Gemeentelijke regelgeving

Beleidsregels jeugdhulp gemeente Dinkelland 2026

Gemeente Dinkelland · geldt sinds 25 december 2025

Aanhef

Het college van burgemeester en wethouders

gelet op:

-titel 4:3 van de Algemene wet bestuursrecht;

-de Jeugdwet;

-de Verordening Jeugdhulp gemeente Dinkelland 2026;

-de Nadere regels Jeugdhulp gemeente Dinkelland 2026;

overwegende dat: het college voor de beoordelingsvrijheid bij de uitvoering van de wet het noodzakelijk vindt om aan te geven op welke wijze daar mee wordt omgegaan en daartoe beleidsregels wenst vast te stellen;

besluit vast te stellende navolgende:

Beleidsregels jeugdhulp gemeente Dinkelland 2026

Artikelen 2.3 lid 1 en 2.6 Jeugdwet Hoofdstuk 2 Verordening Artikel 3.1 nadere regels

2 De procedure

2.8 Stappenplan voor het onderzoek

2.8.1 Stap 1 van het stappenplan

Een volledig beeld is nodig

Het college kan niet altijd alleen uitgaan van de hulpvraag die de jeugdige of zijn ouder(s) bij de gemeente neerleggen. Het college moet zelf actief onderzoek doen naar de problemen van het gezin en rekening houden met de hulp die zij hierbij wensen. Pas dan wordt een volledig beeld verkregen van de (gezins)situatie (bijv. RBOBR:2021:53, RBOBR:2018:469, RBGEL:2017:3439). De aanwezigheid van het sociaal netwerk van de jeugdige en zijn ouder(s) kan van grote meerwaarde zijn. Zij kunnen informatie geven die van belang is voor het onderzoek. Ook kunnen zij onderdeel uitmaken van de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouder(s). Of dat het geval is komt bij stap 4 van het stappenplan aan bod. In het gesprek wordt in samenspraak met de jeugdige en zijn ouder(s) bekeken welk resultaat men wil bereiken en welke oplossingen passend zouden kunnen zijn.

Er wordt specifiek jeugdhulp gevraagd

De hulpvraag kan niet bestaan uit de vraag aan het college om een specifieke jeugdhulpvoorziening toe te kennen. Dit gelet op het wettelijk kader en het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep. Het college houdt wel rekening met de wens van de jeugdige of zijn ouder(s) om de gevraagde individuele voorziening te ontvangen.

2.8.2 Stap 2 van het stappenplan

Bij deze stap worden de opgroei- en opvoedingsproblemen of psychische problemen en stoornissen inzichtelijk in kaart gebracht en vervolgens welke problemen en stoornissen er zijn. Het hoeft daarbij niet alleen te gaan om de jeugdige die kampt met bepaalde problematiek; ouders kunnen door de problematiek van de jeugdige opvoedingsproblemen ondervinden.

Opvoedingsproblemen

Bij opvoedingsproblemen gaat het om problemen bij het onderhouden, verzorgen en grootbrengen van een jeugdige, met name in sociale, emotionele, intellectuele en morele zin, die door de ouder(s) niet binnen een gebruikelijke termijn en met gebruikelijke middelen op te lossen zijn.

Zorgmomentenoverzicht

Als dat nodig is kan het college van ouders een zorgmomentenoverzicht (dag/week) vragen waarin de situaties waar de jeugdige hulp bij nodig heeft adequaat worden beschreven. Het college kan dit overzicht vergelijken met de Richtlijn Gebruikelijke hulp van de verordening.

2.8.3 Stap 3 van het stappenplan

In stap 3 van het stappenplan wordt vastgesteld welke hulp er naar aard en omvang nodig is om de wettelijke jeugdhulpdoelen te behalen.

Welke maatwerkvoorziening is nodig

Zoals gezegd wordt bij deze stap beoordeeld of er volgens het college een maatwerkvoorziening nodig is waardoor de jeugdige:

•gezond en veilig op te groeien en groeien naar zelfstandigheid; en

•voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.

Ook worden de te bereiken resultaten vastgesteld.

Blijkt bij stap 2 en 3 van het onderzoek dat er (ook) andere hulp nodig is, dan op grond van de Jeugdwet, dan komt de beoordeling daarvan bij stap 5 van het stappenplan aan de orde. Het gaat bij stap 3 van het stappenplan nog niet om de jeugdhulp die het college daadwerkelijk zal gaan verlenen.

2.8.4 Stap 4 van het stappenplan

Bij stap 4 van het stappenplan wordt vastgesteld of de eigen kracht toereikend is. Zie verder hoofdstuk 3 van deze beleidsregels.

2.8.5 Stap 5 van het stappenplan

Na het doorlopen van het stappenplan wordt bij stap 5 vastgesteld of het college een individuele voorziening zal verlenen. En zo niet, wat de reden daarvan is. En zo ja, welke dat is om de vastgestelde resultaten te bereiken.

