Gemeentelijke regelgeving

Handhavingsbeleid Kinderopvang en Peuterspeelzalen gemeente Leusden 2016

Gemeente Leusden · geldt sinds 1 april 2016

3. Toezicht kinderopvang en peuterspeelzalen

3.1. Kindercentra, gastouderbureaus en peuterspeelzalen

3.1.1. Onderzoek voor registratie (OVR)

De houder die van plan is een voorziening voor kinderopvang, een gastouderbureau of peuterspeelzaal te starten dient hiertoe bij het college middels een aanvraagformulier een aanvraag in voor registratie in het Landelijk Register Kinderopvang en Peuterspeelzalen (LRKP).

Binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag controleert de gemeente of deze volledig is. Als deze aanvraag, eventueel na een hersteltermijn (van 14 dagen), volledig is, stuurt de gemeente een kopie van het aanvraagformulier samen met een opdracht tot ‘onderzoek voor registratie’ naar de GGD.

Uiterlijk 6 weken na ontvangst van de opdracht meldt de toezichthouder middels een inspectierapport aan het college of de exploitatie redelijkerwijs in overeenstemming met de Wko kan plaatsvinden. De GGD stuurt een afschrift van het inspectierapport naar de houder.

Binnen een termijn van tien weken na ontvangst van de volledige aanvraag bericht het college de houder of de locatie wel of niet mag starten. Als de locatie mag starten wordt in dit besluit tevens het registratienummer uit het LRKP vermeld.

Als het college niet binnen de gestelde tien weken een besluit heeft genomen, wordt de locatie van rechtswege ingeschreven in het LRKP – ook indien het advies tot opname in dit register negatief was

8Omdat kinderopvang een dienst is zoals bedoeld in de Dienstenwet, is de Lex Silentio Positivo (LSP) van toepassing. Deze LSP is geregeld in artikel 4:20a t/m 4:20f Algemene wet bestuursrecht – in afwijking van de hierin genoemde termijn van 8 weken geldt voor de Wko een termijn van 10 weken.

.

De gemeente overlegt met de GGD als:

•een kindercentrum, gastouderbureau of peuterspeelzaal in exploitatie wordt genomen voordat dit formeel is gemeld;

•een kindercentrum, gastouderbureau of peuterspeelzaal in exploitatie wordt genomen voordat de in de wet genoemde termijn van tien weken na aanvraag is verstreken en er nog geen positief besluit van de gemeente is ontvangen;

•het aantal kindplaatsen is uitgebreid zonder dat dit is gemeld bij de gemeente.

Als het vermoeden bestaat dat het kindercentrum, gastouderbureau of peuterspeelzaal niet zal voldoen aan de kwaliteitseisen, genoemd in de Wko, kan een sanctie worden opgelegd of wordt het kindercentrum, gastouderbureau of peuterspeelzaal niet opgenomen in het LRKP.

3.1.2. Onderzoek na registratie (ONR)

Binnen drie maanden nadat een kindercentrum, gastouderbureau of peuterspeelzaal in exploitatie is genomen, voert de GGD een onderzoek na registratie uit. De opdracht hiertoe is door de gemeente aan de GGD verstrekt bij het verzoek tot inspectie van de locatie voor registratie.

Het onderzoek na registratie richt zich op dezelfde onderdelen als een reguliere inspectie.

3.1.3. Reguliere inspectie

Risicoprofielen voor risico gestuurd toezicht

Het toezicht op de kwaliteit van de kinderopvang is vanaf 2012 in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) nog meer risico gestuurd ingezet. Alle GGD-en zijn gaan werken met risicoprofielen (zie tabel hierna). Toezichthouders stellen aan de hand van een landelijk risicoprofiel van iedere locatie een risicoprofiel op. Bij het opstellen van het profiel wordt vanuit het opgebouwde inspectie- en handhavingsverleden nagegaan of er een verhoogde kans bestaat op niet-naleving van de kwaliteitseisen. De uitkomsten worden hiermee dus gebruikt voor het bepalen van de vorm en mate van een volgende inspectie.

Het risicoprofiel is daarmee geen inspectierapport. Een inspectie met bijbehorend inspectierapport geeft een oordeel over de kwaliteit op een bepaald moment. Dit geldt niet voor de uitkomst van het risicoprofiel. Aan een inspectierapport is eventueel een handhavingsadvies aan de gemeente gekoppeld. Aan het risicoprofiel is alleen de vorm en mate van inspectie gekoppeld.

De invoering van risico gestuurd toezicht op peuterspeelzalen is gestart in 2014. De GGD heeft in 2014 voor alle peuterspeelzalen een risicoprofiel opgesteld. De inspecties worden vanaf januari 2015 op basis van het risicoprofiel vormgegeven.

Inspectiecyclus

Jaarlijks vindt toezicht plaats op alle locaties inclusief de gastouderbureaus. Op basis van het opgestelde risicoprofiel werkt de toezichthouder de benodigde inspectieactiviteit voor de locatie uit. Dit gebeurt binnen de kaders van de gemeentelijke afspraken met de GGD. De toezichthouder stelt de omvang, diepgang, frequentie en type van onderzoek vast. Dit leidt tot een inspectie op maat voor iedere locatie.

Locaties waarvan op basis van de risico-inschatting wordt verwacht dat geen zorg bestaat over de kwaliteit, noch nu noch in de nabije toekomst, worden tijdens het inspectiebezoek minstens getoetst op de belangrijkste kwaliteitseisen, de zogeheten ‘kernelementen’

9Personeel, groepsgrootte en beroepskracht/kind ratio, pedagogisch praktijk

.

Het bepalen van de inspectieactiviteit is een voortdurend proces zonder start of eindpunt. Een inspectie levert namelijk veel informatie op die van invloed kan zijn op de risico-inschatting. In de perioden tussen de locatie-inspecties kan het risicoprofiel en daarmee de inspectieactiviteit bijgesteld worden als daarvoor aanleiding is. Bijvoorbeeld na melding van een klacht of signaal of omdat een handhavingsmaatregel van de gemeente niet tot verbetering heeft geleid. Uiteraard vindt ook positieve bijstelling plaats – bijvoorbeeld wanneer blijkt, dat er wél verbetering is opgetreden en overtredingen zijn opgelost.

3.1.4. Nader onderzoek

Naar aanleiding van het inspectierapport kan het college de houder een sanctie opleggen. Het kan hierbij gaan om een herstellende of een bestraffende sanctie (zie hoofdstuk 4 en Beleidsregels).

Als een herstellende sanctie is opgelegd en gebleken is, dat de houder van het kindercentrum, gastouderbureau of peuterspeelzaal binnen de gestelde termijn daarop heeft gereageerd, stelt de gemeente de GGD hiervan in kennis. Indien noodzakelijk geeft de gemeente de GGD opdracht tot het uitvoeren van een nader onderzoek. De GGD bepaalt aan de hand van deze opdracht in overleg met de gemeente of een inspectiebezoek noodzakelijk is of dat volstaan kan worden met een papieren controle (documentenonderzoek).

Ook als de houder niet heeft gereageerd op de opgelegde sanctie kan de gemeente de GGD opdracht geven tot het uitvoeren van een nader onderzoek. Met dit nader onderzoek wordt gecontroleerd of de houder de geconstateerde overtredingen ondanks het uitblijven van een reactie afdoende heeft opgelost. Afhankelijk van de urgentie en aard van de overtreding(en) kan dit onderzoek onaangekondigd worden uitgevoerd.

Een houder kan en mag de gemeente (niet de GGD) verzoeken opdracht te geven tot een nader onderzoek om de tekortkomingen opnieuw te beoordelen.

