Aanhef
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeenten Geldrop-Mierlo en Waalre, ieder voor zover betreft zijn bevoegdheden;
Gelet op:
de Wet gemeenschappelijke regelingen, de Gemeentewet en de Wet Open Overheid;
de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen per 1 juli 2022;
de respectieve besluiten van de gemeenteraden van Geldrop-Mierlo en Waalre van 11 december 2023 en 24 oktober 2023 om, ingevolge artikel 1 tweede en derde lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen, het college toestemming te verlenen om de gemeenschappelijke regeling openbaar lichaam PlusTeam 2022, te wijzigen.
Overwegende:
dat de gemeenten Geldrop-Mierlo en Waalre ter behartiging van de sturing en beheersing van ondersteunende processen en van uitvoeringstaken in het kader van de Jeugdwet en Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015, vanaf 20 november 2014 samenwerken in het openbaar lichaam PlusTeam.
Dat de doelstellingen van deze samenwerking tussen de gemeenten onverminderd actueel zijn;
Dat op basis van een evaluatie het advies is om de GR PlusTeam op punten aan te passen;
dat op grond van artikel 1 eerste lid van de Wgr de colleges van burgemeester en wethouders een gemeenschappelijke regeling kunnen treffen ter behartiging van één of
meer bepaalde belangen van die gemeenten;
Besluiten ter behartiging van de sturing en beheersing van ondersteunende processen en van uitvoeringstaken in het kader van de Jeugdwet en Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015, een gemeenschappelijke regeling te treffen tot instelling van een openbaar lichaam met rechtspersoonlijkheid als bedoeld in artikel 8 eerste lid van de Wgr, genaamd
"PlusTeam".
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1
1Er is een rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 eerste lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen, genaamd PlusTeam (PT).
2Het openbaar lichaam is een samenwerkingsverband tussen de gemeente Geldrop-Mierlo en de gemeente Waalre.
3Het openbaar lichaam is gevestigd in Geldrop-Mierlo.
4Het bestuur van het openbaar lichaam bestaat uit: het algemeen bestuur (verder AB), het dagelijks bestuur (verder DB) en de voorzitter.
Artikel 2 Begripsbepalingen
1In de gemeenschappelijke regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a.de regeling: de gemeenschappelijke regeling tussen gemeenten Geldrop-Mierlo en Waalre;
b.het openbaar lichaam: het rechtspersoonlijkheid bezittende openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 eerste lid van de Wgr;
c.deelnemers: de aan deze regeling deelnemende gemeenten Geldrop-Mierlo en Waalre;
d.het samenwerkingsgebied: het gezamenlijk grondgebied van de aan deze regeling deelnemende gemeenten;
e.PlusTeam: het openbaar lichaam als bedoeld in artikel 1 van deze regeling;
f.gedeputeerde staten: het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant;
g.de wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen;
h.Woo: Wet open overheid
i.opdrachtgever: een deelnemende gemeente, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en wethouders;
j.opdrachtnemer: het openbaar lichaam, vertegenwoordigd door de voorzitter;
k.het Algemeen bestuur: het algemeen bestuur van het PlusTeam;
l.het Dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van het PlusTeam;
m.de voorzitter: de voorzitter van het Algemeen en Dagelijks bestuur van het PlusTeam;
n.de directeur: de directeur van het PlusTeam;
o.het management: de directeur en adjunct-directeur van het PlusTeam;
p.KPI’s: kritieke prestatie indicatoren
2Waar in deze regeling artikelen van de Gemeentewet of van enige andere wet of wettelijke regeling van overeenkomstige toepassing worden verklaard, treden het openbaar lichaam, het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter in de plaats van respectievelijk de gemeente, de raad, het college en de burgemeester in die artikelen.
Hoofdstuk 2 Doel en taken
Artikel 3 Doel
1Belang van de regeling is het bewerkstelligen van een kwalitatief hoogwaardige en doelmatige uitvoering van de taken genoemd in artikel 4 van deze regeling, en het verlenen van ondersteuning op het terrein van de jeugdhulp in het kader waarvan de gemeente op grond van artikel 1.3 tweede lid van de Jeugdwet gehouden is voorzieningen en maatregelen te treffen, alsmede op het terrein van maatschappelijke ondersteuning in het kader waarvan de gemeente op grond van artikel 1.2.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 gehouden is maatwerkvoorzieningen te treffen.
2Gelet op het belang van deze regeling zullen de deelnemers toekomstige wijzingen in de verordeningen Jeugd en Wmo onderling afstemmen, zodat beleidsontwikkeling gezamenlijk plaatsvindt en voor het openbaar lichaam een werkbare en duidelijke werksituatie wordt gecreëerd.