Het college beoordeelt of de volgende aspecten aan de orde zijn:

1Gebruikmaking van een andere wet.

2Er is geen sprake van jeugdhulp.

3Vrij toegankelijk aanbod biedt een passende oplossing.

4Geen noodzaak tot het verlenen van jeugdhulp.

5Welke individuele voorziening is aangewezen en in welke vorm die wordt verleend.

Ad. 1.Gebruikmaking van een andere wet

Hoofdstuk 4 Verordening

Uit het onderzoek kan al duidelijk zijn dat de jeugdige aanspraak kan maken op een andere wet. Denk aan het Leerlingenvervoer, de Zorgverzekeringswet of de Wet passend onderwijs. Ook kan het college vinden dat, gelet op problematiek, aanspraak bestaat (kan bestaan) op een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Van ouders wordt in zo’n geval verwacht dat een aanvraag bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) wordt gedaan. Ouders kunnen bij die aanvraagprocedure gebruikmaken van cliëntondersteuning. Het college zorgt voor hulp als dat nodig is. Jeugdhulp en Wlz kunnen wel samengaan als een behoefte van ouders of jeugdigen niet onder de Wlz valt. Dat is het geval als de jeugdhulp voor de jeugdige noodzakelijk is (RBZWB:2017:4537). Denk bijvoorbeeld aan opvoedondersteuning.

Ad. 2.Geen jeugdhulp

Op basis van het onderzoek kan het college vinden dat er geen sprake is van jeugdhulp. Dat kan te maken hebben met aanspraken die geregeld zijn in een andere wet (zie hiervoor onder 1) maar ook situaties waarin geen sprake kan zijn van jeugdhulp. De volgende voorbeelden worden genoemd:

•Hulp met als doel het realiseren van (passend) onderwijs valt niet onder Jeugdwet. Dat geldt ook voor het thuis doorlopen van een onderwijsprogramma (RBDHA:2018:8310, RBROT:2020:5711).

•Vervoer naar diverse (hobby)activiteiten is geen jeugdhulp (RBROT:2019:7883).

•Tandartsbezoeken waarbij de behandeling onder narcose moet plaatsvinden, begeleiding bij de controle door de kinderarts en het laten innemen van de medicatie (RBOVE:2016:4171).

•Begeleiding van en naar de zwemles (RBOVE:2016:5199).

•Hulp in de vorm van alleen opvang van de jeugdige.

Ad. 3.Vrij toegankelijk aanbod

Op basis van het onderzoek kan het college vinden dat gebruikmaking van het vrij-toegankelijk aanbod een voldoende oplossing biedt.

Ad. 4.Geen noodzaak

Op basis van het onderzoek kan blijken dat er weliswaar sprake is van een behoefte aan jeugdhulp, maar dat het college kan vinden dat er geen noodzaak is voor het verlenen van een individuele voorziening ondanks de wens van ouders. In de praktijk zal dit meestal voorkomen bij een verzoek om een specifieke jeugdhulpvoorziening (aard en omvang) van ouders of jeugdigen.

Ad. 5. Verlenen individuele voorziening

Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek volgens het stappenplan wordt bepaald welke individuele voorziening wordt verleend gericht op het bereiken van de vastgestelde resultaten.

2.8.6 Spoedhulp

Art. 2.6 lid 1 onder b Jw bepaalt onder meer dat jeugdhulp te allen tijde bereikbaar en beschikbaar is in situaties waar onmiddellijke uitvoering van taken is geboden. De verplichting tot het zorgen voor spoedhulp laat zich niet vertalen in beleidsregels, maar is afhankelijk van de individuele situatie.

2.9 Inlichtingen- en medewerkingsplicht

2.9.1 Inlichtingenplicht

Alleen de inlichtingenplicht voor jeugdigen of zijn ouder(s) die is verbonden aan een verstrekt pgb is wettelijk geregeld (art. 8.1.2 Jw). De verordening bepaalt daarom dat de jeugdige of zijn ouder(s) ook verplicht zijn op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden te doen waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een besluit over jeugdhulp in natura (art. 8.2 lid 1 Verordening).

2.9.2 Medewerkingsplicht

Ouders en jeugdigen verlenen medewerking aan het onderzoek als het college daar om vraagt (art. 8.1.2 lid 3 Jw). Deze algemene medewerkingsverplichting voor de uitvoering van de wet geldt niet alleen bij de aanvraag maar ook gedurende de indicatie als daar aanleiding voor is. Het niet verlenen van medewerking kan er toe leiden dat het college de behoefte aan jeugdhulp niet kan vaststellen (CRVB:2019:276, CRVB:2021:410, CRVB:2021:510). Het kan gaan om een onderzoek naar de concrete gezinssituatie en de daarin aanwezige problematiek waarvoor ook onderzoek in de thuissituatie (door middel van observatie) verricht moet worden door een deskundige (RBGEL:2023:5013).

