Aanhef
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Montferland;
Overwegende dat:
Het wenselijk is om Beleidsregels op te stellen voor het beleid over en de uitvoering van te verstrekken individuele voorzieningen op het terrein van de jeugdhulp als bedoeld in de Jeugdwet (Jw);
Gelet op:
De Jeugdwet, voor een gezamenlijke toekomst, “visie Sociaal Domein gemeente Montferland 2025 – 2033”, de Verordening jeugdhulp Montferland 2026 en het Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Montferland 2026
Besluit vast te stellen de:
Beleidsregels jeugdhulp Montferland 2026
Artikelen 2.3 lid 1 en 2.6 Jeugdwet Hoofdstuk 2 Verordening
2 De procedure
2.7 Stappenplan voor het onderzoek
2.7.1 Stap 1 van het stappenplan
Een volledig beeld is nodig
Het college kan niet altijd alleen uitgaan van de ondersteuningsvraag die de jeugdige of zijn ouder(s) bij de gemeente neerleggen. Het college moet zelf actief onderzoek doen naar de problemen van het gezin en rekening houden met de hulp die zij hierbij wensen. Pas dan wordt een volledig beeld verkregen van de (gezins)situatie (bijv. RBOBR:2021:53, RBOBR:2018:469, RBGEL:2017:3439). De aanwezigheid van het sociaal netwerk van de jeugdige en zijn ouder(s) kan van grote meerwaarde zijn. Zij kunnen informatie geven die van belang is voor het onderzoek. Ook kunnen zij onderdeel uitmaken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouder(s). Of dat het geval is komt bij stap 4 van het stappenplan aan bod. In het gesprek wordt in samenspraak met de jeugdige en zijn ouder(s) bekeken welk resultaat men wil bereiken en welke oplossingen passend zouden kunnen zijn.
Er wordt specifiek jeugdhulp gevraagd
De ondersteuningsvraag kan niet bestaan uit de vraag aan het college om een specifieke jeugdhulpvoorziening toe te kennen. Dit gelet op het wettelijk kader en het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep. Het college houdt wel rekening met de wens van de jeugdige of zijn ouder(s) om de gevraagde individuele voorziening te ontvangen.
2.7.2 Stap 2 van het stappenplan
Bij deze stap worden de opgroei- en opvoedingsproblemen of psychische problemen en stoornissen inzichtelijk in kaart gebracht en vervolgens welke problemen en stoornissen er zijn. Het hoeft daarbij niet alleen te gaan om de jeugdige die kampt met bepaalde problematiek; ouders kunnen door de problematiek van de jeugdige opvoedingsproblemen ondervinden.
Opvoedingsproblemen
Bij opvoedingsproblemen gaat het om problemen bij het onderhouden, verzorgen en grootbrengen van een jeugdige, met name in sociale, emotionele, intellectuele en morele zin, die door de ouder(s) niet binnen een gebruikelijke termijn en met gebruikelijke middelen op te lossen zijn.
Zorgmomentenoverzicht
Als dat nodig is kan het college van ouders een zorgmomentenoverzicht (dag/week) vragen waarin de situaties waar de jeugdige hulp bij nodig heeft adequaat worden beschreven. Het college kan dit overzicht vergelijken met de Richtlijn Uitgangspunten ouderlijke verantwoordelijkheid van de verordening.
2.7.3 Stap 3 van het stappenplan
In stap 3 van het stappenplan wordt vastgesteld welke hulp er naar aard en omvang nodig is om de wettelijke jeugdhulpdoelen te behalen.
Welke individuele voorziening is nodig
Zoals gezegd wordt bij deze stap beoordeeld of er volgens het college een individuele voorziening nodig is waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld:
•gezond en veilig op te groeien en groeien naar zelfstandigheid; en
•voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren,
rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.
Ook worden de te bereiken resultaten vastgesteld.
Blijkt bij stap 2 en 3 van het onderzoek dat er (ook) andere hulp nodig is, dan op grond van de Jeugdwet, dan komt de beoordeling daarvan bij stap 5 van het stappenplan aan de orde. Het gaat bij stap 3 van het stappenplan nog niet om de jeugdhulp die het college daadwerkelijk zal gaan verlenen.
2.7.4 Stap 4 van het stappenplan
Bij stap 4 van het stappenplan wordt vastgesteld of de eigen kracht toereikend is. Zie verder hoofdstuk 3 van deze beleidsregels. En ook of het gebruik van algemene voorzieningen een passende oplossing is. Op basis van het onderzoek kan het college vinden dat gebruikmaking van algemene voorzieningen (vrij-toegankelijk aanbod) voldoende oplossing biedt voor de bij stap 3 vastgestelde problematiek. Datzelfde geldt voor voorzieningen die niet op grond van de Jeugdwet zijn gecontracteerd en die in Montferland beschikbaar en geschikt zijn.
2.7.5 Stap 5 van het stappenplan
Na het doorlopen van het stappenplan wordt bij stap 5 vastgesteld of het college een individuele voorziening zal verlenen. En zo niet, wat de reden daarvan is. En zo ja, welke dat is om de vastgestelde resultaten te bereiken.
2.7.6 Andere aspecten die een rol spelen
Het college beoordeelt of de volgende aspecten aan de orde zijn:
1Gebruikmaking van een andere wet.
2Er is geen sprake van jeugdhulp.
3Geen noodzaak tot het verlenen van jeugdhulp.
4Welke individuele voorziening is aangewezen en in welke vorm die wordt verleend.
5Er is sprake van afbakening met andere domeinen.
Ad. 1.Gebruikmaking van een andere wet
Hoofdstuk 5 Verordening
Uit het onderzoek kan al duidelijk zijn dat de jeugdige aanspraak kan maken op een andere wet. Denk aan het Leerlingenvervoer, de Zorgverzekeringswet of de Wet passend onderwijs. Ook kan het college vinden dat, gelet op de problematiek, aanspraak bestaat (kan bestaan) op een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Van ouders wordt in zo’n geval verwacht dat een aanvraag bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) wordt gedaan. Ouders kunnen bij die aanvraagprocedure gebruikmaken van cliëntondersteuning. Het college zorgt voor hulp als dat nodig is. Jeugdhulp en Wlz kunnen wel samengaan als een behoefte van ouders of jeugdigen niet onder de Wlz valt. Dat is het geval als de jeugdhulp voor de jeugdige noodzakelijk is (RBZWB:2017:4537). Denk bijvoorbeeld aan opvoedondersteuning.
