Aanhef
Olst-Wijhe, December 2023
Vastgesteld in de raadsvergadering d.d.
1 Inleiding
1.1 Leeswijzer
Als in deze verordening het woord ‘inwoner’ staat, dan vallen daar ook ouders, jongeren, studenten en werknemers onder. Waar “hij” staat kan ook “zij of die“ gelezen worden.
Alle bedragen in deze verordening zijn inclusief btw. Op genoemde bedragen kunnen in de toekomst aanpassingen van toepassing zijn op grond van bijvoorbeeld indexering of als gevolg van aanbestedingstrajecten.
Voor sommige ondersteuningsvragen gelden bijzondere regels of een andere manier van een melding doen, die niet in deze verordening staan. Afspraken staan dan in andere documenten en zijn ook op de gemeentelijke website Gemeente Olst-Wijhe | Ondersteuning te vinden. De gemeente kan de inwoner per situatie concrete informatie hierover geven.
1.2 Waarom deze regels?
•In Nederland vinden we het belangrijk dat:
•mensen actief mee kunnen doen aan het maatschappelijk leven of aan het werk kunnen gaan;
•mensen een inkomen hebben waarmee ze rond kunnen komen;
•mensen hun financiën op orde hebben;
•mensen een eigen huishouding kunnen voeren en voor zichzelf kunnen zorgen;
•mensen een geschikte en schone woonruimte hebben, waarin zij zelfstandig en veilig kunnen wonen; en
•kinderen gezond en veilig kunnen opgroeien en veilig naar de school kunnen gaan die bij hen past.
Het is de taak van de gemeente om haar inwoners daarbij te helpen. De wetgever heeft wetten gemaakt om dit te bereiken. Het gaat om de:
•Participatiewet (PW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ);
•Wet Uitvoeren breed offensief;
•Wet inburgering 2021;
•Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs);
•Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015);
•Jeugdwet; en Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs.
De regels in deze verordening vullen de wettelijke regels aan. Het zijn regels op hoofdlijnen die de gemeenteraad heeft vastgesteld. Soms zijn nog extra regels nodig waarin bepaalde zaken worden uitgewerkt. Ook dat is in deze verordening geregeld.
1.3 Uitgangspunten
De regels in deze verordening zijn geschreven vanuit een aantal uitgangspunten. De regels:
1zijn bedoeld om de bovengenoemde doelen te realiseren (de eerste opsomming onder 1.2) en knelpunten van inwoners op te lossen;
2zijn goed leesbaar;
3regelen niet meer dan nodig is;
4houden de administratieve lasten van gemeente en inwoners zo laag mogelijk;
5kunnen goed uitgevoerd worden en zijn duidelijk voor inwoners;
6zijn onderling afgestemd op elkaar;
7respecteren de wettelijke regels, maar wijken daar soms vanaf als dat nodig is om de doelen van de wetgever te realiseren of belangrijke internationale regels na te komen;
8passen bij de werkwijze van de gemeente om samen met de inwoner te kijken wat er nodig is en of dit past binnen de grondwaarden (doelen) van (een van de) verschillende wetten. (“werken volgens de bedoeling”)
In hoofdstuk 9 staat uitgebreid beschreven hoe de gemeente en de inwoner met elkaar omgaan.
1.4 Kernwaarden
Bij het toepassen van de regels uit deze verordening houdt de gemeente rekening met de doelen van de genoemde wetten. De gemeente zorgt ervoor dat het resultaat van een besluit recht doet aan die doelen. De gemeente gaat daarbij uit van de volgende kernwaarden:
1Inwoners zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk om de genoemde doelen te realiseren.
2Inwoners zetten zich ervoor in om deze doelen te bereiken.
3De gemeente ondersteunt waar dat nodig is en stimuleert inwoners om zelf oplossingen te vinden voor problemen, bijvoorbeeld met hulp van familie, vrienden en bekenden (het sociale netwerk).
4Kwetsbare groepen, zoals kinderen en inwoners met een beperking, hebben extra hulp nodig om volwaardig mee te kunnen doen aan de samenleving.
Per hoofdstuk wordt aangegeven welke van deze en andere kernwaarden de basis van de regels vormen. De begrippen die in deze verordening worden gebruikt, worden toegelicht in hoofdstuk 14.
1.5 Artikel en wet
Deze verordening is gebaseerd op de wetten die bij 1.2 zijn genoemd. Die wetten vormen de wettelijke basis voor de artikelen in deze verordening. Maar niet voor alle artikelen geldt dat in iedere wet daarover iets is terug te vinden. Dat verschilt per artikel. Daarom is per artikel aangegeven op welke wet dat artikel is gebaseerd. Soms is een paragraaf of hoofdstuk helemaal gebaseerd op één of meer wetten. Dan is dat aangegeven bij het begin van die paragraaf of dat hoofdstuk. Soms wordt in deze verordening ‘Gemeentewet’ als grondslag genoemd. Dan wordt de algemene regelingsbevoegdheid van de gemeenteraad bedoeld (art. 121 Gemeentewet). Bij een aantal artikelen wordt ook de ‘Awb’ (Algemene wet bestuursrecht) genoemd. Die verwijzing staat er als er in de Awb specifieke bepalingen staan die op dat artikel van toepassing zijn. Bijvoorbeeld bij artikel 3.4.7 en 3.4.8 (over subsidies), 7.2 (over geld) en 11.1 t/m 11.3 (over klachten).
2 De hulpvraag
2.1 Melding bij de gemeente
(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs)
2.1.1 Hulpvraag melden
Inwoners die hulp nodig hebben kunnen zich melden bij de gemeente. De inwoner kan deze melding op verschillende manieren doen:
•schriftelijk, met een brief
•mondeling, persoonlijk in het gemeentehuis
•telefonisch
•digitaal via de website of een e-mail
2.1.2 Uitnodiging gesprek
1Na de melding neemt de gemeente de hulpvraag van de inwoner in behandeling. De gemeente nodigt de inwoner uit voor een gesprek met een medewerker. In die uitnodiging staat waar en wanneer het gesprek plaatsvindt en waarover het gesprek gaat.
2Het gesprek kan telefonisch plaatsvinden als dat voldoende is.
3Ook geeft de gemeente in de uitnodiging aan dat de inwoner iemand mee mag nemen naar het gesprek om hem te ondersteunen. Dit kan een familielid, vriend of bekende zijn, maar ook een (gratis) onafhankelijk deskundige (cliëntondersteuner).
4De gemeente wijst ook op de mogelijkheid om zelf een plan op te stellen waarin de inwoner uitlegt hoe zijn persoonlijke situatie is en wat hij wil bereiken met zijn vraag (persoonlijk plan).
2.1.3 Gegevens
De gemeente verzamelt gegevens over de situatie van de inwoner die nodig zijn voor het gesprek. Als het gaat om gegevens die de gemeente niet zelf kan inzien of verkrijgen, dan vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens binnen een bepaalde termijn te leveren. In de uitnodiging voor het gesprek staat welke gegevens dat zijn en welke termijn er geldt. De gemeente kan ook later nog om aanvullende gegevens vragen. Hiervoor gelden dan dezelfde voorwaarden.
2.2 Gesprek na de melding
(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs)
2.2.1 Doel en inhoud gesprek
1Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen van de hulpvraag, van het resultaat dat de inwoner wil bereiken en van zijn persoonlijke situatie.
2In het gesprek onderzoekt een medewerker van de gemeente:
a.de behoefte van de inwoner: wat is er nodig?
b.de persoonlijke situatie van de inwoner: hoe ziet die eruit en wat betekent dit voor het gewenste resultaat?
c.de (on)mogelijkheden van de inwoner: (hoe) kan de inwoner zelf bijdragen aan de oplossing?
d.de omgeving van de inwoner: welke hulp kan het sociale netwerk of kunnen organisaties bieden?
e.of er contact nodig is met anderen over de persoonlijke situatie van de inwoner: hierover wordt de inwoner dan altijd geïnformeerd.
3De medewerker informeert de inwoner over de mogelijkheden die de gemeente biedt om de persoonlijke situatie van de inwoner te verbeteren.
4Bij dit gesprek kan ook iemand aanwezig zijn om de inwoner te ondersteunen (familie, vriend of bekende of (gratis) onafhankelijk deskundige clientondersteuner.
2.2.2 Verslag
1Zo snel mogelijk na het gesprek maakt de medewerker een verslag van het gesprek en de uitkomsten van het onderzoek. Opmerkingen of latere aanvullingen van de inwoner worden aan het verslag toegevoegd.
2Als het gesprek telefonisch heeft plaatsgevonden kan er een verkort verslag worden gemaakt.
3Als het gaat om Wmo-ondersteuning of jeugdhulp, dan stuurt de medewerker het verslag naar de inwoner, tenzij de inwoner heeft aangegeven dat hij dat niet wil. De inwoner ondertekent het verslag en stuurt dit naar de gemeente. Als de inwoner het niet eens is met het verslag, kan hij dat daarop aangeven. Als de inwoner ondersteuning-op-maat van de gemeente wil ontvangen, kan hij dit aangeven op het ondertekende verslag. De gemeente ziet het verslag dan als een aanvraag.
4Als het om jeugdondersteuning gaat, dan wordt het door de inwoner ondertekende verslag gezien als een toekenningsbesluit.
2.3 Aanvraag
(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb)
Niet elke aanvraag gaat op precies dezelfde manier. Verschillen per soort ondersteuning of wet staan hieronder beschreven in artikel 2.3.1.
2.3.1 Aanvraag
1Na de melding en het gesprek met een medewerker van de gemeente, kan de inwoner een aanvraag indienen. De aanvraag kan schriftelijk (per brief) of digitaal (via de website of e-mail) worden ingediend. Het doel van de aanvraag is te bepalen of de gemeente ondersteuning gaat verlenen en zo ja, in welke vorm.
2Melding en aanvraag worden op hetzelfde moment gedaan als het gaat om een uitkering voor inwoners van 27 jaar of ouder of om vervoer van kinderen naar school. Het gesprek met een medewerker vindt dan plaats nadat de aanvraag is ingediend.
3De aanvragen voor financiële tegemoetkomingen kunnen direct schriftelijk worden gedaan. De gemeente kan besluiten dat een onderzoek en een gesprek over de hulpvraag niet nodig zijn. De aanvraag wordt dan direct afgehandeld. Alleen als er aanleiding voor is, of op verzoek van de inwoner, volgt een gesprek.
4De inwoner dient een aanvraag in met een aanvraagformulier van de gemeente. Voor Wmo- en jeugdhulp geldt dat een door de inwoner ondertekend verslag van het gesprek kan worden gezien als aanvraagformulier voor ondersteuning.
5De werkgever die van plan is om een inwoner, die tot de doelgroep loonkostensubsidie hoort, in dienst te nemen, kan een aanvraag voor loonkostensubsidie indienen.
6De aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als de inwoner nog niet tot de doelgroep behoort, ook beschouwd als een aanvraag om vast te tellen of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie
2.3.2 Voorwaarden voor ondersteuning
1Als een inwoner ondersteuning aanvraagt, dan gelden in ieder geval de volgende voorwaarden:
a.de ondersteuning is noodzakelijk om (één van) de doelen van de in 1.2 genoemde wetten te bereiken;
b.de inwoner heeft geen mogelijkheden om het gewenste resultaat op eigen kracht te bereiken. Hij kan dit resultaat ook niet bereiken met gebruikelijke hulp van huisgenoten, met hulp vanuit het sociale netwerk, algemeen gebruikelijke voorzieningen of met behulp van andere voorzieningen of organisaties; en
c.de ondersteuning past bij het gewenste resultaat en de persoonlijke situatie van de inwoner.
2Voor sommige vormen van ondersteuning zijn in de wet of in deze verordening extra voorwaarden gesteld.
3De ondersteuning is niet duurder dan nodig is en duurt niet langer dan nodig is. De gemeente kiest daarom voor de goedkoopste voorziening die nodig is om het probleem van de inwoner langdurig te verminderen of op te lossen.
4De gemeente kan ondersteuning weigeren als een inwoner iets (niet) heeft gedaan waardoor de hulpvraag is veroorzaakt, en hij deze hulpvraag had kunnen voorzien. De gemeente kan ondersteuning ook weigeren als een inwoner de gevraagde ondersteuning zelf al heeft ingeroepen of gekocht, tenzij de gemeente daarvoor toestemming heeft gegeven.
2.3.3 Advisering
De gemeente zorgt ervoor dat de medewerker die een melding of aanvraag behandelt de deskundigheid heeft die nodig is om deze melding of aanvraag goed te kunnen behandelen. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft, zorgt de gemeente ervoor dat een andere deskundige een advies uitbrengt. Dit advies (deskundig oordeel) betrekt de gemeente bij de beoordeling van de melding of aanvraag.
2.3.4 Beoordelen aanvraag
1Bij het beoordelen van de aanvraag betrekt de gemeente alle gegevens die van belang zijn.
2Om te bepalen of de gemeente ondersteuning biedt, volgt de gemeente de volgende stappen:
a.de gemeente stelt vast wat de hulpvraag van de inwoner is.
b.de gemeente stelt vast welke problemen en beperkingen er precies zijn.
c.de gemeente bepaalt welke ondersteuning nodig is en hoeveel ondersteuning er nodig is.
i.Voor de ondersteuning- op –maat in de vorm van huishoudelijke ondersteuning geldt voor het vaststellen van het aantal uren professionele inzet dat nodig is gebruik gemaakt wordt van het ‘Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019 – Bureau HHM, juni 2019’.
ii.De gemeente legt in beleidsregels vast hoe het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019 – Bureau HHM, juni 2019’ wordt toegepast.
d.de gemeente onderzoekt wat de inwoner zelf kan doen om het probleem op te lossen (eigen kracht), of met hulp uit het eigen sociale netwerk/ de eigen omgeving en welke ondersteuning of voorziening aanvullend nodig is.
e.de gemeente bepaalt welke aanvullende ondersteuning nodig is om het probleem op te lossen en het gewenste resultaat te bereiken.
2.3.5 Beslistermijn
1De gemeente beslist zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 8 weken nadat de aanvraag of melding is ontvangen.
2De beslistermijn kan schriftelijk worden opgeschoven als de inwoner niet voldoende gegevens heeft verstrekt. Als de gemeente een besluit niet binnen de vastgestelde termijn kan nemen, dan noemt de gemeente een nieuwe termijn waarbinnen het besluit wordt genomen.
2.4 Beslissing
(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb)
2.4.1 Inhoud besluit
1De gemeente neemt een besluit en stuurt dit besluit naar de inwoner. Het doel van dit besluit is dat de inwoner weet of hij wel of geen ondersteuning krijgt. Als de gemeente ondersteuning geeft, staat in het besluit ook of de ondersteuning in natura (product of dienst), in de vorm van een pgb, in geld of op een andere manier wordt gegeven. (Zie voor uitleg hoofdstuk 8.)
2Geeft de gemeente de ondersteuning in natura, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd:
a.wat de ondersteuning inhoudt en waarvoor de ondersteuning bedoeld is;
b.wanneer de ondersteuning ingaat en hoelang de ondersteuning duurt;
c.hoe en door wie de ondersteuning wordt gegeven; en
d.welke voorwaarden en verplichtingen er voor de ondersteuning gelden.
3Geeft de gemeente de ondersteuning in de vorm van een pgb, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd:
a.waarvoor het pgb bedoeld is;
b.hoe hoog het pgb is en hoe dit berekend is;
c.wanneer het pgb ingaat en wanneer het pgb eindigt;
d.hoe de besteding van het pgb verantwoord wordt; en
e.welke voorwaarden en verplichtingen er voor het pgb gelden.
4Geeft de gemeente ondersteuning in de vorm van geld, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd:
a.voor welk doel het geld wordt gegeven;
b.wanneer het geld wordt betaald;
c.hoe vaak het geld wordt betaald; en
d.welke voorwaarden en verplichtingen er gelden voor het uitgeven van het geld.
2.5 Uitzonderingen
2.5.1 Jeugdhulp via arts en anderen
(Jeugdwet, Awb)
1De gemeente zorgt ervoor dat de jongere jeugdhulp krijgt als de huisarts, jeugdarts, medisch specialist, gecertificeerde instelling of jeugdreclassering de jongere doorverwijst naar een jeugdhulpaanbieder.
2Als de jongere of zijn ouders daar om vragen, stuurt de gemeente een brief met daarin het besluit over de jeugdhulp Dit besluit voldoet aan dezelfde eisen als het besluit na een aanvraag bij de gemeente zelf.
2.5.2 Spoedeisende gevallen
(Jeugdwet, Wmo, PW, Llv, Wgs)
1In spoedeisende gevallen zorgt de gemeente ervoor dat de inwoner de ondersteuning krijgt die volgens de gemeente nodig is. De gemeente kan dan afwijken van de normale procedure als dat nodig is. Het kan gaan om de volgende (tijdelijke) ondersteuning in afwachting van een onderzoek van de gemeente:
a.het bieden van ondersteuning en zorg aan ouders en hun kinderen;
b.het vragen van een machtiging aan de kinderrechter voor gesloten jeugdhulp;
c.het bieden van een voorziening voor maatschappelijke ondersteuning;
d.schuldhulpverlening;
e.vervoer van en naar school; of
f.het verstrekken van een voorschot op een uitkering die nog niet is toegekend.
2Er is sprake van een spoedeisend geval als de uitkomst van de normale procedure voor een aanvraag om ondersteuning niet afgewacht kan worden.
3 Werk en participatie
3.1 Doelgroep
(PW, IOAW, IOAZ)
De gemeente ondersteunt de volgende groepen inwoners op weg naar werk:
1Inwoners met een gemeentelijke uitkering die niet op eigen kracht en met de ondersteuning van het sociale netwerk, uitzendbureaus en andere organisaties de weg naar werk kunnen vinden.
2Inwoners met een indicatie voor beschut werk en/of opgenomen in het doelgroep register.
3Inwoners die geen ondersteuning kunnen krijgen van andere instanties, zoals UWV, SVB of werkgevers. Per hulpvraag beoordeelt de gemeente of er ondersteuning wordt gegeven.
4jongeren tot 27 jaar die geen werk en geen havodiploma, vwo-diploma of mbo-diploma vanaf niveau 2 hebben. De gemeente helpt hen een passende opleiding of passend werk te vinden of leidt hen naar een vorm van ondersteuning of zorg.