Blokkeringsrecht

Het blokkeringsrecht als bedoeld in art. 7:464 lid 2 onder b BW houdt in dat de uitslag van een medisch onderzoek niet door anderen mag worden gelezen. Dat wil zeggen dat de (medisch) adviseur geen toestemming heeft om het door het college gevraagde advies ook daadwerkelijk aan het college te verstrekken. Gebruikmaken van het blokkeringsrecht wordt aangemerkt als het niet verlenen van de medewerking die nodig is voor de uitvoering van de wet. De gevolgen van het gebruikmaken van het blokkeringsrecht komen voor rekening en risico van de betrokkene (bijv. CRVB:2025:1015). In de praktijk zal dit inhouden dat het college de noodzaak tot het verstrekken van jeugdhulp niet kan vaststellen.

2.9.3 De jeugdige

In het kader van medewerking verlenen geldt ook het uitgangspunt dat de jeugdige altijd wordt gezien en als dat aangewezen is, wordt gesproken. Dat geldt in ieder geval bij de vraag om deskundigenadvies (zie art. 2.8 en 2.9 Verordening). Denk in dat kader ook aan het recht van de jeugdige om zijn mening te vormen en vrijelijk te uiten (art. 12 IVRK). Daarvoor geldt de leeftijdsgrens van 12 jaar, tenzij de jeugdige daartoe nog niet in staat is natuurlijk. De mening van de jeugdige moet worden meegewogen bij de beoordeling van de aanvraag, tenzij de jeugdige zijn mening niet kan geven gelet op de problematiek of leeftijd natuurlijk.

3 Eigen kracht

3.2 Zorg van ouders voor kinderen

3.2.1 Inhoud zorgplicht ouders

Artikel 3.1 lid 1 Verordening

De zorgplicht van ouders omvat de plicht en het recht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden. Daaronder wordt verstaan:

a.de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind, alsmede;

b.het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid;

c.de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen;

d.het bieden van een beschermende woonomgeving.

De zorgplicht van ouders kan worden vertaald naar kernpunten over goed ouderschap.

3.2.2 Kernpunten goed ouderschap

De wetgever heeft bij goed ouderschap acht kernpunten voor ogen:

1Handelingen II 2018/19, 33 836, nr. 45, p. 2.

1Een onvoorwaardelijke toewijding.

2Continuïteit in de opvoedingsrelatie.

3Verzorging en zorg voor lichamelijk welzijn.

4Opvoeding tot zelfstandigheid en sociale en maatschappelijke participatie.

5Het organiseren en monitoren van de opvoeding in het gezin, op school en in het publieke domein.

6Zorg dragen voor de vorming van de afstammingsidentiteit van het kind.

7Zorg dragen voor contact- en omgangsmogelijkheden met voor het kind belangrijke personen.

8Een veilige opvoedsituatie van het kind.

Het college kan gebruik maken van deze kernpunten bij de motivering van de beslissing op de aanvraag. In de Richtlijnen van het Nederlands Jeugdinstituut zijn deze kernpunten ook terug te vinden. Bijvoorbeeld in de Richtlijn ‘goed genoeg’ opvoederschap.

3.2.3 Beoordelingskader eigen kracht

Artikel 1.1 Verordening

De Verordening bepaalt wat onder eigen kracht wordt verstaan: de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen als bedoeld in artikel 2.3 van de wet gebaseerd op de zorgplicht van ouders op grond van artikel 1:82 en 1:247 van het Burgerlijk Wetboek en zoals nader uitgewerkt in hoofdstuk 3 van de verordening.

Artikel 3.2 tot en met 3.6 verordening

Om te beoordelen of de eigen kracht van ouders toereikend is geldt het volgende beoordelingskader.

1Gebruikelijke hulp volgens de Richtlijn gebruikelijke hulp (zie bijlage verordening). Of gebruikelijke hulp binnen de eigen kracht valt is afhankelijk van de volgende afwegingsfactoren:

a.de opvoedkundige capaciteiten van ouders, en

b.de beschikbaarheid van ouders rekening houdend met acute omstandigheden die zich kunnen voordoen.

2Boven-gebruikelijke hulp. Of boven-gebruikelijke hulp binnen de eigen kracht valt is afhankelijk van de volgende afwegingsfactoren:

a.de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige;

b.de voor de jeugdige benodigde ondersteuningsintensiteit en de duur daarvan;

c.de mogelijkheden, draagkracht en de belastbaarheid van de ouders, die verband houdt met de zorgplicht. Waarbij geldt dat ouders hun (dagelijkse) leven zo inrichten dat zij hun draagkracht en belastbaarheid zo groot mogelijk maken;

d.de samenstelling van het gezin en de woonsituatie;

e.het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen, waar inkomensderving verband houdend met een onrechtmatige daad onderdeel van uitmaakt (letselschade).