3.1.5. Incidenteel onderzoek

Naar aanleiding van een melding over onvoldoende kwaliteit, klachten van derden of berichten uit de media kan de GGD incidenteel onderzoek verrichten. Afhankelijk van de urgentie en aard van de melding of klacht kan dit onderzoek onaangekondigd worden uitgevoerd. De uitkomst van een dergelijk onderzoek zal door de GGD via een inspectierapport zowel aan de gemeente als aan de direct betrokkene(n) (houder en/of klager) meegedeeld worden.

Ook kan de GGD op de hoogte raken of gebracht worden van niet-geregistreerde kinderopvang. Na overleg met de gemeente en na ontvangst van een schriftelijke opdracht, vindt onderzoek plaats door de GGD.

3.1.6. Wijzigingen kindercentra/gastouderbureaus/peuterspeelzalen

Een houder is verplicht alle wijzigingen direct door te geven aan het college. Het college is verantwoordelijk voor de inhoud en kwaliteit van het LRKP. In overleg met de GGD wordt bepaald of de wijzigingen kunnen worden doorgevoerd in het LRKP dan wel aanleiding geven tot een inspectie

10Wijzigingen zonder rechtsgevolg kunnen zonder overleg met de GGD in het LRKP worden doorgevoerd.

.

Voorziening niet in exploitatie

Als op een geregistreerde voorziening geen kinderen (meer) worden opgevangen, wordt deze voorziening uit het LRKP uitgeschreven. Dit gebeurt op grond van artikel 8, lid 1b van het Besluit registers kinderopvang en peuterspeelzaalwerk. Aan een uitschrijving uit het register gaat altijd een voornemen tot uitschrijving vooraf. De houder wordt daarbij in de gelegenheid gesteld om binnen 2 weken een zienswijze in te dienen op de voorgenomen uitschrijving.

In de regio Brabant-Zuidoost kan tot deze uitschrijving worden overgegaan als de opvangvoorziening drie maanden niet in exploitatie is.

3.2. Gastouders

3.2.1. Inspectie gastouders

Bij een nieuwe aanvraag voor een voorziening voor gastouderopvang wordt geen onderscheid gemaakt tussen de gastouderlocatie en de vraagouderlocatie. Dit betekent, dat bij een nieuwe aanvraag voor opname in het LRKP

12Hieronder valt ook een verhuizing of extra opvanglocatie.

een inspectie wordt uitgevoerd op het volledige toetsingskader

13In ieder geval hetgeen je daarvan kan toetsen vóór de start van de opvang zoals bijvoorbeeld de opvangruimte en het op de hoogte zijn van de meldcode kindermishandeling en het pedagogisch beleidsplan.

, óók als de opvang plaatsvindt in de woning van de vraagouder. Voorafgaand aan deze inspectie controleert de gemeente of de aanvraag volledig is (zie ook 2.1.1).

Een inspectie start met een documentenonderzoek. De GGD controleert of de gastouder beschikt over de vereiste papieren: een getuigschrift of diploma van een opleiding zoals opgenomen in het Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen, een geregistreerd en geldig EHBO-diploma en een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG)

14Naast de gastouder dienen ook de personen van 18 jaar of ouder die op hetzelfde woonadres als de houder hun hoofdverblijf hebben én eventueel daar werkende vrijwilligers of stagiaires in het bezit te zijn van een geldig VOG.

die bij overlegging aan het gastouderbureau niet ouder is dan twee maanden.

Als aan dit eerste deel van het onderzoek niet wordt voldaan, kan de GGD besluiten geen onderzoek op locatie uit te voeren (het tweede deel van het onderzoek) omdat de aanvraag al op grond van onjuiste documenten afgewezen kan worden. Als wél wordt voldaan, vindt een onderzoek op locatie plaats (huisbezoek). Zowel het documentenonderzoek, het onderzoek op locatie als het besluit op de aanvraag tot registratie moet plaatsvinden binnen tien weken na ontvangst van de (volledige) aanvraag. Ook hier geldt, dat wanneer het besluit op de aanvraag niet binnen deze gestelde tien weken is genomen, inschrijving in het LRKP van rechtswege plaatsvindt – ongeacht de uitkomst van het onderzoek

15Ook gastouderopvang is een dienst als bedoeld in de Dienstenwet en daarmee geldt de Lex Silentio Positivo.

.

3.2.2. Wijzigingen gastouders

In de Wko is in artikel 1.47 bepaald, dat een houder van een gastouderbureau onmiddellijk mededeling moet doen van wijzigingen in de gegevens die bij de aanvraag zijn verstrekt. In overleg met de GGD wordt bepaald, of deze wijzigingen aanleiding geven tot inspectie.

Gastouderopvang is niet in exploitatie

Als op een geregistreerde voorziening voor gastouderopvang geen kinderen (meer) worden opgevangen, wordt deze voorziening uit het LRKP uitgeschreven. Dit gebeurt op grond van artikel 8, lid 1b van het Besluit registers kinderopvang en peuterspeelzaalwerk. Aan een uitschrijving uit het register gaat altijd een voornemen tot uitschrijving vooraf. De gastouder wordt daarbij in de gelegenheid gesteld om binnen 2 weken een zienswijze in te dienen op de voorgenomen uitschrijving.

In de regio Utrecht wordt tot deze uitschrijving overgegaan als de opvangvoorziening drie maanden niet in exploitatie is.

Wanneer sprake is van tijdelijke onderbreking (bijvoorbeeld door ziekte of zwangerschap van de gastouder), waarbij een duidelijk perspectief is op het binnen afzienbare tijd hervatten van de opvang, kan de registratie gehandhaafd blijven. Dit is ter beoordeling aan de gemeente.

Verzoek tot uitschrijving zonder handtekening

Wijzigingsformulieren met het verzoek tot uitschrijving uit het LRKP die namens de gastouder worden ingediend door het gastouderbureau, zijn voorzien van een handtekening van die gastouder. Als een wijzigingsformulier met verzoek tot uitschrijving uit het LRKP wordt ingediend zonder handtekening, wordt eerst aan het gastouderbureau gevraagd om alsnog aan de gastouder een handtekening te vragen. De behandeling van het verzoek tot wijziging wordt maximaal twee weken opgeschort. Is het gastouderbureau niet in staat de handtekening te verkrijgen, dan moet als aanvullende informatie in dit geval een kopie van het bewijsstuk opgestuurd worden waaruit blijkt, dat de bemiddelingsrelatie tussen het gastouderbureau en de gastouder is opgezegd. Het college stuurt ook in dit geval voorafgaand aan de uitschrijving uit het register, aan de gastouder een voornemen tot uitschrijving. De gastouder heeft twee weken om te reageren op het voornemen middels een zienswijze.

Bijlage 1 Beleidsregels handhaving Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen Gemeente Leusden

Hoofdstuk 1 Algemeen

Artikel 1 Toepassing

Deze beleidsregels zijn van toepassing op de handhaving naar aanleiding van overtreding van de bij of krachtens de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen gestelde regelgeving.

Artikel 2 Kwaliteitseisen

1De kwaliteitseisen waar aan voldaan moet worden, staan genoemd in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen en alle aanverwante regelgeving. Ze worden tevens expliciet in het door de toezichthouder opgestelde rapport genoemd.

2In deze Beleidsregels handhaving Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen Gemeente Leusden wordt uitgegaan van deze kwaliteitseisen.

3In het afwegingsoverzicht dat als bijlage aan deze beleidsregels is toegevoegd worden voor de prioritering, de hoogte van de bestuurlijke boete en de hoogte van de last onder dwangsom per domein de kwaliteitseisen geclusterd weergegeven.