3Het openbaar lichaam handelt naar de missie en visie die worden vastgelegd in visiedocumenten, verordeningen Jeugd en Wmo, beleidsregels en andere relevante stukken van beide gemeenten.
4Beide gemeenten zullen toekomstige wijzigingen zoals opgenomen in het tweede lid toetsen op uitvoerbaarheid bij de directeur van de GR PlusTeam.
Artikel 4 Taken
1Het openbaar lichaam draagt onder verantwoordelijkheid van de deelnemende gemeenten zorg voor de uitvoering van de wettelijke taken in het kader van de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, waarbij geen beleids- en besluitvormingsruimte bestaat voor het openbaar lichaam.
2De daartoe bevoegde bestuursorganen van de deelnemers zullen in afzonderlijke mandaatbesluiten bepalen welke bevoegdheden die samenhangen met de taakvelden zoals vermeld in het vorige lid opgedragen worden aan de overeenkomstige bestuursorganen dan wel aan de voorzitter van het openbaar lichaam.
3Het openbaar lichaam biedt als zorgaanbieder ondersteuning aan de gezinnen.
4De daartoe bevoegde bestuursorganen van de deelnemers zullen in afzonderlijke jaarplannen en volmacht besluiten bepalen welke werkzaamheden en bevoegdheden die samenhangen met de taakvelden zoals vermeld in het vorige lid opgedragen worden aan de overeenkomstige bestuursorganen dan wel aan de voorzitter van het openbaar lichaam.
5Het openbaar lichaam voert taken uit voor de deelnemende gemeenten. Uitvoering door derden is slechts toegestaan na een besluit van het Algemeen bestuur, gehoord de colleges van de deelnemende gemeenten.
Artikel 5 Contract
1Voor de uitvoering van het takenpakket verstrekken de deelnemende gemeenten een gezamenlijke opdracht aan het openbaar lichaam.
2In de opdracht worden KPI’s vastgelegd op basis waarvan het openbaar lichaam periodiek verantwoording aflegt.
Hoofdstuk 3 Het algemeen bestuur
Artikel 6 Samenstelling, voorzitter en ambtelijk secretaris
1Het algemeen bestuur (AB) bestaat uit twee leden per college van de deelnemers. De colleges van de deelnemers benoemen elk uit hun midden twee leden in het AB. De leden worden benoemd voor een periode van vier jaar en treden af op de dag waarop in het kader van een nieuwe zittingsperiode van de gemeenteraad een nieuw geïnstalleerd college een besluit neemt tot aanwijzing van leden van het AB. Aftredende leden kunnen opnieuw als lid worden aangewezen. In tussentijdse vacatures wordt voorzien door het college van de betreffende deelnemer.
2Het AB wijst uit zijn midden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter aan. Beide zijn automatisch ook lid van het AB. De voorzitter is tevens voorzitter van het dagelijks bestuur (DB).
3De voorzitter:
a.vertegenwoordigt het openbaar lichaam in en buiten rechte;
b.is belast met de leiding van de vergaderingen;
c.ondertekent alle van het AB en DB uitgaande stukken;
d.draagt zorg voor de uitvoering van de besluiten van het DB;
Hij kan deze bevoegdheden aan een ander opdragen.
4Het openbaar lichaam heeft een secretaris. De secretaris is tevens directeur van het PlusTeam. Het AB benoemt, schorst en ontslaat de secretaris.
5De directeur heeft in zijn functie van secretaris tot taak het AB, het DB en de voorzitter in hun opgedragen taken terzijde te staan. Hij woont in die hoedanigheid de vergaderingen van het bestuur bij en heeft daarin een adviserende stem. Alle stukken die van het AB en DB uitgaan worden door de secretaris mede ondertekend. De secretaris is verantwoordelijk voor het opmaken van de notulen van de vergaderingen van het AB en DB.
6Het bestuur kan bepalen dat management van het PT bij bepaalde (onderdelen van) vergaderingen niet aanwezig is.
Artikel 7 Werkwijze Algemeen Bestuur
1Het AB vergadert ten minste tweemaal per jaar en verder als de voorzitter of ten minste twee leden onder schriftelijke opgave van de te behandelen onderwerpen dit verzoeken.
2Voor de oproeping van de vergaderingen is artikel 19 Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.
3De vergaderingen van het AB zijn openbaar. De vergadering krijgt een besloten karakter wanneer ten minste 3 van de aanwezige leden hierom verzoekt of de voorzitter dit nodig acht en het AB hiertoe besluit. Voor de verslaglegging van een besloten vergadering en openbaarmaking van de besluitenlijst is ten aanzien van de openbaarheid artikel 23 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.
4Het AB stelt voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden een reglement van orde vast.
