Gemeentelijke regelgeving

Afstemmingsverordening WWB, Bbz, IOAW en IOAZ 2013

Gemeente Maasdonk · geldt sinds 20 juli 2013

Afstemmingsverordening WWB, Bbz, IOAW en IOAZ 2013

Artikel 1. Begripsomschrijving

1In deze verordening wordt verstaan onder:

a.WWB: Wet werk en bijstand;

b.Bbz: het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;

c.IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werk-nemers;

d.IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelf-standigen;

e.WI: Wet inburgering;

f.bijstand: de bijstandsnorm bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 2 en 3, van de WWB;

g.grondslag: toepasselijke grondslag, als bedoeld in artikel 5, derde, vierde en vijfde lid, van de IOAW of artikel 5, vierde lid, van de IOAZ;

h.uitkering: bijstandsuitkering of uitkering als bedoeld in artikel 9 IOAW of IOAZ;

i.afstemming: verlaging van de uitkering op grond van artikel 18, tweede lid WWB, verlaging van de uitkering op grond van artikel 20 tweede lid IOAW of artikel 20 eerste lid IOAZ, evenals het tijdelijk geheel of gedeeltelijk weigeren van een uitkering op grond van artikel 20, eerste lid IOAW en artikel 20, tweede lid IOAZ;

j.re-integratievoorziening: een voorziening, gericht op het vergroten van de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, scholing of participatie;

k.het bestuur: de Raad van de gemeente Maasdonk.

2Alle begrippen die verder in deze verordening gebruikt worden en die niet nader wordenomschreven hebben dezelfde betekenis als in de WWB, Bbz, IOAW, IOAZ, WI en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Artikel 2. Het verlagen van de uitkering

1Als de belanghebbende naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders voor de toepassing van de WWB tekortschietend besef van verantwoordelijkheid toont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit de WWB, Bbz, IOAW of IOAZ voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich tegenover het bestuur zeer ernstig misdragen, doch met uitzondering van het schenden van de inlichtingenplicht ex artikel 17 eerste lid WWB, wordt in overeenstemming met deze verordening de uitkering verlaagd.

2De verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.

Artikel 3. Berekeningsgrondslag

1De verlaging wordt toegepast op de bijstand of de grondslag.

2In afwijking van het eerste lid kan de verlaging ook worden toegepast op de bijzondere bijstand indien:

a.aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de wet; of

b.de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand, daartoe aanleiding geeft.

3In afwijking van het eerste lid kan de verlaging ook worden toegepast op de bijzondere bijstand voor woonkosten en premie arbeidsongeschiktheidsverzekering aan zelfstandigen die bijstand voor levensonderhoud op grond van het Bbz ontvangen, of hebben ontvangen.

Artikel 4. Afzien van verlaging van de uitkering

Het bestuur ziet af van een verlaging indien:

a.elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of

b.de gedraging meer dan zes maanden vóór constatering van die gedraging door het bestuur heeft plaatsgevonden.

Artikel 5. Ingangsdatum en tijdvak

1De verlaging gaat in met ingang van de eerst volgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot verlaging aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm of grondslag.

2In afwijking van het eerste lid kan de verlaging met terugwerkende kracht worden toegepast, voor zover de uitkering nog niet is uitbetaald.

3Een verlaging wordt voor bepaalde tijd toegepast. Een verlaging die voor een periode van meer dan drie maanden wordt toegepast, wordt uiterlijk na drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd heroverwogen.

Artikel 6. Samenloop van gedragingen

Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als genoemd in artikel 2, eerste lid, inhouden, wordt voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging uitgegaan van de gedraging waarvoor de hoogste verlaging geldt.

Artikel 7. Gedragingen

De gedragingen bedoeld in artikel 18 tweede lid WWB, artikel 20 IOAW of artikel 20 IOAZ worden onderscheiden in de volgende categorieën:

1Eerste categorie:

a.het niet, onvoldoende of niet binnen een door het bestuur gestelde termijn nakomen van de medewerkingsplicht bedoeld in artikel 17 tweede lid WWB, artikel 38 tweede lid van het Bbz, of artikel 13 van de IOAW of IOAZ, en indien van toepassing mede als bedoeld in artikel 25 van de WI;

2Tweede categorie:

a.uitsluitend voor zover de WWB van toepassing is, het blijk geven van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid WWB, voor zover het niet betreft het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid;

b.het niet als werkzoekende geregistreerd zijn of blijven bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), indien daardoor de mogelijkheid tot arbeidsinschakeling aantoonbaar wordt belemmerd;

c.het onverantwoord interen van vermogen waardoor eerder een beroep op bijstand wordt gedaan, doordat verwijtbaar niet of niet meer over middelen wordt beschikt.