Ad. 2.Geen jeugdhulp
Op basis van het onderzoek kan het college vinden dat er geen sprake is van jeugdhulp. Dat kan te maken hebben met aanspraken die geregeld zijn in een andere wet (zie hiervoor onder 1) maar ook situaties waarin geen sprake kan zijn van jeugdhulp. De volgende voorbeelden worden genoemd:
•Hulp met als doel het realiseren van (passend) onderwijs valt niet onder de Jeugdwet. Dat geldt ook voor het thuis doorlopen van een onderwijsprogramma (RBDHA:2018:8310, RBROT:2020:5711).
•Vervoer naar diverse (hobby)activiteiten is geen jeugdhulp (RBROT:2019:7883).
•Tandartsbezoeken waarbij de behandeling onder narcose moet plaatsvinden, begeleiding bij de controle door de kinderarts en het laten innemen van de medicatie (RBOVE:2016:4171).
•Begeleiding van en naar de zwemles (RBOVE:2016:5199).
•Hulp in de vorm van alleen opvang van de jeugdige.
Ad. 3.Geen noodzaak
Op basis van het onderzoek kan blijken dat er weliswaar sprake is van een behoefte aan jeugdhulp, maar dat het college kan vinden dat er geen noodzaak is voor het verlenen van een individuele voorziening ondanks de wens van ouders. In de praktijk zal dit meestal voorkomen bij een verzoek om een specifieke jeugdhulpvoorziening (aard en omvang) van ouders of jeugdigen.
Ad. 4. Verlenen individuele voorziening
Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek volgens het stappenplan wordt bepaald welke individuele voorziening wordt verleend gericht op het bereiken van de vastgestelde resultaten.
Ad. 5 Afbakening met andere domeinen
In hoofdstuk 5 van de verordening is de afstemming met andere domeinen opgenomen. Het gaat voornamelijk over: afspraken die het college maakt met andere partijen en factoren die een rol spelen bij de afstemming met de andere domeinen.
2.7.7 Inzet begeleiding in onderwijs (BIO)
Artikel 2.5 en Bijlage II Verordening
Tijdens het onderzoek kan ook naar voren komen dat jeugdhulp in de vorm van begeleiding of persoonlijke verzorging nodig is tijdens het onderwijs. Bijlage II van de verordening bevat de richtlijnen over hoe het college daarmee omgaat. Uit deze bijlage volgt onder meer dat het college de inzet van jeugdhulp mede vaststelt op basis van het ontwikkelingsperspectiefplan (OPP) dat door de school wordt opgesteld. Het is daarom van belang dat ouders dat plan overleggen als een aanvraag om BIO wordt ingediend. De kern van is BIO is dat (mede) op grond van het OPP en eventuele observaties wordt vastgesteld waar de jeugdhulp zich op moet richten. Zie ook bijlage 2 Richtlijnen voor inzet BIO bij de verordening. Er vindt zo nodig (periodiek) overleg plaats met het onderwijs en ouders zodat ook de leer- en leefomgeving van de jeugdige daar op kan bijgesteld.
2.7.8 Spoedhulp
Artikel 2.6 lid 1 onder b Jw bepaalt onder meer dat jeugdhulp te allen tijde bereikbaar en beschikbaar is in situaties waar onmiddellijke uitvoering van taken is geboden. De verplichting tot het zorgen voor spoedhulp laat zich niet vertalen in beleidsregels, maar is afhankelijk van de individuele situatie.
2.8 Inlichtingen- en medewerkingsplicht
2.8.1 Inlichtingenplicht
Alleen de inlichtingenplicht voor jeugdigen of zijn ouder(s) die is verbonden aan een verstrekt pgb is wettelijk geregeld (art. 8.1.2 Jw). De verordening bepaalt daarom dat de jeugdige of zijn ouder(s) ook verplicht zijn op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden te doen waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een besluit over jeugdhulp in natura (art. 8.2 lid 1 Verordening).
2.8.2 Medewerkingsplicht
Ouders en jeugdigen verlenen medewerking aan het onderzoek als het college daar om vraagt (art. 8.1.2 lid 3 Jw). Deze algemene medewerkingsverplichting voor de uitvoering van de wet geldt niet alleen bij de aanvraag maar ook gedurende de looptijd van de indicatie als daar aanleiding voor is. Het niet verlenen van medewerking kan ertoe leiden dat het college de behoefte aan jeugdhulp niet kan vaststellen (CRVB:2019:276, CRVB:2021:410, CRVB:2021:510). Het kan gaan om een onderzoek naar de concrete gezinssituatie en de daarin aanwezige problematiek waarvoor ook onderzoek in de thuissituatie (door middel van observatie) verricht moet worden door een deskundige (RBGEL:2023:5013).
Blokkeringsrecht
Het blokkeringsrecht als bedoeld in art. 7:464 lid 2 onder b BW houdt in dat de uitslag van een medisch onderzoek niet door anderen mag worden gelezen. Dat wil zeggen dat de (medisch) adviseur geen toestemming heeft om het door het college gevraagde advies ook daadwerkelijk aan het college te verstrekken. Gebruikmaken van het blokkeringsrecht wordt aangemerkt als het niet verlenen van de medewerking die nodig is voor de uitvoering van de wet. De gevolgen van het gebruikmaken van het blokkeringsrecht komen voor rekening en risico van de betrokkene (bijv. CRVB:2025:1015). In de praktijk zal dit inhouden dat het college de noodzaak tot het verstrekken van jeugdhulp niet kan vaststellen.
2.8.3 De jeugdige
In het kader van medewerking verlenen geldt ook het uitgangspunt dat de jeugdige altijd wordt gezien en als dat aangewezen is, wordt gesproken. Dat geldt bij het onderzoek als ook bij de vraag om deskundigenadvies (zie art. 2.6 lid 4 en 2.9 lid 2 Verordening). Denk in dat kader ook aan het recht van de jeugdige om zijn mening te vormen en vrijelijk te uiten (art. 12 IVRK). Daarvoor geldt de leeftijdsgrens van (in ieder geval) 12 jaar, tenzij de jeugdige daartoe niet in staat is. De mening van de jeugdige moet worden meegewogen bij de beoordeling van de aanvraag, tenzij de jeugdige zijn mening niet kan geven gelet op de problematiek of leeftijd.
Artikel 2.3 Jw Hoofdstuk 1 verordening (begripsbepalingen) Hoofdstuk 3 verordening
3 Eigen kracht
3.2 Zorg van ouders voor kinderen
3.2.1 Inhoud zorgplicht ouders
De zorgplicht van ouders omvat de plicht en het recht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden. Daaronder wordt verstaan:
a.de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind, alsmede;
b.het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid;
c.de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen;
d.het bieden van een beschermende woonomgeving.