3Vervoer van en naar de jeugdhulplocatie in geval van een medische noodzaak voor vervoer of beperkingen in de zelfredzaamheid van de jeugdige. Of het jeugdhulpvervoer binnen de eigen kracht valt is afhankelijk van de volgende afwegingsfactoren:

a.of de jeugdige in staat is om zelf te reizen;

b.de aanwezigheid van een auto of de mogelijkheid voor gebruik van het openbaar vervoer;

c.de afstand in verband met de tijd die nodig is voor het vervoer en de vraag of er een jeugdhulpvoorziening dichterbij is die ook geschikt is;

d.het tijdstip waarop de ritten uitgevoerd moeten worden;

e.het aantal dagen dat vervoer nodig is;

f.draagkracht en draaglast in het gezin.

4Hulp van personen uit het sociaal netwerk. Van ouders wordt verwacht dat zij zich in hoge mate inspannen om hulp van personen uit het sociaal netwerk te krijgen.

5Hulp van niet gecontracteerde organisaties of instellingen binnen Dinkelland. Van ouders wordt verwacht dat zij zich inspannen om hulp van organisaties of instellingen binnen de gemeente Dinkelland te krijgen. Het college kan voorbeelden aandragen.

6Gebruik maken van een aanvullende zorgverzekering. Van ouders wordt verwacht dat zij gebruik maken van aanspraken op grond van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten.

Hierna worden bovenstaande zes punten nader toegelicht.

3.3 Gebruikelijke hulp

3.3.1 Uitgangspunten beoordelen gebruikelijke hulp

Het college stelt op basis van de richtlijn vast of er sprake is van gebruikelijke hulp, en zo ja wat de omvang daarvan is. Een door ouders opgesteld zorgmomentenoverzicht kan helpen bij de vaststelling van de gebruikelijke hulp. De Richtlijn gebruikelijke hulp voorziet niet in een precieze tijdsindicatie; het gaat om een bandbreedte. Het college beoordeelt bij stap 3 van het stappenplan op welke hulp de jeugdige is aangewezen, rekening houdend met de leeftijd. Valt een noodzakelijke ‘activiteit’ binnen een bepaald ontwikkelingsprofiel van de richtlijn, dan is in beginsel sprake van gebruikelijke hulp. De volgende vier uitgangspunten worden gehanteerd bij de beoordeling.

1Leeftijd van de jeugdige

De Richtlijn Gebruikelijke hulp gaat, zoals gezegd, uit van een bandbreedte in het normale ontwikkelingsprofiel van een kind. Ook tussen kinderen van dezelfde leeftijd zonder behoefte aan jeugdhulp kan de omvang van de verzorging, begeleiding en opvoeding (per dag) verschillen. Het ene kind is nu eenmaal gemakkelijker of sneller zelfstandig dan het andere kind. Gebruikelijke hulp bij kinderen kan ook activiteiten omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen. Een voorbeeld. Veel kinderen van 4 jaar zijn overdag zindelijk en gaan zelf naar het toilet, maar het is niet ongewoon dat een kind van deze leeftijd hier stimulans, hulp of toezicht bij nodig heeft.

2Aard van de zorghandelingen

Gebruikelijke hulp bij kinderen kan ook handelingen omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen. Het gaat dan om handelingen die een gebruikelijke zorghandeling vervangen. Twee voorbeelden. Het geven van sondevoeding in plaats van eten of handelingen die in samenhang met reguliere zorgmomenten kunnen worden geboden, zoals het geven van medicijnen.

3Frequentie en patroon van de zorghandelingen

Zorghandelingen die meelopen in het normale patroon van dagelijkse zorg voor een kind, zoals drie keer eten per dag, worden als gebruikelijke hulp aangemerkt. Een voorbeeld. Als een kind bij het ontbijt en het naar bed gaan medicatie aangereikt moet krijgen, loopt dit mee in de het normale patroon van dagelijkse zorg voor een kind en wordt dit als gebruikelijke hulp aangemerkt. Hetzelfde geldt voor het aanreiken van spullen of speelgoed na afloop van de maaltijd of na een drinkmoment, bij kinderen met een lichamelijke beperking.

4Omvang van de met de zorghandelingen gemoeide tijd

De omvang van de tijd die met de zorghandelingen is gemoeid, kan meebrengen dat niet langer sprake is van gebruikelijke hulp. Een voorbeeld. Alle kinderen hebben tot een bepaalde leeftijd hulp nodig bij wassen en kleden, maar als deze handelingen veel meer tijd kosten vanwege bijvoorbeeld spasticiteit, wordt deze extra tijd niet als gebruikelijke hulp gezien maar als boven-gebruikelijke hulp.