3.2 Samenwerking
(PW, IOAW, IOAZ)
1De gemeente werkt samen met UWV, KonnecteD, gemeenten in de regio en andere organisaties om inwoners te ondersteunen bij het vinden van passend werk.
2De gemeente zorgt ervoor dat werkgevers ondersteund worden als zij inwoners die onder de doelgroep van de gemeente vallen werk willen aanbieden.
3.3 Budget
(PW, IOAW, IOAZ)
De gemeente kan voor de verschillende soorten voorzieningen budgetplafonds vaststellen. Een budgetplafond is het maximale bedrag dat de gemeente aan een bepaalde soort voorziening per kalenderjaar kan uitgeven. Als dit budgetplafond bereikt is, verstrekt de gemeente geen voorziening meer. Voor wettelijke loonkostensubsidie en beschut werk kan geen budgetplafond worden vastgesteld.
3.4 Voorzieningen – werk
(PW, IOAW, IOAZ)
1De gemeente stemt de ondersteuning aan de inwoner af op de positie op de arbeidsmarkt. Voor inwoners met kleine afstand tot de arbeidsmarkt wordt andere ondersteuning ingezet dan voor inwoners met een grote afstand tot de arbeidsmarkt.
2De gemeente biedt ondersteuning aan in de vorm van voorzieningen. Het doel daarvan is het vinden of behouden van passend werk.
Voorzieningen die in ieder geval kunnen worden ingezet voor mensen met een kleine afstand tot de arbeidsmarkt zijn:
a.proefplaatsing
b.leer-werktraject
c.scholing
Voorzieningen die in ieder geval kunnen worden ingezet voor mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt zijn:
a.leer-werktraject
b.sociale activering
c.participatieplaats
d.scholing
e.loonkostensubsidie
f.ondersteuning op de werkplek
g.beschut werk
h.ondersteuning bij leer-werktraject
i.persoonlijke ondersteuning
j.kortdurende loonkostensubsidie
3De gemeente bekijkt per persoon of het zinvol is om een voorziening in te zetten. Als dit het geval is, bekijkt de gemeente welke voorziening wordt ingezet en voor hoe lang. Daarbij kijkt de gemeente naar een aantal zaken, zoals de omstandigheden van de inwoner, zijn eventuele (functionele) beperkingen, de zorg voor kinderen, mantelzorg, of hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk, wettelijke verplichtingen en of er voldoende budget beschikbaar is.
4In een plan van aanpak legt de gemeente vast welke ondersteuning de inwoner krijgt en wat van belang is voor die ondersteuning. Ook wordt vastgelegd welke afspraken er met de inwoner zijn gemaakt over de ondersteuning en over wat de inwoner zelf doet om dichter bij werk te komen.
3.4.1 Proefplaatsing
1De gemeente kan een inwoner bij wijze van proef tijdelijk en met behoud van uitkering laten werken bij een werkgever.
2Het doel van de proefplaatsing is om werkgevers te helpen een beeld te krijgen van de geschiktheid van de inwoner voor het werk, maar ook om te kijken of de functie kan worden aangepast zodat deze goed bij de inwoner past. De inwoner werkt een periode op proef met behoud van uitkering.
3Een voorwaarde is dat de proefplaatsing leidt tot een dienstverband van minimaal zes maanden, zonder proeftijd, als de inwoner geschikt blijkt te zijn voor het werk.
4De proefplaatsing is alleen mogelijk als de werkgever de inwoner goed begeleidt tijdens de proefplaatsing. Als de proefplaatsing niet wordt omgezet in een dienstverband moet de werkgever uitleggen wat hij heeft gedaan om de inwoner te begeleiden.
5De proefplaatsing duurt maximaal 2 maanden en kan eenmalig met maximaal 4 maanden worden verlengd als dat voor de werkgever noodzakelijk is om een goed beeld te krijgen van de geschiktheid van de inwoner.
6De proefplaatsing wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever en de inwoner. Daarin worden het doel van de proefplaatsing opgenomen, hoelang de proefplaatsing duurt, wat de werkzaamheden en de werktijden zijn en hoe de begeleiding plaatsvindt.
7Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties.
8De werkgever zorgt voor een aansprakelijkheids- en ongevallenverzekering.
9De gemeente geeft geen toestemming voor een proefplaatsing als gelijk na de proefplaatsing een vastgestelde (forfaitaire) loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d, vijfde lid, van de Participatiewet wordt toegekend.
10Als de werkzaamheden op de proefplaats door ziekte tijdelijk wordt gestopt, dan wordt deze periode voor de toepassing van de maximale periode, bedoeld in het eerste lid, buiten beschouwing gelaten.
11De gemeente kan een inwoner op een proefplaats persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen toekennen zoals opgenomen in paragraaf 3.4.A.
3.4.2 voorziening Werkervaring
1De gemeente kan een inwoner een voorziening werkervaring aanbieden.
2Het doel van een voorziening werkervaring is om inwoners met behoud van uitkering, op een werkplek werkervaring op te laten doen of te leren functioneren in een werkomgeving.
3In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd:
-het doel van de voorziening werkervaring;
-de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt;
-hoelang het leer-werktraject duurt.
4Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties
5De gemeente kan extra regels opnemen in de Beleidsregels re-integratie en participatie.
3.4.3 Ondersteuning bij een leer- werktraject
De gemeente kan een jongere, die een leer-werktraject nodig heeft om de stap richting werk te zetten, ondersteuning aanbieden die nodig is voor het volgen van een leer-werktraject.
1Het moet gaan om jongeren:
a.van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd; of
b.van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. Met startkwalificatie wordt bedoeld: een havo-, vwo- of mbo-diploma niveau 2.
2Er wordt alleen extra ondersteuning ingezet als de ondersteuning die al door school of door de werkgever wordt geboden onvoldoende is.
3.4.4 Participatieplaats
1De gemeente kan een inwoner met een gemeentelijke uitkering, die weinig kans heeft op werk en voorlopig niet aan het werk kan, een participatieplaats aanbieden. De inwoner moet 27 jaar of ouder zijn. De participatieplaats wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever en de inwoner.
2Het doel van een participatieplaats is om de kans op betaald werk te vergroten. De inwoner kan langdurig, met behoud van uitkering, op een bepaalde werkplek werken en doet zo werkervaring op. Het moet gaan om werkzaamheden die passend zijn en speciaal voor de inwoner zijn bedacht.
3Een participatieplaats duurt maximaal 2 jaar. Dit kan met twee keer 1 jaar worden verlengd als daardoor de arbeidskansen worden vergroot,
4Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties.
5De inwoner kan na iedere 6 maanden een premie ontvangen. Een voorwaarde voor de premie is dat de inwoner voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op werk. De gemeente beoordeelt dit.
3.4.5 Sociale activering
1De gemeente kan een inwoner, die weinig kans heeft op werk, zinvolle activiteiten aanbieden die hem dichter bij werk brengen. Dit heet sociale activering. Vrijwilligerswerk is hier een voorbeeld van.
2Het doel van sociale activering is om inwoners te helpen weer grip op hun leven te krijgen, sociale contacten op te bouwen en moeilijkheden op weg naar werk te overwinnen.
3Een voorwaarde is dat de activiteiten niet leiden tot verdringing van werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties
3.4.6 Persoonlijke ondersteuning bij werk
1De gemeente kan persoonlijke ondersteuning bij werk aanbieden aan een inwoner of zijn werkgever daarvoor een vergoeding geven als de inwoner extra begeleiding nodig heeft om zijn werk goed te kunnen doen. Dit kan ook als voorbereiding om aan het werk te kunnen gaan.
2Het doel van de persoonlijke ondersteuning is om de werknemer te helpen zijn werk goed te doen. Of te begeleiden naar een situatie dat hij zonder begeleiding zijn werk goed kan doen bij een reguliere werkgever.
3De gemeente spreekt met de werkgever af hoe de persoonlijke ondersteuning wordt ingezet en legt dit vast in een overeenkomst met de werkgever.
4Bij het verstrekken van persoonlijke ondersteuning bij werk, zoals bedoeld in het eerste lid, wordt rekening gehouden met het bepaalde in artikel 3.4 en de bepalingen in hoofdstuk 3.4.A
3.4.7 Indienstnemingssubsidie
1De gemeente kan een werkgever die een inwoner in dienst neemt een tijdelijke loonkostensubsidie geven.
2Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een kleine kans op werk in dienst te nemen en extra kosten die werkgevers maken voor het begeleiden van deze inwoners te vergoeden.
3Dit doet de gemeente alleen, als de werkgever voor deze inwoner geen wettelijke loonkostensubsidie kan krijgen (zie artikel 3.4.9), en ook niet in aanmerking kan komen voor andere vergoedingen voor het in dienst nemen van de inwoner of als de persoon ook zonder indienstnemingssubsidie kan worden aangenomen voor dat werk.
4De subsidie is maximaal 50% van de loonkosten (exclusief werkgeverslasten) gedurende de eerste drie maanden en maximaal 25% gedurende de volgende drie maanden.
5De werkgever moet in ieder geval voldoen aan de volgende voorwaarden:
a.de duur van de arbeidsovereenkomst bedraagt minimaal zes maanden.
b.de werknemer ontvangt inkomsten hoger dan de bijstandsnorm.
c.het werk leidt niet tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en leidt ook niet tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties.
6bij een deeltijd-dienstverband wordt de subsidie naar rato berekend.
3.4.8 Wettelijke loonkostensubsidie
1De gemeente kent de werkgever een wettelijke loonkostensubsidie toe als de werknemer wel kan werken, maar niet het wettelijk minimumloon kan verdienen.
2Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een beperking in dienst te nemen en werkgevers een vergoeding te geven voor productieverlies.
3De gemeente stelt vast of het gaat om een inwoner die niet in staat is het wettelijk minimumloon te verdienen. De loonwaarde wordt bepaald aan de hand van het inkomen dat de inwoner op de werkplek zou kunnen verdienen op basis van de cao van de werkgever, afgezet tegen de mogelijkheden van de inwoner om het werk te kunnen doen.
4De loonwaardemeting wordt minimaal eens per 6 maanden en maximaal eens per 5 jaar uitgevoerd. De meting wordt afgestemd op de individuele omstandigheden van de werknemer en zijn ontwikkelmogelijkheden
3.4.9 Beschut werk
1De gemeente biedt een inwoner een beschutte werkplek aan als het UWV heeft vastgesteld dat deze inwoner alleen kan werken als het werk en de werkplek zijn aangepast aan de mogelijkheden van die inwoner. Daarbij gelden de voorwaarden die in de Participatiewet zijn genoemd.
2Het doel van beschut werk is om inwoners die alleen onder aangepaste omstandigheden kunnen werken een veilige werkplek te bieden.
3De gemeente zet zich ervoor in dat het aantal beschutte werkplekken dat de gemeente volgens het Rijk jaarlijks moet realiseren, gerealiseerd wordt. Boven op deze taakstelling realiseert de gemeente geen extra dienstbetrekkingen beschut werk.
4De inwoner die nog geen beschutte werkplek kan krijgen omdat de gemeente het voorgeschreven aantal beschutte werkplekken voor dat jaar al heeft bereikt, komt op een wachtlijst. Deze inwoner krijgt in het volgende kalenderjaar met voorrang een beschutte werkplek. Als er in dat volgende jaar nog geen geschikte werkplek voor de inwoner beschikbaar is, is het mogelijk dat een andere persoon voorgaat.
5De gemeente biedt de volgende voorzieningen aan, zodat een inwoner beschut kan werken:
a.aanpassing van de werkplek of de werkomgeving
b.uitsplitsing van taken, of
c.aanpassingen in het werktempo, de werktijden of de werkbegeleiding.
6De gemeente kan inwoners die in aanmerking komen voor beschut werk, tot het moment van de start, voorzieningen aanbieden die de stap naar beschut werk makkelijker maken. Het gaat om de volgende voorzieningen:
a.ondersteuning bij het invullen van de dag
b.sociale activering
c.scholing, en
d.schuldhulpverlening
3.4.10 Detacheringsbaan
1De gemeente kan een inwoner via KonnecteD of een andere organisatie laten werken bij een werkgever. Dit heet detachering. Die detachering wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de betrokken partijen.
2Het doel van een detacheringsbaan is om de inwoner betaald werk aan te bieden en werkervaring op te doen.
3Een voorwaarde is dat de detachering niet leidt tot verdringing van werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties
3.4.11 Ondersteuning bij beheersing Nederlandse taal
1Het beheersen van de Nederlandse taal is nodig voor het vinden en behouden van een werkplek. De gemeente kan aan een inwoner die de Nederlandste taal onvoldoende beheerst een voorziening aanbieden om de taal beter te leren (referentieniveau 1F, niveau basisonderwijs).
2Deze voorziening wordt vastgelegd in een taalplan. In het taalplan wordt in ieder geval beschreven:
a.welke vorm van ondersteuning wordt aangeboden; en
b.hoe de voortgang wordt beoordeeld.
3.4.12 Persoonlijke ondersteuning
1De gemeente kan een inwoner persoonlijke ondersteuning aanbieden die nodig is om de stap te zetten naar betaald werk.
2De gemeente bepaalt de vorm en de duur van de persoonlijke ondersteuning.
3.4.13 Scholing
1De gemeente kan een inwoner scholing aanbieden, als dit nodig is om de stap naar passend werk te maken voor een langere periode. Dit artikel geldt niet als andere organisaties ook passende scholing kunnen aanbieden.
2De scholing kan worden aangeboden in de vorm van subsidie of verstrekking als dienst.
3De gemeente bepaalt de vorm en de duur van de scholing.
4Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen:
a.de scholing wordt afgestemd op de mogelijkheden van de inwoner
b.het vergroot zijn kansen op de arbeidsmarkt, of
c.het leidt tot duurzaam werk.
5De gemeente kan extra regels opnemen in de Beleidsregels re-integratie en participatie
3.4.14 Uitstroompremie
1De inwoner die betaald werk gaat doen, heeft recht op een uitstroompremie onder de volgende voorwaarden:
a.de inwoner heeft een gemeentelijke uitkering die wordt beëindigd vanwege het werk.
b.de inwoner heeft minimaal 12 maanden ononderbroken een gemeentelijke uitkering ontvangen. Bij een korte onderbreking van de periode van 12 maanden raakt de inwoner zijn recht op een uitstroompremie niet kwijt. De gemeente bedoelt met een korte onderbreking een periode van maximaal één keer 1 maand.
c.de inwoner heeft ten minste een aaneengesloten termijn van 6 maanden betaald werk verricht.
d.de premie kan worden aangevraagd vanaf 6 maanden na de start van de betaalde baan.
2De hoogte van de premie is opgenomen bij de beleidsregels re-integratie en participatie.
3De premie wordt in één keer uitgekeerd
4De gemeente blijft verantwoordelijk voor betaling van de uitstroompremie als de inwoner binnen de termijn van lid 3 verhuist naar een andere gemeente.
3.4.15 Premie vrijwilligerswerk
1De inwoner die vrijwilligerswerk gaat doen, heeft recht op een premie onder de volgende voorwaarden:
a.de inwoner heeft een gemeentelijke uitkering en is volgens de gemeente niet in staat om betaald werk te verrichten.
b.de inwoner heeft minimaal 36 maanden ononderbroken een gemeentelijke uitkering ontvangen.
c.bij een korte onderbreking van de periode van 36 maanden raakt de inwoner zijn recht op premie vrijwilligerswerk niet kwijt. De gemeente bedoelt met een korte onderbreking een periode van maximaal één keer 1 maand.
d.de inwoner verricht tenminste 8 uur per maand vrijwilligerswerk.
e.de premie kan worden aangevraagd vanaf 6 maanden na de start van het vrijwilligerswerk en daarna één keer per 24 maanden zolang het vrijwilligerswerk duurt.
2De hoogte van de premie is opgenomen bij de Beleidsregels re-integratie en participatie.
3De premie wordt in één keer uitgekeerd.
3.4.16 Kinderopvang
1De gemeente zorgt ervoor dat er passende kinderopvang beschikbaar is:
a.als de inwoner meedoet aan een activiteit die nodig is om dichter bij de arbeidsmarkt te komen of om aan het werk te gaan; en
b.opvang niet mogelijk is binnen het sociale netwerk van de inwoner.
2De inwoner die kinderopvangtoeslag ontvangt, kan voor de kosten van kinderopvang die voor zijn rekening blijven een bijdrage krijgen van de gemeente als hij voldoet aan de volgende voorwaarden:
a.De inwoner heeft een gemeentelijke uitkering of een Anw-uitkering en de kinderopvang is nodig om deel te kunnen nemen aan een activiteit van de gemeente op weg naar werk (een voorziening). of
b.De inwoner volgt een voltijd hbo- of universitaire opleiding, voortgezet onderwijs of vavo- onderwijs. en
c.De kinderopvang vindt plaats in een geregistreerd kindercentrum of via een gastouderbureau.
3De gemeente legt in beleidsregels vast welke aanvullende voorwaarden gelden en wat de hoogte van de vergoeding is.
3.4.17 Andere voorzieningen en vergoedingen
1De gemeente kan andere voorzieningen inzetten als dat nodig is om inwoners te helpen aan het werk te gaan of te blijven of om de kans op werk te vergroten.
2De gemeente kan de kosten vergoeden die een inwoner moet maken bij deelname aan een voorziening of bij betaald of onbetaald werk. Het gaat hierbij in ieder geval om:
a.reiskosten
b.noodzakelijke werkplekaanpassingen
c.kosten werkaanvaarding
4De gemeente kan extra regels opnemen in de Beleidsregels re-integratie en participatie
3.4.18 Nazorg
De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die aan het werk gaat gedurende 6 maanden nadat de uitkering is beëindigd, ondersteund en begeleid wordt als dit nodig is om het werk te kunnen doen.
3.4.19 Inburgering
(Wet Inburgering 2021)
De gemeente biedt de doelgroep van de Wet inburgering de in de wet verplichte onderdelen aan:
-Brede intake
-Leerbaarheidstoets
-Opstellen Persoonlijk Plan Inburgering en Participatie (PIP)
-Leerroute
-Module Arbeidsmarkt en Participatie (MAP)
-Maatschappelijke begeleiding
-Financiële ontzorging
-Participatieverklaringstraject (PVT)
-Inzet tolk
3.4A Bijzondere regels om deelname aan werk van inwoners met een beperking te vergroten
(PW, IOAW, IOAZ)
3.4.20 Aanvraagproces wettelijke loonkostensubsidie
1De gemeente verstrekt uit eigen beweging of op aanvraag loonkostensubsidie aan de werkgever die van plan is een dienstverband aan te gaan met een inwoner die valt onder de doelgroep loonkostensubsidie. Als hiervoor een aanvraag wordt gedaan, zijn het tweede tot en met het vierde lid van dit artikel van toepassing.