Artikel 3 Vormen van sanctioneren

Bij het uitvoeren van het handhavingsbeleid heeft het college de volgende mogelijkheden

a.herstelsanctie en/of

b.bestraffende sanctie

Hoofdstuk 2 Herstellend traject

Artikel 4 Herstelsancties

1Indien gebleken is dat een houder van een kindercentrum, een gastouderbureau, voorziening voor gastouderopvang of peuterspeelzaal niet voldoet aan één of meer kwaliteitseisen van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen en alle daaruit voortvloeiende regelgeving, start het college in beginsel een herstellend traject. Dit traject is gericht op beëindiging van de overtreding(en) en voorkoming van herhaling hiervan.

2Bij het uitvoeren van het herstellend traject hanteert het college de volgende stappen:

a.stap 1: aanwijzing

b.stap 2: last onder dwangsom/last onder bestuursdwang

c.stap 3: exploitatieverbod

d.stap 4: verwijdering uit het Register kinderopvang of het Register peuterspeelzaalwerk

3Indien de overtreding of de handhavingsgeschiedenis op deze overtreding hiertoe aanleiding geeft, kan het college besluiten om een bepaalde stap of bepaalde stappen van het herstellend traject over te slaan dan wel meerdere keren toe te passen.

4De duur van de hersteltermijn is maximaal 6 weken zoals afgeleid kan worden uit het afwegingsoverzicht dat als bijlage is opgenomen. Indien de overtreding hiertoe aanleiding geeft kan het college besluiten de hersteltermijn te wijzigen.

5In afwijking van het vorige lid, is de hersteltermijn voor het overleggen van een verklaring omtrent gedrag maximaal 2 weken.

Artikel 5 Verwijdering registratie

Indien niet (langer) wordt voldaan aan de eisen zoals opgenomen in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen en daaruit voortvloeiende regelgeving voor wat betreft de te registeren voorzieningen (dagopvang, buitenschoolse opvang, gastouderbureau, voorziening voor gastouderopvang of peuterspeelzaal) zal de registratie worden verwijderd uit het register kinderopvang dan wel peuterspeelzaalwerk.

Hoofdstuk 3 Bestraffend traject

Artikel 6 Bevoegdheid opleggen bestuurlijke boete

1Indien de houder een aanwijzing onderscheidenlijk een bevel als bedoeld in artikel 1.65 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen of een vordering tot medewerking als bedoeld in artikel 5:20 Algemene wet bestuursrecht niet nakomt dan wel handelt in strijd met een verbod krachtens artikel 1.66 van voormelde wet of een gemaakte Herstelafspraak niet nakomt, of er sprake is van recidive kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 45.000,-.

2Bij een bestraffend traject bestraffen we de overtreding. Het gaat hierbij niet om het herstel van de overtreding. De vorm van een bestraffende sanctie onder de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen is de bestuurlijke boete (artikel 1.72, eerste lid en 2.28, eerste lid, van de Wko).

3Bij het besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete spelen prioriteit van de overtreding, het verloop van het hersteltraject en de handhavingsgeschiedenis een rol. Het college legt in beginsel een bestuurlijke boete op voor alle overtredingen in de categorie ‘hoog’ en voor een overtreding van een norm zoals genoemd in het afwegingsoverzicht onder ‘overige’ overtredingen. In overige gevallen kan het college een bestuurlijke boete opleggen.

4Een bestuurlijke boete kan separaat aan een hersteltraject worden opgelegd.

Artikel 7 Hoogte bestuurlijke boete

1Bij de berekening van de bestuurlijke boete geldt voor alle overtredingen het boetebedrag dat is opgenomen in het als bijlage toegevoegde afwegingsoverzicht als uitgangspunt.

2Het onder het eerste lid genoemde boetebedrag wordt opgelegd per overtreden voorwaarde zoals opgenomen in het desbetreffende domein.

3In afwijking van hetgeen onder het eerste lid is vermeld, geldt voor voorzieningen voor gastouderopvang, dat het boetebedrag zoals opgenomen in het afwegingsoverzicht met 0.5 wordt vermenigvuldigd. Dit met uitzondering van de specifiek op gastouders betrekking hebbende boetebedragen.

Artikel 8 Recidive

1Er is sprake van recidive in het geval er een overtreding wordt geconstateerd op dezelfde locatie betreffende hetzelfde item binnen een termijn van 3 jaar.

2Van recidive is ook sprake als overtredingen eerder doormiddel van een herstelafspraak zijn herstelt maar bij een volgende inspectie toch weer geconstateerd worden.

3Bij de beoordeling van recidive worden overtredingen gemaakt voor de datum van 1 april 2016 niet meegenomen.

4In het geval van recidive kan het college direct een bestuurlijke boete opleggen.

5Verzachtende omstandigheden, kunnen ertoe leiden dat het college afziet van het opleggen van een bestuurlijke boete.

Artikel 9 Samenloop

De totale bij boetebeschikking op te leggen boete bestaat, ingeval er sprake is van meerdere overtredingen, uit de som van de per overtreding berekende boetebedragen.

Hoofdstuk 4 Uitzonderingssituaties

Artikel 10 Geen handhaving

1Het college kan besluiten om niet handhavend op te treden bij het ontbreken van een oudercommissie.

2Het besluit van het eerste lid wordt uitsluitend genomen indien de houder zichtbaar inspanningen verricht om een oudercommissie in te stellen.

Artikel 11 Afwijking van hersteltermijnen

Van de hersteltermijnen in artikel 4, vierde lid, kan gemotiveerd worden afgeweken door het college.

Toelichting

Algemene toelichting

Hoofdstuk 2 Herstellend traject

In een herstellend traject zijn verschillende stappen te onderscheiden:

Stap 1: aanwijzing (artikel 1.65, eerste lid en 2.23, eerste lid van de Wko)

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin zich een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang, een gastouderbureau of een peuterspeelzaal bevindt dat de bij of krachtens hoofdstuk 1 afdeling 3, paragrafen 2 en 3, of hoofdstuk 2, afdeling 2, paragrafen 2 en 3 gegeven voorschriften (de ‘kwaliteitseisen’) niet of in onvoldoende mate naleeft, geeft de houder een schriftelijke aanwijzing.

In een aanwijzing wordt met redenen omkleed aangegeven op welke punten de bedoelde voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd. Ook wordt aangegeven welke maatregelen door de houder binnen de gestelde termijn genomen dienen te worden. De duur van de hersteltermijn is voor alle overtredingen 6 weken, met uitzondering van de VOG hiervoor geldt een hersteltermijn van 2 weken.

Na het verstrijken van de hersteltermijn dient de overtreding beëindigd te zijn. Ter controle hiervan kan de handhaver schriftelijke bewijsstukken opvragen dan wel opdracht geven voor een herinspectie. Is de overtreding niet beëindigd, dan zal een volgende stap worden ingezet.

Stap 2: last onder dwangsom of last onder bestuursdwang (artikel 125, tweede lid Gemeentewet en artikel 5:32 Awb)

De algemene bestuursdwangbevoegdheid is neergelegd in artikel 125 van de Gemeentewet. In gevallen waarin het bestuursorgaan de mogelijkheid heeft om zelf de overtreding te beëindigen (op kosten van de overtreder) kan een last onder bestuursdwang opgelegd worden.

De bevoegdheid tot het opleggen van een last onder dwangsom is een van de bestuursdwangbevoegdheid afgeleide bevoegdheid; neergelegd in artikel 5:32 Awb.

Een last onder dwangsom wordt opgelegd met als doel herstel van de overtreding en/of voorkoming van herhaling van de overtreding.

De stap last onder dwangsom kan meerdere keren worden genomen voor een geconstateerde overtreding. Indien een eerste last onder dwangsom geen resultaat heeft gehad, kan worden overwogen een nieuwe, hogere last onder dwangsom op te leggen. Dit vereist dan wel een nieuw besluit. Ook kan besloten worden een volgende stap in het herstellend traject te zetten.

