Aanhef
Burgemeester en wethouders van gemeente Westerwolde;
Gelezen het voorstel d.d. 21 januari 2020 no 5a2
Gelet op het bepaalde in artikel 147 en 160 van de Gemeentewet, artikel 1:3 en 4:81 tot en met 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht, de Wegenverkeerswet 1994, artikel 49 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer en artikel 85 van het Reglement verkeerstekens en verkeersregels 1990;
mede gezien de bevoegdheid van het college van Burgemeester & Wethouders tot het nemen van een verkeersbesluit als bedoeld in artikel 18, lid 1 onder d van de Wegenverkeerswet 1994.
In overweging nemende dat:
-Er mede door het Rijk gestimuleerde langer thuis wonen, sprake is van een stijgende vraag naar gehandicaptenparkeerplaatsen;
-Er in buurten waar met name de parkeerdruk al relatief hoog ligt het wenselijk is om gehandicaptenparkeerplaatsen alleen aan te leggen indien dit uitsluitend noodzakelijk is;
-Er bij herindeling van de voormalige gemeenten Vlagtwedde en Bellingwedde tot de nieuwe gemeente Westerwolde per 1/1/2018 geconstateerd is dat er verschillen zitten in de interne richtlijnen die in beide voormalige gemeenten werden gehanteerd bij het aanwijzen van gehandicaptenparkeerplaatsen en het wenselijk is deze te harmoniseren voor de nieuwe gemeente;
-Er d.m.v. het vaststellen van beleidsregels geen sprake meer kan zijn van eventuele rechtsongelijkheid doordat beslissingen voor de aanleg van gehandicaptenparkeerplaatsen voortaan op basis van vastgestelde beleidsregels worden genomen;
-Het wenselijk is het aanvraagproces voor gehandicaptenparkeerplaatsen meer te vergemakkelijken en te standaardiseren;
-Gehandicaptenparkeerplaatsen relatief vaak maar voor relatief korte duur worden aangelegd: vaak wordt daarna doorstroming naar een verzorgingstehuis en/of ziekenhuis gezien;
-Het wenselijk is de realisatie van gehandicaptenparkeerplaatsen, mede gezien de beperkte gemeentelijke budgetten voor bebording, belijning en aanleg en onderhoud van wegen, meer kostendekkend te maken.
besluiten:
vast te stellen het “Beleid tot het toekennen en de handhaving van gehandicaptenparkeerplaatsen”.
4. Beleidsregels ten aanzien van de aanwijzing van individuele gehandicaptenparkeerplaatsen
4.1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
1bestuursorgaan: het college van Burgemeester & Wethouders;
2RVV 1990: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
3BABW: Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer;
4Awb: Algemene wet bestuursrecht;
5CROW: Stichting Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond, Wateren Wegenbouw en de Verkeerstechniek;
6motorvoertuigen: alle gemotoriseerde voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder z van het RVV 1990;
7parkeren: het laten stilstaan, als bedoeld in artikel 1, onder ac. van het RVV 1990;
8wegen: alle wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994;
9kenteken: kenteken als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder g van de Wegenverkeerswet 1994;
10aanvrager: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de aanvraag indient;
11aanvraag: de aanvraag voor het aanwijzen van een individuele gehandicaptenparkeerplaats of een algemene gehandicaptenparkeerplaats;
12Gehandicaptenparkeerkaart (GPK): parkeerkaart voor personen die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij – met gebruikelijke loophulpmiddelen – in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen;
13Bestuurderskaart: gehandicaptenparkeerkaart voor een persoon die zich pleegt te vervoeren met een door hemzelf bestuurd motorvoertuig;
14Passagierskaart: gehandicaptenparkeerkaart voor een persoon die voor verplaatsingen buitenshuis is aangewezen op vervoer door een ander;
15Instellingenkaart: gehandicaptenparkeerkaart voor een instelling waar gehandicapten wonen c.q. verblijven;
16algemene gehandicaptenparkeerplaats: parkeerplaatsen voorzien van het verkeersbord E6, zoals bedoeld in bijlage 1 van het RVV 1990, voor motorvoertuigen van alle personen die in het bezit zijn van een bestuurderskaart of voor motorvoertuigen waarmee personen vervoerd worden die in het bezit zijn van een passagierskaart;
17individuele gehandicaptenparkeerplaats: parkeerplaats voorzien van het verkeersbord E6, zoals bedoeld in bijlage 1 van het RVV 1990 en een onderbord met vermelding van een kentekennummer, voor één motorvoertuig van een persoon die in het bezit is van een gehandicaptenparkeerkaart.