3Derde categorie:

a.Het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen, waaronder begrepen voor personen jonger dan 27 jaar het niet nakomen van verplichting om werk te zoeken tijdens de zoektijd als bedoeld in artikel 7 WWB;

b.het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot gebruik maken van re-inte-gratievoorzieningen, waaronder begrepen het niet of onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, scholing of participatie, of aan een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a WWB, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van het re-integratietraject;

c.het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9 eerste lid onderdeel b respectievelijk artikel 37 eerste lid onderdeel e van de IOAW of IOAZ niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder zoals bedoeld in artikel 9a eerste lid WWB respectievelijk 38 eerste lid IOAW of IOAZ;

d.uitsluitend voor zover de WWB van toepassing is, het niet of onvoldoende nakomen van een verplichting als bedoeld in hoofdstuk 6, paragraaf 3, van de WWB.

4Vierde categorie:

a.uitsluitend voor de toepassing van de WWB, het blijk geven van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18 tweede lid WWB, voor zover het betreft het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid;

b.het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid en tevens uitsluitend voor de toepassing van de IOAW of IOAZ, indien het betreft een verwijtbare beëindiging van de dienstbetrekking als bedoeld in artikel 20 IOAW of IOAZ;

c.het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot gebruik maken van re-inte-gratievoorzieningen, waaronder begrepen het niet of onvoldoende meewerken aan de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, scholing of participatie of aan een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a WWB, als dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van het re-integratietraject;

d.het zich zeer ernstig misdragen tegen het bestuur en de in zijn opdracht werkende ambtenaren en medewerkers onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de WWB, Bbz, IOAW of IOAZ.

Artikel 8. Hoogte en duur van de verlaging

1Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de verlaging vastgesteld op:

a) tien procent van de bijstand of grondslag gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie;

b) twintig procent van de bijstand of grondslag gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie;

c) veertig procent van de bijstand of grondslag gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie;

d) honderd procent van de bijstand of grondslag gedurende een maand bij gedragingen van de vierde categorie.

2De hoogte van de verlaging als bedoeld in het eerste lid wordt verdubbeld, indien debelanghebbende zich binnen twaalf maanden na de verzenddatum van een besluit waarbij een verlaging is toegepast, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging.

3In geval er sprake is van een verwijtbare gedraging als bedoeld in het eerste lid onder d wordt de duur van de verlaging verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na de verzenddatum van een besluit waarbij een verlaging is toegepast, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging.

4In afwijking van het eerste lid wordt bij onverantwoord interen van vermogen een verlaging toegepast van twintig procent gedurende het aantal maanden dat eerder beroep op bijstand is gedaan dan wanneer de verwijtbare gedraging niet had plaatsgevonden.

5Het bestuur kan volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing of de maatregel vaststellen voor een kortere of langere duur of met een hoger of lager percentage, als de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende of het gezin daartoe aanleiding geven.

Artikel 9. Verlaging bij verlies van een passende en toereikende voorliggende voorziening (vanwege onvoldoende betoond besef van verantwoordelijkheid) door toepassing van een bestuurlijke boete

1In afwijking van het bepaalde in artikel 7 en 8 wordt, indien belanghebbende(n) geen beroep meer kan doen op een passende en toereikende voorliggende voorziening, - omdat deze volledig wordt verrekend met een bestuurlijke boete in het kader van het bij herhaling schenden van de inlichtingenplicht -, de verlaging vastgesteld op 100% gedurende de eerste drie maanden gerekend vanaf de start van de verrekening.

2In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt de verlaging in de tweede en derde maand gerekend vanaf de start van de verrekening vastgesteld op 20%, indien belanghebbende(n) bij het opleggen van de boete redelijkerwijs niet kan beschikken over gelden van tenminste driemaal de toepasselijke bijstandsnorm.

Artikel 10. Uitvoering

De uitvoering van deze verordening berust bij het college van Burgemeester en Wethouders.

Artikel 11. Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als: Afstemmingsverordening WWB, Bbz, IOAW, IOAZ 2013.

Artikel 12. Inwerkingtreding

1Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking.

2De door de Raad van de gemeente Maasdonk eerder vastgestelde AfstemmingsverordeningWWB, IOAW en IOAZ gemeente Maasdonk 2012-A wordt ingetrokken per datum inwerkingtreding van deze verordening.

Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 25 juni 2013.

De raad voornoemd,

De griffier, De voorzitter,

drs. M.J.H.N. Collombon drs. R.H. Augusteijn

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1. Begripsomschrijving

Dit artikel bevat enkele begripsomschrijvingen. Onder bijstand wordt in deze verordening uitdrukkelijk verstaan de toepasselijke norm plus eventuele toeslag of verlaging (inclusief vakantietoeslag). Verder kent deze verordening het begrip grondslag voor wat betreft de IOAW en IOAZ. Dat komt overeen met wat hieromtrent is bepaald in de IOAW en IOAZ. Deze beide uitkeringen kennen een bruto-berekeningssystematiek, waarbij de grondslagen zodanig zijn vastgesteld dat zij netto gelijk zijn aan de vergelijkbare WWB-uitkering. In de IOAW en IOAZ bestaan geen afzonderlijke grondslagen voor personen die een woning met anderen delen (en geen gezamenlijke huishouding voeren).