5Ieder lid van het AB heeft 1 stem. Het AB neemt in zijn vergaderingen de besluiten met een gewone meerderheid van stemmen met uitzondering van de besluiten tot vaststelling van de begroting en de jaarrekening, zoals bedoeld in de artikelen 20, lid 5 en artikel 21, lid 2 van deze regeling, en de besluiten tot benoeming en ontslag van de directeur zoals bedoeld in artikel 15, lid 3. De laatst genoemde besluiten dienen unaniem genomen te worden.
6De leden van het AB ontvangen voor hun werkzaamheden geen vergoeding in welke vorm dan ook.
Artikel 8 Bevoegdheden Algemeen Bestuur
1Tot de taken van het Algemeen bestuur (AB) behoort in ieder geval;
a.een voortdurend toezicht op al wat het PlusTeam aangaat;
b.vaststelling van het organisatiebesluit;
c.vaststelling van de begroting dan wel wijzigingen daarvan;
d.vaststelling van de jaarrekening;
e.vaststelling of wijziging van de rechtspositionele regelingen van het personeel van het openbaar lichaam;
f.de vaststelling van het liquidatieplan;
g.besluiten omtrent conflicten tussen DB en secretaris.
Over deze zaken moet, behoudens wat betreft g, in een openbare vergadering worden beraadslaagd en besloten.
2Het AB is niet bevoegd belastingen te heffen of anderszins algemeen verbindende voorschriften en/of beleidsregels te geven.
Artikel 9 Informatie- en verantwoordingsplicht
1Een lid van het AB geeft zo spoedig mogelijk maar in ieder geval binnen vier weken aan de raden en de colleges of burgemeesters van de deelnemende gemeenten de door een of meer leden van die raden, colleges of de burgemeesters gevraagde inlichtingen, met inachtneming van de Wet open overheid.
2Het AB geeft aan de raden en de colleges van de deelnemende gemeenten per half jaar ongevraagd alle inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door het AB gevoerde en te voeren beleid nodig zijn.
3Het algemeen bestuur stelt de colleges en raden van de deelnemende gemeenten in de gelegenheid om hun zienswijze kenbaar te maken op het ontwerp van de meerjarige beleidsvisie voordat zij deze beleidsvisie vaststelt.
4Het algemeen bestuur biedt de raden in het kader van de in het eerste lid genoemde een termijn van minimaal 12 weken om een zienswijze naar voren te brengen.
5De inlichtingen zoals bedoeld in lid 2, 3 en 4 worden verstrekt door middel van het toezenden van stukken of het verwijzen naar de vindplaats van stukken via de griffies.
Artikel 10 Geheimhouding AB
Het Algemeen Bestuur kan in een besloten vergadering, op grond van de belangen, genoemd in artikel 5.1 van de Wet open overheid, omtrent het in die vergadering behandelde en omtrent de inhoud van de stukken welk aan het algemeen bestuur worden overlegd, geheimhouding opleggen. Deze wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die aan het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht genomen, totdat het algemeen bestuur haar opheft.
Hoofdstuk 4 Het dagelijks bestuur
Artikel 11 Samenstelling
1Het AB benoemt in de eerste vergadering van elke zittingsperiode, het uit 2 leden bestaande DB, dat bestaat uit de voorzitter en een collegelid uit het AB. De voorzitter en het collegelid zijn niet van dezelfde deelnemende gemeente.
2De leden van het DB treden af als lid van dat bestuur met ingang van de dag waarop de zittingsperiode van het AB afloopt. Zij blijven hun functie waarnemen tot het tijdstip waarop het AB een nieuw DB heeft aangewezen.
3Een lid van het DB kan te allen tijde ontslag nemen.
4Degene die tussentijds ophoudt lid van het AB te zijn, houdt tevens op lid van het DB te zijn.
5Indien tussentijds een vacature ontstaat in het DB, wijst het AB zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan.
6Een lid van het DB kan door het AB worden ontslagen, indien dit lid niet langer het vertrouwen van het AB geniet. De artikelen 49 en 50 Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing. Op het ontslagbesluit is artikel 7:1 Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Artikel 12 Werkwijze dagelijks bestuur
1Voor zover deze regeling niet anders bepaalt kan het DB zijn werkzaamheden verdelen over de leden. Deze verdeling wordt aan het AB mede gedeeld.
2Het DB vergadert minimaal zes keer per jaar of zo dikwijls als de voorzitter dit nodig acht.
3In de vergadering van het DB heeft ieder lid een stem.
4Bij afwezigheid van een DB lid, wordt deze vervangen door het lid van het AB van dezelfde gemeente.
5Op de vergaderingen van het DB zijn de artikelen 54 tot en met 59 Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.