4.2. Aanvraag individuele gehandicaptenparkeerplaats
Artikel 2
Om het verzoek voor een individuele gehandicaptenparkeerplaats in behandeling te nemen dient de aanvrager:
1een schriftelijke aanvraag, middels het daarvoor bestemde aanvraagformulier, in te dienen bij het bestuursorgaan;
2het aanvraagformulier compleet en correct in te vullen;
Artikel 3
1Indien het aanvraagformulier niet compleet of correct is ingevuld, dan wordt de aanvrager verzocht binnen een termijn van 3 weken de aanvraag aan te vullen of te verbeteren;
2Voldoet de aanvrager niet aan het verzoek zoals gesteld in artikel 3.1 dan wordt de aanvraag niet in behandeling genomen c.q. buiten behandeling gesteld.
4.3. Beslistermijn
Artikel 4
Binnen acht weken na ontvangst van het aanvraagformulier zal het bestuursorgaan, met inachtneming van artikel 4:5 en 4:15 van de Awb, een beslissing nemen en de aanvrager hiervan in kennis stellen.
Artikel 5
Indien de beschikking of het besluit niet binnen de in artikel 4 vermelde termijn kan worden gegeven, deelt het bestuursorgaan dit aan de aanvrager mede en noemt daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking of het besluit wel tegemoet kan worden gezien.
4.4. Aanleg en aanwijzing van individuele gehandicaptenparkeerplaatsen
Artikel 6
Burgemeester en wethouders kunnen krachtens een verkeersbesluit, als bedoeld in artikel 12 van het BABW, en met inachtneming van de artikelen 21 tot en met 29 van het BABW, artikel 2 van de Wegenverkeerswet 1994 en de bepalingen van de Awb op een daartoe strekkend verzoek een individuele gehandicaptenparkeerplaats aanwijzen.
Artikel 7
Een individuele gehandicaptenparkeerplaats wordt in beginsel aangelegd binnen een loopafstand van maximaal 100 meter van het woonadres van de aanvrager.
Artikel 8
1De individuele gehandicaptenparkeerplaats wordt niet verleend indien:
a) de aanvrager niet beschikt over een geldige, landelijke of Europese gehandicaptenparkeerkaart,
b de aanvrager beschikt over een passagierskaart.
c) voor de aanvrager de mogelijkheid bestaat om zelf in een eigen parkeerplaats te voorzien op eigen terrein (garage, oprit, e.a.);
d) er geen mogelijkheid aanwezig is om binnen een loopafstand van 100 meter van het woonadres van de aanvrager een individuele gehandicaptenparkeerplaats, conform de geldende richtlijnen van het CROW en met inachtneming van de landelijke normen, te realiseren.
e) de aanwijzing van de individuele gehandicaptenparkeerplaats ter plekke leidt tot een onveilige verkeerssituatie of een belemmering van de doorstroming van het overige wegverkeer;
f) de politie geen positief advies verleend.
2Het bestuursorgaan kan van het bepaalde van artikel 8.1 afwijken indien zij van oordeel zijn dat dit wegens bijzondere omstandigheden noodzakelijk is.