Artikel 2. Het verlagen van de uitkering

Eerste lid

De toepasselijke wetten WWB, IOAW en IOAZ verbinden aan het recht op uitkering de volgende verplichtingen:

1Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid). In de WWB kan de bijstand verlaagd worden als er sprake is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. In de IOAW en de IOAZ ontbreekt dat. Daarom kan er op die grond geen verlaging of weigering van IOAW of IOAZ uitkering plaatsvinden.

2De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9 WWB en artikel 37 IOAW of IOAZ). Deze plicht bestaat uit verschillende soorten verplichtingen, zoals:

a) de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden, en na te laten wat de arbeidsinschakeling belemmert;

b) de plicht gebruik te maken van een door het bestuur aangeboden voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling. Deze verplichtingen zijn nader uitgewerkt in specifieke

verplichtingen die zijn toegesneden op de situatie en mogelijkheden van de uitkeringsgerechtigde. De vastgestelde Participatieverordening, vormt de juridische basis voor het opleggen van de specifieke verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling. Deze verplichtingen worden in het toekenningsbesluit opgenomen.

3.De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid WWB, artikel 38 tweede lid van het Bbz, en artikel 13, tweede lid IOAW of IOAZ). Dit is de plicht van uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het bestuur de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. De medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete verplichtingen bestaan, zoals:

a) het toestaan van een huisbezoek (in overeenstemming en met inachtneming van de wettelijke regels rond huisbezoeken en het vastgestelde Protocol Huisbezoeken);

b) het meewerken aan een medische keuring of psychologisch onderzoek;

c) artikel 18, tweede lid WWB, artikel 20 tweede lid IOAW of artikel 20 eerste lid IOAZ noemt een gedraging die in ieder geval een schending van de medewerkingsplicht inhoudt: ‘het zich tegenover het bestuur zeer ernstig misdragen’;

d) De plicht van een zelfstandige aan wie bijstand wordt verleend om naar behoren een administratie te voeren.

Tweede lid

In deze Afstemmingsverordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending van een verplichting betekenen, standaardmaatregelen vastgesteld in de vorm van een vaste (procentuele) verlaging van de uitkering.

In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het bestuur dient een verlaging af te stemmen op de individuele omstandigheden van de belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee dat het bestuur zal moeten nagaan of gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken uitkeringsgerechtigde afwijking van de hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. Afwijking van de standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen.

Dit betekent dat het bestuur bij het beoordelen of een verlaging moet worden opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen:

-stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging;

-stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid;

-stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde.

De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de categorie-aanduiding (artikel 7 van de verordening) en het standaardpercentage (artikel 8 van de verordening) waarmee de uitkering wordt

verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 4. Matiging wegens persoonlijke omstandigheden kan bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn:

-een bijzondere financiële positie van de belanghebbende, zoals hoge woonlasten of andere vaste lasten of (extra of incidentele) uitgaven van bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk is, of (omvangrijke) problematische schulden;

-sociale en/of gezinsomstandigheden;

-bij een opeenstapeling van verlagingen: de zwaarte van het geheel is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid.

Besluit tot afstemming

Het verlagen van de uitkering vindt plaats door middel van een besluit. In het besluit worden in ieder geval vermeldt: de reden van de verlaging, de duur van de verlaging, het percentage waarmee de bijstand of grondslag wordt verlaagd, het bedrag waarmee de bijstand of grondslag wordt verlaagd en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van een standaardverlaging.

Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dan vooral het motiveringsbeginsel. Het motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en ook van een deugdelijke motivering wordt voorzien.

Artikel 3. De berekeningsgrondslag

Eerste lid

In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt toegepast op de bijstandsnorm of de grondslag. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief vakantietoeslag. De grondslagen van de IOAW en IOAZ zijn zodanig vastgesteld dat zij netto gelijk zijn aan vergelijkbare uitkeringen op grond van de WWB.

Tweede lid

Onderdeel a: de 18 tot 21-jarige alleenstaanden en alleenstaande ouders ontvangen een lage norm, die indien noodzakelijk, - wanneer zij voor de noodzakelijke kosten van het bestaan geen beroep kunnen doen op de onderhoudsplicht van ouders, - wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud.

Wanneer in zo’n geval de verlaging vervolgens alleen op de lage norm zou worden toegepast, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van 21-jarigen.

Met de intrekking per 1 januari 2012 van de Wet investeren in jongeren (WIJ) valt dit weer onder deze Afstemmingsverordening.

Onderdeel b: deze bepaling maakt het mogelijk dat het bestuur in incidentele gevallen een verlaging toepast op de bijzondere bijstand, waaronder de langdurigheidstoeslag. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand.

Artikel 4. Afzien van verlaging van de uitkering

Het afzien van verlaging van de uitkering ‘indien elke vorm van verwijtbaarheid’ ontbreekt, is geregeld in artikel 18, tweede lid, WWB, artikel 20, derde lid IOAW en artikel 20, derde lid IOAZ. Dit wordt op individuele gronden bezien.

Een andere reden om af te zien van de verlaging is dat de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit (lik op stuk) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt toegepast. Om deze reden wordt onder b. geregeld dat het bestuur geen verlaging toepast voor gedragingen die langer dan zes maanden geleden hebben plaatsgevonden.