De zorgplicht van ouders kan worden vertaald naar kernpunten over goed ouderschap.
3.2.2 Kernpunten goed ouderschap
De wetgever heeft bij goed ouderschap acht kernpunten voor ogen
1Handelingen II 2018/19, 33 836, nr. 45, p. 2.
:
1Een onvoorwaardelijke toewijding.
2Continuïteit in de opvoedingsrelatie.
3Verzorging en zorg voor lichamelijk welzijn.
4Opvoeding tot zelfstandigheid en sociale en maatschappelijke participatie.
5Het organiseren en monitoren van de opvoeding in het gezin, op school en in het publieke domein.
6Zorg dragen voor de vorming van de afstammingsidentiteit van het kind.
7Zorg dragen voor contact- en omgangsmogelijkheden met voor het kind belangrijke personen.
8Een veilige opvoedsituatie van het kind.
Het college kan gebruik maken van deze kernpunten bij de motivering van de beslissing op de aanvraag. In de Richtlijnen van het Nederlands Jeugdinstituut zijn deze kernpunten ook terug te vinden. Bijvoorbeeld in de Richtlijn ‘goed genoeg’ opvoederschap.
3.2.3 Uitgangspunten ouderlijke verantwoordelijkheid
Bijlage 1 Verordening
Ouderlijke verantwoordelijkheid houdt in verzorging, begeleiding en opvoeding van ouders voor kinderen met een ontwikkelingsprofiel in verschillende levensfasen van het kind in relatie tot een kind met een behoefte aan jeugdhulp. Het college neemt de leeftijd van het kind, de aard van de zorghandeling, de frequentie van de zorghandeling en de tijd die daarvoor nodig is als uitgangspunt.
Leeftijd van het kind
De Richtlijn gaat, zoals gezegd, uit van een bandbreedte in het normale ontwikkelingsprofiel van een kind. Ook tussen kinderen van dezelfde leeftijd zonder behoefte aan jeugdhulp kan de omvang van de verzorging, begeleiding en opvoeding (per dag) verschillen. Het ene kind is nu eenmaal gemakkelijker of sneller zelfstandig dan het andere kind. Hulp of zorg bij kinderen kan in het kader van eigen kracht ook activiteiten omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen. Een voorbeeld. Veel kinderen van 4 jaar zijn overdag zindelijk en gaan zelf naar het toilet, maar het is niet ongewoon dat een kind van deze leeftijd hier stimulans, hulp of toezicht bij nodig heeft.
De aard van de zorghandeling
Hulp of zorg bij kinderen kan ook handelingen omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen. Het gaat dan om handelingen die een gebruikelijke zorghandeling vervangen. Twee voorbeelden. Het geven van sondevoeding in plaats van eten of handelingen die in samenhang met reguliere zorgmomenten kunnen worden geboden, zoals het geven van medicijnen.
De frequentie van de zorghandeling en de tijd die daarvoor nodig is
De omvang van de tijd die met de zorghandelingen is gemoeid, kan meebrengen dat niet langer sprake is van eigen kracht. Een voorbeeld. Alle kinderen hebben tot een bepaalde leeftijd hulp of zorg nodig bij wassen en kleden, maar als deze handelingen veel meer tijd kosten vanwege bijvoorbeeld spasticiteit, wordt beoordeeld of deze extra tijd nog binnen de eigen kracht van ouders valt. Het college hanteert de Richtlijn gemiddelde tijd en frequentie van activiteiten bij persoonlijke verzorging (bijlage bij deze beleidsregels). Het college beoordeelt de eigen kracht van ouders op basis van de afwegingsfactoren (zie hierna).
3.3 Beoordelingskader eigen kracht
3.3.1 Afwegingsfactoren
Artikel 3.1 Verordening
Het college neemt bij de beoordeling van de eigen kracht (ouderlijke zorgplicht) tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd wordt. Dit is ook het geval als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen. Uit het onderzoek kan blijken dat de eigen kracht van de ouders niet toereikend is. Het college hanteert de afwegingsfactoren van de Verordening.
a.(een) geobjectiveerde beperking(en) om noodzakelijke hulp te bieden;
b.een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden;
c.het op permanent toezicht aangewezen zijn van de jeugdige ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel en waarvoor geen Wlz-aanspraak bestaat of het op 24 uur per dag zorg in de nabijheid aangewezen zijn van de jeugdige, omdat de jeugdige zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen om ernstig nadeel voor hem zelf te voorkomen en waarvoor geen Wlz-aanspraak bestaat;
d.overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht van de ouders of van het sociaal netwerk totdat deze overbelasting of dreigende overbelasting is opgeheven.
Hierna worden bovenstaande afwegingsfactoren nader toegelicht.
3.3.2 Geobjectiveerde beperking(en) om noodzakelijke hulp te bieden (onderdeel a)
Het college stelt vast of bij ouders een geobjectiveerde beperking aanwezig is op grond waarvan zij niet in staat zijn om de verzorging, begeleiding en opvoeding van de jeugdige voor hun rekening te nemen. Hiervoor zal in het algemeen een (medisch) advies nodig zijn.
Mogelijkheden ouders (beschikbaarheid)
Het college beoordeelt of de ouder(s) beschikbaar is of zou kunnen zijn. Dit laatste omdat van hen verwacht mag worden dat daar zelf een oplossing voor wordt gezocht. Dit bezien tegen de achtergrond dat ouders de regie hebben en houden en dat wordt verwacht dat zij die ook nemen. Zij zijn en blijven verantwoordelijk voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen.
Mogelijkheden ouders algemeen
Het college stelt vast of ouders in staat zijn tot het bieden van de verzorging, begeleiding en opvoeding in de zin van eigen kracht. Dat is bijvoorbeeld het geval als:
•de ouder(s) deze hulp kan bieden en dat (desgevraagd) ook blijft doen, ook als geen indicatie voor een individuele voorziening wordt verleend, zonder dat daardoor problemen zullen ontstaan;
•op het moment van de ondersteuningsvraag zelf al maatregelen zijn getroffen om de hulp aan de jeugdige te kunnen bieden, zonder dat daardoor problemen zijn ontstaan. Bijvoorbeeld door het (deels) opzeggen van een baan, opgenomen zorgverlof of het anders organiseren van de beschikbare tijd en verdeling van taken.
Er is geen limitatieve opsomming beoogd.
Acute situatie
Er kan zich een acute situatie voordoen waardoor ouders, ondanks de feitelijke beschikbaarheid, toch tijdelijk niet in staat zijn om de verzorging, begeleiding en opvoeding te bieden. Denk bijvoorbeeld aan het plotseling overlijden van een ouder (partner) of een echtscheiding. In deze gevallen is er feitelijk tijdelijk geen draagkracht.