6Het DB stelt voor zijn vergaderingen en overige werkzaamheden een reglement van orde vast. Dit wordt aan het AB ter kennisneming gezonden.
7De leden van het DB ontvangen voor hun werkzaamheden geen vergoeding in welke vorm dan ook.
8Naast de secretaris en de (adjunct) directeur zijn de afdelingsmanagers Samenleving aanwezig bij de vergaderingen van het DB en hebben daarin een adviserende stem.
Artikel 13 Bevoegdheden Dagelijks Bestuur
1Het DB oefent de taken en bevoegdheden die in deze gemeenschappelijke regeling aan het DB zijn opgedragen uit.
2Voorts is dit bestuur belast met de sturing van het PlusTeam. Hiertoe behoort in ieder geval:
a.het uitvoeren van besluiten van het AB;
b.het voorbereiden van al hetgeen aan het AB ter overweging en beslissing zal worden voorgelegd;
c.het uitvoeren van besluiten van de colleges en de raden van de deelnemende gemeenten;
d.het behartigen van de belangen van het openbaar lichaam bij andere overheden, instellingen of personen waarmee contact voor het openbaar lichaam van belang is;
e.de zorg voor het beheer van inkomsten en uitgaven van het openbaar lichaam;
f.de zorg, voor zover deze niet aan anderen toekomt, voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding;
g.het nemen van alle conservatoire maatregelen zowel in als buiten rechte en het doen van alles wat nodig is ter voorkoming van verjaring en verlies van recht of bezit;
h.het DB zal persoonsgegevens uitsluitend verwerken ter uitvoering van de opdracht zoals in deze regeling wordt gegeven;
i.de zorg voor en het houden van toezicht op de bewaring en het beheer van de dynamische archiefbescheiden. Alle zakelijke bescheiden, dossiers en dergelijke ter uitvoering van deze regeling blijven eigendom van de deelnemende gemeenten. Na het sluiten van een dossier, zal het dossier worden geretourneerd naar de desbetreffende gemeente. De gemeente zal zorgdragen voor het bewaren en vernietigen van deze semi-statische en statische dossiers. Bij het opheffen van de regeling worden alle dossiers geretourneerd aan de deelnemende gemeente. De dossiers zijn in goede en ordelijke staat op het moment van retourneren en dienen toegankelijk te zijn;
j.de colleges van de deelnemende gemeenten blijven verantwoordelijk voor de openbaarheid van dossiers. Het desbetreffende college bepaalt wanneer en in hoeverre een dossier openbaar is.
k.het benoemen, schorsen en ontslaan van personeel;
l.het behandelen van klachten in de zin van artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht na het ontvangst van het advies van de klachtencommissie op basis van de klachtenregeling Openbaar Lichaam PlusTeam;
m.overige taken die bij of krachtens de Jeugdwet en de Wmo 2015 aan de gemeente worden opgedragen.
3Het AB kan aan het DB bevoegdheden overdragen, als bedoeld in artikel 25 van de Wgr, met uitzondering van:
a.het vaststellen dan wel wijzigen van de meerjarige beleidsvisie;
b.Het vaststellen dan wel wijzigen van de begroting
c.het vaststellen van de jaarrekening;
d.het vaststellen van de financiële beheers- en de controleverordening zoals omschreven in de van overeenkomstige toepassing zijnde artikelen 212 en 213 Gemeentewet;
e.het vaststellen van rechtspositionele regelingen;
f.het vaststellen van een organisatieplan en de daarop betrekking hebbende regels;
g.het vaststellen van archiefbeheer;
h.de benoeming en ontslag van het management.
i.Het benoemen van de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de secretaris.
j.Het benoemen van de directeur en/of adjunct directeur van het PlusTeam.
Artikel 14 Informatie en verantwoordingsplicht
1De leden van het DB zijn, tezamen en afzonderlijk, aan het AB verantwoording verschuldigd voor het door het DB gevoerde bestuur.
2De leden van het DB geven, tezamen dan wel afzonderlijk, aan het AB per half jaar ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het gevoerde en te voeren beleid noodzakelijk is.
3De leden van het DB geven tezamen dan wel afzonderlijk aan het AB, indien dit bestuur dan wel een of meer leden daarvan daarom verzoeken, binnen vier weken alle gevraagde inlichtingen, een en ander voor zover dit niet in strijd is met het algemeen belang.
4De leden 1 tot en met 3 zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de voorzitter.
Artikel 15 Geheimhouding DB
1Het Dagelijks Bestuur kan, op grond van de belangen, genoemd in artikel 5.1 van de Wet open overheid, omtrent het in die vergadering behandelde en omtrent de inhoud van de stukken welke aan het dagelijks bestuur worden overlegd, geheimhouding opleggen. Deze wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die aan het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht genomen, totdat het algemeen bestuur haar opheft.