De last onder dwangsom kan ook preventief worden opgelegd. Van een preventieve last is sprake als de last wordt opgelegd voordat enige overtreding heeft plaatsgevonden. Hiervoor geldt dat het gevaar van de overtreding klaarblijkelijk dreigt, dat wil zeggen dat de overtreding zich met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal voordoen.

De hoogte van de dwangsom moet in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom (artikel 5.32b lid Awb).

Stap 3: exploitatieverbod (artikel 1.66 en 2.24 Wko)

Het college kan de houder verbieden een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang, een gastouderbureau of peuterspeelzaal in exploitatie te nemen dan wel de exploitatie voort te zetten. Dit kan het college in de volgende gevallen:

•zolang de houder een bevel of aanwijzing niet opvolgt en het opleggen van een last onder bestuursdwang niet mogelijk is

•als een kindercentrum, gastouderbureau, voorziening voor gastouderopvang of peuterspeelzaal niet of niet langer aan de kwaliteitseisen voldoet

Stap 4: verwijdering uit het landelijk register kinderopvang en peuterspeelzalen (artikel 1.47a, tweede lid en 2.4a, tweede lid van de Wko en artikel 8, eerste lid en artikel 14, eerste lid van het Besluit registers kinderopvang en peuterspeelzaalwerk)

Er zijn verschillende gronden waarop het college, in het kader van handhaving, een voorziening uit het register kinderopvang of het register peuterspeelzaalwerk kan verwijderen:

•indien is gebleken dat de houder niet langer de kinderopvangvoorziening of peuterspeelzaal exploiteert;

•indien uit een GGD-inspectie of anderszins is gebleken dat de houder naar verwachting niet dan wel niet langer voldoet aan de bij en krachtens hoofdstuk 1 afdeling 3, paragrafen 2 en 3 dan wel hoofdstuk 2 afdeling 2, paragrafen 2 en 3 gegeven voorschriften;

•indien drie maanden na de registratie de exploitatie van de organisatie voor kinderopvang of peuterspeelzaal niet daadwerkelijk is aangevangen.

Vanaf het moment dat een voorziening is verwijderd uit het register, is er geen sprake meer van kinderopvang of peuterspeelzaalwerk in de zin van de wet. Voortzetten van exploitatie leidt tot illegale kinderopvang of peuterspeelzaalwerk en tot een boete of vervolging door het Openbaar Ministerie op basis van overtreding van de Wet economische delicten.

Hoofdstuk 3 Bestraffend traject

Bij een bestraffend traject bestraffen we de overtreding. Het gaat hierbij niet om het herstel vande overtreding. De vorm van een bestraffende sanctie onder de Wet kinderopvang enkwaliteitseisen peuterspeelzalen is de bestuurlijke boete (artikel 1.72, eerste lid en 2.28, eerstelid, van de Wko).

In de Beleidsregels handhaving Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen is neergelegd op welke wijze het college invulling geeft aan zijn beleidsvrijheid.

De bestuurlijke boete kan opgelegd worden, indien:

•de houder een schriftelijke aanwijzing en/of bevel niet nakomt;

•de houder een Herstelafspraak niet nakomt

•de houder recidive pleegt

•de houders een verplichting als bedoeld bij of krachtens hoofdstuk 1, afdeling 3, Wko niet nakomt;

•de houder niet meewerkt aan een vordering van een toezichthouder (artikel 5:20 Awb);

•de houder in strijd met een verbod handelt, opgelegd krachtens artikel 1.66 Wko.

Het beleid houdt in dat het college, indien bovenstaande niet wordt nageleefd, een boete ter hoogte van het in het afwegingsoverzicht genoemde bedrag (met inachtneming van de bepalingen over de boete in deze Beleidsregels) kan opleggen.

Uitzondering hierop is de voorziening voor gastouderopvang. Hiervoor geldt dat de hoogte van de boete zoals opgenomen in het afwegingsoverzicht wordt gehalveerd. De achterliggende gedachte hierbij is het bijzondere karakter van deze voorziening. Indien het gaat om overtreding van een voorwaarde die specifiek is voor gastouders wordt het boetebedrag zoals vermeld in het overzicht onverkort overgenomen.

De hoogte van de boete zal met inachtneming van de prioritering en van de algemene bepalingen hieromtrent worden bepaald en kan worden verzwaard dan wel worden gematigd.

Als er sprake is van een overtreding zoals genoemd in het afwegingsoverzicht onder ‘overige overtredingen’ legt het college eveneens een boete op.

De Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen bepaalt dat een bestuurlijke boete alleen opgelegd kan worden aan niet-gesubsidieerde peuterspeelzalen. Bij gesubsidieerde peuterspeelzalen wordt via de subsidie ingegrepen.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

Dit artikel spreekt voor zich.

Artikel 2

De kwaliteitseisen waaraan bij of krachtens de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen voldaan moet worden staan in de wet -en regelgeving. Een volledige opsomming is ook terug te vinden in de door de toezichthouder gebruikte modelrapporten.

Artikel 3

In dit artikel worden de vormen van handhaving benoemd.

Een herstelsanctie is gericht op herstel van een overtreding en/of voorkoming van herhaling.

Een bestraffende sanctie is gericht op bestraffen van een begane overtreding. In de Algemene wet bestuursrecht wordt ook wel gesproken over leedtoevoeging. Naast de bestraffende sanctie (i.c. een bestuurlijke boete) kan ook een herstelsanctie worden opgelegd.

Artikel 4

Voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar de algemene toelichting op hoofdstuk 2 hierboven.

Artikel 5

Indien een geregistreerde voorziening, te weten dagopvang, buitenschoolse opvang, gastouderbureau, voorziening voor gastouderopvang of peuterspeelzaal, niet meer voldoet aan de definitie hiervan in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, zal deze uit het register worden verwijderd. Dit omdat uitsluitend voorzieningen die aan de definitie voldoen dienen te worden geregistreerd. Er zal in dit geval geen herstellend handhavingstraject worden ingezet, als herstel niet aan de orde zal zijn.

Artikel 6 Gebruik bevoegdheid opleggen bestuurlijke boete

1Het opleggen van een bestuurlijke boete is een bevoegdheid van het college. Dit betekent dat het college een bestuurlijke boete op kan leggen, maar daartoe niet verplicht is.

2De overtredingen van de kwaliteitseisen zijn geprioriteerd. In geval van overtredingen met een hoge prioriteit maakt het college eerder gebruik van zijn bevoegdheid een bestuurlijke boete op te leggen dan bij overtredingen met een gemiddelde of lage prioriteit. Ook speelt bij de overweging tot het opleggen van een bestuurlijke boete mee, of de houder aantoonbaar inspanningen verricht om de overtreding op te heffen. Tot slot speelt een rol, welke overtredingen in het verleden zijn geconstateerd en in welke mate inspanningen zijn verricht om deze overtredingen op te lossen.

Uit het afwegingsoverzicht blijkt, dat het college ook een bestuurlijke boete kan opleggen bij overtreding van een norm zoals genoemd onder ‘overige overtredingen. Deze overige overtredingen betreffen

•het niet melden van wijzigingen als bedoeld in de artikelen 1.47 en 2.4 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen,

•de verplichtingen op grond van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht,

•het exploiteren in strijd met artikel 1.45 of 2.2 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen,

•het niet naleven van een aanwijzing of bevel als bedoeld in artikel 1.65 en 2.23 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen en

•het niet nakomen, dan wel in strijd handelen met een verbod krachtens artikel 1.66 en 2.24 van laatstgenoemde wet.