Artikel 5. Ingangsdatum en tijdvak

Eerste lid

Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de uitkering. Verlaging van de uitkering kan op twee manieren:

a.met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de uitkering; of

b.door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de eerstvolgende maand(en).

Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de gemakkelijkste methode. In dat geval hoeft niet te worden overgegaan tot herziening en terugvordering van het te veel betaalde bedrag aan bijstand. Om die reden is in het eerste lid vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm of grondslag.

Tweede lid

Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de bijstandsgerechtigde is uitbetaald, kan het praktisch zijn om de verlaging van de uitkering in te houden op het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat geval moet de bijstand wel worden herzien en teruggevorderd.

Derde lid

Dit lid regelt dat een verlaging voor bepaalde tijd wordt opgelegd.

Door een verlaging voor een bepaalde periode toe te passen, weet de uitkeringsgerechtigde die met een verlaging wordt geconfronteerd waar hij aan toe is. Het bestuur kan na afloop van de periode waarover de verlaging heeft plaatsgevonden opnieuw een verlaging toepassen. Hiervoor is dan wel weer een apart besluit nodig. Wordt een verlaging voor een langere duur dan drie maanden toegepast, dan zal het bestuur de verlaging aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dit is geregeld in artikel 18, derde lid WWB. De IOAW en IOAZ kennen een soortgelijke verplichting niet, maar gelet op uniformiteit, geldt deze heroverweging op grond van deze verordening ook voor een verlaging bij de IOAW en IOAZ.

Herbeoordeling van een verlaging voor een langere duur dan drie maanden moet plaatsvinden binnen drie maanden nadat het besluit is genomen. Bij een dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen, waarbij alle relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden. Een marginale beoordeling volstaat: het bestuur moet beoordelen of het redelijk is dat de toegepaste verlaging wordt gecontinueerd. Daarbij kan worden gekeken naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeert, maar bijvoorbeeld ook of de betreffende persoon nu wel aan zijn verplichtingen voldoet. De belanghebbende wordt met een besluit geïnformeerd over het ingenomen standpunt.

Artikel 6. Samenloop van gedragingen

De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op verschillende gedragingen van een uitkeringsgerechtigde die gelijktijdig plaatsvinden. Met gelijktijdig wordt bedoeld, op hetzelfde moment en/of in een betrekkelijk korte periode na elkaar.

Artikel 7. Gedragingen

De artikelen 7 en 8 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. De verwijtbare gedragingen zijn ondergebracht in categorieën, waaraan een gewicht is toegekend in de vorm van een verlagingspercentage (in artikel 8).

De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. De gedragingen welke direct betrekking hebben op verplichtingen in het kader van de inschakeling in de arbeid (met uitzondering van het niet ingeschreven zijn als werkzoekende) zijn ondergebracht in de twee zwaarste categorieën (categorie 3 en 4). Dit vanwege het belang dat wordt gehecht aan arbeidsinschakeling.

1Eerste categorie

Onderdeel a) Deze bepaling doelt op schendingen van de algemene, uit de wet voortvloeiende medewerkingsplicht. De belanghebbende is verplicht aan het bestuur desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet.

Ook wordt hiertoe gerekend de verplichting die een uitkeringsgerechtigde WWB, IOAW of IOAZ mede kan hebben, om te verschijnen op oproepen en om gegevens te verstrekken die voor een onderzoek naar diens inburgeringsplichtigheid van belang zijn als bedoeld in artikel 25 Wet inburgering. Het niet nakomen van deze verplichtingen bemoeilijkt immers ook de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, scholing of participatie van de uitkeringsgerechtigde.

Het niet meewerken aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met de arbeidsverplichting of het niet meewerken aan een onderzoek naar de voortgang van een aangeboden voorziening is geregeld in de derde en vierde categorie. (Herhaaldelijk) geen gehoor geven aan oproepen voor arbeidsinschakeling kan niet worden bestraft met beëindiging van de uitkering, maar alleen met een verlaging in overeenstemming met deze verordening. Hiertoe zijn in deze verordening in de derde en vierde categorie verlagingen opgenomen van 40% en 100% gedurende 1 maand. Dit geeft de mogelijkheid om ook ten aanzien van doelmatigheid actiever te kunnen handhaven en een beter lik-op-stuk beleid te kunnen voeren.

2.Tweede categorie

Onderdeel a) Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft direct gevolgen voor de hoogte of de duur van de aanspraak op bijstand, bijvoorbeeld wanneer iemand door eigen schuld het recht op een voorliggende voorziening verspeelt en daardoor (eerder) in bijstandsbehoeftige omstandigheden komt te verkeren. Van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid is ook sprake als iemand door eigen toedoen het recht op WW verliest (bijvoorbeeld door niet tijdig na ontslag WW aan te vragen) of naderhand ontvangen middelen op onverantwoorde wijze heeft ingeteerd. Hiertoe kan ook worden gerekend het niet nakomen van de verplichting om een alimentatievordering in te stellen.

Een bijzondere situatie van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan is het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Die verwijtbare gedraging is in het kader van deze verordening ingedeeld in de vierde categorie.

