Aanhef
HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE GRONINGEN, HET DAGELIJKS BESTUUR VAN WATERSCHAP NOORDERZIJLVEST, HET DAGELIJKS BESTUUR VAN WATERSCHAP HUNZE EN AA’S EN HET DAGELIJKS BESTUUR VAN WETTERSKIP FRYSLÂN;
Overwegende dat
de dagelijks besturen van de waterschappen Noorderzijlvest, Hunze en Aa’s en Wetterskip Fryslân en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen uit overwegingen van kwaliteit, continuïteit en efficiency hebben besloten tot samenwerking bij de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken en de heffing en invordering van waterschapsbelastingen en gemeentelijke belastingen;
de belastingsamenwerking wordt ondergebracht in het ‘Noordelijk Belastingkantoor’;
het Noordelijk Belastingkantoor:
-hét kantoor in het noorden van Nederland wil zijn voor de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken en de heffing en invordering van waterschapsbelastingen en gemeentelijke belastingen;
-dankzij de bundeling van kennis lokale overheden vernieuwend en efficiënt kan ondersteunen bij de uitvoering van hun belastingtaken, nu en in de toekomst;
-klantgericht en wendbaar is, respectvol omgaat met zijn klanten en staat voor kwaliteit;
-de werkzaamheden uitvoert tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten;
-een groeiende groep overheden wil ondersteunen bij de uitvoering van hun belastingtaken;
het gewenst is de samenwerking vorm te geven op basis van een gemeenschappelijke regeling;
Gelet op
artikel 8, lid 3 en hoofdstuk V van de Wet gemeenschappelijke regelingen;
artikel 232, vierde lid, van de Gemeentewet;
artikel 124, vijfde lid, van de Waterschapswet;
artikel 30, achtste lid, van de Wet waardering onroerende zaken;
titel 10.1 van de Algemene wet bestuursrecht;
Hebben besloten
de navolgende gemeenschappelijke regeling te treffen:
Gemeenschappelijke Regeling Noordelijk Belastingkantoor
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1 Begripsbepalingen
In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:
a.belastingambtenaar: door het bestuur aangewezen ambtenaar van het samenwerkingsverband, als bedoeld in artikel 232, vierde lid, onder c, van de Gemeentewet respectievelijk artikel 124, vijfde lid, onder c, van de Waterschapswet;
b.belastingdeurwaarder: door het bestuur aangewezen ambtenaar van het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 232, vierde lid, onder d, van de Gemeentewet, respectievelijk artikel 124, vijfde lid, onder d, van de Waterschapswet;
c.belastingen: gemeentelijke belastingen en waterschapsbelastingen;
d.belastingverordening: verordeningen van de deelnemers tot heffing en invordering van belasting als bedoeld in artikel 216 van de Gemeentewet en artikel 110 van de Waterschapswet;
e.besturen van de deelnemers: colleges van burgemeester en wethouders en dagelijkse besturen van de deelnemers;
f.bestuur: bestuur van het samenwerkingsverband;
g.deelnemende gemeenten: gemeente Groningen en gemeenten die na de inwerkingtreding van de regeling toetreden tot de regeling;
h.deelnemende waterschappen: waterschappen Noorderzijlvest en Hunze en Aa’s, Wetterskip Fryslân en waterschappen die na de inwerkingtreding van de regeling toetreden tot de regeling;
i.deelnemers: gemeente Groningen, waterschappen Noorderzijlvest en Hunze en Aa’s, Wetterskip Fryslân en gemeenten en waterschappen die na de inwerkingtreding van de regeling toetreden tot de regeling;
j.directeur: door het bestuur van het samenwerkingsverband benoemde directeur die tevens de bestuurder in de zin van de Wet op de ondernemingsraden is;
k.gemeentelijke belastingen: belastingen die de gemeente heft en waarvan de heffing en invordering op grond van artikel 4 is overgedragen aan het samenwerkingsverband;