Artikel 9
1De aanleg van individuele gehandicaptenparkeerplaatsen geschiedt conform de geldende richtlijnen van het CROW en met inachtneming van de landelijk geldende normen. Uitzondering hierop is indien i.v.m. de aard van de handicap ook volstaan kan worden met de reservering van een reguliere parkeerplaats van standaard breedte. In dat geval wordt, na telefonische instemming van aanvrager vooraf, slechts een parkeerplaats van normale breedte aangewezen;
Vakaanduidingen worden bij haakse individuele gehandicaptenparkeerplaatsen i.v.m. de relatief hoge (beheers- en onderhouds)kosten van de vakbelijning alleen aangebracht indien de aanvrager bereid is de kosten hiervoor te dragen. Bij langsparkeerplaatsen worden i.v.m. de duidelijkheid van de afbakening van de individuele gehandicaptenparkeerplaats wel een kruismarkering aangebracht. De kosten hiervan zijn voor de aanvrager.
Verder worden in de Vesting Bourtange i.v.m. behoudt van het historische karakter en behoud van het beschermde Dorpsgezicht (ex artikel 20 Monumentenwet) en de Vesting Oudeschans (beschermd Dorpsgezicht) geen vakaanduidingen aangebracht.
2De aanleg van een individuele gehandicaptenparkeerplaats geschiedt binnen een termijn van 4 maanden na de dag, nadat het besluit onherroepelijk is mits de aanvrager de kosten daarvan op voorhand aan de gemeente heeft voldaan;
3Indien het aanleggen van een individuele gehandicaptenparkeerplaats niet binnen het bepaalde onder lid 2 van de in dit artikel vermelde termijn kan worden gerealiseerd, deelt het bestuursorgaan dit aan de aanvrager mede en noemt daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de aanleg wel gerealiseerd kan worden.
Artikel 10
Op grond van artikel 29 BABW worden de kosten die voortvloeien uit het aanwijzen van een individuele gehandicaptenparkeerplaats als volgt verdeeld:
•de kosten voor levering en plaatsing van het bord + onderbord met kenteken + eventueel met de aanvrager overeengekomen benodigde aanpassingen aan de infrastructuur komen voor rekening van de aanvrager als het gaat om een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken. Inwoners met een inkomen tot 130% van de relevante bijstandsnorm zullen geen kosten hoeven te betalen. Beoordeling hiervan zal plaatsvinden door medewerkers van de gemeente.
4.5. Verwijdering, opzegging en wijziging van de gehandicaptenparkeerplaats
Artikel 11
1De gehandicaptenparkeerplaats blijft te allen tijde in eigendom van de wegbeheerder;
2Burgemeester en wethouders kunnen gehandicaptenparkeerplaatsen verwijderen wanneer blijkt dat de aanwijzing heeft plaatsgevonden op grond van onjuiste gegevens. De daarbij te maken kosten zullen voor rekening van de aanvrager komen.
Artikel 12
1De individuele gehandicaptenparkeerplaats vervalt van rechtswege bij:
a) verhuizing van de betrokkene;
b) overlijden van de betrokkene;
c) het vervallen van de landelijke gehandicaptenparkeerkaart zijnde een bestuurderskaart of een bestuurders + passagierskaart van de betrokkene;
d) bij het niet meer in bezit zijn van een motorvoertuig;
e) het niet meer in bezit zijn van een geldig rijbewijs, indien betrokkene een bestuurderskaart bezit.
2De betrokkene is verplicht de gemeente in kennis te stellen indien één van de gevallen van het bepaalde onder artikel 12.1 zich voordoet.
Artikel 13
Als het kenteken van het motorvoertuig van de gehandicapte, aan wie een individuele gehandicaptenparkeerplaats is toegewezen, verandert dan wordt op zijn of haar verzoek zo spoedig als mogelijk een ander onderbord geplaatst nadat de aanvrager de kosten aan de gemeente heeft voldaan. De kosten voor de aanschaf van een nieuw kentekenbord zijn voor rekening van de aanvrager.