Artikel 7 Hoogte bestuurlijke boete

1.In de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen is het maximaal op te leggen boetebedrag aangegeven. Het college heeft derhalve beleidsvrijheid ten aanzien van de hoogte van het op te leggen boetebedrag.

Voor overtreding van de kwaliteitseisen geldt dat het college de hoogte van de boetebedragen heeft afgestemd op de prioritering van de overtreding. Een hoge prioritering betekent dat er ook in algemene zin sprake is van een ernstige overtreding, terwijl aan minder ernstige overtredingen een lag(ere) prioritering (gemiddeld of laag) is toegekend.

Mede gelet op het in artikel 1.72 en 2.28 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen neergelegde boetemaximum heeft dit geleid tot de volgende verdeling.

Prioritering

Boetebedrag

Hoog

€ 1.000,- tot € 8.000,-

Gemiddeld

€ 750,- tot € 3.000,-

Laag

Maximaal € 1.500,-

Uitzonderingen hierop zijn:

•In geval van overtreding van de artikelen 1.66, 2.24 en 1.45 en 2.2 is sprake van economische delicten, gesanctioneerd in de Wet op de Economische Delicten. In artikel 1 en 6 van deze wet is bepaald dat deze overtredingen beboet worden met een boete van de vierde categorie. De boetebedragen in onderhavig beleid komen hiermee overeen.

•Overtreding van artikel 5:20 Algemene wet bestuursrecht is een strafbaar feit, strafbaar gesteld in artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht: ‘Hij die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, alsmede hij die opzettelijk enige handeling, door een van die ambtenaren ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.’Het boetebedrag voor deze overtreding, komt overeen met het in het Wetboek van Strafrecht genoemde bedrag voor overtredingen van de tweede categorie.

2Gezien het bijzondere karakter van de voorziening voor gastouderopvang is ervoor gekozen de hoogte van de op te leggen boete met de helft te verlagen. Dit geldt niet wanneer het een kwaliteitseis is die specifiek alleen aan de gastouder wordt gesteld. In dat geval is de boete al op deze situatie afgestemd.

Het voorgaande laat onverlet dat het college op grond van artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht gehouden is de hoogte van de bestuurlijke boete af te stemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten, waarbij het college zo nodig rekening houdt met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Het college heeft door middel van de prioritering en de aansluiting op de betreffende strafrechtelijke overtredingen de ernst van de overtredingen geobjectiveerd.

Artikel 8 Recidive

1Bij het bepalen of er sprake is van verzachtende omstandigheden, speelt de inspectiegeschiedenis van de houder een rol, de context waarbinnen de overtreding gemaakt is en in hoeverre de houder op eigen initiatief reeds maatregelen genomen heeft om de tekortkoming te compenseren.

Artikel 9 Samenloop

Dit artikel spreekt voor zich.

Artikel 10 Geen handhaving

Bij de formatie van een oudercommissie speelt de omvang van de voorziening een rol. Bij kleinschalige opvang zijn ouders minder genegen zich op te geven voor een oudercommissie – de lijntjes zijn kort en men kent elkaar. Ook een aantal andere factoren hebben invloed op de bereidheid van ouders tot deelname aan zo’n commissie. Daarom wordt niet handhavend opgetreden bij het ontbreken van een oudercommissie onder voorwaarde dat

•de houder kan aantonen zichtbare inspanningen te verrichten om alsnog deze commissie in te stellen

•de houder ouders op een andere wijze aantoonbaar betrekt bij onderwerpen waar de oudercommissies adviesrecht over hebben

Artikel 11 Afwijking van hersteltermijnen

Van de hersteltermijnen, zoals genoemd in artikel 4 het vijfde lid van de Beleidsregels kan worden afgeweken. Indien de houder wel zichtbaar inspanningen pleegt om de overtreding(en) op te heffen maar hier, door niet hem te wijten externe omstandigheden, meer tijd voor nodig heeft, kan de termijn worden verbreed. Hier kan in beginsel slechts sprake van zijn in bijzondere omstandigheden.

Afwegingsoverzicht

Domein en voorwaarden

Hersteltermijn

Prioriteit

Bestuurlijke boete

Last onder dwangsom (afhankelijk van grote organisatie)

Ouderrecht

Houder heeft een oudercommissie ingesteld. Bij het ontbreken van een oudercommissie pleegt de houder voldoende inspanningen (zie gemeentelijk beleidskader).

6weken

Gemiddeld

€ 2.000,-

€ 3.500

Houder heeft een reglement oudercommissie ingesteld

6weken

Hoog

€ 1.250,-

Oudercommissie

6weken

Laag

€ 500,- per voorwaarde met een maximum van € 2.000,-

€ 2.000,- per voorwaarde met een maximum van € 3.500,-

•Inhoud reglement

•Voorwaarden oudercommissie

Informatie aan de ouders

6weken

Laag

€ 500,-

€ 2.000

Het gastouderbureau is goed bereikbaar

6weken

Hoog

€ 1.250,-

€ 2.750

De houder plaatst het inspectierapport op de eigen website of legt het op een voor ouders, personeel en/of gastouders toegankelijke plaats

6weken

Gemiddeld

€ 1.000,-

€ 2.500

In de schriftelijke overeenkomst met de vraagouder is duidelijk te zien welk deel van het betaalde bedrag naar GOB gaat en welk deel naar de gastouder (GOB)

6weken

Gemiddeld

€ 1.000,-

€ 2.500

Personeel

Verklaring omtrent gedrag (VOG)

2weken

Hoog

€ 4.000,- per ontbrekende VOG of VOG die ouder is dan 2 maanden voor aanvang werkzaamheden

€ 5.500,- per ontbrekende VOG of VOG die ouder is dan 2 maanden voor aanvang werkzaamheden

•in bezit zijn van passende VOG

•VOG is voor aanvang werkzaamheden overlegd

•VOG is bij aanvang werkzaamheden niet ouder dan 2 maanden

•Een VOG van een stagiaire, uitzendkracht of vrijwilliger is niet ouder dan twee jaar

Gebruik voorgeschreven voertaal

6weken

Hoog

€ 4.000,-

€ 5.500

Het gastouderbureau draagt er zorg voor dat er per aangesloten gastouder op jaarbasis tenminste 16 uur wordt besteed aan begeleiding en bemiddeling

6weken

Gemiddeld

€ 3.000,- per gastouder met < 16 uur

€ 4.500,- per gastouder met < 16 uur

Passende beroepskwalificatie voor beroepskrachten en gastouders

6weken

Hoog

€ 4.000,- per beroepskracht zonder passende beroepskwalificatie € 3.000,- per ontbrekende VVE kwalificatie (indien van toepassing)

€ 5.500,- per beroepskracht zonder passende beroepskwalificatie € 4.500,- per ontbrekende VVE kwalificatie (indien van toepassing)

Gastouder beschikt over geregistreerd certificaat eerste hulp aan kinderen bij ongevallen conform de ministeriele regeling

6weken

Hoog

€ 2.000,-

€ 3.500

Vrijwilligersbeleid (peuterspeelzalen)

6weken

Gemiddeld

€ 3.000,-

€ 4.500

Houder heeft vrijwilligers tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd (peuterspeelzalen)

6weken

Gemiddeld

€ 3.000,-

€ 4.500

De houder van een kindercentrum of peuterspeelzaal waar VVE wordt aangeboden stelt jaarlijks een opleidingsplan op

6weken

Gemiddeld

€ 3.000,- geen beleid € 1.000,- te oud beleid

€ 4.500,- geen beleid € 2.500,- te oud beleid

De gastouder is goed telefonisch bereikbaar

6weken

Gemiddeld

€ 750,-

€ 2.250

Veiligheid en gezondheid

Risico-inventarisatie veiligheid

6weken

Hoog

€ 8.000,- indien risico-inventarisatie of het plan van aanpak ontbreekt; € 4.000,- als > dan 1 jaar of niet actuele situatie