2Een aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als het om een inwoner gaat die nog niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, ook gezien als een aanvraag om vast te stellen of de inwoner behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, zoals bedoeld in artikel 10c, eerste lid, onder a, van de Participatiewet.
3Als deze aanvraag is gedaan na het begin van het dienstverband voor een inwoner als bedoeld in artikel 10 d, tweede lid, van de Participatiewet, wordt de vaststelling of de inwoner behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie bepaald door middel van de zogenoemde Praktijkroute.
4Het college stelt zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag, de loonwaarde vast. De gemeente doet dit niet als in overleg met de werkgever is afgesproken om de loonwaarde via de Praktijkroute vast te stellen, artikel 10d, vijfde lid van de Participatiewet.
5De gemeente neemt binnen vijf weken na de datum van de ontvangst van het rapport loonwaardemeting, of nadat is bepaald dat de loonwaarde niet hoeft te worden vastgesteld, een besluit over de hoogte van de loonkostensubsidie.
6Als de tijd, genoemd in lid 5 en 6, niet gehaald wordt, worden werkgever en werknemer hiervan met een brief op de hoogte gesteld.
7De gemeente gebruikt bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het proces zoals weergegeven in het Administratieve proces loonkostensubsidie. Deze is te vinden op de website Werk en voorzieningen voor werkgevers voor mensen met een arbeidsbeperking | Gemeente Olst-Wijhe.
3.4.21 Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen
1De gemeente kan persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen verstrekken voor een inwoner die zonder deze ondersteuning niet kan werken.
2Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen gelden als extra voorwaarden:
a.de inwoner behoort tot de doelgroep en is minimaal achttien jaar oud, tenzij hij naar het voortgezet speciaal onderwijs of praktijkonderwijs is gegaan;
b.de inwoner kan zonder deze vorm van ondersteuning niet werken;
c.de werkgever biedt een dienstverband aan van minimaal (zes)] maanden, met een minimale arbeidsduur van [12] uur per week of er is zicht op zo’n arbeidscontract;
d.het betreft geen arbtaak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is;
e.het betreft geen normaal hulpmiddel dat kan worden meegenomen of normaal is in een organisatie;
f.er is naar het oordeel van de gemeente geen sprake van een werkplekaanpassing die normaal gesproken van de werkgever kan worden verlangd; en
g.de kosten van de voorziening(en) zijn naar het oordeel van de gemeente redelijk. Dat wil zeggen dat de kosten passen bij het gewenste resultaat; de kosten wegen op tegen de maatschappelijke opbrengsten van uitstroom naar werk.
3.4.22 Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen
1Een aanvraag om persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen kan bij de gemeente worden ingediend door de inwoner of zijn werkgever. De gemeente kan hiervoor een aanvraagformulier beschikbaar stellen.
2De gemeente bevestigt de ontvangst van de aanvraag.
3De gemeente onderzoekt zo snel mogelijk, maar op zijn laatst binnen vier weken na de aanvraag, de mogelijkheden en behoefte aan ondersteuning van de inwoner.
4De gemeente kan bij een deskundige advies inwinnen als dit voor de beoordeling van een aanvraag nodig is.
5De gemeente bepaalt na overleg met de inwoner, en als dit nodig is met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening(en) nodig zijn om aan het werk te kunnen gaan.
6De gemeente onderzoekt, als dit voor de inwoner nodig is, de mogelijkheden om samen te werken met andere organisaties. Bijvoorbeeld organisaties op het gebied van (publieke) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen. Dit is om ervoor te zorgen dat er een goed afgestemde ondersteuning wordt geboden die gericht is op het kunnen gaan werken
7De gemeente maakt zo snel mogelijk na afronding van het onderzoek een verslag van de uitkomsten van het onderzoek.
8Op basis van het onderzoek neemt de gemeente een besluit en stuurt dit aan de inwoner en, als dit van toepassing is, naar de werkgever.
3.4.23 Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen
1De gemeente neemt een besluit en stuurt dit besluit naar de inwoner, zoals ook opgenomen in artikel 2.4.1.
2Bij een toekenning van persoonlijke ondersteuning of een overige voorziening wordt in ieder geval in de brief opgenomen:
a.welke persoonlijke ondersteuning of overige voorziening wordt verstrekt;
b.als subsidie wordt verstrekt, wat de hoogte is van het subsidiebedrag;
c.de duur en hoeveel ondersteuning er gegeven wordt;
d.Wanneer de ondersteuning of overige voorziening gegeven wordt;
e.als de toekenning anders is dan wat is aangevraagd, wat de reden hiervan is; en
f.welke andere ondersteuning of voorziening belangrijk is en hoe de inwoner kan worden ondersteund.
3Als de gemeente een aanvraag om persoonlijke ondersteuning of een overige voorziening afwijst omdat er een andere voorziening bestaat, wordt in de brief vermeld om welke voorziening dit gaat.
3.4.24 Persoonlijke ondersteuning bij werk.
1De gemeente kan persoonlijke ondersteuning bij werk, in de vorm van jobcoaching als dienst (in natura), geven door middel van een jobcoach die werkt bij of in opdracht van de gemeente of bij een andere organisatie waarbij de gemeente de uitvoering van de jobcoaching inkoopt.
2De gemeente kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van een subsidie (geldbedrag) geven aan de werkgever voor:
a.jobcoaching door een jobcoach die in het bedrijf of buiten het bedrijf werkt; of
b.werkbegeleiding door iemand die in het bedrijf werkt.
3Deze persoonlijke ondersteuning bij werk kan ook worden aangeboden bij een proefplaats, leer-werktraject of om aan het werk te kunnen gaan in een betaalde baan of een proefplaatsing.
3.4.25 Bijzondere regels toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk
1De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet binnen acht weken nadat de inwoner aan het werk is gegaan worden gedaan. Dit hoeft niet als op dat moment de noodzaak voor die ondersteuning met een geldige reden nog niet bekend kon zijn.
2De gemeente neemt een besluit over de aanvraag op basis van de persoonlijke omstandigheden van de inwoner,. Daarbij worden de aard, omvang, duur en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning gewogen.
3De persoonlijke ondersteuning bij werk wordt schriftelijk vastgelegd in een ‘plan persoonlijke ondersteuning bij werk’ (jobcoachplan). Hierin worden in ieder geval de doelen van de ondersteuning, de wijze waarop begeleiding plaatsvindt, het aantal uren en de duur van de ondersteuning opgenomen.
3.4.26 Jobcoaching
1Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt, moet voldoen aan de volgende kwaliteitseisen:
a.de jobcoach heeft minimaal Hbo werk- en denkniveau;
b.de jobcoach heeft een jobcoach opleiding gevolgd;
c.de jobcoach heeft een registratie in het Register Loopbaancoach (voormalig Noloc Jobcoach) of het NVS-Beroepenregister voor jobcoaches en/of is werkzaam bij een organisatie die een Blik op werk of Oval Keurmerk heeft of een jobcoach erkenning heeft van het UWV;
d.de jobcoach heeft ervaring op het gebied van jobcoaching;
e.de jobcoach heeft kennis van de specifieke doelgroep met een arbeidsbeperking, regionale arbeidsmarkt (ontwikkelingen) en de regionale sociale kaart;
f.de jobcoach zorgt ervoor dat zijn kennis en vaardigheden actueel blijven en investeert in na- en bijscholing.
2Een uitzondering op de gestelde voorwaarden van lid 1 geldt voor situaties waarin een werknemer met baan en bijbehorende jobcoach binnenkomt bij de gemeente, bijvoorbeeld als gevolg van verhuizing of een stageplek vanuit het VSO/PRO onderwijs. De jobcoach moet binnen één jaar alsnog aan de in lid 1 gestelde eisen voldoen.
3De in te zetten jobcoaching wordt bepaald op basis van de volgende begeleidingsregimes:
a.Licht: jaar 1, 6%, jaar 2, 3% en jaar 3 en daarop volgende jaren 3% van het aantal overeengekomen werkuren
b.Midden: jaar 1, 10%, jaar 2, 5%, jaar 3 en daarop volgende jaren 3% van het aantal overeengekomen werkuren
c.Intensief: jaar 1, 15%, jaar 2, 7,5%, jaar 3 en daarop volgende jaren 6% van het aantal overeengekomen werkuren
4De gemeente kan van de hierboven genoemde regels afwijken als de ondersteuning in verhouding staat tot het doel dat wordt bereikt met de inwoner die een baan aanneemt.
5Als de gemeente een of meer jobcoaches zelf in dienst of gecontracteerd heeft, dan biedt de gemeente deze als eerste aan.
6Voordat de gemeente de jobcoaching stopt, wordt onderzocht of dit mogelijk is. Wanneer de werkgever en de inwoner het eens zijn met het stop zetten, hoeft er geen onderzoek te worden gedaan.
3.4.27 Jobcoaching als dienst
1De gemeente kan uit zichzelf, of op aanvraag, jobcoaching als dienst (in natura) aanbieden.
2Bij aanvragen voor jobcoaching als dienst en de voorbereiding van een besluit op de aanvraag zijn de artikelen 3.4.17 tot en met 3.4.22 ook van toepassing.
3.4.28 Subsidie voor het organiseren van jobcoaching
1De gemeente kan de werkgever op aanvraag een bedrag (subsidie) voor het organiseren van jobcoaching geven.
2Het bedrag voor het organiseren van jobcoaching kan worden gegeven met gebruik van de artikelen 3.4.17 tot en met 3.4.22, als;
a.de jobcoaching bestaat uit een op de inwoner gebaseerd trainings- of inwerkprogramma gericht op het kunnen uitvoeren van de aan hem opgedragen taken. De manier waarop de jobcoaching wordt gegeven, wordt vastgelegd in een plan van aanpak.
b.de hoeveelheid en de kwaliteit van de geregelde jobcoaching passend is;
c.de jobcoaching kan blijven doorgaan; en
d.de inwoner voor wie de subsidie wordt gevraagd dit weet en schriftelijk akkoord gaat met het organiseren van jobcoaching door de werkgever.
3De gemeente kan voor jobcoaching een maximumbedrag per uur gebruiken dat voldoende is voor het regelen van een jobcoach. Het tarief is opgenomen in de Beleidsregels re-integratie en participatie.
4Met goedvinden van de werkgever en de inwoner voor wie de subsidie wordt gegeven, kan de jobcoach ook:
a.ondersteuning geven gericht op het vinden van werk; of
b.samen met andere voorzieningen ondersteuning geven bij de overgang van werk naar werk en van werk naar onderwijs.
3.4.29 Werkbegeleiding in het bedrijf (Interne werkbegeleiding)
1Als een inwoner uit de doelgroep meer begeleiding dan gemiddeld nodig heeft om te kunnen werken, kan de gemeente een bedrag geven aan de werkgever. Het gaat dan om de hogere kosten die nodig zijn voor het regelen van de werkbegeleiding in het bedrijf. De maximum bedragen staan in de Beleidsregels re-integratie en participatie.
2De gemeente kan vanuit zichzelf of op aanvraag van de werkgever een training aanbieden om een of meer medewerkers van het bedrijf te trainen in het geven van werkbegeleiding. Deze medewerkers kunnen vervolgens de inwoners die horen bij de doelgroep begeleiden in het werk.
3.4.30 Bijzondere voorwaarden toekenning vervoersvoorziening
1De gemeente kan een vervoersvoorziening toekennen aan een inwoner die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel als dienst als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt.
2De gemeente biedt een vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a.de inwoner kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruikmaken van het openbaar vervoer; en
b.het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer.
3De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en bedraagt het in de markt reguliere tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer.
4Het college brengt een eventueel bedrag voor een vervoersvoorziening van de werkgever aan de werknemer in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening.
5De gemeente kan extra regels opnemen in de Beleidsregels re-integratie en participatie.
3.4.31 Bijzondere voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap
1De gemeente kan inwoners met arbeidsvermogen die moeite hebben met zien, horen of bewegen een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen, zoals een doventolk of voorleeshulp.
2De gemeente kan extra regels opnemen in de Beleidsregels re-integratie en participatie.
3.4.32 Bijzondere voorwaarden meeneembare voorzieningen
1De gemeente kan een meeneembare voorziening toekennen als dit nodig is voor de inwoner om te kunnen werken.
2Er is geen vaste lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde op het werk aantoonbaar is.
3De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen beschikbaar gesteld. In bijzondere gevallen kan het college besluiten de voorziening in eigendom te verstrekken.
4De gemeente kan extra regels opnemen in de Beleidsregels re-integratie en participatie.
3.4.33 Bijzondere regels bij persoonlijke voorzieningen bij werk of scholing
1De gemeente kan een inwoner een aanpassing van de werkplek toekennen als dit nodig is om zijn werk uit te kunnen voeren. Dit op basis van de voorwaarden zoals genomen in artikel 3.4.22.
2Hierbij kan elk product als werkplekaanpassing worden beschouwd als dit nodig is en de meerwaarde op het werk aantoonbaar is.
3De gemeente kan extra regels opnemen in de Beleidsregels re-integratie en participatie.
3.5 Tegenprestatie
(PW, IOAW, IOAZ)
3.5.1 Doel van de tegenprestatie
1De gemeente legt een inwoner met een gemeentelijke uitkering een tegenprestatie op als de gemeente dit een passende manier vindt voor de inwoner om iets terug te doen voor de samenleving. De gemeente legt inwoners met een grote kans op werk pas een tegenprestatie op in bijzondere situaties.
2Het doel van de tegenprestatie is dat de inwoner zich inzet voor de samenleving als reactie op de inspanningen van de gemeente voor de inwoner.
3.5.2 Voorwaarden tegenprestatie
1Bij het opleggen van een tegenprestatie houdt de gemeente rekening met alle persoonlijke omstandigheden van de inwoner, zoals de gezinssituatie, de duur van de werkloosheid, eventuele beperkingen en vrijwilligerswerk.
2De gemeente legt in ieder geval geen tegenprestatie op als de inwoner mantelzorg verleent en dit niet te combineren is met de tegenprestatie.
3.5.3 Inhoud van de tegenprestatie
1De tegenprestatie die de gemeente van de inwoner verwacht duurt maximaal 3 maanden en maximaal 8 uur per week. Dit is om de volgende redenen:
a.de tegenprestatie mag het vinden van betaald werk niet in de weg zitten.
b.de tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing van werknemers en tot oneerlijke concurrentie.
c.het moet gaan om activiteiten die maatschappelijk nuttig zijn, maar waarvoor geen beloning kan worden gevraagd.
2De tegenprestatie kan binnen een periode van 1 jaar 4 keer worden opgedragen.
3.6 Meedoen in de samenleving
(Wmo)
Een inwoner die vanwege een beperking of een psychisch/psychosociaal probleem hulp nodig heeft om mee te doen in de samenleving (participatie), kan op aanvraag ondersteuning-op-maat krijgen. Hij moet wel voldoen aan de voorwaarden van artikel 2.3.2 in deze verordening. Ook moet de ondersteuning een passende en duurzame bijdrage leveren voor de inwoner, zodat hij in staat is om mee te doen in de samenleving en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen. Hieronder staan de vormen van ondersteuning die de gemeente in ieder geval kan geven.
3.6.1 Dagbesteding
De gemeente zorgt ervoor een inwoner die niet in staat is de dag goed in te vullen ondersteuning-op-maat kan krijgen (dagbesteding). De ondersteuning-op-maat houdt in dat een inwoner onder begeleiding één of meer dagdelen per week mee kan doen aan arbeidsmatige, recreatieve of andere groepsactiviteiten.
3.6.2 Persoonlijke begeleiding
De gemeente zorgt ervoor dat een inwoner die niet in staat is de normale dagelijkse activiteiten te doen, ondersteuning-op-maat kan krijgen. De ondersteuning-op-maat houdt in dat een inwoner in meerdere of mindere mate begeleid wordt bij deze activiteiten (persoonlijke begeleiding). Het betekent dat de begeleider ondersteunt bij de dagelijkse gang van zaken en dat hij de inwoner ondersteunt om op een goede manier met zijn omgeving en netwerk om te gaan. De begeleider kan ook ondersteunen bij vaak terugkerende activiteiten. De begeleider neemt deze activiteiten niet volledig over, maar kan als dat nodig is wel de regie overnemen.
3.6.3 Collectief maatwerkvervoer
1De gemeente zorgt ervoor dat een inwoner die zich vanwege een beperking onvoldoende kan verplaatsen ondersteuning-op-maat kan krijgen. De ondersteuning-op-maat houdt in dat een inwoner geholpen wordt met vervoer dicht bij huis zodat hij zelfstandig kan blijven en mee kan doen met sociale, recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten. Die ondersteuning kan bestaan uit het aanbieden van de mogelijkheid om te reizen met het collectief maatwerkvervoer.
2Voor collectief vervoer geldt het volgende:
a.er is een kilometergrens van 1500 kilometer per jaar.
b.als een inwoner later in het jaar gebruik gaat maken van het collectief vervoer, wordt het aantal kilometers berekend voor de resterende dagen van het kalenderjaar. (1500/ 365 x resterende aantal dagen tot en met 31 december).
c.de gestelde kilometergrenzen gelden voor ritten binnen de vervoersregio.
d.de gemeente kan gemotiveerd afwijken van het maximale aantal kilometers.
e.voor het reizen met het collectief vervoer geldt een reizigersbijdrage (zie bijlage 1).
3De gemeente kan een inwoner een bijdrage in de kosten geven voor het gebruik van de eigen auto. De bijdrage is voor maximaal 1500 kilometer per kalenderjaar. Als sprake is van een echtpaar met een (gedeeltelijk) gezamenlijke vervoersbehoefte kan 1,5x de kilometernorm worden gedeclareerd. De geldende kilometervergoeding staat beschreven in het financieel besluit Wmo.
4Bij verstrekking van een individuele (rolstoel)taxi vergoeding kan de inwoner de werkelijke kosten tot maximaal 1500 kilometer per jaar declareren.