Artikel 14
De kosten voor het verwijderen van rechtswege vervallen individuele gehandicaptenparkeerplaatsen in artikel 12, zijn voor rekening van de gemeente, met dien verstande dat bij verhuizing van de gehandicaptenparkeerplaats binnen de gemeentegrenzen wel kosten bij de aanvrager in rekening worden gebracht. De gemeente kan de materialen voor gehandicaptenparkeerplaatsen in veel gevallen hergebruiken voor bijvoorbeeld nieuwe aanvragen voor gehandicaptenparkeerplaatsen.
4.6. Verbodsbepaling
Artikel 15
Het is verboden de individuele gehandicaptenparkeerplaats te verhuren, te verkopen of zonder toestemming van het bestuursorgaan te verwijderen of te verplaatsen.
4.7. Slotbepalingen
Artikel 16
Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als: Beleidsregels inzake de aanwijzing van individuele gehandicaptenparkeerplaatsen.
Artikel 17
Deze beleidsregels treden in werking op de eerste dag na de datum van hun bekendmaking.
4.8. Toelichting bij de beleidsregels inzake de aanwijzing van individuele gehandicapten-parkeerplaatsen
Artikel 8.1.a en 8.1.b
Indien de aanvrager niet in het bezit is van een gehandicaptenparkeerkaart wordt de aanvraag afgewezen. De aanvrager dient allereerst een gehandicaptenparkeerkaart aan te vragen bij de afdeling Dienstverlening.
Artikel 8.1.c
Op het aanvraagformulier wordt door de aanvrager reeds aangegeven of hij/zij de mogelijkheid heeft om zelf in een eigen parkeerplaats te voorzien op eigen terrein (garage, oprit, e.a.). Bovendien wordt na ontvangst van de aanvraag de locatie bekeken. Afhankelijk van de aard van de handicap (wel/geen rolstoel) wordt bekeken of de desbetreffende eigen parkeergelegenheid toereikend is. Wanneer dit het geval is, dient de aanvrager in eerste instantie zelf de ter beschikking staande parkeergelegenheid aan te passen.
Artikel 8.1.d
De vormgeving van de gehandicaptenparkeerplaats zal zoveel mogelijk conform de landelijk gangbare richtlijnen van het Centrum Regelgeving en Onderzoek in de Grond, Wateren Wegenbouw en Verkeerstechniek (CROW) geschieden. De precieze vormgeving en dimensionering is echter ook afhankelijk van de situatie ter plaatse van de gehandicaptenparkeerplaats, zoals bijvoorbeeld de breedte van het trottoir en het type parkeren (langs, haaks of schuin parkeren) en eventuele speciale wensen van de aanvrager.
Artikel 8.1.e
De aard c.q. het karakter van de omgeving waar de parkeergelegenheid speelt mee bij het toekennen van een individuele gehandicaptenparkeerplaats. Door de aanleg van een dergelijke parkeerplaats kunnen ter plekke onveilige verkeerssituaties voor de andere weggebruikers ontstaan. Hierbij kan gedacht worden aan schoolgaande jeugd (schoolthuisroute), fietsers en openbaar vervoer. Ook kan de doorstroming drastisch worden belemmerd, met name in geval van calamiteiten. Tevens speelt de verkeersfunctie van de weg bij de beoordeling een belangrijke rol.
Artikel 8.2
Conform artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de vastgestelde beleidsregels, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
Artikel 9.1
Zie toelichting op artikel 8.1.d
Artikel 10
De kosten voor de aanleg van een individuele gehandicaptenparkeerplaats worden separaat door het bestuursorgaan vastgesteld en kunnen derhalve in geval van prijsfluctuaties worden bijgesteld. De aanvrager wordt voorafgaand op de hoogte gesteld van het te betalen bedrag. Op het aanvraagformulier dient de aanvrager aan te geven of hij/zij kennis heeft genomen van het te betalen bedrag. De individuele gehandicaptenparkeerplaats wordt pas aangelegd nadat aanvrager het te betalen bedrag heeft voldaan.