€ 9.500,- indien risico-inventarisatie of het plan van aanpak ontbreekt; € 5.500,- als > dan 1 jaar of niet actuele situatie

•hebben

•jaarlijkse uitvoering

•actuele situatie

•plan van aanpak

Ongevallenregistratie

6weken

Hoog

€ 8.000,-

€ 9.500

De houder van een gastouderbureau draagt zorg voor een inventarisatie van de veiligheids- en gezondheidsrisico’s door een bemiddelingsmedewerker van het bureau (samen met gastouder) vóór aanvang van de opvang en daarna jaarlijks voor elke woning waar gastouderopvang plaatsvindt

6weken

Hoog

€ 8.000,-

€ 9.500

Risico-inventarisatie gezondheid

6weken

Hoog

€ 8.000,- indien risico-inventarisatie of het plan van aanpak ontbreekt; € 4.000,- als > dan 1 jaar of niet de actuele situatie

€ 9.500,- indien risico-inventarisatie of het plan van aanpak ontbreekt; € 5.500,- als > dan 1 jaar of niet de actuele situatie

•hebben

•jaarlijkse uitvoering

•actuele situatie

•plan van aanpak

Risico-inventarisaties veiligheid en gezondheid beschrijven alle veiligheids- en gezondheidssrisico’s op de vaste thema’s

6weken

Hoog

€ 2.000,- per niet beschreven thema

€ 3.500,- per niet beschreven thema

Personeel kan kennisnemen van risico-inventarisaties

6weken

Hoog

€ 2.000,- risico inventarisatie veiligheid € 2.000,- risico inventarisatie gezondheid

€ 3.500,- risico inventarisatie veiligheid € 3.500,- risico inventarisatie gezondheid

Houder gastouderbureau draagt er zorg voor dat alle aangesloten gastouders handelen naar de opgestelde risico-inventarisaties

6weken

Hoog

€ 1.000,- per gastouder die er niet naar handelt

€ 2.500,- per gastouder die er niet naar handelt

Risico-inventarisaties zijn inzichtelijk voor vraagouders van gastouderbureau

6weken

Hoog

€ 4.000,-

€ 5.500

Meldcode kindermishandeling

6weken

Hoog

€ 8.000,-

€ 9.500

Personeel, gastouders zijn op de hoogte van meldcode kindermishandeling

6weken

Hoog

€ 2.000,-

€ 3.500

Medewerkers, gastouders zijn geinformeerd over de werkwijze bij een vermoeden van een gewelds- of zedendelict jegens een opgevangen kind door een collega of de houder

6weken

Hoog

€ 2.000,-

€ 3.500

Houder gastouderbureau draagt er zorg voor dat alle bij zijn gastouderbureau aangesloten gastouders de meldcode naleven.

6weken

Hoog

€ 2.000,-

€ 3.500

Vierogenprincipe is ingevoerd

6weken

Hoog

€ 4.000,-

€ 5.500

Accommodatie en inrichting

Binnenspeelruimte

Elke stamgroep beschikt over een afzonderlijke vaste groepsruimte

6weken

Gemiddeld

€ 2.000,- per ontbrekende ruimte

€ 3.500,- per ontbrekende ruimte

Er is ten minste 3,5 m2 binnenspeelruimte beschikbaar per aanwezig kind, waaronder mede begrepen passend voor spelactiviteiten ingerichte ruimtes buiten de groepsruimte (dagopvang + peuterspeelzalen)

6weken

Gemiddeld

3-3.5 m2 = € 2.000,- < 3 m2 = € 3.000,-

3-3.5 m2 = € 3.500,- < 3 m2 = € 4.500,-

Er is ten minste 3,5 m2 passend ingerichte binnenspeelruimte beschikbaar per aanwezig kind (BSO)

6weken

Gemiddeld

3-3.5 m2 = € 2.000,- < 3 m2 = € 3.000,-

3-3.5 m2 = € 3.500,- < 3 m2 = € 4.500,-

De binnenspeelruimte is passend ingericht in overeenstemming met het aantal en de leeftijd van de op te vangen kinderen.

6weken

Gemiddeld

€ 2.000,-

€ 3.500

Er is een afzonderlijke slaapruimte voor in ieder geval kinderen tot anderhalf jaar (dagopvang + gastouders)

6weken

Gemiddeld

€ 2.500,-

€ 4.000

De woning waar gastouderopvang plaatsvindt beschikt over voldoende binnenspeelruimte en buitenspeelmogelijkheden voor kinderen, afgestemd op het aantal en de leeftijd van de op te vangen kinderen

6weken

Gemiddeld

€ 1.000,- per binnenspeelruimte € 1000,- per buitenspeelruimte

€ 2.500,- per binnenspeelruimte € 2.500,- per buitenspeelruimte

De woning waar gastouderopvang plaatsvindt is te allen tijde rookvrij

6weken

Gemiddeld

€ 1.000,-

€ 2.500

Buitenspeelruimte

Er is ten minste 3 m2 buitenspeelruimte beschikbaar per aanwezig kind

6weken

Gemiddeld

2-2.5 m2 = € 1.000,- < 2 m2 = € 2.000,-

2-2.5 m2 = € 2.500,- < 2 m2 = € 3.500,-

De buitenspeelruimte is toegankelijk

6weken

Gemiddeld

€ 1.000,-

€ 2.500

De buitenspeelruimte is aangrenzend aan het kindercentrum (dagopvang)

6weken

Gemiddeld

€ 1.000,-

€ 2.500

Aanvullende eisen indien de buitenspeelruimte niet aangrenzend is (BSO)

6weken

Gemiddeld

€ 1.000,-

€ 2.500

De buitenspeelruimte is vast beschikbaar voor de buitenschoolse opvang (BSO)

6weken

Gemiddeld

€ 1.000,-

€ 2.500

De buitenspeelruimte is passend ingericht in overeenstemming met de leeftijd van de op te vangen kinderen en het pedagogisch beleid

6weken

Gemiddeld

€ 1.000,-

€ 2.500

Groepsgrootte en beroepskracht-kind-ratio (bkr)

Opvang in groepen

De opvang vindt plaats in stamgroepen (dagopvang) of basisgroepen (BSO) of vaste groepen (peuterspeelzaal)

6weken

Hoog

€ 4.000,-

€ 5.500

De maximale omvang van de stamgroep of basisgroep

6weken

Hoog

€ 2.000,- per kind teveel

€ 3.500,- per kind teveel

De groep bestaat uit ten hoogste 16 feitelijk aanwezige kinderen (VVE en psz)

6weken

Hoog

€ 2.000,- per kind teveel

€ 3.500,- per kind teveel

De maximale groepsgrootte per gastouder wordt afgestemd op de leeftijdscategorieën van de kinderen

6weken

Hoog

€ 1.000,- per kind teveel

€ 2.500,- per kind teveel

Ieder kind behoort bij een basisgroep (BSO)

6weken

Hoog

€ 4.000,-

€ 5.500

Gebruik maken van extra stamgroep of basisgroep

6weken

Hoog

€ 2.000,- indien niet tijdelijk of indien niet vooraf schriftelijke toestemming is van ouders

€ 3.500,- indien niet tijdelijk of indien niet vooraf schriftelijke toestemming is van ouders

Vaste beroepskrachten en vaste ruimtes

Maximaal 3 vaste beroepskrachten per kind (dagopvang, peuterspeelzalen)

6weken

Hoog

€ 1.000,-

€ 2.500

Maximaal 2 stamgroepruimtes per kind (dagopvang)

6weken

Hoog

€ 1.000,-

€ 2.500

Beroepskracht-kind-ratio

Beroepskracht-kind-ratio (zowel regulier als VVE)

6weken

Hoog

€ 5.000,- per ontbrekende beroepskracht

€ 6.500,- per ontbrekende beroepskracht

Als conform de beroepskracht-kind-ratio slechts één beroepskracht in het kindercentrum aanwezig is, dan is ondersteuning van deze beroepskracht door een andere volwassene in geval van calamiteiten geregeld

6weken

Hoog

€ 2.000,-

€ 3.500

Inzet beroepskrachten in afwijking van de beroepskracht-kind-ratio bij openingstijden van ≥ 10 uur (dagopvang)

6weken

Hoog

€ 2.000,-

€ 3.500

Inzet beroepskrachten in afwijking van de beroepskracht-kind-ratio (BSO)

6weken

Hoog

€ 2.000,-

€ 3.500

Indien er meer dan 3 kinderen op het opvangadres aanwezig zijn, dan is ondersteuning van de gastouder door een andere volwassene in geval van calamiteiten geregeld.