3.3.2 Afwegingsfactoren gebruikelijke hulp

Voor de beoordeling of ouders de gebruikelijke hulp kunnen bieden bepaalt de verordening twee afwegingskaders:

1de opvoedkundige capaciteiten van ouders;

2de beschikbaarheid van ouders rekening houdend met acute omstandigheden die zich kunnen voordoen.

Ad. 1 Opvoedkundige capaciteiten

Beschikken ouders niet over (voldoende) capaciteiten om de gebruikelijke hulp te bieden aan de jeugdige, dan kan dat ook niet van hen worden verwacht. Denk bijvoorbeeld aan ouders met LvB-problematiek. In die gevallen wordt beoordeeld of een algemene voorziening een passende oplossing kan bieden. En zo niet, of een individuele voorziening is aangewezen. En zo ja, welke individuele voorziening is aangewezen.

Ad. 2 Beschikbaarheid

De beschikbaarheid van ouders voor de gebruikelijke hulp aan de jeugdige kan worden vergeleken met ouders en hun kinderen zonder behoefte aan jeugdhulp. Bij gebruikelijke hulp gaat het immers om normale oudertaken rekening houdend met leeftijd en ontwikkelingsniveau. De problemen die kunnen ontstaan bij de zorg en opvoeding zullen (alle) ouders, ongeacht het hebben van kinderen met jeugdhulpproblemen, zelf het hoofd moeten bieden door bijvoorbeeld:

•herverdeling van oudertaken;

•oplossingen te zoeken binnen het sociaal netwerk, waaronder ook volwassen inwonende huisgenoten kunnen vallen;

•gebruik te maken van verlofmogelijkheden van de Wet arbeid en zorg (werkende ouders).

Er zijn meer voorbeelden denkbaar.

Acute situatie

Er kan zich een acute situatie voordoen waardoor ouders, ondanks de feitelijke beschikbaarheid, toch tijdelijk niet in staat zijn om de gebruikelijke hulp te bieden. Denk bijvoorbeeld aan het plotseling overlijden van een ouder (partner) of een echtscheiding. In deze gevallen is er feitelijk tijdelijk geen draaglast.

3.4 Boven-gebruikelijke hulp

3.4.1 Afwegingsfactoren boven-gebruikelijke hulp

Artikel 3.4 Verordening

Voor de beoordeling of ouders de boven-gebruikelijke hulp kunnen bieden in het kader van de eigen kracht bepaalt de verordening een aantal afwegingsfactoren. Die worden bij de beoordeling zonodig in onderlinge samenhang bezien.

1De behoeften en mogelijkheden van de jeugdige

Bij stap 2 en 3 van het stappenplan stelt het college vast:

•of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen,

•en zo ja, welke problemen en stoornissen dat qua aard en omvang zijn, en

•welke hulp naar aard en omvang nodig is.

Behoefte van de jeugdige

Het gaat om welke hulp naar aard en omvang nodig is (stap 3 van het stappenplan). Denk aan: toezicht, begeleiding bij of overname van de ADL of begeleiding in de vorm aansturing. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Bestaat de behoefte aan jeugdhulp uit behandeling of andere specialistische jeugdhulp waarvoor een gekwalificeerde beroepskracht nog is, dan valt die hulp niet onder de boven-gebruikelijke hulp. Hiervoor kan een individuele voorziening worden verleend.

Mogelijkheden jeugdige

Het gaat om de mate waarin de jeugdige:

•leerbaar is;

•toezicht nodig heeft;

•begeleiding nodig heeft in de vorm van aansturing.

Er is geen limitatieve opsomming beoogd.

2De voor de jeugdige benodigde ondersteuningsintensiteit en de duur daarvan

Welke boven-gebruikelijke hulp naar aard en omvang nodig is kan verschillen qua intensiteit en duur.

Ondersteuningsintensiteit

De ondersteuningsintensiteit wordt mede bepaald door de vastgestelde problemen en stoornissen. Bijvoorbeeld door een ontwikkelingsachterstand of het functioneren op licht verstandelijk (beperkt) niveau. De jeugdige kan aangewezen zijn op boven-gebruikelijke hulp die:

•onplanbaar is wat vraagt om flexibiliteit en voortdurende beschikbaarheid van ouders. Denk aan hulp die ook ’s avonds, ’s nachts en in de weekenden nodig is;

•gelet op de aard van de problemen of stoornissen, noodzakelijkerwijs door de ouders geboden moet worden omdat de jeugdige vreemden niet (goed) toelaat en een vaste, vertrouwde en altijd beschikbare ondersteuner vereist is.

Er is geen limitatieve opsomming beoogd.

Duur

Bij de duur gaat het er om hoe lang de jeugdige aangewezen zal zijn op de boven-gebruikelijke hulp. Dat is afhankelijk van de problemen en stoornissen.