3.3.3 Gebrek aan kennis of vaardigheden
Het gaat om capaciteiten en vaardigheden.
Opvoedkundige capaciteiten
Beschikken ouders niet over (voldoende) capaciteiten om verzorging, begeleiding en opvoeding te bieden aan de jeugdige, dan kan dat ook niet van hen worden verwacht. Denk bijvoorbeeld aan ouders met LvB-problematiek. In die gevallen wordt beoordeeld of een algemene voorziening een passende oplossing kan bieden. En zo niet, of een individuele voorziening is aangewezen. En zo ja, welke individuele voorziening is aangewezen.
Opvoedkundige vaardigheden
Onder capaciteiten kunnen ook vaardigheden worden verstaan. Denk bijvoorbeeld aan: het kunnen signaleren en analyseren en oplossingsgericht kunnen denken en handelen. Maar ook de vaardigheid in het verrichten van zorghandelingen door het hebben van bijvoorbeeld een verpleegkundige achtergrond.
3.3.4 Het op permanent toezicht aangewezen zijn van de jeugdige ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel en waarvoor geen Wlz-aanspraak bestaat of het op 24 uur per dag zorg in de nabijheid aangewezen zijn van de jeugdige, omdat de jeugdige zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen om ernstig nadeel voor hem zelf te voorkomen en waarvoor geen Wlz-aanspraak bestaat (onderdeel c)
Het gaat hier om situaties waarin het CIZ de blijvende behoefte op Wlz-zorg nog niet kan vaststellen. Of er is sprake van psychiatrische problematiek. Jeugdigen hebben in dat geval, tot hun 18de jaar, (nog) geen toegang tot de Wlz. Mogelijk dat de jeugdige aanspraak heeft op zorg op grond van de Zorgverzekeringswet. Denk aan: geneeskundige verzorging of verpleging of behandeling bij een zintuiglijke handicap.
Toezicht en begeleiding
Toezicht dan wel 24-uurszorg in de nabijheid valt onder de zorgplicht van ouder(s). De mate waarin dat nodig is, is in het algemeen afhankelijk van de leeftijd en een normaal ontwikkelingsprofiel (zie uitgangspunten ouderlijke verantwoordelijkheid, bijlage I bij de verordening). Binnen zo’n ontwikkelingsprofiel is bijvoorbeeld pedagogische correctie, aansturing van gedrag en bieden van stimulans gebruikelijk. Bij een cognitief beperkt kind met gedragsproblemen kan het zijn, dat er meer dan gebruikelijk correctie en aansturing van gedrag en vaak ook meer aandacht voor vaste structuur nodig is.
Voortdurend toezicht
Bij voortdurend toezicht moeten ouders continu in de nabijheid zijn om onplanbare zorg en toezicht te leveren vanwege de (chronische) problemen van het kind in de zin van de wet.
Permanent toezicht
Het gaat bij permanent toezicht om het onafgebroken toezicht en actieve observatie gedurende het gehele etmaal (24/7), waardoor tijdig kan worden ingegrepen. Het gaat om toezicht dat geboden moet worden op basis van actieve observatie die als doel heeft dreigende ontsporing in het gedrag of de gezondheidssituatie van de jeugdige vroegtijdig te signaleren, waardoor altijd tijdig ingegrepen kan worden en escalatie van onveilige, gevaarlijke, (levens)bedreigende gezondheids- of gedragssituaties voor de jeugdige kan worden voorkomen. Bij permanent toezicht kan elk moment iets (ernstig) misgaan (vgl. CRVB:2017:3709). Permanent toezicht valt niet onder de ouderlijke verantwoordelijkheid (eigen kracht van ouders).
3.3.5 Overbelasting of dreigende overbelasting (onderdeel d)
Het kan voorkomen dat sprake is van overbelasting of dreigende overbelasting waardoor van de ouders geen noodzakelijke verzorging, begeleiding en opvoeding kan worden verwacht of van het sociaal netwerk totdat deze overbelasting of dreigende overbelasting is opgeheven.
Aannemelijk maken
Ouders zullen de (dreigende) overbelasting eerst aannemelijk moeten maken.
Draagkracht en draaglast
Overbelasting of dreigende overbelasting wijst op een verstoring van het evenwicht tussen draagkracht en draaglast. Hierdoor kunnen fysieke of psychische klachten ontstaan op grond waarvan ouders mogelijk (tijdelijk) niet (meer) in staat zijn om de verzorging, begeleiding en opvoeding aan hun kinderen te bieden.
Wat wordt verwacht
Het uitgangspunt is dat ouders hun (dagelijkse) leven zo inrichten dat zij hun draagkracht en belastbaarheid zo groot mogelijk maken of houden. Dit bezien van wat vanuit hun zorgplicht mag worden verwacht.
Life events
Emotionele gebeurtenissen, ook wel aangeduid als life events, kunnen iemands leven behoorlijk beïnvloeden. Denk bijvoorbeeld aan: het verlies van een dierbare, arbeidsongeschikt raken, een baan verliezen, een echtscheiding/uit elkaar gaan, etc. Ouders kunnen door een life event (tijdelijk) niet over eigen kracht beschikken. Dat wil zeggen: het is (deels) ontoereikend.
Causaal verband
Er moet een causaal verband zijn tussen het bieden van de benodigde verzorging of begeleiding aan de jeugdige en de (dreigende) overbelasting. Dat wil zeggen dat (dreigende) overbelasting die voortkomt uit te veel uren werken of andere omstandigheden in beginsel door ouders zelf moet worden opgelost, tenzij dit een onverantwoord risico voor de jeugdige oplevert.
Bij de vaststelling van de (dreigende) overbelasting houdt het college rekening met de volgende aspecten:
a.De behoefte en mogelijkheden van de jeugdige.
b.De duur van de inzet.
c.De planbaarheid van de hulp.
d.De benodigde ondersteuningsintensiteit.
e.De samenstelling van het gezin en de woonsituatie.
Ad. a. De behoefte en mogelijkheden van de jeugdige
Bij stap 2 en 3 van het stappenplan stelt het college vast:
•of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen,
•en zo ja, welke problemen en stoornissen dat qua aard en omvang zijn, en
•welke hulp naar aard en omvang nodig is.