6weken

Hoog

€ 1.000,-

€ 2.500

De achterwacht is in geval van calamiteiten binnen 15 minuten op het opvangadres aanwezig

6weken

Hoog

€ 1.000,-

€ 2.500

De achterwacht is telefonisch bereikbaar tijdens de opvangtijden

6weken

Gemiddeld

€ 1.000,-

€ 2.500

Pedagogisch beleid

Pedagogisch beleidsplan

6weken

Gemiddeld

€ 3.000,-

€ 4.500

Inhoud pedagogisch beleidsplan

6weken

Gemiddeld

€ 750,- per voorwaarde met een maximum van € 3.000,-

€ 2.250,- per voorwaarde met een maximum van € 4.500,-

Houder draagt zorg voor uitvoering van pedagogisch beleidsplan door personeel, vrijwilligers (peuterspeelzaal) danwel gastouders

6weken

Gemiddeld

€ 1.000,-

€ 2.500

Waarborgen emotionele veiligheid

6weken

Gemiddeld

€ 1.000,-

€ 2.500

Zorgdragen voor ontwikkeling persoonlijke competentie

6weken

Gemiddeld

€ 1.000,-

€ 2.500

Zorgdragen voor ontwikkeling sociale competentie

6weken

Gemiddeld

€ 1.000,-

€ 2.500

Zorgdragen voor overdracht van normen en waarden

6weken

Gemiddeld

€ 1.000,-

€ 2.500

Het pedagogisch beleidsplan van een gastouderbureau beschrijft in duidelijke en observeerbare termen de leeftijdopbouw en aantallen kinderen die door een gastouder worden opgevangen

6weken

Hoog

€ 4.000,-

€ 5.500

Het pedagogisch beleidsplan van een gastouderbureau beschrijft in duidelijke en observeerbare termen de eisen die gesteld worden aan de adressen waar opvang plaatsvindt

6weken

Hoog

€ 4.000,-

€ 5.500

Gastouder kent de inhoud van het pedagogisch beleidsplan

6weken

Gemiddeld

€ 750,- per voorwaarde met een maximum van € 3.000,-

€ 2.250,- per voorwaarde met een maximum van € 4.500,-

Klachten

Klachtenregeling en behandeling - Treffen schriftelijke regeling voor de behandeling van klachten over een gedraging van de houder of van voor de houder werkzame personen jegens een ouder of een kind in het kader van de kinderopvang. Deze regeling dient te voldoen aan de wettelijk beschreven eisen. - Op passende wijze klachtenregeling bij ouders onder de aandacht brengen. - Klachtencommissie werkt volgens een door hen opgesteld reglement. - Houder draagt zorg voor dat over elk kalenderjaar een openbaar verslag wordt opgesteld, waarin ten minste een aantal vaste onderdelen wordt aangegeven. - Houder zendt het verslag voor 1 juni van het daaropvolgende kalenderjaar aan de toezichthouder.

6weken

Laag

€ 500,- per voorwaarde met een maximum van € 1.500,-

€ 2.000,- per voorwaarde met een maximum van € 3.000,-

Geschillencommissie

-Houder is aangesloten bij landelijke Geschillencommissie Kinderopvang - Op passende wijze mogelijkheid geschillen voorleggen aan geschillencommissie bij ouders onder de aandacht brengen.

6weken

Laag

€ 500,- per voorwaarde

€ 2.000,- per voorwaarde

Administratie gastouderbureau

Een contract per vraagouder

6weken

Gemiddeld

€ 1.000,- per ontbrekende overeenkomst

€ 2.500,- per ontbrekende overeenkomst

Kopieën van de VOG’s van de bij het gastouderbureau werkzame personen en van de aangesloten gastouders en volwassen huisgenoten

6weken

Hoog

€ 1.500,- per ontbrekende VOG

€ 3.000,- per ontbrekende VOG

Kopieën van de getuigschriften en/of EVC-bewijsstukken en certificaten Eerste Hulp aan kinderen van de gastouders

6weken

Gemiddeld

€ 1.500,- per ontbrekend stuk

€ 3.000,- per ontbrekend stuk

Inzichtelijke betalingen van vraagouders aan gastouderbureau en van gastouderbureau aan gastouders

6weken

Gemiddeld

€ 1.500,- per vraagouder/gastouder waarbij niet inzichtelijk is

€ 3.000,- per vraagouder/gastouder waarbij niet inzichtelijk is

Een door de gastouder en bemiddelingsmedewerkers ondertekende versie van de risico-inventarisaties veiligheid en gezondheid en de bijbehorende plannen van aanpak

6weken

Gemiddeld

€ 1.500,- per ontbrekend stuk

€ 3.000,- per ontbrekend stuk

Kwaliteitscriteria gastouderbureau

De houder draagt er zorg voor dat per gastouder beoordeeld wordt of de samenstelling van de groep kinderen die wordt opgevangen verantwoord is

6weken

Hoog

€ 2.000,- per kind teveel

€ 3.500,- per kind teveel

Overige kwaliteitscriteria gastouderbureau

6weken

Gemiddeld

€ 1.250,-

€ 2.750

Omvang voorschoolse educatie

6weken

Gemiddeld

€ 2.000,-

€ 3.500

Voorschools educatieprogramma

6weken

Gemiddeld

€ 2.000,-

€ 3.500

Overige overtredingen

Schenden medewerkingsplicht artikel 5:20 Awb

6weken

Hoog

€ 3.900 (boete tweede categorie)

€ 5.400

Exploitatie zonder toestemming college

6weken

Hoog

€ 19.500,- (boete vierde categorie)

€ 21.000

Wijzigingen melden

6weken

Hoog

€ 2.000,-

€ 3.500

Overtreden exploitatieverbod

6weken

Hoog

€ 19.500,- (boete vierde categorie)

€ 21.000

Niet nakomen afspraak als bedoeld in artikel 167 Wet op primair onderwijs

6weken

Hoog

€ 5.000,-

€ 6.500

Onderbouwing bedragen last onder dwangsom

Bij de vaststelling van de hoogte van de last onder dwangsom is aansluiting gezocht bij de boetebedragen. De boetebedragen zijn gebaseerd op de landelijke richtlijn waarbij gekeken is naar de ernst van het feit en dat kun je gelijkstellen aan het geschonden belang dat als maatstaf bij de dwangsom geldt.

Voor het bepalen van de hoogte van de last onder dwangsom, is het boetebedrag verhoogd met een bedrag van € 1.500,-). Deze € 1.500,- dient als prikkelende factor om het herstel van de geconstateerde overtreding te bevorderen.