l.heffingsambtenaar: door het bestuur aangewezen ambtenaar van het samenwerkingsverband, als bedoeld in artikel 232, vierde lid, onder a, van de Gemeentewet respectievelijk artikel 124, vijfde lid, onder a, van de Waterschapswet, bevoegd tot heffing van belastingen en tot uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken;
m.invorderingsambtenaar: door het bestuur aangewezen ambtenaar van het samenwerkingsverband, als bedoeld in artikel 232, vierde lid, onder b, van de Gemeentewet respectievelijk artikel 124, vijfde lid, onder b, van de Waterschapswet, bevoegd tot invordering van belastingen;
n.kwijtscheldingsregels: door de vertegenwoordigende organen van de deelnemers vastgestelde regels als bedoeld in artikel 255, derde en vierde lid, van de Gemeentewet respectievelijk artikel 144, derde en vierde lid, van de Waterschapswet;
o.nadere regels: nadere regels ter uitvoering van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, van de Invorderingswet 1990 en van de belastingverordening;
p.regeling: gemeenschappelijke regeling Noordelijk Belastingkantoor;
q.samenwerkingsverband: bedrijfsvoeringsorganisatie Noordelijk Belastingkantoor;
r.vertegenwoordigende organen: algemene besturen van de deelnemende waterschappen en gemeenteraden van de deelnemende gemeenten;
s.voorzitter: voorzitter van het bestuur van het samenwerkingsverband;
t.waterschapsbelastingen: belastingen die de deelnemende waterschappen heffen als bedoeld in artikel 113 van de Waterschapswet.
Artikel 2 Belang
In het kader van deze regeling worden de belangen van de deelnemers behartigd, elk voor zover het hun grond- of beheersgebied betreft, op het gebied van de heffing en invordering van belastingen, de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken en de uitvoering van de Basisregistraties Adressen en Gebouwen.
Artikel 3 De bedrijfsvoeringsorganisatie
1Er is een bedrijfsvoeringsorganisatie, als bedoeld in artikel 8, derde lid, in samenhang met artikel 62 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, genaamd Noordelijk Belastingkantoor.
2Het samenwerkingsverband is gevestigd te Groningen.
Artikel 4 Taken
1Het bestuur heeft tot taak het uitvoeren van:
a.heffing en invordering van alle belastingen op grond van artikel 113 Waterschapswet die door de dagelijkse besturen van de deelnemende waterschappen aan het samenwerkingsverband zijn overgedragen;
b.heffing en invordering van alle belastingen op grond van artikel 219 Gemeentewet die door de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten aan het samenwerkingsverband zijn overgedragen;
c.de Wet waardering onroerende zaken.
2Onder de taken bedoeld in het eerste lid worden mede begrepen de daartoe behorende ondersteunende
processen.
3Het bestuur dient bij de uitoefening van de taken als bedoeld in het eerste lid uitvoering te geven aan de door ieder van de deelnemers vastgestelde van toepassing zijnde verordeningen en eventuele andere ter zake van de uitoefening van bevoegdheid gegeven beleidsregels.
4Het bestuur maakt met de besturen van de deelnemers afspraken over de kwaliteit van de te leveren diensten en legt deze vast in een dienstverleningsovereenkomst dien aangaande.
5Het bestuur is bevoegd dienstverleningsovereenkomsten aan te gaan met andere overheden.
Artikel 5 Overdracht wettelijke bevoegdheden
1De besturen van de deelnemers dragen aan het bestuur de bevoegdheden over die nodig zijn voor de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot de belangen genoemd in artikel 2.
2De werkzaamheden worden nader omschreven in dienstverleningsovereenkomsten.
Artikel 6 Overgedragen overige bevoegdheden
1Het bestuur is bevoegd tot regeling en bestuur ter behartiging van de belangen van de deelnemers voor zover betrekking hebbend op de opgedragen taken genoemd in artikel 4.
2Het bestuur is bevoegd de regelingen vast te stellen, die krachtens de wet voor de organisatie van het samenwerkingsverband moeten worden vastgesteld.