5Het moet gaan om:
a.het zich verplaatsen rondom de woning;
b.het zich verplaatsen over een langere afstand dicht bij huis; of
c.het vervoer naar de plek waar de inwoner deelneemt aan een activiteit (van de gemeente) om de dag in te vullen.
6Om collectief maatwerkvervoer beschikbaar en betaalbaar te, houden kijkt de gemeente eerst of een vervoersprobleem opgelost kan worden met collectief maatwerkvervoer
7Voor het geschikt maken van de eigen auto door een autoaanpassing wordt maximaal één keer per 7 jaar een reële vergoeding verstrekt.
3.6.4 Hulpmiddelen voor vervoer
1De gemeente zorgt ervoor dat een inwoner die zich vanwege een beperking niet kan verplaatsen in en om de woning, ondersteuning-op-maat kan krijgen. Die ondersteuning kan bestaan uit het aanbieden van een rolstoel of ander hulpmiddel voor vervoer om zich te verplaatsen in en om de woning.
2Hiervoor kent de gemeente de volgende ondersteuning:
a.voor dagelijks zittend gebruik wordt een hiervoor geschikte rolstoel toegekend.
b.voor verplaatsen dichtbij huis wordt een hulpmiddel voor vervoer toegekend.
c.voor sportieve activiteiten wordt een vergoeding voor het kopen en onderhouden van een sporthulpmiddel (zoals een sportrolstoel) toegekend. Deze vergoeding wordt maar één keer per 3 jaar toegekend.
3.6.5 Vervanging hulpmiddelen voor vervoer
Als de gemeente eerder een hulpmiddel voor vervoer heeft verstrekt en deze moet worden vervangen, dan doet de gemeente dit alleen als het hulpmiddel voor vervoer:
a.technisch is afgeschreven;
b.verloren is gegaan buiten de schuld van de inwoner om; of
c.geen oplossing meer is voor de problemen die de inwoner ervaart bij het verplaatsen in en om de woning of het verplaatsen dichtbij huis.
4 Gezond en veilig opgroeien
4.1 Uitgangspunten bij het bieden van ondersteuning
(Jeugdwet)
1Bij het bieden van ondersteuning houden de gemeente en de jeugdhulpverlener rekening met het geloof, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jongere en de ouder(s).
2Alle ondersteuning is gericht op het versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jongere, zijn ouder(s) en hun sociale netwerk.
3De gemeente betrekt de wensen van de jongere en zijn ouder(s) bij de keuze voor de vorm van jeugdhulp.
4Als het gewenste resultaat van de jeugdhulp niet op eigen kracht of met het sociale netwerk bereikt kan worden, maar wel met ondersteuning die vrij toegankelijk is, dan wordt die hulp ingezet. Het gaat dan bijvoorbeeld om ondersteuning door het Centrum voor jeugd en gezin (CJG). Kan het gewenste resultaat niet bereikt worden met die ondersteuning, dan wordt ondersteuning-op-maat ingezet.
4.2 Algemene voorzieningen
(Jeugdwet)
1De gemeente zorgt ervoor dat kinderen en jongeren zoveel mogelijk gezond, kansrijk en veilig kunnen opgroeien. Om dat te bereiken, ondersteunt de gemeente jongeren en hun ouders in ieder geval met:
a.het versterken van de opvoed- en opgroeiomgeving, waarin gezinnen, wijken of kernen, scholen en kinderopvang samenwerken en elkaar aanvullen;
b.ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien in de vorm van persoonlijk advies en specifieke cursussen of trainingen;
c.jeugdgezondheidszorg (GGD);
d.het jongerenwerk;
e.opvoedondersteuning;
f.schoolmaatschappelijk werk;
g.een vertrouwenspersoon.
h.ondersteuning door (gespecialiseerde) vrijwilligers.
Deze ondersteuning is vrij toegankelijk. De jongere en zijn ouder(s) kunnen voor deze jeugdhulp rechtstreeks contact opnemen met de aanbieder.
2De gemeente zorgt ervoor dat signalen over zorgen bij opgroei- en opvoedingsproblemen zo vroeg mogelijk worden opgevangen en dat daar ook zo vroeg mogelijk ondersteuning wordt geboden.
4.3 Individuele voorzieningen (ondersteuning-op-maat)
(Jeugdwet)
1De gemeente kan in ieder geval de volgende ondersteuning-op-maat aanbieden:
a.specialistische jeugdhulp in de vorm van begeleiding, ondersteuning of behandeling;
b.begeleidende verzorging;
c.vervoer van de jongere van en naar een plek waar jeugdhulp wordt aangeboden;
d.een plek in een pleeggezin, gezinshuis of verblijf in een instelling. Pleegzorg heeft hierbij de voorkeur.
Deze ondersteuning is niet vrij toegankelijk. De inwoner heeft daarvoor een besluit van de gemeente of een verwijzing van een huisarts, medisch specialist, jeugdarts, gecertificeerde instelling of jeugdreclassering nodig.
2De Rijksoverheid biedt het Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling Veilig Thuis. Dit advies- en meldpunt biedt 24 uur per dag, 7 dagen per week advies en ondersteuning aan iedereen die direct of indirect is betrokken bij huiselijk geweld en kindermishandeling.
4.4 Overgang van 18- naar 18+
(Jeugdwet)
1De gemeente is ervoor verantwoordelijk dat jongeren die jeugdhulp krijgen ondersteund blijven worden als die ondersteuning nog nodig is als ze 18 jaar worden. Dat wil zeggen dat de gemeente samen met de jongere zorgt voor een toekomstplan voor de jongere op alle belangrijke onderwerpen.
2Dit plan besteedt in ieder geval aandacht aan de volgende onderwerpen:
a.scholing, werk en/ of participatie
b.wonen
c.inkomen
d.zorg en ondersteuning
e.vrije tijd
f.het netwerk van de jongere
3Het is mogelijk dat de jeugdhulp wordt verlengd. Dit kan maximaal tot de dag dat de jongere 23 jaar wordt. Deze verlenging is dan een onderdeel van het plan.
4Als sprake is van pleegzorg, dan wordt deze ingezet tot de dag dat de jongere 21 jaar wordt, tenzij de jongere 18 jaar of ouder is en heeft aangegeven op eigen benen te willen staan. De jeugdhulp kan eventueel worden verlengd totdat de jongere 23 jaar wordt.
5 Wonen in een veilige en gezonde omgeving
5.1 Uitgangspunten
(Wmo)
1De gemeente zet zich ervoor in dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen, de noodzakelijke dagelijkse activiteiten kunnen uitvoeren en een eigen huishouding kunnen voeren. Inwoners kunnen op aanvraag ondersteuning-op-maat krijgen als ze voldoen aan de voorwaarden in artikel 2.3.2 in deze verordening. Ook moet de ondersteuning een passende en duurzame bijdrage leveren voor de inwoners, zodat zij zo lang mogelijk in hun eigen leefomgeving kunnen blijven wonen.
2In een beleidsplan legt de gemeente vast op welke manier dit hoofdstuk wordt uitgevoerd.
5.2 Zelfstandig en veilig wonen
(Wmo)
5.2.1 Geschikte woning
1De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner ondersteuning-op-maat kan krijgen als het normale gebruik van zijn woning door een beperking niet mogelijk is. De ondersteuning-op-maat houdt in dat de woning bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar wordt gemaakt.
2Als de woning niet of alleen tegen zeer hoge kosten (meer dan € 6.500, - voor de duur van 5 jaar) aangepast kan worden, verwacht de gemeente dat de inwoner verhuist naar een geschikte(re) woning, als deze beschikbaar is. De inwoner kan dan een vergoeding krijgen voor de verhuizing en de inrichting van de nieuwe woning. Deze maximale hoogte van de verhuiskostenvergoeding is opgenomen in het financieel besluit.
3De gemeente verstrekt niet altijd ondersteuning--op--maat in de vorm van een woonvoorziening. De gemeente geeft geen ondersteuning-op-maat in de volgende situaties:
a.de belemmeringen die de inwoner ervaart zijn het gevolg van de materialen die in de woning zijn gebruikt.
b.de inwoner verblijft in een hotel of pension, een tweede woning, een trekkerwoonwagen, een klooster, een vakantiewoning, een recreatiewoning, een ADL-clusterwoning of een gehuurde woonruimte waarvoor de inwoner geen huurtoeslag kan krijgen.
c.de inwoner woont in een woning die specifiek gericht is op een bepaalde groep mensen waartoe de inwoner behoort, bijvoorbeeld een complex voor ouderen, en de voorziening is bedoeld voor een gemeenschappelijke ruimte, zoals elektrische deuropeners.
d.het gaat om voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder veel meerkosten meegenomen kunnen worden.
e.de inwoner is, zonder dringende reden, verhuisd vanuit een woonruimte waar de inwoner geen problemen had bij het normale gebruik van de woning.
f.de inwoner heeft een indicatie voor verhuizing naar een zorginstelling op grond van de Wet langdurige zorg.
g.de inwoner is verhuisd naar een woning die niet de meest geschikte woning is om de belemmeringen bij het normale gebruik van zijn woning weg te nemen, tenzij de gemeente daar toestemming voor heeft gegeven.
4Een woonvoorziening die een eerder verstrekte woonvoorziening vervangt, kan alleen worden verstrekt als:
a.de eerder verstrekte woonvoorziening technisch is afgeschreven;
b.de eerder verstrekte woonvoorziening verloren is gegaan buiten de schuld van de inwoner om; of als
c.de woonvoorziening geen oplossing meer is voor de woonproblemen van de inwoner.
5Als de woning van de inwoner moet worden aangepast en daardoor tijdelijk niet bewoonbaar is, kan de inwoner een vergoeding krijgen voor de dubbele woonlasten die hierdoor ontstaan. Deze vergoeding krijgt de inwoner alleen als hij de dubbele woonlasten niet kon voorkomen.
6De hoogte van de vergoeding voor huurderving is gelijk aan de werkelijke kosten. Dit geldt voor maximaal 6 maanden waarbij de eerste 2 maanden niet meetellen voor een tegemoetkoming. Voorwaarde voor het ontvangen van de vergoeding is dat de woning voor meer dan €4.800,- moet worden aangepast om weer geschikt te maken voor het normale gebruik van zijn woning.
7De hoogte van de vergoeding voor de kosten van onderhoud, keuring en reparatie van de woonvoorzieningen is gelijk aan de werkelijke kosten. De aanbieder en de gemeente bepalen hoeveel onderhoud en welke keuring er nodig is.
8Bij verkoop van de woning binnen 5 jaar na de woningaanpassing moet de inwoner een deel van de waardevermeerdering van de woning door de woningaanpassing aan de gemeente terugbetalen. De volgende percentages gelden:
a.voor het eerste jaar 100% van de meerwaarde;
b.voor het tweede jaar 80% van de meerwaarde;
c.voor het derde jaar 60% van de meerwaarde;
d.voor het vierde jaar 40% van de meerwaarde; en
e.voor het vijfde jaar 20% van de meerwaarde.
5.2.2 Een schone en leefbare woning
1De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner ondersteuning-op-maat kan krijgen als hij zijn woning niet schoon en leefbaar kan houden als gevolg van een beperking. De ondersteuning-op-maat wordt in minuten per week gegeven.
2De ondersteuning-op-maat houdt in dat de inwoner de volgende voorziening kan krijgen:
a.ondersteuning bij een schoon huis. Deze ondersteuning bestaat uit schoonmaakhulp. Deze hulp maakt alleen schoon, waarbij vooral het zware schoonmaakwerk wordt gedaan.
b.ondersteuning gericht op het huishouden. Deze ondersteuning bestaat uit schoonmaakhulp, maar er wordt ook aandacht besteed aan het aanbrengen van structuur in de huishouding en het aanleren van benodigde vaardigheden waarbij uiteindelijk de regie ook weer bij de inwoner komt.
3Als er in het huishouden van de inwoner minderjarige kinderen zijn, dan kan de ondersteuning-op-maat ook bestaan uit het overnemen van de gebruikelijke hulp voor deze kinderen. Deze ondersteuning is vooral bedoeld om de periode tot er andere hulp is te overbruggen.
5.2.3 Beschermd wonen
1De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner ondersteuning-op-maat kan krijgen in de vorm van beschermd wonen. De inwoner moet deze woonvorm nodig hebben door psychische of psychosociale problemen. Beschermd wonen kan worden ingezet als dit de inwoner helpt om zichzelf weer te kunnen handhaven in de samenleving.
2Voor de inwoner die ondersteuning-op-maat in de vorm van beschermd wonen nodig heeft, gelden de regels die zijn vastgelegd in de geldende verordening van de centrumgemeente Deventer vastgesteld door de gemeenteraad van Deventer.
5.2.4 Maatschappelijke opvang
1De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner ondersteuning-op-maat kan krijgen in de vorm van tijdelijke (maatschappelijke) opvang. Deze opvang is bedoeld voor de inwoner die niet meer thuis kan wonen en zich niet kan handhaven in de samenleving door psychische of psychosociale problemen of de dreiging van huiselijk geweld.
2Voor de inwoner die ondersteuning-op-maat in de vorm van de maatschappelijke opvang nodig heeft, gelden de regels die zijn vastgelegd in de geldende verordening van de centrumgemeente Deventer vastgesteld door de gemeenteraad van Deventer.
5.3 Mantelzorg
(Wmo)
Een mantelzorger zorgt langdurig, intensief en onbetaald voor iemand in de thuissituatie of in een instelling, die een beperking, chronische of levensbedreigende ziekte heeft. En met wie hij al een persoonlijke band heeft. Mantelzorgers vervullen een belangrijke rol. Daarom investeert de gemeente in de ondersteuning van mantelzorgers om overbelasting te voorkomen. Ook heeft de gemeente aandacht voor erkenning en waardering van deze groep, via een jaarlijkse mantelzorgwaardering.
5.3.1 Ondersteuning mantelzorger
De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die mantelzorg geven informatie en advies kunnen krijgen.
De gemeente kan ook ondersteuning-op-maat geven zodat de mantelzorg voor een korte periode (deels) wordt overgenomen door een professionele hulpverlener om de mantelzorger tijdelijk te ontlasten.
5.3.2 Voorwaarden mantelzorgwaardering
1Een mantelzorgwaardering kan worden aangevraagd door degene die mantelzorg ontvangt. De volgende voorwaarden gelden:
a.degene die mantelzorg ontvangt moet inwoner zijn van de gemeente.
b.de mantelzorg wordt over een langere periode verleend; minimaal 3 maanden, gemiddeld 8 uur per week. en
c.de mantelzorg wordt verleend door iemand die geen betaalde hulp aan de inwoner geeft.
2De mantelzorgwaardering moet worden aangevraagd voor 31 december van het betreffende jaar.
3De inwoner kan het bedrag van de mantelzorgwaardering verdelen over meerdere betrokken mantelzorgers.
6 Vervoer naar school
6.1 Uitgangspunten
(Llv)
1Ouder(s) zijn er zelf voor verantwoordelijk dat de leerling naar school gaat. Als blijkt dat voor het schoolbezoek van de leerling er problemen zijn met het vervoer kunnen ouder(s) een aanvraag voor leerlingenvervoer bij de gemeente doen. De gemeente beoordeelt of zij hiervoor in aanmerking komen. De ondersteuning van de gemeente heet een vervoersvoorziening:
a.bekostiging van de goedkoopst mogelijke wijze van (openbaar) vervoer voor de leerling en zo nodig diens begeleider;
b.aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente doet verzorgen; of
c.gehele of gedeeltelijke bekostiging van de noodzakelijk geachte vervoerkosten van de leerling en zo nodig diens begeleider.
2Als de ouder(s) een vervoersvoorziening krijgen en de leerling wordt meerderjarig, dan wordt de vervoersvoorziening niet langer aan de ouder(s) verstrekt. De leerling kan dan zelf een vervoersvoorziening krijgen als het aan de voorwaarden voldoet.
6.2 Onderzoek
(Llv)
1Een aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt gedaan in de gemeente waar de leerling verblijft, door een volledig ingevuld en ondertekend (papieren of digitaal) aanvraagformulier, voorzien van de op het formulier gevraagde gegevens in te dienen.
2Als dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is, kan de ouder(s) verzocht worden aanvullende gegevens te verstrekken.
3De gegevens voortvloeiend uit de aanvraag voor een vervoersvoorziening worden slechts gebruikt om de aanvraag te kunnen beoordelen en uitvoering te kunnen geven aan de vervoersvoorziening voor de leerling.
4Bij de beoordeling van een aanvraag voor een vervoersvoorziening voor de leerling en eventueel een begeleider, wordt rekening gehouden met de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en die van het gezin.
5De gemeente onderzoekt of ouder(s)/leerling een vervoersvoorziening kunnen krijgen en zo ja, welke voorziening nodig is. De gemeente onderzoekt dan met welk vervoermiddel de leerling kan reizen, welke route naar school de kortste en begaanbaar en veilige route is en of er begeleiding nodig is bij het reizen.
6Voor het bepalen van de route naar school wordt gebruik gemaakt van de routeplanner van de ANWB. De gemeente berekent wat de afstand van de woning van de leerling is tot de dichtstbijzijnde school die bij de leerling past en waar plaats is voor de leerling.
7Wanneer de leerling de leeftijd van negen jaar bereikt, kan in overleg met de ouder(s), desgewenst de leerling en in samenhang met het ontwikkelingsperspectief een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan opgesteld worden, waarin de weg naar zelfstandig reizen naar school wordt beschreven en ook de mogelijkheden van de leerling. Dit plan maakt onderdeel uit van het besluit.
6.3 Voorwaarden
(Llv)
6.3.1 Vervoersvoorziening naar school
1De gemeente verstrekt ouders een vervoersvoorziening als het kind in de gemeente Olst-Wijhe verblijft en:
a.minimaal vier jaar oud is of minimaal drie jaar oud is als het om een doof of slechthorend kind gaat dat speciaal onderwijs volgt;
b.naar de basisschool gaat, speciaal of voortgezet onderwijs volgt; en
c.vanwege een langdurige beperking niet zelfstandig met het openbaar vervoer (ov) of met de fiets kan reizen, maar begeleiding of aangepast vervoer nodig heeft.