Behoefte van de jeugdige
Het gaat om welke hulp naar aard en omvang nodig is (stap 3 van het stappenplan). Denk aan: toezicht, begeleiding bij of overname van de ADL of begeleiding in de vorm aansturing. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Bestaat de behoefte aan jeugdhulp uit behandeling of andere specialistische jeugdhulp waarvoor een gekwalificeerde beroepskracht nodig is, dan valt die hulp niet onder de ouderlijke verantwoordelijkheid. Hiervoor kan een individuele voorziening worden verleend.
Mogelijkheden jeugdige
Het gaat om de mate waarin de jeugdige:
•leerbaar is;
•toezicht nodig heeft;
•begeleiding nodig heeft in de vorm van aansturing.
Er is geen limitatieve opsomming beoogd.
Ad. b. De duur van de inzet
Bij de duur gaat het erom hoe lang de jeugdige aangewezen zal zijn op de hulp. Dat is afhankelijk van de problemen en stoornissen. In geval van de oudertaak in de vorm van persoonlijke verzorging en de beoordeling of sprake is van eigen kracht maakt het college gebruik van de Richtlijn gemiddelde tijd en frequentie van activiteiten bij persoonlijke verzorging. Zie bijlage I bij deze beleidsregels. Het college beoordeelt of persoonlijke verzorging qua aard en omvang door ouders kan worden geboden in het kader van de eigen kracht.
Ad. c. De planbaarheid van de hulp
Bij stap 3 van het stappenplan is onder meer de aard van de behoefte aan jeugdhulp vastgesteld. Daaruit blijkt ook of de hulp planbaar is.
Ad. d.De benodigde ondersteuningsintensiteit
De ondersteuningsintensiteit wordt mede bepaald door de vastgestelde problemen en stoornissen. Bijvoorbeeld door een ontwikkelingsachterstand of het functioneren op licht verstandelijk (beperkt) niveau. De jeugdige kan aangewezen zijn op hulp die:
•onplanbaar is wat vraagt om flexibiliteit en voortdurende beschikbaarheid van ouders. Denk aan hulp die ook ’s avonds, ’s nachts en in de weekenden nodig is;
•gelet op de aard van de problemen of stoornissen, noodzakelijkerwijs door de ouders geboden moet worden omdat de jeugdige vreemden niet (goed) toelaat en een vaste, vertrouwde en altijd beschikbare ondersteuner vereist is.
Er is geen limitatieve opsomming beoogd.
Ad. e.De samenstelling van het gezin en de woonsituatie
Een kind met een behoefte aan jeugdhulp kan een zware wissel trekken op het gezin. Denk in dit verband ook aan gezinnen met minderjarige kinderen die geen behoefte aan jeugdhulp hebben of meerderjarige kinderen die onderdeel uitmaken van het gezin. Het college onderzoekt:
•Is er sprake van twee ouders of is één persoon verantwoordelijk voor de verzorging, begeleiding en opvoeding van de jeugdige(n)?
•Kunnen er taken worden herverdeeld waardoor de ouder die de verzorging, begeleiding en opvoeding normaal gesproken biedt hierin wordt ontlast?
•Wat van andere kinderen binnen het gezin kan worden verwacht. Dit is afhankelijk van de leeftijd en het individu. Het ene kind is het andere niet.
•Of een kind vanwege de zorg voor een ander gezinslid of het verrichten van taken in het huishouden, wordt belemmerd in zijn ontwikkeling, moet worden voorkomen.
Er is geen limitatieve opsomming beoogd.
3.4 Vervoer locatie jeugdhulp
3.4.1 Afwegingsfactoren eigen kracht jeugdhulpvervoer
Het college beoordeelt de afwegingsfactoren, al dan niet, in onderlinge samenhang.
1Eigen mogelijkheden jeugdige
Het college onderzoekt of de jeugdige in staat is om veilig zelfstandig lopend, al dan niet met een algemeen gebruikelijk loophulpmiddel, of zelfstandig met een algemeen gebruikelijk vervoermiddel te reizen van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden. Dit onderzoek kan samenlopen met een aanvraag om leerlingenvervoer.
Vergroten zelfredzaamheid jeugdige
Het college onderzoekt of de zelfredzaamheid van de jeugdige kan worden vergroot door het inzetten van een Mee op weg Traject. Het college kan een jeugdige aanmelden voor het project Mee op Weg. Mee op Weg adviseert het college over de mogelijkheid van deelname.
2Auto of openbaar vervoer
Het gaat hier om de feitelijke mogelijkheid van de ouder(s) om de jeugdige het vervoer te bieden of te begeleiden tijdens het openbaar vervoer van en naar de jeugdhulplocatie.
Medische problematiek
In geval van medische problematiek van de ouders vraagt het college om medisch advies (niet zijnde de huisarts).
3Afstand en gemoeide tijd
De tijd die gemoeid is om de jeugdige te brengen en te halen speelt vanzelfsprekend ook een rol. Zijn ouders beschikbaar, dan kan nog steeds sprake zijn van eigen kracht. Het college kan ook onderzoeken of een andere passende jeugdhulpaanbieder beschikbaar is waardoor de reisafstand en de daarmee gemoeide (reis)tijd wordt ingekort. Voor de afstand hanteert het college de routeplanner van de ANWB, optie kortste weg. Neemt het vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulplocatie meer dan vier uur per dag in beslag, dan gaat het college niet uit van eigen kracht, tenzij ouders het vervoer kunnen combineren met andere jeugdigen. Ouders kunnen in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de vervoerskosten (zie hierna).
4Tijdstippen van het vervoer
De tijdstippen van het vervoer hebben met name betrekking op de beschikbaarheid van ouders. Van ouders mag worden verwacht dat eerst zelf een oplossing wordt gezocht in het kader van de eigen kracht. Denk aan overleg met de werkgever over aanpassen van werktijden, overleg met de basisschool om de (eventuele) andere kinderen eerder of later te mogen brengen, hulp vragen aan het netwerk of buren, etc.
5Frequentie
De frequentie van het vervoer heeft betrekking op de omvang van de indicatie.
6Draaglast en draagkracht
Het college beoordeelt of er een disbalans is in de draaglast en draagkracht op grond waarvan ouders niet in staat zijn om voor het vervoer te zorgen.
Tegemoetkoming vervoerskosten eigen auto
Voor de tegemoetkoming in de vervoerskosten wordt aangesloten bij de kilometervergoeding volgens het leerlingenvervoer; ook de lege rit. Het gaat om vergoeding van de ritten die ouders rijden (van huis naar de jeugdhulplocatie). De vergoeding betreft € 0,23 per kilometer. Als meerdere kinderen in hetzelfde gezin vervoerd worden naar dezelfde locatie, geldt de vergoeding één keer. Vervoert een ouder meerder jeugdigen van het eigen gezin of andere gezinnen? Dan wordt de vergoeding berekend op basis van de afstand tussen de woning en jeugdhulplocatie van de verst wonende jeugdige. Het kan gaan om een eigen auto maar ook als ouders gebruik maken van een auto van iemands anders.