De afstemming bij verlies van een passende en toereikende voorziening door toepassing van een bestuurlijke boete, als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet aanscherping handhaving- en sanctiebeleid SZW-wetgeving, is apart geregeld in artikel 9 van deze verordening.

Anders dan de WWB, kennen de IOAW en IOAZ tekortschietend besef van verantwoordelijkheid niet als maatregelwaardige gedraging.

Onderdeel b) WWB, IOAW en IOAZ hechten een groot belang aan de plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9 WWB, artikel 37 IOAW en IOAZ). Om voor actieve bemiddeling door het UVW in aanmerking te komen is registratie als werkzoekende onontbeerlijk.

Uit de uitvoeringspraktijk blijkt dat het niet ingeschreven staan echter meestal van korte duur is en zonder gevolgen blijft. Daarom wordt deze gedraging alleen verwijtbaar geacht indien het niet ingeschreven staan bij het UWV betrekking heeft op een periode van tenminste 1 maand of, bij een kortere periode, indien daardoor de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling aantoonbaar zijn belemmerd.

Onderdeel c) Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan kan bestaan uit het veel te snel interen van vermogen. Bij deze beoordeling wordt onder verantwoorde besteding verstaan 1 ½ maal de toepasselijke bijstandsnorm per maand.

3Derde categorie

In de derde categorie gaat het om gedragingen die direct een aanleiding vormen tot een beroep op uitkering of het zonder noodzaak langer voortduren daarvan.

Onderdeel a) Het betreft de verplichting tot een actieve opstelling op de arbeidsmarkt. De uitkeringsgerechtigde heeft zelf de verantwoordelijkheid om in eerste instantie op eigen kracht aan het werk te komen dan wel aan het werk te blijven, zonder dat een voorziening tot arbeidsinschakeling wordt aangeboden.

Dit heeft ten eerste betrekking op de actieve sollicitatieplicht. De belanghebbende is verplicht een minimaal aantal sollicitaties te verrichten en hiervan op verzoek de bewijsstukken te tonen. Het exacte minimum aantal verplichte sollicitaties zal onder andere afhangen van het aanbod van algemeen geaccepteerde arbeid. Met de enkele mededeling van mondelinge sollicitaties wordt in beginsel geen genoegen genomen, tenzij kan worden geverifieerd dat deze ook daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.

Hieronder valt tevens de eventuele zoektijd die aan een belanghebbende kan zijn opgelegd, of de zoektijd van personen jonger dan 27 jaar, die per 1 januari 2012 is ingevoerd in artikel 7 van de WWB. Daarin is bepaald dat het bestuur de bijstand verlaagt als de alleenstaande (ouder) of de persoon jonger dan 27 jaar in de vier weken voorafgaand aan de aanvraag niet voldoende aan zijn verplichting om werk te vinden heeft voldaan.

Bij het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen kan het daarnaast gaan om het stellen van niet verantwoorde eisen ten aanzien van de aanvaardbare arbeid en om gedragingen die de kansen op arbeidsinschakeling verminderen.

Van het stellen van onredelijke eisen ten aanzien van aanvaardbare arbeid is bijvoorbeeld sprake wanneer uitkeringsgerechtigden met een lage opleiding uitsluitend op hoog gekwalificeerde banen solliciteren. Van gedragingen die de kansen op arbeidsinschakeling verminderen is ook sprake als de belanghebbende niet op afspraken of uitnodigingen verschijnt bij de gemeente, UWV of een andere (externe) organisatie gericht op arbeidsinschakeling, om de door de uitkeringsgerechtigde zelf ondernomen activiteiten te beoordelen. Ook vallen hieronder belanghebbenden, die door hun gedrag of kleding hun feitelijke kansen op arbeidsinschakeling belemmeren.

Onderdeel b) Aan de belanghebbende, die niet in staat is (gebleken) om op eigen kracht weer in het levensonderhoud te voorzien, wordt de verplichting opgelegd om mee te werken aan onderzoek naar mogelijkheden of om deel te nemen aan een concreet aangeboden traject dat uiteindelijk moet leiden tot arbeidsinschakeling, participatie of uitstroom.

De arbeidsinschakeling wordt direct geschaad, wanneer de belanghebbende deze verplichting niet of onvoldoende nakomt. Dat heeft immers gevolgen voor de duur van de aanspraak op uitkering en leidt tot vertraging van uitstroommogelijkheden.

Het niet of in onvoldoende mate nakomen van de verplichting om gebruik te maken van aangeboden re-integratievoorzieningen wordt als een relatief zware verwijtbare gedraging gezien. De gedragingen in deze categorie hebben echter niet tot gevolg dat het traject (definitief) geen doorgang vindt of moet worden beëindigd.

Van onvoldoende nakomen van de verplichtingen of onvoldoende medewerking is ook hier sprake als de belanghebbende niet verschijnt op afspraken of uitnodigingen bij de gemeente, UWV, het re-integratiebedrijf of een andere (externe) organisatie in het kader van re-integratie, als de belang-hebbende opdrachten, - bijvoorbeeld in verband met scholing -, niet naar behoren uitvoert of als de belanghebbende zich niet coöperatief opstelt bij het onderzoek en het gebruik van de aangeboden voorzieningen.