3Het bestuur neemt, ook alvorens is besloten tot het voeren van een rechtsgeding, alle conservatoire maatregelen en doet wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit.
4Het bestuur beheert de inkomsten, uitgaven en het vermogen van het samenwerkingsverband.
5Het bestuur houdt een register bij van de belastingverordeningen van de deelnemers. In het register worden tevens de bij die belastingverordeningen behorende kwijtscheldingsregels opgenomen.
6Het bestuur kan mandaat verlenen aan een of meer leden van het bestuur en aan de directeur. Het bestuur kan de directeur toestaan ondermandaat te verlenen.
7Het bestuur is bevoegd tot het geheel of gedeeltelijk oninbaar verklaren van de belasting.
8De besturen van de deelnemers kunnen taken en bevoegdheden in het kader van de Basisregistraties Adressen en Gebouwen overdragen of opdragen aan het bestuur.
9Het bestuur kan slechts dan besluiten tot het deelnemen in een gemeenschappelijke regeling dan wel toetreden tot een andere rechtspersoon wanneer elk van de besturen van de deelnemers met een daartoe strekkend voorstel heeft ingestemd.
Hoofdstuk 2 Bestuur
Artikel 7 Samenstelling
1Elk van de besturen van de deelnemers wijst uit zijn midden een lid aan dat hem in het bestuur vertegenwoordigt.
2De leden van het bestuur worden aangewezen voor de duur van de zittingsperiode van de besturen van de deelnemers.
3Indien tussentijds binnen het bestuur een plaats vacant of beschikbaar komt, wijst het bestuur van de deelnemer die het aangaat in zijn eerstvolgende vergadering, of als dit niet mogelijk is, ten spoedigste daarna, een nieuw lid aan.
4Hij die ter vervulling van een tussentijdse vacature als lid van het bestuur wordt benoemd, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, zou hebben moeten aftreden.
5Een lid van het bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Hij deelt zijn ontslag mee aan het bestuur van de deelnemer die het aangaat. Het betreffende bestuur doet mededeling van het ontslag aan het bestuur. Het lid houdt zitting in het bestuur totdat in de opvolging is voorzien.
6Voor ieder lid van het bestuur wordt tevens een plaatsvervangend lid aangewezen door het bestuur van de deelnemer die het lid heeft aangewezen. Op het plaatsvervangend lid zijn het tweede tot en met vijfde lid alsmede artikel 11 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8 Besluitvorming
1De vergadering van het bestuur wordt niet geopend voordat uit de presentielijst blijkt dat meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.
2Indien ingevolge het eerste lid de vergadering niet kan worden geopend, belegt de voorzitter onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een vergadering tegen een tijdstip dat ten minste vierentwintig uur na het bezorgen van de oproeping is gelegen.
3Ieder lid van het bestuur heeft één stem.
4Voor het tot stand komen van een besluit bij stemming is de meerderheid vereist van hen die een stem hebben uitgebracht.
5Indien de stemmen staken wordt het nemen van een besluit uitgesteld tot een volgende vergadering.
6Indien de stemmen staken in een opnieuw belegde vergadering is het voorstel verworpen.
7In afwijking van het vierde lid is voor het tot stand komen van de navolgende besluiten unanimiteit vereist:
a.een besluit omtrent de voorwaarden voor toetreding van een nieuwe deelnemer, in aanvulling op het bepaalde in artikel 27;
b.een besluit omtrent de voorwaarden voor uittreding van een deelnemer, in aanvulling op het bepaalde in artikel 28;
c.een besluit tot het doen van een voorstel aan de besturen van de deelnemers om de gemeenschappelijke regeling te wijzigen;
d.een besluit van financiële aard dat niet het belang van alle deelnemers dient;
e.een besluit inzake de kostenverhoudingen en kostentoedeling;
f.een besluit tot benoeming, schorsing of ontslag van de directeur.
Artikel 9 Openbaarheid vergaderingen
Het bestuur bepaalt of een vergadering openbaar of besloten is.
Artikel 10 Voorzitter
1Het bestuur wijst uit zijn midden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter aan.