2De gemeente verstrekt ouders ook een vervoersvoorziening als het kind in de gemeente Olst-Wijhe verblijft en:
a.minimaal vier jaar oud is;
b.naar de basisschool gaat of speciaal onderwijs volgt; en
c.de dichtstbijzijnde school binnen het samenwerkingsverband die bij het kind past en waar plaats is voor het kind, meer dan zes kilometer van de woning of de opstapplaats van het kind afligt; of
d.de ouders in een brief hebben aangegeven waarom het kind naar een school moet gaan die verder weg is dan de dichtstbijzijnde passende school. De gemeente beoordeelt of deze school daarmee een passende school voor dit kind is.
3De afstand die in het tweede lid wordt genoemd, is anders, namelijk 2 kilometer, als het gaat om een school voor zeer moeilijk lerende kinderen voor speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 2, tweede lid onder j van de Wet op de Expertisecentra.
4Ouders krijgen geen vergoeding voor het vervoer van het kind als het kind meereist met een andere ouder die van de gemeente een vergoeding krijgt voor het vervoer van zijn eigen kind.
5Ouders krijgen een vergoeding voor de reiskosten van een begeleider als het kind:
a.door een langdurige beperking niet zelf met het ov naar school kan reizen of naar school kan fietsen;
b.jonger dan 9 jaar is en de ouders hebben aangetoond dat het kind niet zelf met het ov naar school kan reizen of zelf naar school kan fietsen. De leeftijd wordt bepaald op 1 augustus van het schooljaar waar het om gaat.
6Als begeleiding in het vervoer vereist is, vergoed de gemeente geen andere kosten dan de vervoerskosten die verbonden zijn aan de begeleiding van de leerling in het vervoer.
7Als een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één begeleider voor bekostiging in aanmerking.
6.3.2 Vervoersvoorziening naar stageadres
1Als er al een vervoersvoorziening naar een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet onderwijs is kan op verzoek een vervoersvoorziening worden toegekend voor het vervoer naar een stageadres. Hiervoor wordt dan een afzonderlijke aanvraag ingediend.
2Een aanvraag voor stagevervoer kan naast de ouder(s) ook door de school voor voortgezet speciaal onderwijs of de school voor voortgezet onderwijs gedaan worden.
3De vervoersvoorziening naar een stageadres wordt slechts toegekend als er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
a.de stage is onderdeel van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids van de school of in het stagecontract;
b.de stagetijden komen overeen met de reguliere schooltijden; en
c.de stage vindt zoveel mogelijk plaats op één stageadres.
4Een vervoersvoorziening wordt slechts toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling en het dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke stageadres.
5Het stagecontract kan voor de beoordeling van de aanvraag worden opgevraagd.
6.3.3 Regeling voor weekend- en vakantievervoer
1De gemeente verstrekt ouders die een vervoersvoorziening krijgen voor een kind dat speciaal onderwijs volgt en in een internaat of pleeggezin verblijft, ook een vervoersvoorziening voor:
a.het weekendvervoer van het kind van het internaat of pleeggezin naar de woning van de ouders en terug, behalve als de weekenden vallen in een schoolvakantie;
b.het vakantievervoer van het kind van het internaat of pleeggezin naar de woning van de ouders en terug, eenmaal per schoolvakantie van 2 dagen of meer. De schoolvakantie moet in de schoolgids van de school worden genoemd.
2De regels uit de andere artikelen van dit hoofdstuk gelden ook voor het weekend- en vakantievervoer, behalve artikel 6.4.1 lid 3, onderdeel a.
6.3.4 Leerlingenvervoer voor nieuwkomers
1Deze verordening geldt voor leerlingen die niet in een noodopvang of AZC verblijven, ongeacht het feit of zij een vluchtelingenstatus hebben.
2Leerlingen, die vanwege een taalachterstand aangewezen zijn op een taalklas binnen het basisonderwijs, komen voor totaal 1 schooljaar in aanmerking voor leerlingenvervoer.
3Is de afstand tot een Internationale Schakelklas (ISK) meer dan 12 kilometer, dan worden maximaal de treinkosten vergoed.
4Vervoer naar een ISK wordt maximaal voor de duur van 2 jaar (minus het gedeelte van deze periode wat al vanuit het AZC is gevolgd) vergoed, en altijd afgegeven per schooljaar.
6.4 Vorm en hoogte van de vervoersvoorziening
(Llv))
6.4.1 Vervoersvoorziening
1De gemeente stemt de vervoersvoorziening af op de goedkoopste manier van reizen. Als de leerling naar school kan fietsen (eventueel met begeleiding), dan kunnen de ouder(s) een vergoeding krijgen voor het gebruik van de fiets. Kan de leerling niet fietsen naar school, dan kunnen de ouder(s) een vergoeding krijgen voor het ov. Ouder(s) kunnen gebruikmaken van aangepast vervoer als dat nodig is. Zij kunnen er in dat geval ook voor kiezen om de leerling zelf te vervoeren als zij daarvoor toestemming van de gemeente hebben. Dan hebben zij recht op een vergoeding die gebaseerd is op een kilometervergoeding voor vervoer met eigen auto.
2Bekostiging van het aangepast vervoer vindt plaats op standaard schooldagen en schooltijden, zoals deze zijn opgenomen in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt.
3Aangepast vervoer is nodig in de volgende situaties:
a.de leerling is met het ov meer dan anderhalf uur onderweg en de reistijd wordt met aangepast vervoer teruggebracht tot 50% van de reistijd met het ov.
b.ov naar school ontbreekt en de leerling kan niet met de fiets naar school (ook niet met begeleiding).
c.de leerling kan niet begeleid worden door de ouder(s) of anderen of begeleiding heeft grote nadelen voor het gezin en een andere oplossing is niet mogelijk.
d.de leerling heeft langdurige beperkingen waardoor hij niet met het ov kan reizen (ook niet met begeleiding).
4Als een begeleider meerdere kinderen begeleidt, dan beperkt de gemeente de vergoeding tot de reiskosten van één begeleider.
5De hoogte van een vergoeding van de gemeente is afhankelijk van de reisafstand naar de dichtstbijzijnde school binnen het samenwerkingsverband die bij de leerling past en waar plaats is voor de leerling, via de kortste veilige route op basis van de routeplanner van de ANWB.
6Als de ouder(s) recht hebben op andere (gedeeltelijke) vergoedingen voor de reiskosten van de leerling, trekt de gemeente deze vergoedingen af van de vergoeding die de gemeente geeft. Bij aangepast vervoer brengt de gemeente dan een bedrag bij de ouder(s) in rekening. Dit is de eigen bijdrage.
7De vergoeding van de gemeente voor het gebruik van een eigen vervoermiddel wordt berekend op basis van een kilometervergoeding voor dat vervoermiddel, afgeleid van de Reisregeling binnenland.
8Als ouder(s) meerdere kinderen tegelijk met de auto vervoeren, dan verstrekt de gemeente eenmaal de kilometervergoeding.
9Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan de gemeente na overleg met de ouder(s) een bekostiging verstrekken voor een andere passende voorziening, die goedkoper is dan of gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer.
10De aanspraak op een toelage, voor zover die voor de leerling betrekking heeft op de reiskosten, wordt op een bekostiging in mindering gebracht, dan wel als eigen bijdrage in rekening gebracht.
11De gemeente kan aan de toekenning van een vervoersvoorziening nadere voorwaarden verbinden.
6.4.2 Bijzondere regeling vervoer naar basisschool
1Gaat de leerling naar een reguliere basisschool, dan onderzoekt de gemeente ook hoe hoog het inkomen van de ouder(s) is. Dat is nodig om te bepalen of de ouder(s) een eigen bijdrage moeten betalen. Als het jaarinkomen van de ouder(s) in het peiljaar hoger is dan de geldende inkomensgrens zoals beschreven in het financieel besluit, dan trekt de gemeente per kind de kosten voor de eerste 6 kilometer met het ov af van de vergoeding aan de ouder(s). Het gaat om de kosten voor het gebruik van een ov-chipkaart of een andere ov-betaalmogelijkheid door de leerling en een eventuele begeleider. Ook als er geen ov beschikbaar is of als er geen gebruik wordt gemaakt van het ov, trekt de gemeente dit bedrag af van de vergoeding. Bij aangepast vervoer moeten de ouder(s) dit bedrag aan de gemeente betalen (eigen bijdrage).
2Het aantal kinderen voor wie de ouder(s) in een schooljaar een eigen bijdrage betalen, is maximaal twee per gezin.
3Is de reisafstand meer dan 20 kilometer? Dan betalen ouder(s) de reiskosten voor een deel zelf of helemaal zelf (eigen bijdrage). Als de gemeente zorgt voor aangepast vervoer, dan betalen de ouder(s) de eigen bijdrage aan de gemeente. Als de leerling op een andere manier wordt vervoerd, dan wordt de eigen bijdrage afgetrokken van de vergoeding die de ouder(s) van de gemeente krijgen. De hoogte van de eigen bijdrage wordt per gezin per schooljaar berekend en hangt af van het jaarinkomen van de ouder(s) in het peiljaar.
1De geldende stappen in de staffel en bijbehorende eigen bijdrage staan in het financieel besluit
4De gemeente stopt de vervoersvoorziening als ouder(s) de eigen bijdrage niet (langer) betalen aan de gemeente.
5De gemeente past de bedragen van de inkomensgrenzen in het eerste en tweede lid, en van de eigen bijdragen in het tweede lid, jaarlijks aan (indexering). De gemeente volgt daarbij de wijzigingen die de VNG aan de gemeente doorgeeft.
6Voor ouder(s) van kinderen die vanwege langdurige beperkingen niet zelfstandig met het ov kunnen reizen, geldt de regeling in dit artikel niet. Zij betalen geen eigen bijdrage.
6.5 Ingangsdatum en duur van de vervoersvoorziening
(Llv)
Een vervoersvoorziening gaat in op de datum die de ouders aangeven. Deze datum mag niet liggen vóór de datum waarop de gemeente de aanvraag heeft ontvangen. Voor aangepast vervoer geldt dat de vervoersvoorziening zo snel mogelijk na het besluit van de gemeente ingaat. Ouders moeten elk schooljaar een nieuwe aanvraag doen. Dat moet vóór 1 juni voor het nieuwe schooljaar
6.6 Tijdelijk verblijf buiten de gemeente
(Llv)
1De gemeente kan een tijdelijke vervoersvoorziening voor een periode van maximaal zes weken toekennen aan de ouder(s) van een leerling, die als gevolg van een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente verblijft, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a.de leerling blijft zijn eigen school bezoeken;
b.in de periode, voorafgaand aan het tijdelijke verblijf buiten de gemeente, is een vervoersvoorziening toegekend op grond van deze verordening; en
c.de intentie bestaat dat de leerling terugkeert naar de oorspronkelijke gemeente.
2Het besluit waarin de vervoersvoorziening is toegekend voorafgaand aan een tijdelijke vervoersvoorziening wordt opgeschort met ingang van de datum van tijdelijk verblijf buiten de gemeente en herleeft zodra de leerling terugkeert in de gemeente, tenzij de geldigheidsduur van dit besluit is verstreken.
6.7 OOGO met het samenwerkingsverband
(Llv)
1De gemeente neemt het leerlingenvervoer op als agendapunt in het OOGO (op overeenstemming gericht overleg) met het samenwerkingsverband.
2De gemeente spant zich in om in het OOGO met het samenwerkingsverband afspraken te maken over:
a.de spreiding van het onderwijsaanbod binnen het samenwerkingsverband en de vervoersmogelijkheden die hieruit voortvloeien;
b.de deskundige die de gemeente adviseert over de vervoersmogelijkheden van een leerling en het proces dat hierbij gevolgd wordt. De deskundige betrekt in zijn advies de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling
c.de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verwijzing van de leerling naar de voor hem best passende school met dien verstande, dat slechts een vervoersvoorziening door de gemeente wordt verstrekt naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school;
d.de wijze waarop scholen ondersteund kunnen worden in hun informatievoorziening over het leerlingenvervoer aan ouder(s);
e.de wijze waarop vorm wordt gegeven aan een gezamenlijke verantwoordelijkheid om de vervoerskosten te beheersen.
6.8 Herziening, opschorting, intrekking of terugvordering van de vervoersvoorziening
(Llv)
1De ouder(s) of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling zijn verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op de toegekende vervoersvoorziening, onder vermelding van de datum van wijziging, direct schriftelijk mede te delen aan de gemeente.
2Als sprake is van een wijziging die van invloed is op de toegekende vervoersvoorziening, vervalt de aanspraak daarop en kent de gemeente al dan niet opnieuw een vervoersvoorziening toe.
3Als de ouder(s) of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling niet voldoen aan het bepaalde in het eerste lid, en de gemeente een wijziging als bedoeld in het tweede lid vaststellen, waardoor blijkt dat ten onrechte een vervoersvoorziening is verstrekt, vervalt de aanspraak op de vervoersvoorziening terstond en kent de gemeente al dan niet opnieuw een vervoersvoorziening toe. De gemeente deelt het besluit schriftelijk mee aan de ouder(s) of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling.
4De gemeente kan een besluit als bedoeld in deze verordening herzien, opschorten dan wel intrekken, als de gemeente vaststelt dat:
a.niet of niet meer is of wordt voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen gesteld bij of op grond van deze verordening;
b.beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een ander besluit zou zijn genomen;
c.de verstrekte vervoersvoorziening niet meer de meest passende vervoersvoorziening is;
d.sprake is van onaanvaardbaar wangedrag door de leerling gedurende het verblijf in het aangepast vervoer; of
e.het vervoeren van de leerling leidt tot een onveilige situatie in het aangepast vervoer.
5De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling gedurende het verblijf van de leerling in het aangepaste vervoer berust bij de ouder(s). Als het kind met een taxibusje wordt vervoerd en het kind agressief gedrag of op een andere manier ongewenst gedrag laat zien of de veiligheid van anderen in gevaar brengt, kan de gemeente tijdelijk of voor de rest van het schooljaar weigeren het kind mee te laten reizen in het aangepast vervoer.
6Ten onrechte ontvangen bekostiging kan van de ouder(s) of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling worden teruggevorderd, dan wel worden verrekend bij een eventuele nieuw verstrekte vervoersvoorziening.
7 Inkomen en schulden
7.1 Armoedebeleid
(PW, Gemeentewet)
1De gemeente wil dat inwoners met een laag inkomen en zonder goede financiële buffer hun noodzakelijke bestaanskosten kunnen betalen en kunnen meedoen aan de samenleving.
2De gemeente biedt inwoners die moeite hebben om rond te komen of die schulden hebben ondersteuning bij het op orde krijgen van hun financiën. Het doel van die ondersteuning is dat inwoners blijvend een gezonde financiële huishouding krijgen.
3De gemeente werkt bij het voorkomen en bestrijden van armoede en schulden zoveel mogelijk samen met andere organisaties, bijvoorbeeld met Financiën de Baas en het Budget Adviesbureau Deventer (BAD). De gemeente stimuleert initiatieven van inwoners en organisaties die zijn gericht op het tegengaan van armoede en schulden.
4De gemeente legt in een beleidsplan vast hoe het armoedebeleid voor een bepaalde periode ingevuld wordt. De gemeente geeft daarbij aan welke groepen kwetsbare inwoners op welke manier financieel worden ondersteund.
5De gemeente richt het armoedebeleid zo in, dat inwoners met een laag inkomen voldoende ondersteund worden en dat betaald werk krijgen niet leidt tot een armoedeval.
6De gemeente betrekt bij het maken van het armoedebeleid naast inkomen ook andere onderwerpen zoals onderwijs, maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp.
7De gemeente zorgt ervoor dat voorzieningen die per maand of per jaar worden verstrekt na afloop van die periode op een eenvoudige manier opnieuw aangevraagd kunnen worden.
7.2 Bijzondere bijstand
(PW)
Bijzondere bijstand is een belangrijk hulpmiddel voor de gemeente om inwoners financieel te helpen. Hier worden de uitgangspunten beschreven waarmee de gemeente rekening houdt bij het toepassen van de regels over bijzondere bijstand uit de Participatiewet.
7.2.1 Vangnet
1De gemeente biedt bijzondere bijstand actief aan als een financieel vangnet voor inwoners die geen beroep kunnen doen op eigen mogelijkheden of op andere voorzieningen. Bijzondere bijstand is ervoor bedoeld dat inwoners met een laag inkomen en zonder goede financiële buffer extra noodzakelijke uitgaven kunnen betalen. Het gaat dan om uitgaven die niet uit het maandelijkse inkomen kunnen worden betaald.
2Bij het beoordelen van een aanvraag voor bijzondere bijstand betrekt de gemeente de kernwaarden en de doelen van het gemeentelijke armoedebeleid die hierboven zijn beschreven.
3De gemeente maakt zo weinig mogelijk gebruik van de bijzondere bijstand in de vorm van een lening.
4De gemeente legt in beleidsregels vast welke rol bijzondere bijstand heeft bij armoedebestrijding.
5De gemeente werkt met 1 aanvraagformulier voor meerdere regelingen. Bij een aanvraag voor één van deze regelingen wordt automatisch gekeken of de inwoner ook voor een andere regeling in aanmerking komt. Als dit zo is, wordt deze ook automatisch toegekend of wordt de inwoner geïnformeerd over de mogelijkheden.
7.3 Studietoeslag
(PW)
Studenten met een beperking hebben soms extra ondersteuning nodig om een opleiding te volgen. Dat is belangrijk omdat de kans op werk met een afgeronde opleiding groter is. Met een studietoeslag krijgt de student een zetje in de rug omdat het inkomen wordt aangevuld. De studietoeslag staat beschreven in de Beleidsregels Studietoeslag.
7.4 Inkomenstoeslag
(PW)
Voor inwoners die al jaren moeten rondkomen van een laag inkomen en geen uitzicht hebben op verbetering van hun inkomen is de inkomenstoeslag bedoeld. Het is een extraatje dat jaarlijks kan worden aangevraagd en waarmee het inkomen wordt aangevuld. Hier is beschreven wat de gemeente onder een laag inkomen verstaat en welke aanvullende voorwaarden er gelden.
7.4.1 Doelgroep
1De inkomenstoeslag is bedoeld voor de inwoner van 21 jaar of ouder, maar jonger dan de AOW-leeftijd, die:
a.in een ononderbroken periode van 36 maanden een inkomen heeft gehad dat lager is dan 110% van de bijstandsnorm;
b.geen goede financiële buffer heeft; en
c.geen uitzicht heeft op verbetering van het inkomen.