Echter, hoe kleiner de organisatie, hoe ingrijpender het opleggen van een last onder dwangsom zou zijn wanneer de bedragen voor alle organisaties gelijk zouden zijn. Om deze reden wordt er een onderscheid gemaakt tussen grote, middelgrote, kleine en micro organisaties (hierbij aansluitend bij de definities in het economisch verkeer). De wijze waarop dit onderscheid is gemaakt, is in onderstaande tabel weergegeven:

Categorie onderneming

Aantal werknemers

Vermenigvuldigingsfactor

Groot

> 250

1

Middelgroot

> 50 < 250

1/2

Klein

> 10 < 50

1/3

Micro

< 10

1/4

Leeswijzer:

-Hersteltermijn en prioritering staan los van elkaar, met andere woorden: prioritering is niet afgeleid van de hersteltermijn. De prioritering is gebaseerd op de impact van het niet voldoen aan de eisen gesteld in het domein.

-In de tabel zijn in de kolom ‘last onder dwangsom’ alleen de bedragen opgenomen voor een grote organisatie. Voor een andere categorie geldt bovenstaande berekening.

-Indien er meerdere voorwaarden per domein zijn, geldt er een maximum per domein. Bijvoorbeeld:

•Domein: Oudercommissie €3.500 maximaal

•Voorwaarden:

° Inhoud regelement € 2.000

° Voorwaarden oudercommissie € 2.000

° Adviesrecht oudercommissie € 2.000

Dus geen cumulatie waarbij de last onder dwangsom kan oplopen tot € 6.000

Bijlage 2 Werkinstructie Herstelafspraak Gemeente-GGD

Algemeen:

•Herstelafspraak is alleen mogelijk bij het onderzoek na registratie, vervolgonderzoek na registratie, jaarlijks onderzoek en het incidenteel onderzoek.

•Tijdens het onderzoek kan het instrument ‘Herstelafspraak’ éénmalig ingezet worden.

•Aan de houder wordt altijd de mogelijkheid geboden tot het maken van een herstelafspraak. Ook als uit de inspectiegeschiedenis blijkt dat de houder geen of verminderde nalevingsbereid toont. Blijkt uit het schema dat er geen herstelafspraak gemaakt kan worden: er is sprake van een recidive en/of de hersteltermijn duurt langer dan vier weken, maak deze afweging kenbaar aan houder.

•Maak herstelafspraken alleen met de houder of met iemand die bevoegd is om namens de houder dergelijke afspraken te maken.

•Een herstelafspraak dient Smart te zijn

-Specifiek - Is de doelstelling eenduidig?

-Meetbaar - Onder welke (meetbare/observeerbare) voorwaarden of vorm is het doel bereikt

-Acceptabel - Is deze acceptabel voor de doelgroep en/of het management?

-Realistisch - Is het doel haalbaar?

-Tijdsgebonden - Wanneer (in de tijd) moet het doel bereikt zijn?

•De herstelafspraak wordt vastgelegd en bevestigd aan de houder per mail.

•Een herstelafspraak en de herbeoordeling van het voorschrift dat niet is nageleefd, vindt plaats voordat het concept inspectierapport wordt afgerond.

•Bij twijfel: intern afstemmen of neem contact op met de betreffende gemeente.

Ad 1: Na constatering dat een voorschrift (kwaliteitseis) niet nageleefd wordt, wordt direct ter plaatse of zo kort mogelijk daarna

-met de houder de mogelijkheid besproken tot het maken van een herstelafspraak;

-na instemming de herstelafspraak met de houder schriftelijk vastgelegd;

-de herstelafspraak toegestuurd, met cc aan de gemeentelijk handhaver.

In de herstelafspraak wordt aangeven welk voorschrift (kwaliteitseis) niet of onvoldoende wordt nageleefd, binnen welke termijn de naleving hersteld moet zijn en wat de houder moet doen om de naleving te herstellen. Niet hoe de houder dit moet doen, deze afweging is aan de houder. De herstelstermijn moet redelijk zijn en mag niet langer zijn dan vier weken.

-De toezichthouder kan zelf een Herstelonderzoek inplannen en hoeft hiervoor geen opdracht te krijgen van de gemeente. De gemeente wordt wel op de hoogte gebracht.

-Als de overtreding het Pedagogische beleidsplan betreft dan is het voldoende om binnen de hersteltermijn van 4 weken een conceptversie te ontvangen. Voordat het definitieve rapport wordt opgemaakt is het advies van de oudercommissie meestal ontvangen waardoor de gemeente kan bepalen of de overtreding daadwerkelijk hersteld is.

-In het geval een overtreding binnen de context gezien, zeer incidenteel is en als de houder al actie ondernomen heeft om de overtreding te herstellen en het liefst ook ouders heeft ingelicht over de situatie, dan kan de inspecteur besluiten om geen herstelafspraak te maken en het advies te geven om niet te handhaven.

Ad 2: Beschrijf in het inspectierapport welk voorschrift (kwaliteitseis) niet of onvoldoende nageleefd is, het aanbieden van de herstelafspraak en het resultaat ervan, de gemaakte herstelafspraak, de hersteltermijn en het resultaat van de herbeoordeling, of reden dat er geen herstelafspraak is gemaakt.

Ad 3: Geef in het inspectierapport aan dat dit voorschrift (kwaliteitseis) eerder niet of onvoldoende is nageleefd, en wanneer dit is geconstateerd (datum en type inspectierapport). Om te beoordelen of er sprake is van een recidive dient vanaf het huidige onderzoek de inspectiegeschiedenis tot en met drie jaar terug hierop bekeken te worden. Tot maximaal 1 april 2016, de datum dat het nieuwe handhavingsbeleid ingaat, want we beginnen met een schone lei. In het geval er sprake is van recidive kan er voor overige overtredingen geen Herstelafspraak worden gemaakt. Dit om de handhaving overzichtelijk te laten verlopen.

Ad 4: Het uitgangspunt om een herstelafspraak te maken is doelmatig toezicht en snel herstel. Om dit te kunnen realiseren bedraagt de termijn die een houder geboden wordt om alsnog een voorschrift (kwaliteitseis) na te leven, maximaal vier weken.

•Wanneer meerdere voorschriften (kwaliteitseisen) niet of niet volledig worden nageleefd kan dit betekenen dat door het aantal de hersteltermijn van vier weken niet haalbaar is. Als er dus een langere herstelperiode nodig is dan vier weken krijgt de houder geen herstelafspraak aangeboden.

•Indien meerdere voorschriften (kwaliteitseisen), al dan niet binnen verschillende domeinen, niet of niet volledig worden nageleefd kan een dergelijke constatering erop wijzen dat er meer aan de hand is (voorziening en/of koepel). Bijvoorbeeld een niet goed functionerend team / locatieverantwoordelijke / financiële problemen. Dit betekent een extra beslismoment door af te vragen of in deze situatie het instrument ‘Herstelafspraak’ wel het juiste middel is.

Ad 5: Tijdens een onderzoek is geconstateerd dat meerdere voorschriften (kwaliteitseisen) niet of onvoldoende nageleefd worden. Voor het herstel van een of meerdere niet nageleefde voorschriften (kwaliteitseisen) wordt het instrument bevel ingezet. Voor de overige niet (volledig) nageleefde voorschriften (kwaliteitseisen) die niet in dit bevel zijn meegenomen kan een herstelafspraak gemaakt worden.

Indien na de herbeoordeling van het niet nageleefde voorschrift waarvoor het bevel is ingezet, blijkt dat dit voorschrift niet (volledig) hersteld is kan er geen herstelafspraak meer gemaakt worden.

Het is aan de GGD om een inschatting te maken of naast het bevel al dan niet een herstelafspraak gemaakt kan worden. Immers een bevel geef je doorgaans omdat een houder niet per direct een ongewenste en onveilige situatie hersteld.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.