Andere voorbeelden zijn: onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak met betrekking tot arbeidsinschakeling (als bedoeld in artikel 44a van de wet) , niet of onvoldoende meewerken aan het behoud of bevorderen van arbeidsbekwaamheid of het nalaten opgedragen werkzaamheden of activiteiten naar beste vermogen te verrichten.

Als een langdurig verblijf in het buitenland negatieve gevolgen heeft gehad voor de kansen op ar-beidsinschakeling en re-integratie, kan eveneens een verlaging worden toegepast op de uitkering, wegens het niet nakomen van de arbeids- en re-integratie verplichting.

Van verwijtbaar gedrag in deze categorie is ook sprake als een uitkeringsgerechtigde WWB, IOAW of IOAZ die tevens inburgeringsplichtig is op grond van de Wet inburgering:

-onvoldoende medewerking verleent aan de uitvoering van de voor hem vastgestelde inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening, bedoeld in artikel 23, eerste lid van de WI of aan de bij verordening vastgestelde verplichtingen in het kader van deze voorziening, bedoeld in artikel 23, derde lid van de WI; niet binnen de in artikel 7 eerste lid van de WI bedoelde termijn (van drieënhalf jaar) of binnen de door het bestuur op grond van artikel 31 tweede lid onderdeel a van de WI verlengde termijn het inburgeringsexamen heeft behaald.

Deze gedragingen bemoeilijken immers ook de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, scholing of participatie.

Onderdeel c) Artikel 9a WWB regelt de ontheffing van de plicht tot arbeidsinschakeling voor alleenstaande ouders met te laste komende kinderen tot 5 jaar. De ontheffing vindt alleen plaats op verzoek. In de plaats van de arbeidsplicht geldt dan een scholingsplicht, die wordt vastgelegd in een plan van aanpak. Het bestuur verlaagt de uitkering indien de verleende ontheffing van de arbeidsplicht is ingetrokken als gevolg van het niet nakomen van de afspraken in het plan van aanpak. De IOAW en IOAZ kennen gelijkluidende bepalingen.

Onderdeel d) De eventuele aanvullende verplichtingen moeten expliciet bij beschikking worden opgelegd. Dat kan zowel plaatsvinden bij toekenning van de uitkering als in een later stadium, zodra de omstandigheden daartoe aanleiding geven. Het gaat hier om de aanvullende verplichtingen genoemd in de artikelen 55 tot en met 57 WWB die niet rechtstreeks van invloed zijn op de hoogte van het recht, maar wel de arbeidsinschakeling en uitstroom bevorderen of verband houden met aard en doel van de bijstand. Het kan bijvoorbeeld hierbij gaan om de verplichting mee te werken aan een schuldhulpverleningstraject of aan de verplichting een medische behandeling te ondergaan.

Dergelijke aanvullende verplichtingen bestaan niet in de IOAW en IOAZ, zodat dit voor die regelingen niet speelt.

4Vierde categorie

Onderdeel a) In deze categorie gedraging gaat het om tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan in de WWB door verwijtbaar ontslag, bijvoorbeeld een ontslag op staande voet wegens diefstal of werkweigering. In deze gevallen wordt een eventuele aanvraag WW vrijwel zonder uitzondering geweigerd. Het bestuur zal echter zelf moeten onderzoeken of het ontslag verwijtbaar is. Ook als de belanghebbende afziet van het aanvragen van WW, dan zal het bestuur zelfstandig onderzoek moeten doen naar de verwijtbaarheid van het ontslag. Voor de toepassing van de IOAW en IOAZ geldt dat op basis van artikel 20 eerste lid IOAW en artikel 20 tweede lid IOAZ de uitkering tijdelijk geheel of gedeeltelijk geweigerd kan worden. In het kader van deze verordening beperkt de verlaging zich in zo’n situatie bij de IOAW en IOAZ ook tot een maand, net als bij de uitvoering van de WWB.

Onderdeel b) Deze gedraging heeft betrekking op het weigeren van een aangeboden dienstverband, voor zowel de WWB, als IOAW en IOAZ. Het kan hierbij om allerlei soorten arbeid gaan, gesubsidieerd of regulier werk, fulltime of parttime, tijdelijk of werk voor onbepaalde duur. Essentieel is dat de belanghebbende door de werkweigering afziet van een concrete kans om geheel of gedeeltelijk uit te stromen. Binnen de IOAW en IOAZ bestaat tevens de mogelijkheid om de uitkering te verlagen bij verwijtbare beëindiging van een dienstbetrekking (art 20 IOAW en IOAZ).

Dit is een beperkte variant op het tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan in de WWB (zie onder a hiervoor).

Onderdeel c) Het gaat hier om dezelfde soort gedragingen als bedoeld in de derde categorie onder b, echter met dit belangrijke verschil dat de gedraging heeft geleid tot het (definitief) geen doorgang vinden of afbreken van een traject.