Richtlijn gemiddelde tijd en frequentie van activiteiten bij persoonlijke verzorging

In geval van boven-gebruikelijke hulp in de vorm van persoonlijke verzorging en beoordeling of sprake is van eigen kracht maakt het college gebruik van de Richtlijn gemiddelde tijd en frequentie van activiteiten bij persoonlijke verzorging. Zie bijlage II bij deze beleidsregels.

Het college beoordeelt of de boven-gebruikelijke hulp qua aard en omvang door ouders kan worden geboden in het kader van de eigen kracht.

3De mogelijkheden van ouders, draagkracht en belastbaarheid van de ouders

De mogelijkheden van ouders hebben allereerst betrekking op de capaciteiten en de beschikbaarheid.

Mogelijkheden ouders (opvoedkundige capaciteiten)

Is vastgesteld dat ouders niet over de capaciteiten beschikken om de gebruikelijke hulp te bieden, dan geldt dat vanzelfsprekend ook voor de boven-gebruikelijke hulp. Zie 3.3.2 van deze beleidsregels.

Mogelijkheden ouders (opvoedkundige vaardigheden)

Onder capaciteiten kunnen ook vaardigheden worden verstaan. Denk bijvoorbeeld aan: het kunnen signaleren en analyseren en oplossingsgericht kunnen denken en handelen. Maar ook de vaardigheid voor het verrichten van zorghandelingen door het hebben van bijvoorbeeld een verpleegkundige achtergrond.

Mogelijkheden ouders (beschikbaarheid)

Het college beoordeelt of de ouder(s) beschikbaar is of zou kunnen zijn. Dit laatste omdat van hen verwacht mag worden dat daar zelf een oplossing voor wordt gezocht. Dit bezien tegen de achtergrond dat ouders de regie hebben en houden en dat wordt verwacht dat zij die ook nemen. Zij zijn en blijven verantwoordelijk voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen. Zie 3.2 van deze beleidsregels.

Mogelijkheden ouders algemeen

Het college stelt vast of ouders in staat zijn tot het bieden van de boven-gebruikelijke hulp in de zin van eigen kracht. Dat is bijvoorbeeld het geval als:

•de ouder(s) de boven-gebruikelijke hulp kan bieden en dat (desgevraagd) ook blijft ook doen, ook als geen indicatie voor een individuele voorziening wordt verleend, zonder dat daardoor problemen zullen ontstaan;

•op het moment van de hulpvraag zelf al maatregelen zijn getroffen om de hulp aan de jeugdige te kunnen bieden, zonder dat daardoor problemen zijn ontstaan. Bijvoorbeeld door het (deels) opzeggen van een baan, opgenomen zorgverlof of het anders organiseren van de beschikbare tijd en verdeling van taken.

Er is geen limitatieve opsomming beoogd.

4Draagkracht en belastbaarheid

Het uitgangspunt is dat ouders hun (dagelijkse) leven zo inrichten dat zij hun draagkracht en belastbaarheid zo groot mogelijk maken. Dit bezien van wat vanuit hun zorgplicht mag worden verwacht. Overbelasting of dreigende overbelasting wijst op een verstoring van het evenwicht tussen draagkracht en draaglast. Hierdoor kunnen fysieke of psychische klachten ontstaan op grond waarvan ouders mogelijk (tijdelijk) niet (meer) in staat zijn om de boven-gebruikelijke hulp aan hun kinderen te bieden. Zie bijlage I bij deze beleidsregels.

Life events

Emotionele gebeurtenissen, ook wel aangeduid als life events, kunnen iemands leven behoorlijk beïnvloeden. Denk bijvoorbeeld aan: het verlies van een dierbare, arbeidsongeschikt raken, een baan verliezen, een echtscheiding/uit elkaar gaan, etc. Ouders kunnen door een life event (tijdelijk) niet over eigen kracht beschikken. Dat wil zeggen: het is (deels) ontoereikend.

Causaal verband

Er moet een causaal verband zijn tussen het bieden van de boven-gebruikelijke hulp zorg aan de jeugdige en de (dreigende) overbelasting. Dat wil zeggen dat (dreigende) overbelasting die voortkomt uit te veel uren werken of andere omstandigheden buiten het bieden van de boven-gebruikelijke hulp in beginsel door ouders zelf moet worden opgelost, tenzij dit een onverantwoord risico voor de jeugdige oplevert.

5De samenstelling van het gezin en de woonsituatie

Een kind met een behoefte aan jeugdhulp kan een zware wissel trekken op het gezin. Denk in dit verband ook aan gezinnen met minderjarige kinderen die geen behoefte aan jeugdhulp hebben of meerderjarige kinderen die onderdeel uitmaken van het gezin. Het college onderzoekt:

•Is er sprake van twee ouders of is één persoon verantwoordelijk voor de zorg en opvoeding van de jeugdige(n)?