2Op grond van een belang, genoemd in artikel 5.1 van de Wet open overheid, kan de geheimhouding eveneens worden opgelegd door de voorzitter, ten aanzien van de stukken die aan het DB worden voorgelegd. Daarvan wordt op de stukken melding gemaakt. De geheimhouding wordt in acht genomen totdat de voorzitter haar opheft.
Hoofdstuk 5 Inrichting openbaar lichaam
Artikel 16
1Het DB regelt de inrichting van het openbaar lichaam in een organisatiebesluit.
2De dagelijkse leiding van het openbaar lichaam berust bij het management.
3Het management wordt benoemd en ontslagen door het AB.
4Het AB regelt de bezoldiging en de rechtspositie van het management.
5De taken en bevoegdheden van het management worden geregeld in het organisatiebesluit. Het DB regelt de vervanging van het management.
6Het management verschaft minstens eenmaal per kwartaal de informatie aan het AB en DB om het functioneren en de bedrijfsvoering van het openbaar lichaam te kunnen beoordelen.
Artikel 17 Beperkingen bevoegdheden deelname aan het maatschappelijk verkeer
1Het AB besluit slechts tot oprichting van en deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen indien dit in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang. Het besluit wordt niet genomen dan nadat de raden van de deelnemende gemeenten een ontwerpbesluit is toegezonden en in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het bestuur te brengen.
2Het gebruik maken van diensten op het terrein van consultatie en diagnostiek door het openbaar lichaam geschiedt uitsluitend door de inschakeling van de op voorhand door de deelnemende gemeenten gecontracteerde partners. De diensten op het terrein van consultatie en diagnostiek zullen door de gemeenten worden aanbesteed met inachtneming van de voor hen geldende aanbestedingsregels. De inschakeling van deze diensten van derden door het openbaar lichaam geschiedt niet onder bezwarende titel.
3Het besluit tot het aangaan van een overheidsopdracht voor diensten anders dan bedoeld in lid 2 en/of leveringen wordt niet genomen dan nadat de colleges van de deelnemende gemeenten toestemming ter zake hebben gegeven.
4Het aangaan van onderhandse leningen vindt niet plaats dan nadat de colleges en de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten toestemming ter zake hebben gegeven.
Hoofdstuk 6 Personeel en rechtspositie
Artikel 18 Personeel
1Het DB is belast met het aanstellen, het schorsen en ontslaan van het personeel van het openbaar lichaam voor zover in deze regeling niet anders is bepaald.
2Het DB kan de directeur machtigen tot het in het eerste lid bedoelde aanstellen, schorsen en ontslaan van personeel.
Artikel 19 Rechtspositie
1Op het personeel in dienst van het openbaar lichaam zijn de rechtspositieregelingen en arbeidsvoorwaarden overeenkomstig de landelijke CAO Sociaal Werk van toepassing. Daar waar de CAO Sociaal Werk niet in voorziet, besluit het AB.
2Het DB regelt de taken en bevoegdheden van het personeel voor zover dit niet in deze gemeenschappelijke regeling geschiedt.
Hoofdstuk 7 Financiële bepalingen
Artikel 20 Financiële administratie en controle
1Op het financieel beleid, het financieel beheer, de inrichting van de financiële organisatie en de controle daarop zijn de artikelen 212 en 213 Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.
2Het AB stelt schriftelijk de uitgangspunten vast voor het financieel beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie. Deze uitgangspunten waarborgen dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan.
3Het AB wijst de accountant aan die belast wordt met de controle op de in artikel 21 genoemde jaarrekening.
4De accountant zendt de accountantsverklaring en een verslag van bevindingen aan het AB.
5De schriftelijke uitgangspunten als bedoeld in artikel 18 tweede lid worden na vaststelling gezonden aan gedeputeerde staten en aan de deelnemende gemeenten.
6Het openbaar lichaam verzekert zich ten minste tegen:
a.burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor schade aan personen en goederen;
b.wettelijke aansprakelijkheid voor vermogensschade;
c.de kosten voortvloeiend uit arbeidsgerechtelijke geschillen (rechtskundige hulp).
Artikel 21 Boekjaar
1Het boekjaar loopt van 1 januari tot en met 31 december.
Artikel 22 Begroting
1Het DB zendt elk jaar vóór 22 april een ontwerpbegroting van inkomsten en uitgaven voor het komend dienstjaar aan de raden van de deelnemers, voorzien van de nodige toelichting en specificaties.