Tegemoetkoming kosten Openbaar Vervoer (OV)
Beschikken ouders niet over een auto, dan kunnen de kosten van het OV (tweede klas) in aanmerking komen voor een vergoeding. Het college onderzoekt of de kosten van een railrunnerkaart een passende oplossing zijn. De kosten van de begeleider als van de jeugdige kunnen worden vergoed.
Alleen kosten vervoer
Het gaat alleen om de tegemoetkoming in de kosten van het vervoer en niet de tijd die gemoeid is om de jeugdige te brengen en ophalen van de jeugdhulplocatie.
3.7 Nadere uitleg en voorbeelden
3.7.1 Ouderlijke verantwoordelijkheid bij zorghandelingen
Een voorbeeld van zorghandelingen die niet meelopen in het normale patroon van dagelijkse zorg van ouders aan een kind, is het meerdere malen per nacht bieden van zorg van ouders aan een ouder kind. Het gaat om situaties waarbij ouders voortdurend in de nabijheid moeten zijn om onplanbare zorg en toezicht te leveren vanwege de (chronische) aandoening, stoornissen en beperkingen van het kind.
Handelingen die ouderlijke zorghandelingen vervangen
•het legen van een katheterzakje in plaats van verschonen;
•bij een kind met een verstandelijke beperking oefenen met het gebruik van pictogrammen in plaats van oefenen met topografie.
Er is geen limitatieve opsomming beoogd.
3.7.2 Voorbeelden ouderlijke verantwoordelijkheid persoonlijke verzorging
•Het toedienen van eten en drinken door een ouder aan een kind van 2 jaar valt onder de normale oudertaak, ook als het om sondevoeding gaat. Dat geldt ook als het voeden van dit kind via de sonde meer tijd kost, of vaker moet gebeuren dan de normale dagelijkse eet- en drinkmomenten.
•Voor zover de persoonlijke verzorging van niet-uitstelbare aard is en degene die deze hulp moet verlenen niet beschikbaar is, wegens reguliere school- of werkweek van hem/haar zelf of van het kind.
•Bij zorghandelingen tijdens de kinderopvang of tijdens het onderwijs als het gaat om handelingen die organisaties voor kinderopvang of onderwijs niet plegen te bieden zoals het geven van sondevoeding in plaats van eten. Bij een baby met ernstige slikproblemen kost het extra tijd om een flesje te geven. Het geven van (aangewezen) sondevoeding valt niet onder zorg zoals instanties voor kinderopvang die bieden.
•Wanneer de jeugdige van 12 jaar of ouder geen (intieme) persoonlijke verzorging (meer) wil ontvangen van de ouder(s), dan wordt daarin geen hulp van ouders verwacht. Dat vloeit mede voort uit de Wet Geneeskundige Behandelovereenkomst (WBGO) op grond waarvan jeugdigen vanaf 12 jaar een eigen beslissingsbevoegdheid hebben wat hun lichamelijke integriteit aangaat.
•Voor zover de jeugdige zich in de terminale levensfase bevindt.
Er is geen limitatieve opsomming beoogd.
3.7.3 Situatie van ouders
Opvoedingsproblemen
Bij opvoedingsproblemen gaat het om problemen van ouders bij het onderhouden, verzorgen en grootbrengen van een jeugdige, met name in sociale, emotionele, intellectuele en morele zin, die door de ouder(s) niet binnen een gebruikelijke termijn en met gebruikelijke middelen op te lossen zijn. Lukt dat niet, dan kan een vorm van opvoedondersteuning zijn aangewezen.
Opvangvraagstuk
Ook werkende ouders zijn verantwoordelijk voor de benodigde verzorging, begeleiding en opvoeding voor hun kinderen. Zie ook hiervoor onder het kopje werkende ouders en begeleiding. In het algemeen geldt dat het bieden van (alleen) kinderopvang niet als jeugdhulp kan worden gekwalificeerd.
Sociaal Medische Indicatie
Ouders die geen gebruik kunnen maken van de reguliere opvang kunnen mogelijk wel in aanmerking komen voor een Sociaal Medische Indicatie (SMI). Naast de wettelijke doelgroep van de Wet kinderopvang (Wko) bestaat er ook een doelgroep, die de kinderopvang nodig heeft vanwege een Sociaal Medische Indicatie (SMI). Het gaat om situaties waarin de ouder(s) door een sociale of medische situatie niet in staat zijn om voor hun kinderen te zorgen. Dit is geen vorm van jeugdhulp, maar een bijzondere regeling binnen de gemeente.
Afbakening Wmo 2015 en Jeugdwet
Ouders kunnen in aanmerking komen voor jeugdhulp als zij problemen ondervinden bij de opvoeding. Heeft de jeugdige echter geen problemen in de zin van de Jeugdwet, dan hoeft het college geen jeugdhulp te verlenen. Het gaat om situaties waarin alleen de ouder(s) een probleem heeft. In zulke gevallen kan bijvoorbeeld tijdelijk kindzorg worden ingezet op grond van de Wmo 2015.
Hoofdstuk 4 Verordening
Artikel 8.1.1 Jw Hoofdstuk 6 Verordening Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp (tarieven)
5 Persoonsgebonden budget
5.6 Pgb-vaardigheid
5.6.1 Vaststellen pgb-vaardigheid
Het college moet vaststellen of sprake is van pgb-vaardigheid. Daarvoor wordt onderzocht of de jeugdige of zijn ouder(s):
1Een goed overzicht van zijn eigen situatie kan houden.
2Weet welke regels er horen bij een pgb.
3Een overzichtelijke pgb-administratie kan bijhouden.
4Kan communiceren met de gemeente, de SVB en ondersteuners.
5Zelfstandig kan handelen en zelf in staat is voor ondersteuners te kiezen.
6Zelf afspraken kan maken, deze afspraken kan bijhouden en zich hier aan kan houden.
7Kan beoordelen of de ondersteuning uit het pgb bij hem past.
8Zelf de ondersteuning kan regelen met één of meer ondersteuners.
9Kan zorgen dat de ondersteuners die voor hem werken weten wat ze moeten doen.
10Weet wat te doen als werkgever of opdrachtgever van een ondersteuner.
Er is geen limitatieve opsomming beoogd.