•Kunnen er taken worden herverdeeld waardoor de ouder die de boven-gebruikelijke hulp biedt hierin wordt ontlast?

•Wat kan van andere kinderen binnen het gezin worden verwacht. Dit is afhankelijk van de leeftijd en het individu. Het ene kind is het andere niet.

•Of een kind vanwege de zorg voor een ander gezinslid of het verrichten van taken in het huishouden, wordt belemmerd in zijn ontwikkeling. Dat moet worden voorkomen.

Er is geen limitatieve opsomming beoogd.

6Het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen

Het gaat om situaties waarin ouders de beoogde individuele voorziening in de vorm van een pgb wensen te ontvangen om zichzelf daarmee uit te betalen. Het college mag niet beoordelen of ouders over een toereikend inkomen beschikken en om die reden niet zijn aangewezen op een pgb (CRVB:2021:1327). Het college mag (moet) wel beoordelen of ouders een belang hebben om te voorzien in een inkomen. Dat heeft te maken met een gedwongen keuze.

Gedwongen keuze

Het college beoordeelt of de ouder een gedwongen keuze moet maken tussen de zorg voor de jeugdige en het verwerven van een (extra) inkomen om te kunnen voorzien in het levensonderhoud. Het ervaren van financiële druk is onvoldoende om een gedwongen keuze aan te nemen. Het college mag de omstandigheid meewegen dat een ouder nooit werkzaamheden heeft verricht ter aanvulling van het gezinsinkomen. Zijn ouders in staat om, al dan niet naast hun werk, te zorgen voor hun kind is dat geen aanleiding om een individuele voorziening te verlenen al dan niet in de vorm van een pgb. Ouders zijn primair verantwoordelijk voor het gezond en veilig opgroeien van hun het kind om in eerste instantie te trachten de op hun weg komende problemen zelf of met behulp van hun eigen netwerk op lossen.

3.4.2 Beoordelen eigen kracht

Het college beoordeelt of de boven-gebruikelijke hulp qua aard en omvang door ouders kan worden geboden in het kader van de eigen kracht. Er kan ook aanleiding zijn om naast (gedeeltelijke) eigen kracht een individuele voorziening te verlenen.

3.4.3 Versterken eigen kracht en jeugdhulp

Omdat de wet mede is gericht op het herstellen dan wel versterken van de eigen kracht prevaleert in beginsel het verlenen van een individuele voorziening die gericht dat te bereiken. Het college kan een individuele voorziening verlenen ter ondersteuning of om het gezin te ontlasten. Bijvoorbeeld met gezinsondersteuning of een vorm van dagbesteding buiten het gezin.

3.5 Vervoer locatie jeugdhulp

3.5.1 Afwegingsfactoren jeugdhulpvervoer

Het college beoordeelt de afwegingsfactoren, al dan niet, in onderlinge samenhang.

1Eigen mogelijkheden jeugdige

Het college onderzoekt of de jeugdige in staat is om veilig zelfstandig lopend, al dan niet met een algemeen gebruikelijk loophulpmiddel, of zelfstandig met een algemeen gebruikelijk vervoermiddel te reizen van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden.

2Auto of openbaar vervoer

Het gaat hier om de feitelijke mogelijkheid om de jeugdige het vervoer te bieden of te begeleiden tijdens het openbaar vervoer van en naar de jeugdhulplocatie.

3Afstand en gemoeide tijd

De tijd die gemoeid is om de jeugdige te brengen en te halen speelt vanzelfsprekend ook een rol. Zijn ouders beschikbaar dan kan nog steeds sprake zijn van eigen kracht. Het college kan ook onderzoeken of een andere passende jeugdhulpaanbieder beschikbaar is waardoor de reisafstand en de daarmee gemoeide tijd wordt ingekort.

4Tijdstippen van het vervoer

De tijdstippen van het vervoer heeft met name betrekking op de beschikbaarheid van ouders. Van ouders mag worden verwacht dat eerst zelf een oplossing wordt gezocht in het kader van de eigen kracht. Denk aan overleg met de werkgever over aanpassen van werktijden, overleg met de basisschool om de (eventuele) andere kinderen eerder of later te mogen brengen, hulp vragen aan het netwerk of buren, etc.

5Frequentie

De frequentie van het vervoer heeft betrekking op de omvang van de indicatie.

6Draaglast en draagkracht

Voor de beoordeling van de draaglast en draagkracht wordt verwezen naar bijlage I bij deze beleidsregels.

3.5.2 Tegemoetkoming kosten vervoer

Artikel 5.6 verordening

Het college kan ouders een tegemoetkoming in de kosten verstrekken voor het vervoer tussen de woning van de jeugdige of de locatie waar de jeugdige onderwijs geniet en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden. Het is toegestaan de tegemoetkoming te besteden aan professionals, personen uit het sociaal netwerk of andere niet-professionals. De hoogte van de tegemoetkoming is gebaseerd op het belastingvrije bedrag per kilometer of de kosten van het openbaar vervoer en wordt op declaratie uitbetaald.