Inde praktijk zal beëindiging van een traject veelal pas plaatsvinden nadat de belanghebbende door zijn gedrag herhaaldelijk heeft laten blijken niet mee te willen meewerken aan instrumenten gericht op een zo spoedig mogelijke inschakeling in het arbeidsproces. Hier rekenen wij ook toe het herhaaldelijk niet verschijnen op oproepen in het kader van aangeboden re-integratie dan wel re-integratievoorzieningen bij gemeente, UWV of een andere (externe) organisatie gericht op arbeids-inschakeling. Ook kan een zeer ernstige gedraging, bijvoorbeeld agressief gedrag of diefstal tijdens een proefplaatsing, tot beëindiging van het traject leiden. In alle gevallen betreft het gedragingen die de kans op uitstroom en arbeidsinschakeling voor langere tijd vrijwel onmogelijk maken.

Onderdeel d) Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van aan de belanghebbende toe te rekenen gedrag, wat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd. Het bestuur kan alleen een verlaging toepassen indien er een direct en rechtstreeks verband bestaat tussen de ernstige misdraging, die aan belanghebbende is toe te rekenen, en het niet of onvoldoende nakomen van één of meerdere verplichtingen (inlichtingenplicht en medewerkingsplicht zoals de plicht om mee te werken aan een onderzoek tot mogelijkheden van arbeidsinschakeling) die voortvloeien uit de WWB, Bbz, IOAW of IOAZ. Dit betekent dus niet dat er per definitie sprake moet zijn van een situatie waarbij als gevolg van een misdraging het recht op uitkering niet of niet langer kan worden vastgesteld.

In artikel 18 tweede lid van de WWB, artikel 20 tweede lid IOAW en artikel 20 eerste lid IOAZ wordt gesproken over ‘het zich tegen het bestuur zeer ernstig misdragen’. Dit betekent dat alleen (zeer) agressief gedrag tegenover leden van het bestuur en hun ambtenaren en medewerkers aanleiding zijn voor het toepassen van een verlaging. Vormen van agressief gedrag zijn: verbaal geweld (schelden), discriminatie, intimidatie (uitoefenen van psychische druk), zaakgericht fysiek geweld (vernielingen), mensgericht fysiek geweld of een combinatie van agressievormen.

Het zich zeer ernstig misdragen jegens het bestuur omvat tevens het zich misdragen jegens een medewerker van het re- integratiebureau, omdat deze personen werken in opdracht van het bestuur en de misdraging van negatieve invloed is op de op belanghebbende uit hoofde van de WWB rustende verplichting tot arbeidsinschakeling (zie rechtbank Rotterdam 26-03-2008 nr. 07/1478).

Voor het bepalen van de verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. Als iemand het toepassen van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het verkrijgen van een uitkering), dan is de mate van verwijtbaarheid in beginsel groter dan bij agressie die ontstaat door onmacht, ontevredenheid of onduidelijkheden.

Zeer ernstige misdragingen buiten dit kader kunnen alleen via het strafrechtelijk traject worden vervolgd.

Het toepassen van een verlaging staat geheel los van het doen van aangifte bij de politie. Het bestuur besluit tot de verlaging wegens misdragingen, terwijl de ambtenaar of medewerker tegen wie de agressie zich richtte persoonlijk aangifte kan doen bij de politie. Een verlaging wegens ernstig wangedrag laat de bevoegdheid van het bestuur om de dader gedurende een periode de toegang tot het Werkplein, dan wel het gemeentehuis te ontzeggen onverlet.

Naast het toepassen van een verlaging op grond van dit artikel kan het bestuur betrokkene ook verplichten deel te nemen aan een traject in de vorm van een agressietraining. Het weigeren een dergelijk traject te volgen, kan worden gezien ais een verwijtbare gedraging van de eerste categorie.

Artikel 8. Hoogte en duur van de verlaging

Eerste lid

De Afstemmingsverordening kent het volgende regime: tien, twintig, veertig en honderd procent verlaging van de uitkering. Dit betekent een voelbare maatregel voor de belanghebbende. De keuze voor dit regime heeft te maken met het hoofduitgangspunt dat alles gericht moet zijn op werk en op ieders verantwoordelijkheid daarvoor.

Tweede en derde lid

Indien binnen 12 maanden na een eerste verwijtbare gedraging er opnieuw sprake is van een verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de hoogte van de verlaging. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging verstaan die aanleiding is geweest tot een verlaging. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van 12 maanden, geldt de verzenddatum van het besluit waarbij de verlaging is toegepast.

Omdat een verlaging van honderd procent niet kan worden verdubbeld is er bij een tweede gedraging van de vierde categorie gekozen voor verdubbeling van de duur van de verlaging. Dus in dat geval vindt er uitsluiting plaats gedurende twee maanden.

De verlagingspercentages bij samenloop met verplichtingen op grond van de Wet inburgering zijn hetzelfde als de regels over de bestuurlijke boete in de vastgestelde Verordening Wet inburgering.