Artikel 17
Het gehandicaptenparkeerbeleid van de gemeente Westerwolde treedt in werking de dag na bekendmaking in de weekbladen de Ter Apeler Courant, het Streekblad en het digitale gemeenteblad.
5. Beleidsregels ten aanzien van de aanwijzing van algemene gehandicaptenparkeerplaatsen
5.1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
1bestuursorgaan: het college van Burgemeester & Wethouders;
2RVV 1990: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
3BABW: Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer;
4Awb: Algemene wet bestuursrecht;
5CROW: Stichting Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond, Wateren Wegenbouw en de Verkeerstechniek;
6motorvoertuigen: alle gemotoriseerde voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder z van het RVV 1990;
7parkeren: het laten stilstaan, als bedoeld in artikel 1, onder ac van het RVV 1990;
8wegen: alle wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994;
9kenteken: kenteken als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder g van de Wegenverkeerswet 1994;
10aanvrager: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de aanvraag indient;
11aanvraag: de aanvraag voor het aanwijzen van een individuele gehandicaptenparkeerplaats of een algemene gehandicaptenparkeerplaats;
12Gehandicaptenparkeerkaart (GPK): parkeerkaart voor personen die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij – met gebruikelijke loophulpmiddelen – in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen;
13Bestuurderskaart: gehandicaptenparkeerkaart voor een persoon die zich pleegt te vervoeren met een door hemzelf bestuurd motorvoertuig;
14Passagierskaart: gehandicaptenparkeerkaart voor een persoon die voor verplaatsingen buitenshuis is aangewezen op vervoer door een ander;
15Instellingenkaart: gehandicaptenparkeerkaart voor een instelling waar gehandicapten wonen c.q. verblijven;
16algemene gehandicaptenparkeerplaats: parkeerplaatsen voorzien van het verkeersbord E6, zoals bedoeld in bijlage 1 van het RVV 1990, voor motorvoertuigen van alle personen die in het bezit zijn van een bestuurderskaart of voor motorvoertuigen waarmee personen vervoerd worden die in het bezit zijn van een passagierskaart;
17individuele gehandicaptenparkeerplaats: parkeerplaats voorzien van het verkeersbord E6, zoals bedoeld in bijlage 1 van het RVV 1990 en een onderbord met vermelding van een kentekennummer, voor één motorvoertuig van een persoon die in het bezit is van een gehandicaptenparkeerkaart.
5.2. Aanvraag algemene gehandicaptenparkeerplaats
Artikel 2
De aanvraag voor een algemene gehandicaptenparkeerplaats wordt ondertekend en bevat ten minste:
1de naam en het adres van de aanvrager;
2de dagtekening;
3de locatie waar de aanvrager een algemene parkeerplaats wenst;
4een motivering van zijn/haar verzoek.
5.3. Beslistermijn
Artikel 3
Binnen acht weken na ontvangst van de schriftelijke aanvraag zal het bestuursorgaan een beslissing nemen en de aanvrager hiervan in kennis stellen.
Artikel 4
Indien de beschikking of het besluit niet binnen de in artikel 3 vermelde termijn kan worden gegeven, deelt het bestuursorgaan dit aan de aanvrager mede en noemt daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking of het besluit wel tegemoet kan worden gezien.
5.4. Aanleg en aanwijzing van algemene gehandicaptenparkeerplaatsen
Artikel 5
Burgemeester en wethouders kunnen krachtens een verkeersbesluit, als bedoeld in artikel 12 van het BABW, en met inachtneming van de artikelen 21 tot en met 29 van het BABW, artikel 2 van de Wegenverkeerswet 1994 en de bepalingen van de Awb op eigen initiatief of op verzoek een algemene gehandicaptenparkeerplaats aanwijzen.