2In de begroting wordt onder andere aangegeven welke bijdrage elke deelnemer verschuldigd is voor de uitvoering van de taken door het PlusTeam.
3De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de deelnemers voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaarstelling van de ontwerpbegroting wordt openbaar kennis gegeven.
4De raden van de deelnemers kunnen binnen twaalf weken na toezending van de ontwerpbegroting het DB hun zienswijze schriftelijk doen blijken.
5Het AB stelt de begroting op voorstel van het DB vast vóór 1 juli en zendt deze voor 15 juli naar de deelnemers en gedeputeerde staten.
6Op de wijzigingen van de begroting zijn de voorafgaande bepalingen van dit artikel -met uitzondering van de genoemde data -van overeenkomstige toepassing.
7Het AB kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de door de deelnemers te betalen voorschotnota’s en financiële bijdragen.
8De deelnemers zullen er steeds zorg voor dragen dat het openbaar lichaam te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.
9Indien aan het AB van het openbaar lichaam blijkt dat een deelnemer weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het AB onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de art. 194 en 195 Gemeentewet.
10Het Dagelijks Bestuur stelt de raden van de deelnemende gemeenten voorafgaande aan het vaststellen van de begroting, schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het vierde lid, alsmede de conclusies die het daaraan verbindt.
11De inlichtingen zoals bedoeld in lid 4 worden verstrekt door middel van het toezenden van stukken of het verwijzen naar de vindplaats van stukken via de griffies.
Artikel 23 Jaarrekening
1Het DB zendt voor 15 april de algemene financiën en beleidsmatige en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten.
2Het DB maakt elk jaar de rekening van baten en lasten (inclusief de balans) van het voorgaande jaar op. Het DB zendt uiterlijk 15 april de rekening met de daarbij behorende bescheiden aan het AB. Het AB zendt de rekening ter controle naar de door het AB aangewezen accountant, met het verzoek zo spoedig mogelijk het controlerapport uit te brengen.
3Het besluit van het AB, houdende vaststelling van de rekening dient voor 1 juli te worden genomen en strekt, voor zover het daarin opgenomen ontvangsten en uitgaven betreft, het DB tot décharge, behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden.
4Het AB zendt de rekening en het verslag van bevindingen van de accountant aan de deelnemers ter kennisneming. Ook aan de provincie Noord Brabant en het CBS.
Artikel 24 Zienswijze
1Buiten de meerjarige beleidsvisie zoals bedoeld in artikel 9, de begroting, zoals bedoeld in artikel 22, en wijziging van deze regeling, zoals bedoeld in artikel 34, kan het Algemeen Bestuur besluiten om ten aanzien van andere voorgenomen besluiten de raden in de gelegenheid te stellen een zienswijze in te dienen.
Het Algemeen Bestuur biedt de raden in het kader van de in het eerste lid genoemde besluiten een termijn van minimaal twaalf weken om een zienswijze naar voren te brengen.
Artikel 25 Verdeling van de kosten
1Een deel van de rijksbijdragen als bedoeld in artikel 15 van de Financiële-verhoudingswet wordt door de deelnemende gemeenten aangewend ter dekking van de kosten verband houdend met de uitvoering van de taken zoals beschreven in artikel 4 van de regeling. Deze bijdrage van de deelnemende gemeenten bestaat uit de financiering van de volgende kosten::
-management en secretariële ondersteuning;
-personeel en organisatie;
-informatisering en automatisering;
-financiën en control;
-facilitaire zaken.
2De verdeling van de kosten tussen de gemeenten Geldrop-Mierlo en Waalre als bedoeld in het eerste lid worden verdeeld naar rato inwonersaantal, jaar t-1 en besluitvorming hierover vind jaarlijks in het laatste AB bij het vaststellen van de begroting plaats, met uitzondering van de kosten ten aanzien van personeel en organisatie.
3De verdeelsleutel van met betrekking tot de kosten voor personeel en organisatie van het PlusTeam is 75% voor Geldrop-Mierlo en 25% voor Waalre en tweejaarlijks herzien op basis van de vier voorgaande jaren vastgesteld door het AB. Bij deze herziening is de verhouding tussen het aantal huishoudens van de gemeente Waalre en het aantal huishoudens van de gemeente Geldrop-Mierlo dat geholpen wordt door het PlusTeam leidend.
Artikel 26 Voorschotten
1De deelnemende gemeenten betalen bij wijze van voorschot jaarlijks vóór 15 januari, 15 april, 15 juli en 15 oktober telkens een kwart van de begrote bijdragen als bedoeld in artikel 20.
2De gemeenten betalen de bijdragen bedoeld in het eerste lid op basis van facturen, die het openbaar lichaam hun daartoe zal zenden.