2Het bestuur kan de voorzitter of de plaatsvervangend voorzitter schorsen of ontslaan.
3De voorzitter leidt de vergaderingen van het bestuur.
4De voorzitter ondertekent de van het bestuur uitgaande stukken.
5De voorzitter vertegenwoordigt het samenwerkingsverband in en buiten rechte.
Artikel 11 Ontslag
De besturen van de deelnemers kunnen het door hen in het bestuur aangewezen lid te allen tijde ontslaan wanneer dit lid het vertrouwen van het desbetreffende bestuur van de deelnemer niet langer bezit. Op het ontslagbesluit is artikel 7:1 Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Artikel 12 Reglement van orde
Het bestuur stelt voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden een reglement van orde vast. Daarin zijn in ieder geval opgenomen regels over oproeping, openbaarheid van de vergaderingen bedoeld in artikel 9, wijze van stemmen en vergaderorde.
Artikel 13 Zienswijze op voorgenomen besluiten
Onverminderd hetgeen elders in de Wet gemeenschappelijke regelingen over het geven van zienswijzen is bepaald, zijn besluiten van het bestuur niet vatbaar voor het geven van een zienswijze door de vertegenwoordigende organen van de deelnemers.
Artikel 14 Participatie
Het bestuur betrekt ingezetenen van de deelnemende gemeenten en waterschappen niet actief bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid op grond van deze regeling.
Artikel 15 Inlichtingen en verantwoording
1Het bestuur verstrekt de vertegenwoordigende organen ongevraagd alle inlichtingen die deze organen voor de uitoefening van hun taken nodig hebben. De inlichtingen worden schriftelijk verstrekt.
2Het bestuur verstrekt de vertegenwoordigende organen schriftelijk alle inlichtingen die door een of meer leden van die organen worden gevraagd.
3Een lid van het bestuur geeft aan het bestuur van de deelnemer dat hem heeft aangewezen schriftelijk dan wel mondeling alle inlichtingen die door een of meer leden van dit bestuur worden gevraagd.
4Ieder van de besturen van de deelnemers regelt afzonderlijk hoe het lid van het bestuur dat het heeft aangewezen ter verantwoording kan worden geroepen voor het door hem in het bestuur gevoerde beleid.
Hoofdstuk 3 Overige bestuursorganen
Artikel 16 Aanwijzingsbesluiten
Het samenwerkingsverband heeft één of meer door het bestuur aan te wijzen heffingsambtenaren, invorderingsambtenaren, belastingambtenaren en belastingdeurwaarders.
Artikel 17 Heffingsambtenaar
1De heffingsambtenaar heeft ter zake van de belastingen en de Wet waardering onroerende zaken de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de geldende wet- en regelgeving zijn toegekend aan de inspecteur, respectievelijk de ambtenaar belast met de heffing van de deelnemers.
2Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid past de heffingsambtenaar de nadere regels en beleidsregels toe die het bestuur heeft geformuleerd ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.
Artikel 18 Invorderingsambtenaar
1De invorderingsambtenaar heeft ter zake van de belastingen de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de geldende wet- en regelgeving zijn toegekend aan de ontvanger, respectievelijk de ambtenaar belast met de invordering van de deelnemers.
2Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid past de invorderingsambtenaar de nadere regels en beleidsregels toe die het bestuur heeft geformuleerd ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.
Artikel 19 Belastingambtenaar
1De belastingambtenaar heeft ter zake van de belastingen en de Wet waardering onroerende zaken de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de geldende wet- en regelgeving zijn toegekend aan de ambtenaren van de Rijksbelastingdienst, respectievelijk de ambtenaar belast met de heffing of invordering van de deelnemers als bedoeld in artikel 231, tweede lid onder d, van de Gemeentewet en artikel 123, derde lid onder d, van de Waterschapswet.
2Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid past de belastingambtenaar de nadere regels en beleidsregels toe die het bestuur heeft geformuleerd ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.