Artikel 6
Algemene gehandicaptenparkeerplaatsen worden doorgaans aangelegd in de directe nabijheid van openbare instellingen/voorzieningen, die veel publiek trekken.
Artikel 7
1Op grond van de NENnorm (NEN1814: “Toegankelijkheid van gebouwen en buitenruimten”) dienen bij openbare instellingen/voorzieningen tenminste 2% van de parkeerplaatsen gereserveerd te zijn voor gehandicapten;
2De afstand van de gehandicaptenparkeerplaats tot de ingang van de openbare instelling/voorziening is maximaal 50 meter.
Artikel 8
1De beoordelingscriteria tot de aanwijzing van algemene gehandicaptenparkeerplaatsen zijn:
a) het betreft een locatie in de directe nabijheid van een instelling/voorziening als bedoeld in artikel 6;
b) de mogelijkheid om ter plaatse een algemene gehandicaptenparkeerplaats te realiseren, met inachtneming van de geldende richtlijnen van het CROW en de landelijke normen, binnen een loopafstand van 50 meter vanaf de ingang van de openbare instelling/voorziening, dient aanwezig te zijn;
c) het aantal reeds aanwezige algemene gehandicaptenparkeerplaatsen is minder dan 2% van de totale parkeercapaciteit;
d) de aanwijzing van een algemene gehandicaptenparkeerplaats mag ter plekke niet leiden tot een onveilige verkeerssituatie of een belemmering van de doorstroming van het overige wegverkeer;
e) indien de politie geen positief advies verleend, zal dit in beginsel tot afwijzing van de aanvraag leiden.
2Het bestuursorgaan kan van het bepaalde van artikel 8.1 afwijken indien zij van oordeel zijn dat dit wegens bijzondere omstandigheden noodzakelijk is.
Artikel 9
De besluitvorming inzake de toe- of afwijzing van gehandicaptenparkeerplaatsen geschiedt met inachtneming van de desbetreffende bepalingen van de Awb.
Artikel 10
1De aanleg van algemene gehandicaptenparkeerplaatsen geschiedt conform de geldende richtlijnen van het CROW en met inachtneming van de landelijk geldende normen;
2De aanleg van een individuele gehandicaptenparkeerplaats geschiedt binnen een termijn van 4 maanden na de dag, nadat het besluit onherroepelijk is;
3Indien het aanleggen van algemene gehandicaptenparkeerplaatsen niet binnen het bepaalde onder lid 2 van de in dit artikel vermelde termijn kan worden gerealiseerd, deelt het bestuursorgaan dit aan de aanvrager mede en noemt daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de aanleg wel gerealiseerd kan worden.
5.5. Slotbepalingen
Artikel 11
Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als: Beleidsregels inzake de aanwijzing van algemene gehandicaptenparkeerplaatsen.
Artikel 12
Deze beleidsregels treden in werking op de eerste dag na de datum van hun bekendmaking.
5.6. Toelichting bij de beleidsregels inzake de aanwijzing van algemene gehandicapten-parkeerplaatsen
Artikel 8.1.b
De vormgeving van de gehandicaptenparkeerplaats zal zoveel mogelijk conform de landelijk gangbare richtlijnen van het Centrum Regelgeving en Onderzoek in de Grond, Water en Wegenbouw en Verkeerstechniek (CROW). De precieze vormgeving en dimensionering is echter ook afhankelijk van de situatie ter plaatse van de gehandicaptenparkeerplaats, zoals bijvoorbeeld de breedte van het trottoir en het type parkeren (langs, haaks of schuin parkeren).
