten de vraag welke gevolgen hieraan in de onderhavige zaak zouden moeten worden verbonden.

Slotsom

5.5.

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. Hetgeen belanghebbende voor het overige nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

6 6. Kosten

Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank

De uitspraak is gedaan door mrs. H.E. Kostense, voorzitter, W.J. Blokland en M. Ferrier, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen als griffier. De beslissing is op 24 september 2026 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.