Deze 10 punten zijn gebaseerd op de handreiking en infographic pgb-vaardigheid van de Rijksoverheid. Hoe de beoordeling van de pgb-vaardigheid door het college wordt gedaan is mede afhankelijk van de soort individuele voorziening die de jeugdige of zijn ouder(s) wenst in te kopen en aan wie het pgb wordt besteed.
Extra aandacht
Het college besteedt extra aandacht aan de beoordeling van de pgb-bekwaamheden bij ouders/jeugdigen die tot 1 januari 2026 begeleiding inkochten voor minder dan 4 dagen per week (Regeling Dienstverlening aan Huis). Bij een arbeidsovereenkomst gelden namelijk niet alleen de verplichte werknemersverzekeringen, maar ook de reguliere regels voor loondoorbetaling tijdens ziekte, verlof en ontslag. Voor hulp die wordt ingekocht bij familieleden of eerste en tweede graad bloedverwanten verandert er niets. De budgethouder sluit met deze personen geen arbeidsovereenkomst.
5.6.2 Hulp bij pgb-vaardigheid
Is de jeugdige of zijn ouder(s) niet pgb-bekwaam, dan kan iemand worden gemachtigd om dat over te nemen. Het college beoordeelt dan of die persoon in staat is de aan het pgb verbonden taken uit te voeren. Een vertegenwoordiger kan de budgethouder gewaarborgde hulp bieden (zie begripsbepaling van de Verordening).
Gewaarborgde hulp
De vertegenwoordiger mag alleen handelen in het belang van de jeugdige en dus niet ook zijn eigen belang dienen. Een vertegenwoordiger zorgt er feitelijk voor dat (namens) de budgethouder de verplichtingen die aan het pgb zijn verbonden ook daadwerkelijk worden nagekomen. Een vertegenwoordiger kan er ook aan bijdragen dat misbruik van de budgethouder wordt voorkomen. Dat is van belang omdat de gevolgen van het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen in principe voor rekening en risico van de budgethouder komen. Denk aan de intrekking van het pgb-besluit of de terugvordering van een ten onrechte of tot een te hoog bedrag betaald pgb.
Eerder niet ingestaan voor nakomen verplichtingen
Artikel 6.3 lid 2 onder a Verordening
Als de pgb-vertegenwoordiger (gewaarborgde hulp) eerder niet heeft ingestaan voor het nakomen van de pgb-verplichtingen, zal het college het pgb in principe weigeren. Denk bijvoorbeeld aan:
•onjuiste declaraties of onregelmatigheden daarin,
•de situatie dat eerder is gebleken dat jeugdhulp is ingekocht van onvoldoende kwaliteit.
Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Alvorens over te gaan tot het weigeren van het pgb stelt het college de budgethouder in de gelegenheid een andere vertegenwoordiger aan te wijzen die de gewaarborgde hulp wel kan bieden.
Geen gewaarborgde hulp
Artikel 6.3 lid 2 onder b Verordening
De jeugdige of zijn ouder(s) kan afhankelijk zijn van gewaarborgde hulp. Dat is hulp van derden ter compensatie van het gebrek aan capaciteiten of bekwaamheden om zelf de regie te voeren over de aan het pgb verbonden taken. Uit het onderzoek moet blijken dat dergelijke hulp gewaarborgd is. Dat wil zeggen dat de derde moet kunnen instaan voor de nakoming van de aan het pgb verbonden verplichtingen zoals:
•de keuze van de jeugdhulpverlener,
•de kwaliteit en het behalen van het resultaat van de jeugdhulp, en
•de financiële verantwoording rondom het pgb.
Blijkt uit onderzoek dat de pgb-vertegenwoordiger niet de gewaarborgde hulp kan bieden of daar tenminste twijfels over bestaan, dan zal het college de jeugdige of zijn ouder(s) in de gelegenheid moeten stellen om een andere persoon te machtigen die in staat is de pgb-bekwaamheid van de budgethouder over te nemen. Lukt dat niet, dan zal het college het pgb weigeren en een individuele voorziening in natura verlenen.
Jeugdige of ouder(s) budgethouder
Bij jeugdigen onder de 16 jaar zijn het de ouders die over de pgb-bekwaamheid moeten beschikken om te voldoen aan de aan het pgb verbonden taken. Een jeugdige tussen de 16 en 18 jaar (met eventuele uitloop tot 23 jaar) kan budgethouder zijn. In dat geval is de jeugdige zelf degene die aan de voorwaarden van pgb-bekwaamheid moet voldoen. Het college neemt daarbij in aanmerking dat ouders tot 18 jaar ook financieel verantwoordelijk zijn voor hun kinderen en ook verantwoordelijk kunnen zijn voor bepaalde schulden van hen.
Gegrond vermoeden
Het kan voorkomen dat het college een (gegrond) vermoeden heeft dat de jeugdige of zijn ouder(s) problemen zal krijgen met het uitvoeren van de taken die horen bij een pgb. Denk bijvoorbeeld aan:
•schuldenproblematiek;
•een gok- of drugsverslaving;
•niet over een positief sociaal netwerk beschikken;
•in een hoge mate beïnvloedbaar zijn.
Er is geen limitatief overzicht beoogd. Is er zowel bij de jeugdige of zijn ouders (budgethouder) als derde aan wie het pgb wordt besteed sprake van problematische schulden- of verslavingsproblematiek, dan wordt het pgb geweigerd.
5.6.3 Rolvermenging
Het kan voorkomen dat de vertegenwoordiger ook de derde is aan wie het pgb wordt besteed. Dat wil zeggen: de vertegenwoordiger is tevens ondersteuner van de jeugdige of zijn ouder(s). Er is sprake van rolvermenging bij de uitvoering van de pgb-taken (vgl. CRVB:2024:1557, CRVB:2024:2412, CRVB:2024:1557).In dat geval weigert het college het pgb omdat de aan het pgb verbonden taken niet op verantwoorde wijze kunnen worden uitgevoerd. Er kan dan immers niet worden vastgesteld dat de beheerstaken met voldoende afstand en kritisch kunnen worden vervuld (vgl. CRVB:2019:3761). Het kan ook gaan om een vertegenwoordiger die gelieerd is aan de derde en het met voldoende afstand en kritisch vervullen van de beheerstaken zodanig kan beïnvloeden, dat geen sprake meer is van een verantwoorde uitvoering van die taken (vgl. CRVB:2019:2803). Denk bijvoorbeeld aan een medewerker die bij deze derde in dienst is, de partner van de ondersteuner of een persoon waarmee op een andere manier (zakelijke) verwevenheid bestaat. Daaronder kunnen ook zogeheten makelaarskantoren vallen die bemiddelen in personen aan wie het pgb wordt besteed maar ook de pgb-administratie doen.