3De deelnemende gemeenten zullen er steeds zorg voor dragen dat het openbaar lichaam te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan alle verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.
4Indien het bestuur blijkt dat een deelnemer weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het bestuur onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 Gemeentewet.
5De deelnemende gemeenten verbinden zich in geval van opheffing van het openbaar lichaam een liquidatieplan op te stellen dat voorziet in de verplichting van de deelnemende gemeenten alle rechten en plichten van het openbaar lichaam over de deelnemende gemeenten te verdelen op een in het plan te bepalen wijze en de wijze te beschrijven waarop vereffening van het vermogen van het openbaar lichaam plaatsvindt.
Hoofdstuk 8 Archiefbescheiden
Artikel 27 Archiefzorg
1Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam overeenkomstig de archiefverordeningen van de deelnemende gemeenten.
Artikel 28 Archiefbeheer
1De directeur is belast met het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.
2Het dagelijks bestuur stelt voorschriften vast voor het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die nog niet naar de archiefbewaarplaats zijn overgebracht.
Artikel 29 Archiefbewaarplaats
1Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van het openbaar lichaam wordt aangewezen de archiefbewaarplaats van de gemeente Geldrop-Mierlo, die dit belegd hebben bij het Regionaal Historisch centrum Eindhoven.
Artikel 30 Toezicht
1Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van het openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, is belast de archivaris van het Regionaal Historisch centrum Eindhoven.
Artikel 31 Verantwoording
1De archivaris van het Regionaal Historisch centrum Eindhoven brengt jaarlijks aan het dagelijks bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van het openbaar lichaam, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.
2Het dagelijks bestuur brengt jaarlijks verslag uit aan het algemeen bestuur over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de organen van het openbaar lichaam.
Artikel 32 Terbeschikkingstelling
1De deelnemers aan de regeling stellen tijdig aan het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam de archiefbescheiden beschikbaar, die nodig zijn voor de uitvoering van de overgedragen taken.
2In een verklaring van terbeschikkingstelling worden de periode van terbeschikkingstelling en het toezicht op het beheer van de ter beschikking gestelde archiefbescheiden vastgelegd.
3In de verklaring kunnen nadere voorwaarden worden gesteld aan de terbeschikkingstelling.
Hoofdstuk 9 Toetreding, wijziging, opheffing, uittreding
Artikel 33 Toetreding
1Het college van een gemeente dat wenst toe te treden, richt het verzoek ter zake aan het AB van het openbaar lichaam.
2Toetreding vindt plaats bij besluit van het AB na verkregen toestemming van de raden van de deelnemende gemeenten.
3Aan de toetreding kan het AB voorwaarden verbinden.
4Het besluit als bedoeld in het tweede lid geeft de datum van toetreding aan.
5Van elk bericht van toetreding van een gemeente wordt kennis gegeven aan gedeputeerde staten.
Artikel 34 Wijziging
1Indien het AB een wijziging van de regeling wenselijk acht, doet het DB een voorstel tot wijziging van deze gemeenschappelijke regeling aan de colleges van de deelnemende gemeenten.
2De gemeenschappelijke regeling wordt gewijzigd indien de college van de deelnemende gemeenten, na verkregen toestemming van de raden van de deelnemende gemeenten, daartoe eensluidend besluiten. Van elk besluit tot wijziging van deze regeling wordt terstond bericht gezonden aan de deelnemers en gedeputeerde staten.
3Het Algemeen Bestuur stelt dat de colleges en raden van de deelnemende gemeenten, zoals vereist op grond van artikel 1, tweede en derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, in de gelegenheid om bij het college een zienswijze naar voren te brengen over het ontwerp van de onderhavige gewijzigde regeling.
4Het Algemeen Bestuur biedt de colleges en raden in het kader van de in het derde lid genoemde een termijn van minimaal twaalf weken om een zienswijze naar voren te brengen.
Artikel 35 Opheffing
1Een besluit tot opheffing van deze gemeenschappelijke regeling wordt niet genomen dan nadat de colleges van de beide deelnemende gemeenten, na verkregen toestemming van de raden van de deelnemende gemeenten, daarmee hebben ingestemd.
2In geval van opheffing van de gemeenschappelijke regeling besluit het AB tot liquidatie en stelt daarvoor overeenkomstig artikel 26 vijfde lid de nodige regels.
3Het liquidatieplan wordt door het AB, nadat de colleges van de deelnemende gemeenten hun zienswijze hebben kunnen inbrengen, vastgesteld.
4Het liquidatieplan voorziet ook in de gevolgen die de beëindiging heeft voor het personeel.