In de WI zijn in artikel 34 maximum bedragen opgenomen voor het opleggen van boetes bij verwijtbare gedragingen, waarmee in het kader van uitvoering van deze verordening rekening dient te worden gehouden. Het maximumbedrag van de verlaging kan bij overtredingen van uitkeringsgerechtigden in combinatie met de Wet inburgering, daarom niet hoger zijn € 250,-- in de eerste categorie, en € 500,-- in de derde categorie (meewerken aan de vastgestelde inburgeringsvoorziening en het behalen van het inburgeringsexamen binnen drieënhalf jaar), in overeenstemming met artikel 34 WI. In de praktijk hoeft hiermee, gezien de hoogte van de uitkering of grondslag, alleen rekening te worden gehouden bij gehuwden/samenwonenden.

Vierde lid

Bij het onverantwoord interen van vermogen is er voor gekozen de verlaging vast te stellen op 20% voor de duur van de periode dat eerder een beroep gedaan wordt op bijstand. Bij deze beoordeling wordt onder verantwoorde besteding verstaan 1 ½ maal de toepasselijke bijstandsnorm per maand. Ook hier geldt dat de verlaging afgestemd wordt op de ernst van de gedraging, de verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende.

Vijfde lid

In het vijfde lid wordt bepaald dat het bestuur kan volstaan met een schriftelijke waarschuwing. Het besluit om te volstaan met een schriftelijke waarschuwing wordt niet aangemerkt als recidive in de zin van het tweede lid van dit artikel.

Ook is hierin nogmaals benadrukt dat een verlaging toegepast kan worden met een afwijkend(e) periode of percentage als daar in individuele omstandigheden aanleiding toe bestaat.

Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan o.a.:

-verlenging van de duur van de verlaging bij volharding. Van volharding is in beginsel sprake bij een derde en volgende gedraging van een gelijke of hogere categorie, binnen twaalf maanden na de laatste verwijtbare gedraging;

-eerder of langer recht hebben op een WWB uitkering, als gevolg van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, zoals onverantwoorde intering van vermogen;

-verlenging van de duur van de verlaging naar twee maanden indien de uitkeringsgerechtigde die ook inburgeringsplichtig is, niet binnen de door het bestuur op grond van artikel 32 of 33 van de WI verlengde termijn (van telkens ten hoogste twee jaren) het inburgeringsexamen heeft behaald, in overeenstemming met de regels over de bestuurlijke boete in de Verordening Wet inburgering.

Artikel 9. Verlaging bij verlies van een passende en toereikende voorliggende voorziening (vanwege onvoldoende betoond besef van verantwoordelijkheid) door toepassing van een bestuurlijke boete

De door het bestuur vastgestelde Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive, als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet aanscherping handhaving- en sanctiebeleid SZW wetgeving op 1 januari 2013, regelt alleen de verrekening bij bijstandsgerechtigden die te maken krijgen met een door het bestuur zelf opgelegde recidiveboete.

Door deze wet wordt echter ook het sanctieregime in de overige sociale zekerheidswetten aangescherpt. In de sociale zekerheidswetten wordt een vergelijkbaar boeteregime ingevoerd als in de WWB (boete ter hoogte van de te veel ontvangen uitkering en bij recidive 150% daarvan) zij het dat de uitvoeringsorganisaties(UWV, SVB) en de gemeente (voor wat betreft de IOAW en IOAZ)) het uitstaande boetebedrag voor een termijn van vijf jaren in beginsel dienen te verrekenen zonder rekening te houden met de beslagvrije voet.

Dit houdt in dat een belanghebbende, zodra die verrekening in de overige sociale zekerheidswetten wordt geëffectueerd, in beginsel meer kan beschikken over zijn/haar uitkering. Als andere middelen ontbreken, kan dan noodgedwongen een beroep gedaan worden op de Wet werk en bijstand als laatste vangnet.

Voor de WWB wordt het feit dat het recht op een passende en toereikende voorliggende voorziening teloor is gegaan, aangemerkt als tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Een en ander levert daarom maatregelwaardig gedrag op, op basis waarvan de bijstand kan worden verlaagd.

De voorgaande Afstemmingsverordening miste nog een bepaling die aansluit op invoering van de bestuurlijke boete.

Dit artikel voorziet hierin en is zo geredigeerd dat een belanghebbende in beginsel in een met de recidiverende bijstandsgerechtigde vergelijkbare situatie terecht komt. Dit betekent dat ook aan hem in beginsel drie maanden vanaf de datum van de verrekening geen bijstand toekomt. Dit is in overeenstemming met de Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive die door de gemeenteraad is vastgesteld.

Als belanghebbende(n) geen beroep meer kan doen op een passende en toereikende voorliggende voorziening omdat deze volledig wordt verrekend met een bestuurlijke boete vanwege het bij herhaling schenden van de inlichtingenplicht, wordt een verlaging opgelegd van 100% gedurende de eerste drie maanden gerekend vanaf de start van de verrekening.

In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt de verlaging gematigd en in de tweede en derde maand na de start van de verrekening bepaald op 20% indien belanghebbende(n) redelijkerwijs niet kan beschikken over gelden van ten minste driemaal de toepasselijke bijstandsnorm. Dit in overeenstemming met de Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive die door de gemeenteraad is vastgesteld.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.