Pgb besteden aan een niet-professional
De niet-professionele ondersteuner mag niet ook de pgb-vertegenwoordiger (gewaarborgde hulp) zijn, tenzij:
•vast is komen te staan dat deze persoon als enige geschikt is om de aangewezen jeugdhulp te bieden, én
•er geen mogelijkheid is een andere pgb-vertegenwoordiger (gewaarborgde hulp) te machtigen.
Pgb besteden aan professionals
De professionele ondersteuner mag niet ook de pgb-vertegenwoordiger (gewaarborgde hulp) zijn. Dit geldt ook voor iedere aan die ondersteuner gelieerde derde in of buiten de professionele organisatie. Het college maakt hierop geen uitzondering.
Jeugdige is budgethouder
Is de jeugdige budgethouder dan wil hij mogelijk het pgb besteden aan zijn ouder(s). Bij een kind-ouderrelatie is het tegennatuurlijk om de ouder die de ondersteuning biedt aan te sturen en zo nodig bij te sturen. Daarnaast kan een loyaliteitsconflict ontstaan omdat de jeugdige indirect verantwoordelijk is voor het inkomen van de ouder(s). In die gevallen wordt geen pgb verstrekt. Het college stelt de budgethouder wel in de gelegenheid om de individuele voorziening bij iemand anders in te kopen.
Hoofdstuk 7 Verordening
6 Regels over voorkomen misbruik en oneigenlijk gebruik
6.3 Controle pgb
6.3.1 Besteding pgb binnen de termijn
De budgethouder besteedt het toegekende pgb binnen de termijn zoals genoemd in het toekenningsbesluit. Wordt die termijn overschreden dan onderzoekt het college wat de reden daarvan is.
Artikel 8.1.3 Jeugdwet Artikel 4.16 Verordening Hoofdstuk 8 Verordening
Bijlage I Richtlijn gemiddelde tijd en frequentie van activiteiten bij persoonlijke verzorging
Deze richtlijn is gebaseerd op de CIZ Indicatiewijzer (toelichting op de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014, versie 7.1, juli 2014) en is bedoeld als richtlijn ter beoordeling wat de omvang van deze hulp is en of deze in het kader van de eigen kracht door ouders geboden kan worden.
Activiteiten persoonlijke verzorging
Overzicht handelingen die deel uit kunnen maken van de activiteit
Richtlijn gemiddelde tijd per keer in minuten
Richtlijn maximale frequentie per dag
1.1
Zich wassen
Delen van het lichaam
10
1x
Gehele lichaam
20
1x
1.2
Zich aankleden
Volledig aankleden/uitkleden
2Hier wordt bedoeld aan- en uitkleden bij het opstaan en het ’s avonds naar het bed gaan.
15
2x
Gedeeltelijk uitkleden
10
1x
Gedeeltelijk aankleden
10
1x
1.3
In en uit bed gaan
Hulp bij uit bed komen
3Hier wordt de hulp bedoeld bij het uit bed komen naar uiteindelijk bijvoorbeeld een stoel en vice versa.
10
1x
Hulp bij in bed gaan
10
1x
Hulp bij middagrust
10
1x
Hulp bij middagrust
10
1x
1.4
Zich verplaatsen in zit- of lighouding (hulp bij bewegen, houding)
-
20
Naar noodzaak
1.5
Naar toilet gaan en zich reinigen c.q. incontinentiemateriaal verwisselen
-
15
Naar noodzaak
1.6
Eten en drinken
Hulp bij broodmaaltijd excl. drinken
10
2x
Hulp bij warme maaltijd excl. drinken
15
1x
Hulp bij drinken
10
6x
1.7
Ondersteuning bij uitscheiding
Stomaverzorging bij lokaal intacte huid
20
Naar noodzaak
Stomazakje wisselen
10
Naar noodzaak
Katheterzaak legen /wisselen
10
Naar noodzaak
Uritip aanbrengen
15
Naar noodzaak
Klysma microlax
15
Naar noodzaak
1.8
Sondevoeding
Sondevoeding toedienen (inclusief aan-/en afkoppelen)
20
Naar noodzaak
Sondevoeding toedienen bij kinderen
40
Naar noodzaak
Sondevoeding via PEG
40
Naar noodzaak
1.9
Medicatie
Medicijnen aanreiken
4Inclusief uit de koelkast, weekdoos/baxter pakken, inschenken enzovoort.
5
Naar noodzaak
Medicijnen toedienen (oraal/via sonde)
5
5De inlooptijd van de medicatie kan in voorkomende gevallen in verband met bijvoorbeeld misselijkheid langer dan vijf minuten duren.
Naar noodzaak
Aanbrengen medicinale pleister
5
Naar noodzaak
Toedienen oog-, oor- of neusdruppels of oog- gel, medicatie toedienen (vaginaal of rectaal)
10
Naar noodzaak
Vernevelen
20
Naar noodzaak
2.1
Persoonlijke zorg voor tanden, haren, nagels, huid
Zorg voor tanden
5
2x
Zorg voor haren
5
1x
Zorg voor nagels
5
1x per week
Scheren
10
1x
Inspectie van de intacte huid op (dreigende) vervormingen, ontstekingen en/of infecties
10
Naar noodzaak
Zalven van de intacte huid
10
Naar noodzaak
Verzorging van smetplekken (roodheid en irritaties van de huid)
10
Naar noodzaak
Verzorging van de intacte huid rondom natuurlijke en onnatuurlijke lichaamsopeningen (zoals PEG-katheter, suprapubiskatheter, tracheastoma
6Bij het verwisselen van de tracheacanule (onderdeel VP) maakt de verzorging van de huid rondom de tracheastoma onderdeel uit van deze handeling. De verzorging wordt dan ook niet geïndiceerd bij het verwisselen van de tracheacanule.
, sonde)
10
Naar noodzaak
Mondverzorging in verband met risico op infecties bij cytostaticagebruik. Betreft spoelen van de mond, aanbrengen medicatie en het poetsen van de tanden
10(hiervan is de tijd voor het tandenpoetsen al vanaf getrokken)
6xper dag
2.2
Aanbrengen / verwijderen prothese
7Hiermee worden o.a. ledemaatprotheses en/of gehoorapparaten bedoeld.
Aanbrengen prothese/hulpmiddel
15
1x
Verwijderen prothese/hulpmiddel
15
1x
Aanbrengen D.P.S.
5
Naar noodzaak
Verwijderen D.P.S.
5
Naar noodzaak
Aanbrengen T.E.N.S.
5
Naar noodzaak
Verwijderen T.E.N.S.
5
Naar noodzaak