2Bij een korte onderbreking van de periode van 36 maanden raakt de inwoner zijn recht op inkomenstoeslag niet kwijt. De gemeente bedoelt met een korte onderbreking een periode van maximaal één keer 1 maand.
7.4.2 Hoogte van de toeslag
1De inkomenstoeslag is per jaar:
a.€ 366,- voor een alleenstaande;
b.€ 473,- voor een alleenstaande ouder;
c.€ 525,- voor gehuwden of samenwonenden.
3Bij gehuwden en samenwonenden geldt dat als één van de partners geen recht heeft op inkomenstoeslag de ander het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder krijgt.
4De gemeente bekijkt elk jaar of de inkomenstoeslag verhoogd moet worden. Die verhoging gaat dan in per 1 januari van het jaar erna.
7.5 Reductieregeling voor kinderen
(PW, Gemeentewet)
Kinderen vormen een belangrijke én kwetsbare groep waar de gemeente zich verantwoordelijk voor voelt. De gemeente heeft maatregelen genomen om armoede onder kinderen tegen te gaan en kinderen te helpen mee te doen aan maatschappelijke activiteiten. Deze maatregelen samen vormen de reductieregeling voor kinderen. Hier zijn de uitgangspunten benoemd die voor de reductieregeling voor kinderen gelden.
7.5.1 Doelgroep
De reductieregeling voor kinderen is bedoeld voor gezinnen met minderjarige kinderen, die moeten rondkomen van een inkomen dat lager is dan 130% van de bijstandsnorm.
7.5.2 Inhoud Reductieregeling voor kinderen
1Ouders kunnen een bijdrage krijgen voor hun kinderen voor de kosten van school, een computer, sport, cultuur, ontspanning, kinderkleding en leerzame activiteiten.
2De voorwaarden en de hoogte van de bijdrage zijn vastgelegd in de Beleidsregels armoedebestrijding Olst-Wijhe.
3Ouders moeten een aanvraag voor de reductieregeling voor kinderen indienen voor 1 februari volgend op het jaar waarin de kosten zijn gemaakt.
7.6 Reductieregeling
(PW, Gemeentewet)
Om actief deel te kunnen nemen aan de samenleving is het belangrijk dat inwoners meedoen aan maatschappelijke activiteiten. Hieraan zijn meestal kosten verbonden. Inwoners met een laag inkomen kunnen een vergoeding krijgen om te sporten en om mee te doen aan culturele, religieuze en andere maatschappelijke activiteiten. Ook abonnementen op kranten, tijdschriften, tv, internet of telefoon kunnen worden vergoed.
7.6.1 Doelgroep
De inwoner die een inkomen heeft dat lager is dan 110% van de bijstandsnorm, kan van de gemeente een bijdrage krijgen uit de reductieregeling.
7.6.2 Bijdrage
1De gemeente vergoedt de feitelijke kosten tot een maximumbedrag.
2De voorwaarden en de hoogte van de bijdrage zijn vastgelegd in de Beleidsregels armoedebestrijding Olst-Wijhe.
3De inwoner moet een aanvraag indienen voor 1 februari volgend op het jaar waarin de kosten zijn gemaakt.
7.7 Zorgkosten
(Wmo, PW)
1Voor inwoners met veel medische kosten heeft de gemeente de volgende voorzieningen:
a.een collectieve zorgverzekering
b.een bijdrage in de premie voor de aanvullende zorgverzekering
c.een bijdrage voor het eigen risico
7.7.1 Collectieve zorgverzekering
1De gemeente biedt samen met zorgverzekeraar Salland Verzekeringen een collectieve zorgverzekering voor mensen met een laag inkomen. Deze verzekering biedt:
a.een lagere premie voor de basisverzekering en de aanvullende verzekeringen; en
b.een extra vergoeding van bepaalde zorgkosten.
2De collectieve zorgverzekering is bedoeld voor de inwoner die geen goede financiële buffer heeft en moet rondkomen van een inkomen dat lager is dan 130% van de bijstandsnorm.
3Een inwoner die een collectieve zorgverzekering wil, moet deze voor 31 december van elk jaar aanvragen.
7.7.2 Bijdrage in de premie aanvullende zorgverzekering
1Er kan een bijdrage in de premie voor de aanvullende zorgverzekering worden verstrekt. Het gaat om een inwoner die:
a.geen goede financiële buffer heeft en
b.moet rondkomen van een inkomen dat lager is dan 110% van de bijstandsnorm
2Bij een inkomen hoger dan 110% van de bijstandsnorm wordt rekening gehouden met dit hogere
3inkomen.
4De hoogte van de bijdrage is vastgelegd in het financieel besluit bij de Beleidsregels armoedebestrijding Olst-Wijhe.
5Een inwoner die deze bijdrage wil aanvragen, moet dit doen voor 31 december van elk jaar.
7.7.3 Bijdrage in het eigen risico zorgverzekering
1Er kan een bijdrage worden gegeven voor het verplichte eigen risico als het eigen risico volledig is opgebruikt. Het gaat om een inwoner die:
a.geen goede financiële buffer heeft;
b.moet rondkomen van een inkomen dat lager is dan 110% van de bijstandsnorm.
2Bij een inkomen hoger dan 110% wordt rekening gehouden met dit hogere inkomen.
3De hoogte van de bijdrage is vastgelegd in het financieel besluit bij de Beleidsregels armoedebestrijding Olst-Wijhe.
4Een inwoner die deze bijdrage wil aanvragen, moet dit doen voor 31 december van elk jaar of binnen drie maanden na ontvangst van het bericht dat het volledige eigen risico is opgebruikt.
7.8 Schuldhulpverlening
(Wgs)
De gemeente heeft de taak om inwoners met schuldproblemen te helpen. Inwoners kunnen daarom de gemeente om hulp vragen bij het vinden van een oplossing voor hun schulden. Hieronder zijn de belangrijkste uitgangspunten genoemd die de gemeente toepast als inwoners om hulp vragen.
7.8.1 Samenwerking en toegang
1De gemeente werkt samen met andere organisaties om te voorkomen dat inwoners problematische schulden opbouwen.
2De gemeente zorgt ervoor dat inwoners op een eenvoudige manier om hulp kunnen vragen bij het vinden van een oplossing voor hun schulden.
3De gemeente informeert inwoners over de ondersteuning die zij kan bieden en zorgt ervoor dat die ondersteuning ook echt beschikbaar is.
4De gemeente sluit geen enkele inwoner bij voorbaat uit van ondersteuning. Een uitzondering op die regel is de inwoner die geen geldige verblijfstitel heeft.
7.8.2 Schuldhulpverlening
De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die ondersteuning kan krijgen bij het oplossen van schulden die binnen de wettelijke termijn van 8 weken krijgt.
7.8.3 Besluit
1De gemeente informeert de inwoner die ondersteuning kan krijgen over de manier waarop de ondersteuning wordt gegeven.
2De gemeente stuurt iedere inwoner die geen ondersteuning kan krijgen een brief waarin staat waarom er geen ondersteuning wordt gegeven.
8 De vorm van ondersteuning
8.1 Ondersteuning in natura
(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Gemeentewet)
1De inwoner die ondersteuning van de gemeente krijgt, ontvangt ondersteuning in natura (een dienst of een product), tenzij in de wet of in deze verordening anders is bepaald. Gaat het om een product, dan wordt dit in bruikleen of in eigendom verstrekt.
2De gemeente zorgt ervoor dat de aanbieder van een product de inwoner voldoende helpt om het product goed te kunnen gebruiken.
3De gemeente ziet erop toe dat de aanbieder van een product de wettelijke bepalingen over de garantie naleeft en de inwoner informeert over alles wat van belang is om te weten over de dienst of het product.
8.2 Ondersteuning in geld
(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Llv, Awb)
1De inwoner die ondersteuning van de gemeente krijgt ontvangt ondersteuning in de vorm van geld als dat in de wet of in deze verordening zo is bepaald. Ondersteuning in de vorm van geld hoeft meestal niet terugbetaald te worden. Alleen als in de wet of in deze verordening anders is bepaald en dit aansluit bij de persoonlijke situatie van de inwoner moet het geld wel worden terugbetaald.
2De gemeente zorgt ervoor dat zij de betaling aan de inwoner doet binnen 4 weken nadat de gemeente een besluit heeft genomen over de betaling.
3De betaling wordt gedaan op het bankrekeningnummer dat de inwoner heeft doorgegeven, tenzij het doel van de betaling alleen maar op een andere manier kan worden bereikt. Dan kan de gemeente het geld op een andere manier, in een andere vorm betalen of aan een andere persoon betalen.
4De gemeente kan beslissen om het geld niet te betalen, maar te verrekenen met een bedrag dat de inwoner moet terugbetalen (vordering) als dit volgens de wettelijke regels kan. Het moet gaan om een vordering op grond van één van de wetten waarop deze verordening is gebaseerd.
5De gemeente kan een besluit nemen om betalingen te doen, zonder dat de inwoner daar met een brief over wordt geïnformeerd.
8.3 Persoonsgebonden budget
(Jeugdwet, Wmo)
8.3.1 Voorwaarden
1In plaats van ondersteuning in natura kan de inwoner een persoonsgebonden budget (pgb) krijgen. Dit kan alleen als het om Wmo-ondersteuning of jeugdhulp gaat en de inwoner voldoet aan de voorwaarden die de Wmo en de Jeugdwet stellen en die in deze paragraaf staan.
2Een pgb wordt pas toegekend als de gemeente vindt dat de inwoner (of zijn vertegenwoordiger) in staat is zijn eigen belangen voldoende te behartigen zodat hij de taken die bij het pgb horen op een verantwoorde manier kan uitvoeren.
3Het pgb is bedoeld voor ondersteuning, maar kan niet aan alle kosten die daarmee te maken hebben worden besteed. Het pgb kan niet besteed worden aan:
a.kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers;
b.het voeren van een pgb-administratie;
c.ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb-administratie; en
d.kosten voor een feestdagenuitkering aan de hulpverlener(s).
4De gemeente verstrekt geen pgb in de volgende situaties:
a.de kosten zijn gemaakt vóórdat de aanvraag is ingediend en het is niet meer na te gaan of die ondersteuning nodig was.
b.het gaat om kosten voor vervoer, maar de inwoner kan gebruikmaken van het collectief taxivervoer.
c.uit het door de inwoner ingediende pgb-plan blijkt niet dat de kwaliteit van de ondersteuning voldoende gewaarborgd is.
d.de inwoner kan het pgb niet zelf beheren en de beoogde pgb-beheerder is dezelfde persoon als de beoogde hulpverlener.
8.3.2 Pgb bij ondersteuning door een niet-gecontracteerd professional
1Voor deze professional gelden dezelfde kwaliteitseisen als bij dienstverlening door een gecontracteerde aanbieder.
2Bij ondersteuning vanuit de Jeugdwet is daarnaast een geldige SKJ registratie noodzakelijk.
3Een aanbieder die zelfstandig werkt als hulpverlener zijnde een solistisch werkende hulpverlener (zzp’er) ontvangt maximaal 80% van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in natura.
8.3.3 Zorg, hulp en ondersteuning door personen uit het sociale netwerk aan inwoners met een pgb
1Het bieden van zorg, hulp en/of ondersteuning door een familielid in de eerste of tweede graad, wordt altijd als ondersteuning door iemand uit het sociale netwerk gezien. Ook kennissen, vrienden en buren kunnen deel uitmaken van het sociale netwerk van een inwoner.
2De persoon die op grond van de Wmo 2015 of de Jeugdwet ondersteuning biedt aan een inwoner met een pgb mag iemand uit het sociale netwerk van de inwoner zijn als deze persoon voldoet aan de volgende voorwaarden:
a.het bieden van zorg, hulp en/of ondersteuning door iemand uit het sociale netwerk leidt aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning en is aantoonbaar doelmatiger dan professionele ondersteuning;
b.de persoon uit het sociale netwerk moet bevoegd en bekwaam zijn om (gelet op het doel van de hulp) de betreffende ondersteuning te verlenen;
c.de persoon uit het sociale netwerk heeft gemotiveerd aangegeven dat de ondersteuning niet tot overbelasting leidt en dat hij in staat is om voldoende planmatig kwalitatief goede ondersteuning te bieden;
d.een gezonde balans tussen draagkracht en draaglast wordt niet verstoord;
e.de persoon uit het sociale netwerk moet een recente verklaring omtrent gedrag natuurlijke personen (VOG) met specifiek screeningsprofiel 45 ‘Gezondheidszorg en welzijn van mens en dier' aan de gemeente kunnen overleggen.
3De persoon die op grond van de Wmo 2015 ondersteuning biedt aan een inwoner met een pgb mag iemand uit het sociale netwerk van de inwoner zijn als deze persoon voldoet aan de volgende voorwaarden:
a.er wordt voldaan aan de voorwaarden uit artikel 8.3.3 lid 2 sub a tot en met e van deze Verordening;
b.in het geval van huishoudelijke ondersteuning moet het geboden uurtarief ten minste overeenkomen met het tarief dat van toepassing is op de hoogste periodiek van functiegroep 15 uit de cao van Verpleeg-, Verzorgingshuizen, Thuiszorg en Jeugdgezondheidszorg (VVT);
c.in het geval van individuele begeleiding moet het geboden uurtarief ten minste overeenkomen met het tarief dat van toepassing is op de hoogste periodiek van functiegroep 30 uit de cao van Verpleeg-, Verzorgingshuizen, Thuiszorg en Jeugdgezondheidszorg (VVT);
d.het uurtarief wordt vermeerderd met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren;
e.het maximum uurtarief bedraagt het in artikel 5.22 lid 1 van de Regeling langdurige zorg opgenomen tarief.
4De persoon die op grond van de Jeugdwet zorg, hulp en/of ondersteuning biedt aan een inwoner met een pgb mag iemand uit het sociale netwerk van de inwoner zijn als deze persoon voldoet aan de volgende voorwaarden:
a.de geboden ondersteuning bestaat niet uit behandeling, zoals bedoeld in de definitie van jeugdhulp (artikel 1.1 van de Jeugdwet);
b.er wordt voldaan aan de voorwaarden uit artikel 8.3.3 lid 2 sub a tot en met e van deze Verordening;
c.het geboden uurtarief moet ten minste overeenkomen met het wettelijk minimumuurloon;
d.het uurtarief wordt vermeerderd met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren;
e.het maximum uurtarief bedraagt het in artikel 5.22 lid 1 van de Regeling langdurige zorg opgenomen tarief.
8.3.4 Hoogte en tarief pgb
1Het pgb wordt door de gemeente vastgesteld aan de hand van een plan over de besteding van het pgb dat de inwoner heeft gemaakt (pgb-plan). In het plan staat welke ondersteuning de inwoner vanuit het pgb wil betalen en door wie de ondersteuning wordt gegeven. Het plan moet goedgekeurd zijn door de gemeente.
2Het pgb wordt gebaseerd op een offerte voor de aangegeven kosten. In deze offerte moet staan hoe hoog de kosten van de dienst of het product zijn (kostprijs). Hiervoor moet de inwoner veilige, doeltreffende, doelmatige en kwalitatief goede ondersteuning kunnen inkopen.
3De hoogte van het pgb is gelijk aan de hoogte van de offerte. Er geldt wel een maximumbedrag per voorziening. Dat is het laagste bedrag dat de gemeente zou betalen voor de ondersteuning die nodig is (ondersteuning in natura-tarief). De kostprijs van ondersteuning in natura wordt bepaald door de (regionale) inkoop (niet zijnde trajectprijzen). Wanneer de offerte hoger is dan dit maximumbedrag, vergoedt de gemeente de meerprijs niet.
4Gaat het om een product, dan houdt de gemeente bij de hoogte van het pgb rekening met een reële termijn voor de technische afschrijving en met onderhouds- en verzekeringskosten.
5Als ondersteuning wordt gegeven door iemand uit het sociale netwerk dan gelden de voorwaarden uit artikel 8.3.3 van deze Verordening. Als ondersteuning wordt geboden door een niet-gecontracteerd professional, dan gelden de voorwaarden uit artikel 8.3.2 van deze Verordening.
6Bij het bepalen van de hoogte van het pgb betrekt de gemeente de persoonlijke situatie van de inwoner en de werkervaring en deskundigheid van de hulpverlener
8.3.5 Verantwoording en uitbetaling pgb
1De gemeente kan de inwoner vragen om duidelijk te maken hoe het pgb is besteed en welke resultaten de ondersteuning voor de inwoner heeft gehad. Voor dat verslag kan de gemeente een formulier verplicht stellen.
2Als een inwoner ondersteuning-op-maat in de vorm van een pgb krijgt, wordt alleen de ondersteuning uitbetaald die feitelijk geleverd is.
3Het pgb wordt niet op de eigen bankrekening van de inwoner gestort. In plaats daarvan betaalt de Sociale Verzekeringsbank (SVB) in opdracht van de inwoner de zorgverleners.
8.3.6 Bijdrage in de kosten
(Wmo)
1De inwoner betaalt geen vaste eigen bijdrage voor de Wmo-ondersteuning Collectief maatwerkvervoer. Hiervoor geldt een reizigersbijdrage op basis van gereden kilometers. Deze bijdrages staan vermeld in bijlage 1;
2De inwoner betaalt een bijdrage in de kosten voor Wmo-ondersteuning-op-maat, zolang de inwoner gebruik maakt van die ondersteuning of voor de periode waarvoor een pgb is verstrekt. Gaat het om een product, dan betaalt de inwoner een bijdrage totdat de kostprijs is betaald. De inwoner betaalt de bijdrage per maand aan het Centraal Administratiekantoor (CAK). De hoogte van deze periodieke bijdrage is gelijk aan het bedrag dat maximaal betaald moet worden op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.
3De kostprijs van ondersteuning-op-maat wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder.
4Gaat het om de kosten van een woningaanpassing voor een minderjarige inwoner, dan betalen de onderhoudsplichtige ouders de bijdrage. Dat geldt ook voor de ouder tegen wie een vaderschapsactie is ingesteld en de rechter dit verzoek heeft afgewezen (artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek) en voor degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een minderjarige inwoner.
5De inwoner kan ook een eigen bijdrage voor leerlingenvervoer moeten betalen, zoals beschreven in hoofdstuk 6.