Artikel 20 Belastingdeurwaarder
1De belastingdeurwaarder heeft ter zake van de belastingen de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de geldende wet- en regelgeving zijn toegekend aan de belastingdeurwaarder.
2Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid past de belastingdeurwaarder de nadere regels en beleidsregels toe die het bestuur heeft geformuleerd ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.
Hoofdstuk 4 Organisatie
Artikel 21 Directeur
1De directeur wordt door het bestuur benoemd, geschorst en ontslagen.
2De directeur heeft de dagelijkse leiding van het samenwerkingsverband.
3Het bestuur regelt de vervanging van de directeur.
4De directeur staat het bestuur en de voorzitter terzijde bij de uitoefening van hun taken.
5De directeur fungeert als ambtelijk secretaris van de vergaderingen van het bestuur.
6De directeur woont de vergaderingen van het bestuur bij en heeft in de vergadering een adviserende stem.
7De directeur medeondertekent de stukken die van het bestuur uitgaan.
Artikel 22 Ambtelijke organisatie
1Het samenwerkingsverband heeft een ambtelijke organisatie, die onder leiding staat van de directeur.
2Het bestuur stelt ten behoeve van het personeel de rechtspositionele regeling vast.
3De bindende regelingen van de Cao Werken voor Waterschappen worden gevolgd, tenzij het bestuur andere rechtspositionele regels vaststelt.
4Het bestuur stelt een directiestatuut vast waarin de taken en bevoegdheden van de directeur zijn opgenomen.
5De ambtenaren worden aangesteld, geschorst en ontslagen door het bestuur.
Artikel 23 Archief
1Het bestuur draagt de zorg voor de archiefbescheiden van de bestuursorganen van het samenwerkingsverband.
2Het bestuur stelt, met inachtneming van de Archiefwet 1995, regels vast omtrent de zorg voor de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden, alsmede omtrent het toezicht daarop.
3In geval van toetreding, uittreding of opheffing van de regeling draagt het bestuur zorg voor het treffen van voorzieningen voor de archiefbescheiden.
4Het bestuur wijst een archiefbewaarplaats aan ten behoeve van de op grond van de Archiefwet over te brengen archiefbescheiden.
Hoofdstuk 5 Regeling
Artikel 24 Duur
De regeling wordt voor onbepaalde tijd getroffen.
Artikel 25 Evaluatie
De regeling wordt geëvalueerd indien een vertegenwoordigend orgaan van één of meer deelnemers daartoe besluit.
Artikel 26 Wijziging
1De regeling kan worden gewijzigd bij daartoe strekkende eensluidende besluiten van de besturen van de deelnemers, onverminderd het bepaalde in artikel 61, tweede lid en derde lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
2Het bestuur kan een voorstel tot wijziging voorleggen aan de besturen van de deelnemers. Een voorstel tot wijziging kan ook worden ingediend bij het bestuur door ten minste twee besturen van deelnemers. Het bestuur zendt het voorstel, bedoeld in de vorige volzin, onverwijld door aan de besturen van de deelnemers.
Artikel 27 Toetreding
1Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente of een dagelijks bestuur van een waterschap dat wenst toe te treden, dient hiertoe een verzoek in bij het bestuur. Het college van de desbetreffende gemeente of het dagelijks bestuur van het desbetreffende waterschap voegt hierbij het besluit tot toestemming van de gemeenteraad respectievelijk het algemeen bestuur van het waterschap als bedoeld in artikel 61, tweede en derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
2Toetreding kan geschieden nadat de besturen van de deelnemers en het toetredende bestuursorgaan hiertoe eensluidend hebben besloten.
3Het bestuur kan algemene of specifieke regels stellen omtrent de toetreding van een college van burgemeester en wethouders van een gemeente of een dagelijks bestuur van een waterschap.
Artikel 28 Uittreding
1Gedurende vijf jaar na de datum van toetreding tot de regeling is uittreding niet mogelijk. De uittreding geschiedt per 1 januari van enig kalenderjaar.
2Het voornemen tot uittreding wordt door het bestuur van de betreffende deelnemer schriftelijk aan het bestuur meegedeeld.