Artikel 8.1.d
De aard c.q. het karakter van de omgeving waar de parkeergelegenheid wordt ingericht speelt mee bij de aanleg van een algemene gehandicaptenparkeerplaats. Door de aanleg van een dergelijke parkeerplaats kunnen ter plekke onveilige verkeerssituaties voor de andere weggebruikers ontstaan. Hierbij kan gedacht worden aan schoolgaande jeugd (schoolthuisroute), fietsers en openbaar vervoer. Ook kan de doorstroming drastisch worden belemmerd, met name in geval van calamiteiten. Tevens speelt de verkeersfunctie van de weg bij de beoordeling een belangrijke rol.
Artikel 8.2
Conform artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de vastgestelde beleidsregels, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Op grond van artikel 7.1 en artikel 8.1.c is het uitgangspunt ten aanzien van het aanwijzen van algemene gehandicaptenparkeerplaatsen dat instellingen waar veel gehandicapten komen, zoals medische instellingen, gemeentehuis, etc. 2% van de parkeerplaatsen gereserveerd is als algemene gehandicaptenparkeerplaats. Indien in de praktijk blijkt dat dit aantal ontoereikend is, gezien het aantal (gehandicapten) bezoekers, kan besloten worden dat sommige (grotere) instellingen meer dan 2% van de parkeerplaatsen toegewezen krijgen als algemene gehandicaptenparkeerplaats.
Artikel 10
Zie de toelichting van artikel 8.1.b.
6. Bijlagen:
1) Overzicht procedure gehandicaptenparkeerplaats op kenteken
Algemene informatie
Een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken is een parkeerplaats waar alleen de auto van een gehandicapte met een bepaald kenteken mag parkeren. Deze gehandicaptenparkeerplaats kan worden aangelegd op de openbare weg bij de woning of het bedrijf waar de gehandicapte woont of werkt.
Een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken is te herkennen aan een paal met het RVV bord E6 met daaronder het kenteken van de auto.
Voor het toewijzen van een dergelijke parkeerplaats is een verkeersbesluit vereist. Hiervoor volgt de Gemeente Westerwolde de reguliere voorbereidingsprocedure van de Algemene wet bestuursrecht. Op een verkeersbesluit voor een gehandicaptenparkeerplaats wordt eerst het wettelijk verplichte advies bij de politie gevraagd. De politie hanteert hiervoor een behandeltermijn van maximaal 6 weken. Na ontvangt van het politieadvies neemt de hiervoor gemandateerde Medewerker Verkeer en Vervoer vervolgens een besluit over de aanvraag. Indien het politieadvies negatief is wordt de aanvraag afgewezen, wordt geen verkeersbesluit genomen voor de gehandicaptenparkeerplaats en wordt aanvrager daarvan in kennis gesteld. Indien het politieadvies positief is neemt de Medewerker Verkeer en Vervoer het verkeersbesluit voor de gehandicaptenparkeerplaats. Dit verkeerbesluit wordt vervolgens 6 week ter inzage gelegd.
Na publicatie van het verkeersbesluit kunnen belanghebbenden gedurende de termijn van 6 weken een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij het College tegen het verkeersbesluit. Wordt na het verstrijken van de termijn van 6 weken geen bezwaar ingediend, wordt de gehandicaptenparkeerplaats gerealiseerd.
Wordt op het verkeersbesluit wel een bezwaar ingediend neemt het College van Burgemeester en Wethouders, met inachtneming van de ingediende bezwaarschriften, het definitieve verkeersbesluit. Hiertegen kan door belanghebbenden bezwaar worden ingediend bij het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente. De bezwarencommissie van de gemeente brengt vervolgens advies uit over het bezwaar aan het College. Tegen de uitspraak van het College op dit ingediende bezwaar kunnen belanghebbenden beroep instellen bij de Rechtbank te Groningen. De rechtbank brengt griffierecht in rekening voor behandeling van de zaak.
Om een gehandicaptenparkeerplaats op kenteken te kunnen aanvragen, moeten aanvragers in het bezit zijn van een gehandicaptenparkeerkaart B (bestuurder) en/of gehandicaptenparkeerkaart Bestuurder + Passagier (B + P).