6De gemeente vraagt geen bijdrage voor:
a.ondersteuning-op-maat vanuit de Jeugdwet
b.een (sport-)rolstoel
c.verhuis- en inrichtingskosten
d.dubbele woonlasten door woningaanpassing
e.vraagverheldering (met stabilisatie)
f.gebruik van eigen auto en (rolstoel-)taxi
9 Afspraken tussen inwoner en gemeente
9.1 Hoe gaan we met elkaar om?
(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Gemeentewet, Awb, AVG)
9.1.1 De rol van de gemeente
1De gemeente zoekt samen met de inwoner naar een oplossing voor zijn probleem. Gemeente en inwoner gaan daarbij op een respectvolle manier met elkaar om. De gemeente zorgt voor het volgende:
a.voor de inwoner is het duidelijk wie er namens de gemeente contact met hem heeft.
b.de inwoner heeft, om zijn probleem te bespreken, recht op een gesprek met een medewerker. Dat gesprek kan op het gemeentehuis, thuis bij de inwoner of op een andere plaats zijn.
c.de gemeente helpt de inwoner om zijn probleem bij een andere organisatie te bespreken als het bieden van ondersteuning bij dit probleem een taak is voor die organisatie.
d.de website van de gemeente voldoet aan erkende kwaliteitseisen.
e.er zijn eenvoudige aanvraagformulieren beschikbaar voor de inwoner die een uitkering of voorziening nodig heeft en die wil aanvragen. Het is voor de inwoner duidelijk waar die aanvraagformulieren verkrijgbaar zijn.
f.de gemeente informeert de inwoner op een passende manier over procedures die worden gevolgd en zorgt ervoor dat deze procedures zo eenvoudig mogelijk zijn.
g.de gemeente respecteert zoveel mogelijk de privacy van de inwoner.
h.de gemeente maakt zoveel mogelijk gebruik van gegevens die de gemeente al heeft en vraagt alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de hulpvraag.
i.de gemeente informeert de inwoner over beschikbare deskundige ondersteuning.
9.1.2 De rol van de inwoner
1De inwoner is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het oplossen van zijn probleem. De gemeente vult de mogelijkheden van de inwoner en zijn sociale netwerk aan als dat nodig is.
De inwoner zorgt voor het volgende:
a.de inwoner gaat eerst na welke mogelijkheden hij zelf, of met steun van zijn omgeving, heeft om zijn probleem op te lossen.
b.als de gemeente ondersteuning biedt, werkt de inwoner mee aan de oplossing van zijn probleem.
c.de inwoner doet wat nodig is om de ondersteuning van de gemeente zo kort mogelijk te laten duren.
2De inwoner werkt mee zodat snel duidelijk is op welke manier zijn probleem zo snel mogelijk kan worden opgelost. Dat betekent het volgende:
a.de inwoner informeert de gemeente zo snel en zo volledig mogelijk over alles wat van belang is voor het beoordelen van de hulpvraag, de persoonlijke situatie en de rechten en plichten van de inwoner. Dit geldt ook als de ondersteuning al is toegekend.
b.de gemeente ontvangt alle documenten en bewijsstukken die zij nodig heeft zo snel mogelijk van de inwoner.
c.de inwoner brengt de gemeente zo snel mogelijk op de hoogte van zijn beperkingen als die van belang zijn in het contact met de gemeente.
9.1.3 Ontoelaatbaar gedrag
1De gemeente reageert op een professionele manier op gedrag van de inwoner dat ontoelaatbaar is. De gemeente zorgt voor het volgende:
a.De inwoner wordt op tijd geïnformeerd over:
•zijn rechten en plichten;
•wat er van hem wordt verwacht;
•welk gedrag niet deugt;
•wat de reactie van de gemeente is op gedrag dat niet deugt; en
•waarom de gemeente tegen het gedrag optreedt.
b.De gemeente geeft de inwoner de kans om zijn mening te geven vóórdat de gemeente beslist om op het gedrag van de inwoner te reageren door een maatregel te nemen.
c.De reactie van de gemeente op ontoelaatbaar gedrag past bij:
•de ernst van het gedrag;
•de mate waarin dat de inwoner verweten kan worden; en
•de persoonlijke situatie van de inwoner.
d.De gemeente stuurt de inwoner een brief met daarin duidelijk vermeld wat de gemeente gaat doen als reactie op het gedrag, wat dit precies betekent voor de inwoner en wat de inwoner daartegen kan doen. De gemeente maakt de inwoner ook duidelijk op welke manier hij het gedrag kan aanpassen, zodat de relatie hersteld wordt en de gemeente eventueel de dienstverlening zal voortzetten (als die is stopgezet).
9.2 Afspraken en verplichtingen over uitkeringen
(PW, IOAW, IOAZ, Awb)
9.2.1 Afstemming op houding en gedrag van de inwoner
1De gemeente verlaagt een uitkering als dat volgens de regels van de wet en deze verordening past bij de houding of het gedrag van de inwoner.
2Bij het nemen van een besluit tot het verlagen van een uitkering houdt de gemeente rekening met:
a.de ernst van het gedrag;
b.de mate waarin de inwoner het gedrag verweten kan worden; en
c.de persoonlijke situatie van de inwoner.
3Voordat een uitkering wordt verlaagd, geeft de gemeente de inwoner de kans om zijn mening te geven, tenzij de inwoner al eerder zijn mening heeft gegeven over de voorgenomen verlaging. De inwoner kan dat op de volgende manieren doen:
•telefonisch
•schriftelijk
•via e-mail
•mondeling
9.2.2 Geen schuld en verjaring
1De gemeente verlaagt de uitkering niet als:
a.het gedrag van de inwoner hem niet te verwijten is;
b.het gedrag van de inwoner meer dan één jaar voor het nemen van een besluit heeft plaatsgevonden;
c.de gemeente daarvoor dringende redenen ziet.
2De inwoner wordt hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.
9.2.3 Ingangsdatum en periode verlaging
1De gemeente informeert de inwoner per brief over het besluit tot verlaging. De verlaging gaat in vanaf de kalendermaand na de datum van dit besluit. Het is mogelijk dat de verlaging al in dezelfde maand of over eerdere maanden wordt toegepast. Dat kan als de uitkering voor die maand(en) nog niet is uitbetaald.
2Soms kan de gemeente de uitkering niet of maar voor een deel verlagen omdat deze wordt beëindigd. Dan legt de gemeente het overgebleven deel van de verlaging alsnog op als de inwoner binnen één jaar na de beëindiging opnieuw een uitkering gaat ontvangen.
9.2.4 Berekening verlaging
1De verlaging is een percentage van de uitkeringsnorm die van toepassing is op de inwoner.
2Als de inwoner maandelijks bijzondere bijstand ontvangt, kan de gemeente de bijzondere bijstand verlagen met een percentage van de bijzondere bijstand. Gaat het om eenmalige bijzondere bijstand, dan kan de gemeente die bijstand weigeren als de bijstand nodig is vanwege verwijtbaar gedrag van de inwoner.
9.2.5 Niet nakomen wettelijke arbeidsverplichtingen
1De gemeente verlaagt de uitkering een maand als de inwoner een arbeidsverplichting uit artikel 18, vierde lid van de Participatiewet, niet voldoende nakomt. Die verlaging is 100% van de uitkeringsnorm.
2De verlaging, zoals genoemd in lid 1, wordt in gelijke stukken verdeeld over de maand van oplegging en de daaropvolgende kalendermaand als er volgens de gemeente sprake is van bijzondere omstandigheden.
3Als er sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, 4e lid, onderdeel a van de Participatiewet vindt geen verrekening plaats als bedoeld in het 2e lid.
9.2.6 Niet nakomen andere arbeidsverplichtingen
1De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering (PW) een maand met 100% van de uitkeringsnorm voor het niet voldoende proberen werk te vinden tenzij artikel 9.2.5 van toepassing is.
2De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met 20% van de uitkeringsnorm voor het volgende gedrag:
a.het niet voldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak;
b.het niet voldoende leveren van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie;
c.het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken geen verplichting na te willen komen wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder;
d.het niet voldoende nakomen van verplichtingen tijdens de zoektermijn van 4 weken na melding die voor jongeren tot 27 jaar geldt.
3De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering een maand met 100% van de uitkeringsnorm voor het volgende gedrag:
a.het niet voldoende proberen werk te vinden;
b.het niet aanvaarden van werk;
c.het door eigen toedoen niet behouden van werk;
d.het niet of onvoldoende gebruikmaken van een door de gemeente aangeboden voorziening waardoor de voorziening niet doorgegaan is of vroegtijdig beëindigd is.
4De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering een maand met 20% van de uitkeringsnorm voor het volgende gedrag:
a.het niet meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden om te werken;
b.het niet of onvoldoende gebruikmaken van een door de gemeente aangeboden voorziening zonder gevolgen voor die voorziening;
c.het niet voldoende leveren van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie;
d.het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken geen verplichting na te willen komen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder.
9.2.7 Stoppen verlaging
De gemeente kan de verlaging stoppen (niet uitvoeren) als overduidelijk blijkt dat de inwoner alsnog de arbeidsverplichtingen nakomt. De inwoner moet de gemeente zelf verzoeken om de verlaging te stoppen. Hij moet het verzoek per brief of e-mail indienen. Dit kan zolang de maatregel loopt.
9.2.8 Te weinig besef van verantwoordelijkheid
1De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die zich te weinig realiseert dat hij zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen levensonderhoud. De verlaging hangt af van het bedrag dat de gemeente daardoor onterecht heeft uitbetaald (benadelingsbedrag).
2De verlaging duurt één maand en wordt vastgesteld op:
a.10% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag tot € 1.000,-;
b.20% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag van € 1.000,- tot € 2.000,-;
c.40% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag van € 2.000,- tot € 4.000,-;
d.100% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag van € 4.000,- of hoger.
3Als de inwoner een uitkering moet aanvragen doordat hij door eigen toedoen geen gebruik kan maken van een andere voorziening voor het levensonderhoud, duurt de verlaging één maand en wordt deze vastgesteld op 100% van de uitkeringsnorm
9.2.9 Onacceptabel gedrag
De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die zich onacceptabel gedraagt tegenover personen en instanties die de Participatiewet, de IOAW en IOAZ uitvoeren. De uitkering wordt één maand verlaagd met 50% van de uitkeringsnorm.
9.2.10 Niet nakomen van andere verplichtingen
1De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die een opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet voldoende nakomt.
2De verlaging is 20% van de uitkeringsnorm voor 1 maand als het gaat om:
a.verplichtingen die gericht zijn op het krijgen van werk;
b.verplichtingen in verband met bijstand die in een bepaalde vorm (bijvoorbeeld in natura) of voor een specifiek doel wordt verstrekt;
c.een opgelegde verplichting om een noodzakelijke medische behandeling te volgen;
d.het voor de eerste keer niet verschijnen bij het afnemen van de taaltoets, zoals opgenomen in artikel 18b van de Participatiewet.
3De verlaging is 40% van de uitkeringsnorm voor 1 maand als het gaat om:
a.verplichtingen die gericht zijn op vermindering van de bijstand;
b.het voor de tweede keer niet verschijnen bij het afnemen van de taaltoets, zoals opgenomen in artikel 18b van de Participatiewet.
4De verlaging is 100% van de uitkeringsnorm voor 1 maand als het gaat om:
a.verplichtingen die gericht zijn op beëindiging van de bijstand;
b.het voor de derde keer of vaker niet verschijnen bij het afnemen van de taaltoets, zoals opgenomen in artikel 18b van de Participatiewet.
9.2.11 Samenloop van gedragingen
1Gedrag waardoor de inwoner meerdere verplichtingen uit deze paragraaf niet nakomt, leidt tot één verlaging. De grootste verlaging die van toepassing is voor het gedrag geldt dan en ook de duur die bij die verlaging hoort.
2Als sprake is van meerdere gedragingen die ertoe leiden dat één of meer verplichtingen niet worden nagekomen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig of - als dat niet mogelijk is - na elkaar opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de inwoner niet verantwoord is.
3Gedrag waardoor de inwoner meerdere verplichtingen uit deze paragraaf en de in artikel 17 lid 1 van de Participatiewet genoemde inlichtingenplicht niet nakomt, wordt geen verlaging opgelegd voor zover voor de schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd.
4Als sprake is van meerdere gedragingen die ertoe leiden dat één of meer verplichtingen uit deze paragraaf en de in artikel 17 lid 1 genoemde inlichtingenplicht niet worden nagekomen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging en een bestuurlijke boete opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig of - als dat niet mogelijk is - na elkaar opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de inwoner niet verantwoord is.
9.2.12 Herhaling (recidive)
1De duur van de verlaging wordt verdubbeld als de uitkering binnen twaalf maanden na de datum van het besluit waarmee de verlaging is opgelegd opnieuw wordt verlaagd. De duur wordt ook verdubbeld als de gemeente de eerdere verlaging vanwege dringende redenen van de inwoner heeft gewijzigd in € 0,- (nihil).
2De duur van de verlaging bij wettelijke arbeidsverplichtingen (zie artikel 9.2.5) gaat naar drie maanden als de uitkering binnen twaalf maanden na de datum van het besluit waarmee de verlaging is opgelegd opnieuw wordt verlaagd.
9.3 Terugvorderen uitkering
(PW, IOAW, IOAZ)
9.3.1 Terugvordering en incasso
1De gemeente vordert gemeentelijke uitkeringen terug in de gevallen die in de wet zijn beschreven en doet dat volgens de regels van de wet. De gemeente vordert niet terug als terugvordering onaanvaardbare gevolgen heeft voor de inwoner.
2Bij een klein bedrag kan de gemeente besluiten om dit niet terug te vorderen als dit te veel tijd en geld kost. De gemeente vordert een klein bedrag wél terug als er te veel uitkering is betaald omdat de inwoner onvoldoende of onjuiste informatie heeft gegeven aan de gemeente.
3Bij de incasso zorgt de gemeente ervoor dat inwoner een inkomen blijft houden dat past bij zijn persoonlijke situatie. Dit inkomen is in ieder geval gelijk aan de beslagvrije voet.
9.4 Beëindigen en terugvorderen voorziening
(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Gemeentewet)
Artikel 4.2.1 Beëindiging voorziening
1De gemeente kan een voorziening beëindigen als:
a.de voorziening niet langer passend of nodig is;
b.de inwoner zich niet houdt aan voorwaarden en verplichtingen die aan de voorziening zijn verbonden;
c.de voorziening is verstrekt op grond van onjuiste of onvolledige gegevens van de inwoner;
d.de gemeente niet langer kan vaststellen of een voorziening kan worden voortgezet, omdat de inwoner onvoldoende meewerkt aan een onderzoek naar het recht op de voorziening;
e.de voorziening voor een ander doel wordt gebruikt dan bedoeld;
f.de inwoner niet binnen 6 maanden gebruik heeft gemaakt van de voorziening, tenzij hem dat niet te verwijten is.
2De voorziening kan met terugwerkende kracht worden beëindigd (ingetrokken).
9.4.2 Terugvordering voorziening
(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Gemeentewet)
De gemeente kan de voorziening of de waarde daarvan van de inwoner terugvorderen of verrekenen met een voorziening die op grond van dezelfde wet wordt toegekend. Een voorziening kan worden teruggevorderd vanaf het moment waarop is voldaan aan één of meer van de intrekkingsgronden die genoemd worden in artikel 9.4.1. Wmo-voorzieningen kunnen alleen worden teruggevorderd als die voorzieningen zijn ingetrokken omdat de inwoner onjuiste of onvolledige gegevens aan de gemeente heeft verstrekt.
9.4.3 Opschorten pgb
De gemeente kan aan de SVB vragen om de uitbetaling uit het pgb helemaal of gedeeltelijk uit te stellen totdat een besluit is genomen om het pgb weer voort te zetten of in te trekken. Dit kan de gemeente doen als:
1De inwoner onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt terwijl het verstrekken van de juiste of volledige informatie zou hebben geleid tot een andere beslissing van de gemeente.
2De inwoner niet voldoet aan de voorwaarden die hoorden bij het ontvangen van het pgb. of
3De inwoner het pgb niet binnen zes maanden of voor een ander doel heeft gebruikt.
4Niet meer voldoende vaststaat dat de verleende ondersteuning doelmatig wordt verleend.
9.5 Hoe controleert de gemeente of de afspraken worden nagekomen?
(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ)
9.5.1 Controle
1De gemeente controleert regelmatig of de inwoner recht heeft op een uitkering of voorziening en of hij de juiste uitkering of voorziening heeft aangevraagd of ontvangt. De gemeente kan daarvoor gebruikmaken van:
a.huisbezoeken: medewerkers van de gemeente gaan langs bij de inwoner en kijken in en om de woning. De gemeente kan een huisbezoek aankondigen, maar dat hoeft niet;
a.bestandsvergelijkingen: de gemeente vergelijkt de gegevens van de inwoner met de gegevens die bekend zijn over deze inwoner bij andere organisaties, zoals bij UWV, de Belastingdienst en andere gemeenten;
b.signalen en tips van organisaties of particulieren;
c.andere passende onderzoeksmethoden.
2De controle van de voorzieningen is ook bedoeld om de kwaliteit van de voorziening te beoordelen en om te kijken of de voorziening op de juiste manier en voor het juiste doel wordt gebruikt.
3Bij de controle van uitkeringen en voorzieningen zorgt de gemeente ervoor dat de regels die horen bij de opsporing van strafbare feiten worden nageleefd.
4Bij beëindiging van de uitkering of voorziening op verzoek van de inwoner onderzoekt de gemeente wat de reden is van de beëindiging. De gemeente gaat ook na of de uitkering of voorziening tot de einddatum terecht is verstrekt.
9.5.2 Voorkomen van fraude
De gemeente stelt alles in het werk om fraude te voorkomen (preventie). Daarom informeert de gemeente inwoners op een gepaste manier over rechten en plichten en over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkeringen en voorzieningen.
9.5.3 Beleidsplan en beleidsverslag
1De gemeente stelt een beleidsplan vast. In dat plan staat hoe de gemeente fraudebestrijding aanpakt en ervoor zorgt dat inwoners zich zo goed mogelijk aan de regels houden (handhaving).