3Na de ontvangst van de in het tweede lid vermelde kennisgeving wordt aan een door het bestuur aan te wijzen onafhankelijke derde opdracht verleend binnen een termijn van zes maanden een liquidatieplan op te stellen, als ware tot opheffing van de regeling besloten.
4Op grond van het in het derde lid opgestelde liquidatieplan besluit het bestuur van de betreffende deelnemer of daadwerkelijk tot uittreding wordt overgegaan. Het bestuur van de betreffende deelnemer besluit hiertoe niet dan nadat het toestemming van zijn vertegenwoordigend orgaan heeft gekregen als bedoeld in artikel 61, tweede en derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Het bestuur van de betreffende deelnemer maakt binnen zes maanden na ontvangst van het liquidatieplan aan het bestuur kenbaar of het daadwerkelijk uittreedt.
5Indien kenbaar is gemaakt dat het bestuur van de deelnemer daadwerkelijk uittreedt, stelt het bestuur het liquidatieplan vast. De in het liquidatieplan omschreven financiële verplichtingen zijn voor de uittredende deelnemer bindend.
6Nadat het liquidatieplan is vastgesteld is de uittredende deelnemer gehouden om binnen zes maanden de daarin voor hem omschreven financiële verplichtingen aan het samenwerkingsverband te voldoen.
7De kosten van het opstellen van het liquidatieplan komen voor rekening van de deelnemer die het voornemen heeft om uit te treden.
8Bij uittreding van een deelnemer vindt geen verrekening van het vermogen plaats.
Artikel 29 Opheffing
1Opheffing kan geschieden nadat de besturen van de deelnemers daartoe unaniem hebben besloten.
2Bij opheffing van de regeling wordt een liquidatieplan opgesteld. Artikel 28, derde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 6 Financiën
Artikel 30 Kostentoerekening
1Het bestuur stelt jaarlijks, als onderdeel van de begroting, de toerekening van de kosten vast voor de uitvoering van de taken als bedoeld in artikel 4.
2Het bestuur stelt de methode en richtlijnen voor de kostentoerekening vast.
Artikel 31 Begroting
1De begroting wordt vastgesteld, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 67, 67a en 68 Wet gemeenschappelijke regelingen.
2Besluiten tot wijziging van de begroting kunnen tot uiterlijk het eind van het desbetreffende begrotingsjaar worden genomen.
Artikel 32 Jaarrekening
Het bestuur legt over elk begrotingsjaar verantwoording af aan de besturen van de deelnemers over het door hem gevoerde bestuur, onder overlegging van de jaarrekening en het jaarverslag, onverminderd het bepaalde in de artikelen 67, 67a en 68 Wet gemeenschappelijke regelingen.
Artikel 33 Garantstelling
De deelnemers zullen er steeds zorg voor dragen dat het samenwerkingsverband te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te voldoen.
Hoofdstuk 7 Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 34 Overgangsrecht
Alle lopende belastingzaken en/of bezwaar- en beroepsprocedures in de ruimste zins des woords betreffende de heffing en invordering van belastingen op basis van artikel 113 Waterschapswet en artikel 219 Gemeentewet gaan per datum van de inwerkingtreding van de in artikel 16 bedoelde aanwijzingsbesluiten over op de heffingsambtena(a)r(en), invorderingsambtena(a)r(en), belastingambtena(a)r(en) en belastingdeurwaarder(s) van het Noordelijk Belastingkantoor.
Artikel 35 Inzending
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen zendt deze regeling aan gedeputeerde staten van de provincies Groningen, Friesland en Drenthe.
Artikel 36 Citeerwijze
Deze regeling wordt aangehaald als ‘Gemeenschappelijke Regeling Noordelijk Belastingkantoor’.
Artikel 37 Bekendmaking en inwerkingtreding
1Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen maakt deze regeling bekend door kennisgeving van de inhoud hiervan in de Staatscourant.
2Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking, met dien verstande dat de artikelen 4 tot en met 6 met ingang van 1 januari 2018 in werking treden.