5Het liquidatieplan geeft regels voor de wijze waarop de deelnemende gemeenten, voor zover het saldo ontoereikend is, zorg dragen voor de nakoming van de verplichtingen van het samenwerkingsverband.
6Het DB is belast met de uitvoering van de liquidatie.
7De bij een regeling ingestelde openbaar lichaam blijft na zijn ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is.
8Van het besluit tot opheffing van deze regeling wordt terstond bericht gezonden aan de betrokken gemeenteraden en gedeputeerde staten.
Artikel 36 Uittreding
1Over de overdracht van personeel worden in goed overleg afzonderlijke afspraken gemaakt. De betrokken gemeenten zullen zich maximaal inspannen om werknemers van werk naar werk te begeleiden. Voor werknemers geldt een verplichting om mee te werken aan dit Sociaal Plan.
2Indien het uittreden van een gemeente leidt tot een daling van opbrengsten worden de negatieve financiële gevolgen ervan aangemerkt als frictie-en desintegratiekosten, deze worden als volgt over een periode van drie jaar door het uittredend bestuursorgaan gecompenseerd: Het eerste jaar na uittreding voor 100%, het tweede jaar 66% en het derde jaar 33%van deze kosten.
3De frictie-en desintegratiekosten worden als volgt bepaald, de daling van opbrengsten vermindert met de directe kosten op jaarbasis van de overgedragen taken, materiaal, materieel, gebouwen en personeel.
4Voorzieningen worden alleen overgedragen voor het onderdeel dat betrekking heeft op overdragen taken, materiaal, materieel, gebouwen en personeel.
Hoofdstuk 10 Geschillen en klachten
Artikel 37
1Indien er tussen het openbaar lichaam en een der deelnemers een geschil ontstaat over de uitvoering van de taken zoals opgenomen in deze regeling, treden het DB en het betreffende college terstond in overleg met elkaar teneinde het geschil verder te verkennen en zo mogelijk op te lossen.
Indien vorenstaande niet tot een oplossing leidt, worden geschillen omtrent de toepassing in de ruimste zin van de gemeenschappelijke regeling of geschillen tussen besturen van de deelnemende gemeenten en het AB van het openbaar lichaam door gedeputeerde staten beslist, voor zover zij niet behoren tot die vermeld in artikel 112 eerste lid van de Grondwet of tot die, waarvan de beslissing krachtens artikel 112 tweede lid van de Grondwet is opgedragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren.
2Klachten in de zin van artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht over gedragingen van personeel dat in dienstbetrekking staat tot de gemeenschappelijke regeling worden overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht in eerste lijn behandeld conform de klachtenregeling openbaar lichaam PlusTeam en in tweede lijn door de Nationale ombudsman.
Artikel 38 Duur en evaluatie
1De regeling wordt voor onbepaalde tijd getroffen.
2Deze regeling wordt elke vijf jaar geëvalueerd, te rekenen vanaf de datum van inwerking treden. Zakt het aantal huishoudens van de gemeente Waalre onder de 15%, van het totale aantal huishoudens dat het PlusTeam in hun caseload heeft van de twee gemeenten Waalre en Geldrop-Mierlo vindt eveneens een evaluatie en bestuurlijke heroverweging plaats.
3Het Algemeen Bestuur kan, eventueel op voorstel van individuele leden of op verzoek van een of meerdere colleges of raden, besluiten tot het houden van een evaluatie van deze regeling.
4Het Algemeen Bestuur bepaalt hierbij wat de concrete vraagstelling is, wat de reikwijdte van de evaluatie is en welke procedure wordt gevolgd.
5Het Algemeen Bestuur rapporteert aan de colleges en raden het resultaat van de uitgevoerde evaluaties onder vermelding van de daaruit getrokken conclusies.
6Het Algemeen Bestuur kan in het kader van een specifiek besluit of agendapunt ertoe besluiten om ingezetenen van de gemeenten en belanghebbende te betrekken bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid zoals ‘beschreven’ in artikel 10, zevende lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
Slotbepalingen
Artikel 39 Inwerkingtreding en overige bepalingen
1Deze regeling treedt in werking op de dag na bekendmaking in het Gemeenteblad.
2De gemeente Geldrop-Mierlo maakt als plaats van vestiging de regeling in alle deelnemende gemeenten bekend.
3Het openbaar lichaam zorgt op basis van artikel 26, tweede lid van de wet voor toevoeging van de in artikel 136, tweede lid van de wet bedoelde gegevens in het register bedoelt in artikel 136, eerste lid van de wet.
4In alle gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het AB gehoord de colleges van de deelnemende gemeenten.
Artikel 40
1Deze gemeenschappelijke regeling wordt aangehaald als: gemeenschappelijke regeling openbaar lichaam PlusTeam 2022.