2In het beleidsplan staat in ieder geval:
a.wat de gemeente precies met fraudepreventie bedoelt;
b.wanneer en hoe de gemeente inwoners informeert over rechten en plichten (voorlichting);
c.welke onderzoeksmethoden wanneer kunnen worden ingezet; en
d.hoe de gemeente samenwerkt met andere organisaties om fraude tegen te gaan.
9.6 Privacy
(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Wi, AVG)
1Bij het uitvoeren van onderzoek zorgt de gemeente ervoor dat inbreuk op persoonlijkheidsrechten,
2zoals op de bescherming van het privéleven, niet verder gaat dan wat noodzakelijk, passend en wettelijk toegestaan is.
3De gemeente stelt protocollen op voor onderzoeksmethoden die vaak worden toegepast. Het gaat in ieder geval om protocollen voor de inzet van:
a.huisbezoeken
b.internetonderzoeken
4De protocollen moeten ervoor zorgen dat er geen ongeoorloofde inbreuk op het privéleven van inwoners plaatsvindt. De gemeente maakt de protocollen bekend.
9.7 Toezichthouders
(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Wi, Awb)
De gemeente kan een of meer ambtenaren aanwijzen die de taak hebben erop toe te zien dat de wetten en de bijbehorende regels worden nageleefd.
10 Inwonersparticipatie
10.1 Inspraak van inwoners
(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Gemeentewet)
1De gemeente kiest ervoor om inwoners inspraak te geven in de onderwerpen die in deze verordening worden geregeld. De regels van de Algemene Inspraakverordening gemeente Olst-Wijhe zijn daarop van toepassing, maar worden aangevuld met de regels in dit hoofdstuk.
2Inwoners kunnen inspraak hebben bij:
a.plannen voor beleid en regels;
b.de manier waarop de gemeente beleid en regels uitvoert;
c.de manier waarop medewerkers van de gemeente omgaan met inwoners (bejegening);
d.de manier waarop aanbieders hun taken uitvoeren.
3Inspraak houdt ook in het doen van voorstellen voor ander beleid, andere regels of een andere uitvoering.
4De gemeente kan inwoners bijvoorbeeld op de volgende manier inspraak geven:
a.via de Adviesraad Samenleving;
b.door inwoners te raadplegen, bijvoorbeeld met enquêtes en verschillende soorten bijeenkomsten;
c.door samen met inwoners een plan te ontwerpen.
5De gemeente kiest die vorm van inspraak die past bij het onderwerp en bij de groep waar het om gaat. De gemeente bepaalt na overleg met de Adviesraad Samenleving welke vorm de inspraak heeft.
10.2 Adviesraad Samenleving
(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Gemeentewet)
1De gemeente zet zich ervoor in dat er een Adviesraad Samenleving is die een afspiegeling vormt van de verschillende groepen inwoners voor wie deze verordening iets regelt. Het doel van de gemeente om een adviesraad in te stellen is om inwoners inspraak te geven in het beleid, de regels en de uitvoering daarvan.
2De Adviesraad Samenleving bestaat uit een kerngroep en drie vaste werkgroepen: naar de wetten Wmo (waaronder wonen, zorg, welzijn en leefbaarheid, zowel binnen- als buitenshuis), Jeugd en Participatiewet (waaronder werk, inkomen en schuldhulpverlening).
3Leden van de adviesraad vormen een zo goed mogelijke afspiegeling van de samenleving van Olst-Wijhe en, voor zover mogelijk, een afspiegeling van de inwoners die te maken hebben met de uitvoering van het sociaal domein.
4De kerngroep kent 6 leden en een onafhankelijk voorzitter en wordt ondersteund door een secretaris. Uit elke vaste werkgroep zitten twee leden in de kerngroep.
5De gemeente overlegt met de leden van de werkgroep(en) bij de opstelling van gemeentelijk beleid. De werkgroepen bereiden adviezen voor namens de adviesraad. De kerngroep is verantwoordelijk voor de advisering aan de gemeente.
6De gemeente benoemt de onafhankelijk voorzitter en de leden van de kerngroep. De leden van de drie werkgroepen dragen elk op basis van een vooraf opgesteld profiel twee kandidaten voor om zitting te nemen in de kerngroep.
7De adviesraad benoemt de leden van de werkgroepen. In elke werkgroep zitten ongeveer 6 -8 personen.
8De leden van de adviesraad spreken op persoonlijke titel. Zij hebben zitting in de adviesraad zonder last of ruggenspraak en wonen in bij voorkeur in de gemeente. De leden hebben, behalve dat zij inwoner zijn, geen werk of andere binding met de gemeente die van invloed kan zijn op hun onafhankelijke positie.
9De zittingsduur van voorzitter en leden van de adviesraad is vier jaar. Voorzitter en leden kunnen eenmaal worden herbenoemd.
10De kerngroep van de adviesraad vergadert elk jaar ongeveer 4 keer, de werkgroepen ongeveer 6 keer per jaar.
11De gemeente heeft ten minste één keer per jaar bestuurlijk contact met de adviesraad en regelmatig met de inhoudelijke medewerkers van de gemeente.
12De gemeente evalueert elk jaar ten minste één keer met de adviesraad hoe de samenwerking gaat. Dan wordt ook besproken of de inspraak goed verloopt.
10.3 Taken en bevoegdheden Adviesraad
(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Gemeentewet)
1De adviesraad adviseert de gemeente over plannen om beleid, regels of de uitvoering daarvan op te stellen of bij te stellen.
2De adviesraad heeft tot doel om met zijn adviezen een bijdrage te leveren aan:
a.het bevorderen van een inclusieve samenleving in de gemeente Olst-Wijhe;
b.het bevorderen van eigen regie en zelf- en samenredzaamheid van alle inwoners in Olst-Wijhe, waarbij rekening wordt gehouden met ondersteuning op maat aan kwetsbare personen en groepen in de gemeente;
c.het bereiken, ondersteunen en adviseren van kwetsbare groepen, waarbij het doel is participatie van deze groepen te bevorderen.
Voor de adviesraad is het perspectief van de inwoner/cliënt altijd leidend.
3De gemeente vraagt advies aan de adviesraad op een moment dat dit advies van invloed kan zijn op het te nemen besluit. Als dat mogelijk is, betrekt de gemeente de adviesraad al vroeg, voordat de formele adviesvraag aan de orde is.
4De adviesraad zorgt ervoor dat adviezen op tijd worden gegeven, zodat de gemeente ze kan betrekken bij voorgenomen besluiten.
5Als de gemeente besluit om (gedeeltelijk) van een advies van de adviesraad af te wijken, legt zij schriftelijk uit waarom.
6De adviesraad kan ongevraagd voorstellen doen aan de gemeente over verandering van beleid, regels of de uitvoering daarvan.
7De adviesraad kan geen klachten, bezwaarschriften of andere onderwerpen bespreken die over individuele personen gaan.
8De adviesraad respecteert de privacyregels en vertrouwelijkheid van gekregen informatie.
9De adviesraad en gemeente kunnen in overleg regels vaststellen over de manier waarop de adviesraad zijn werk doet en het overleg met de gemeente plaatsvindt.
10.4 Budget, vergoeding en voorzieningen
(Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Gemeentewet)
1De gemeente geeft de Adviesraad Samenleving elk jaar een werkbudget in de vorm van subsidie, op basis van de geldende Algemene subsidieverordening gemeente Olst-Wijhe en de Beleidsregels subsidieverstrekking. Dit werkbudget is bedoeld voor onkosten en voor kosten die de adviesraad moet maken voor het goed kunnen uitvoeren van haar taken.
2De adviesraad maakt elk jaar vooraf een activiteitenplan en begroting.
3De gemeente stelt (geld voor) secretariële ondersteuning beschikbaar die de Adviesraad Samenleving helpt om zijn werk goed te doen.
4De gemeente kent de voorzitter van de adviesraad een onkostenvergoeding toe. De gemeente stelt de hoogte van deze vergoeding vast.
10.5 Inspraak bij aanbieders
(Jeugdwet, Wmo)
1Aanbieders die jeugdhulp of Wmo-ondersteuning bieden zijn verplicht om inwoners die gebruik maken van hun diensten of producten inspraak te geven en daarover regels te maken. Voor Wmo-ondersteuning bepaalt de gemeente over welke onderwerpen de inspraak gaat en welke vorm de inspraak heeft. Voor jeugdhulp is dit geregeld in de Jeugdwet.
2De gemeente toetst of de aanbieder zich houdt aan de regels voor inspraak.
11 Kritiek op de uitvoering
11.1 Doelen klacht- en bezwaarprocedure
(Awb, Gemeentewet)
1De gemeente ziet een klacht of bezwaar als:
a.een stimulans om de hulpvraag van de inwoner nog eens te onderzoeken;
b.een middel voor de inwoner om zijn mening te laten weten;
c.een mogelijkheid om de dienstverlening aan inwoners te verbeteren;
d.een manier om een vertrouwensbreuk te herstellen; en
e.een middel om fouten bij de uitvoering van wettelijke taken te herstellen.
2De inwoner die een klacht of bezwaar heeft ingediend, krijgt de gelegenheid om zijn klacht of bezwaar mondeling toe te lichten. Dit gebeurt niet als het voor de gemeente overduidelijk is dat een mondelinge toelichting geen zin heeft.
3De inwoner kan kritiek op de uitvoering van wettelijke taken door de gemeente uiten via een eenvoudige en effectieve klachten- en bezwaarprocedure.
4De gemeente zorgt ervoor dat klachten en bezwaren zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen de wettelijke termijnen, worden afgehandeld.
5De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die een klacht of bezwaar heeft ingediend zich gehoord voelt.
11.2 Klachtenfunctionaris gemeente
(Awb, Gemeentewet)
1De gemeente heeft een klachtenfunctionaris. De inwoner kan bij deze medewerker een klacht indienen over:
a.het gedrag van medewerkers, individuele leden van het college en de gemeenteraad en de manier waarop de inwoner is behandeld;
b.de manier waarop de gemeente meldingen en aanvragen heeft afgehandeld;
c.de manier waarop de gemeente voorzieningen en diensten heeft geleverd.
6De inwoner moet een klacht zo snel mogelijk indienen bij de gemeente. De gemeente informeert de inwoner hoe een klacht kan worden ingediend. De behandeling van een klacht verloopt volgens de regels die zijn beschreven in de Klachtenregeling gemeente Olst-Wijhe.
11.3 Klachten over andere personen of organisaties
(Awb, Gemeentewet)
1De inwoner die een klacht heeft over het gedrag van een persoon of organisatie die door de gemeente is ingehuurd, moet zijn klacht eerst indienen bij die persoon of organisatie. Die persoon of organisatie moet een klachtenregeling hebben en deze met de gemeente hebben gedeeld.
2De gemeente controleert of de klachtenregeling van personen of instanties die zijn ingehuurd, wordt nageleefd.
3Als de inwoner niet tevreden is over de manier waarop de klacht door de ingehuurde persoon of organisatie is afgehandeld, kan de inwoner een klacht indienen bij de gemeente.
4De inwoner die geraakt is door geweld of ander strafbaar gedrag van personen of organisaties die ondersteuning bieden op grond van een besluit van de gemeente, kan dit melden bij de gemeente. De gemeente bepaalt hoe die melding wordt behandeld.
11.4 Vertrouwenspersoon
(Jeugdwet, Gemeentewet)
1De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner die jeugdhulp van de gemeente krijgt een onafhankelijke vertrouwenspersoon kan spreken.
2De vertrouwenspersoon kan de inwoner (jongere, ouder of pleegouder) op verzoek ondersteunen bij problemen, klachten en vragen in verband met de hulpverlening door of namens de gemeente, de jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instelling jeugdbescherming en jeugdreclassering en het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (Veilig Thuis).
11.5 Bezwaar
(Awb, Gemeentewet)
1Als de gemeente een besluit neemt, informeert de gemeente de inwoner over de manier waarop bezwaar kan worden gemaakt tegen dat besluit.
2De inwoner die het niet eens is met een besluit dat is genomen op grond van de genoemde wetten en van deze verordening, kan daartegen bezwaar maken volgens de regels die zijn beschreven in de Verordening commissie bezwaarschriften gemeente Olst-Wijhe.
3Nadat de gemeente een bezwaarschrift heeft ontvangen, neemt een medewerker telefonisch contact op met de inwoner om het bezwaar te bespreken. De medewerker geeft uitleg over het besluit van de gemeente en informeert bij de inwoner naar argumenten, feiten en omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling van het bezwaar. Dit gesprek is gericht op verbetering van de besluitvorming door de gemeente en kan leiden tot een heroverweging van het besluit.
4Een gesprek vindt niet plaats als het voor de gemeente overduidelijk is dat een mondelinge toelichting geen zin heeft.
5De inwoner heeft altijd het recht om gehoord te worden door een onafhankelijke Bezwarenadviescommissie Algemene aangelegenheden.
12 Kwaliteit, inkoop en aanbesteding
12.1 Kwaliteit
(Jeugdwet, Wmo, Gemeentewet)
1Alle diensten en producten die de gemeente in het kader van deze verordening aanbiedt, moeten van goede kwaliteit zijn, zodat het gewenste resultaat voor de inwoner kan worden bereikt.
2De gemeente zorgt voor een goede prijs-kwaliteitverhouding door:
a.een vaste prijs te bepalen. Die prijs geldt dan voor inschrijving op een aanbesteding en voor een daaropvolgende overeenkomst met een aanbieder; of
b.een reële prijs vast te stellen. Die geldt dan als ondergrens voor een inschrijving en voor een daaropvolgende overeenkomst met een aanbieder.
3De diensten en producten:
a.passen bij de behoefte van de inwoner;
b.zijn veilig, geschikt en bruikbaar voor de inwoner;
c.voldoen aan normen en eisen die door de beroepsgroep of in het vakgebied algemeen zijn aanvaard;
d.zijn niet in strijd met de rechten van de inwoner;
e.worden afgestemd op andere diensten of producten die aan de inwoner worden geleverd;
f.worden geleverd volgens een bepaalde opzet die op tijd aan de inwoner wordt meegedeeld.
4De gemeente kan aanvullende kwaliteitseisen en andere voorschriften vaststellen en controleert of deze eisen door aanbieders worden nageleefd.
12.2 Inkoop en aanbesteding
(Jeugdwet, Wmo, Gemeentewet)
1De gemeente zorgt ervoor dat de kwaliteit van de diensten en producten in het kader van deze verordening gegarandeerd is. Bij inkoop en aanbesteding verwacht de gemeente van aanbieders dat zij rekening houden met de voorwaarden uit artikel 12.1, het tweede lid.
2Bij inkoop en aanbesteding verwacht de gemeente van aanbieders dat zij:
a.diensten en producten leveren tegen de door hen berekende kostprijs, zonder dat de kwaliteit en de levering in gevaar komen; en
b.zich houden aan de regels van het arbeidsrecht als zij personeel hebben.
3De gemeente houdt bij het vaststellen van prijzen rekening met:
a.het soort dienst of product;
b.het salaris en andere arbeidsvoorwaarden van de beroepskrachten;
c.een redelijke toeslag voor overheadkosten;
d.andere personeelskosten die niet direct met de dienstverlening te maken hebben, zoals kosten voor bijscholing, ziekte en verlof van personeel;
e.reis- en opleidingskosten;
f.het jaarlijks aanpassen van de kostprijs in verband met stijging van de kosten;
g.andere kosten die het gevolg zijn van verplichtingen voor aanbieders, zoals rapportage- en administratieve verplichtingen.
4De aanbieder moet aantonen dat bij het bepalen van de kostprijs rekening gehouden is met de zaken die bij het vorige lid zijn genoemd.
13 Van oud naar nieuw
13.1 Onderzoek naar de werking van de verordening
(Gemeentewet)
1De gemeente onderzoekt met een zekere regelmaat of de verordening voldoende bijdraagt aan de doelen die de gemeente wil bereiken. Om dat te kunnen nagaan verzamelt de gemeente systematisch informatie over alles wat van belang is om tot een goede evaluatie te komen. De gemeente houdt zich daarbij aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).
2De gemeenteraad bespreekt een verslag van dit onderzoek en past de verordening aan als dat nodig is.
13.2 Uitvoeringsregels
(Gemeentewet)
De gemeente kan uitvoeringsregels maken over de onderwerpen die in deze verordening zijn geregeld. Deze uitvoeringsregels kunnen de vorm hebben van beleidsregels of van een (nadere) regeling. Beleidsregels geven aan hoe de gemeente met een bepaalde bevoegdheid omgaat. Met een (nadere) regeling worden bepaalde regels van de verordening verder uitgewerkt. De mogelijkheid om deze uitvoeringsregels te maken wordt begrensd door de wet.
13.3 Afwijken van de verordening (hardheidsclausule)
(Gemeentewet)
De gemeente kan afwijken van een bepaling uit deze verordening. Dit kan als toepassing van die bepaling volgens de gemeente een onredelijke uitkomst heeft voor de inwoner of voor een ander die direct bij het besluit betrokken is. Een uitkomst is in ieder geval onredelijk als de doelen van de in artikel 1.2 genoemde wetten of de doelen van deze verordening door het toepassen van de regels juist niet worden gehaald.
13.4 Intrekken oude verordeningen
De volgende verordeningen worden ingetrokken op de datum dat deze verordening ingaat:
•Verordening Sociaal Domein mei 2022
13.5 Overgangsrecht
1Een maandelijkse voorziening of uitkering die op grond van een ingetrokken verordening wordt verstrekt, loopt na de ingangsdatum van deze verordening door. Deze voorziening of uitkering loopt door totdat de gemeente een nieuw besluit over die voorziening of uitkering heeft genomen waarbij het toekenningsbesluit is afgelopen.
2Een aanvraag die de inwoner heeft ingediend vóór de ingangsdatum van deze verordening en waarover de gemeente pas later een besluit neemt, handelt de gemeente af volgens de ingetrokken verordening. Maar als een besluit volgens deze nieuwe verordening gunstiger uitpakt voor de inwoner, past de gemeente deze verordening toe.
3Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van één van de bij 13.4 genoemde ingetrokken verordeningen, past de gemeente die ingetrokken verordening toe.
13.6 Ingangsdatum en naam
1Deze verordening heet: Verordening sociaal domein Olst-Wijhe januari 2024
2Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2024
3Op 1 januari 2024 vervalt de Verordening Sociaal Domein Olst-Wijhe mei 2022.