3.10 Nadere uitleg en voorbeelden

3.10.1 Gebruikelijke hulp bij zorghandelingen

Een voorbeeld van zorghandelingen die niet meelopen in het normale patroon van dagelijkse zorg van ouders aan een kind, is het meerdere malen per nacht bieden van zorg van ouders aan een ouder kind. Het gaat om situaties waarbij ouders voortdurend in de nabijheid moeten zijn om onplanbare zorg en toezicht te leveren vanwege de (chronische) aandoening, stoornissen en beperkingen van het kind.

Handelingen die gebruikelijke zorghandelingen vervangen

•het legen van een katheterzakje in plaats van verschonen;

•bij een kind met een verstandelijke beperking oefenen met het gebruik van pictogrammen in plaats van oefenen met topografie.

Er is geen limitatieve opsomming beoogd.

3.10.2 Voorbeelden boven-gebruikelijke hulp persoonlijke verzorging

•Het toedienen van eten en drinken door een ouder aan een kind van 2 jaar is gebruikelijke hulp, ook als het om sondevoeding gaat. Als het voeden van dit kind via de sonde meer tijd kost, of vaker moet gebeuren dan de normale dagelijkse eet- en drinkmomenten.

•Voor zover de persoonlijke verzorging van niet-uitstelbare aard is en degene die de gebruikelijke hulp moet verlenen niet beschikbaar is, wegens reguliere school- of werkweek van hem/haar zelf of van het kind.

•Bij zorghandelingen tijdens de kinderopvang of tijdens het onderwijs als het gaat om handelingen die organisaties voor kinderopvang of onderwijs niet plegen te bieden zoals het geven van sondevoeding in plaats van eten. Bij een baby met ernstige slikproblemen kost het extra tijd om een flesje te geven. Het geven van (aangewezen) sondevoeding valt niet onder zorg zoals instanties voor kinderopvang die bieden.

•Wanneer de jeugdige van 12 jaar of ouder geen (intieme) persoonlijke verzorging (meer) wil ontvangen van de ouder(s), dan wordt daarin geen gebruikelijke hulp van ouders verwacht. Dat vloeit mede voort uit de Wet Geneeskundige Behandelovereenkomst (WBGO) op grond waarvan jeugdigen vanaf 12 jaar een eigen beslissingsbevoegdheid hebben wat hun lichamelijke integriteit aangaat.

•Voor zover de jeugdige zich in de terminale levensfase bevindt.

Er is geen limitatieve opsomming beoogd.

3.10.3 Toezicht en begeleiding

Toezicht dan wel 24 uurs zorg in de nabijheid valt onder de zorgplicht van ouder(s). De mate waarin dat nodig is, is in het algemeen afhankelijk van de leeftijd en een normaal ontwikkelingsprofiel (zie Richtlijn Gebruikelijke hulp bij de verordening). Binnen zo’n ontwikkelingsprofiel is bijvoorbeeld pedagogische correctie, aansturing van gedrag en bieden van stimulans gebruikelijk. Bij een cognitief beperkt kind met gedragsproblemen kan het zijn, dat er meer dan gebruikelijk correctie en aansturing van gedrag en vaak ook meer aandacht voor vaste structuur nodig is.

Werkende ouders en begeleiding

Wanneer ouders werken, zijn zij verantwoordelijk voor de opvang dan wel verzorging van hun kinderen. Voor de begeleiding die als gebruikelijke hulp wordt beschouwd, kan gedurende de tijd dat de ouders werken niet als individuele voorziening worden verleend. Wanneer sprake is van boven-gebruikelijke hulp in de vorm van begeleiding, wordt deze vastgesteld over een volledig etmaal. Dus feitelijk ook gedurende de periode dat ouders werken. Onder werken kan ook het volgen van onderwijs worden verstaan.

Voortdurend toezicht

Bij voortdurend toezicht moeten ouders continue in de nabijheid zijn om onplanbare zorg en toezicht te leveren vanwege de (chronische) problemen van het kind in de zin van de wet.

Permanent toezicht

Het gaat bij permanent toezicht om het onafgebroken toezicht en actieve observatie gedurende het gehele etmaal (24/7), waardoor tijdig kan worden ingegrepen. Het gaat om toezicht dat geboden moet worden op basis van actieve observatie die als doel heeft dreigende ontsporing in het gedrag of de gezondheidssituatie van de jeugdige vroegtijdig te signaleren, waardoor altijd tijdig ingegrepen kan worden en escalatie van onveilige, gevaarlijke, (levens)bedreigende gezondheids- of gedragssituaties voor de jeugdige kan worden voorkomen. Bij permanent toezicht kan elk moment iets (ernstig) misgaan (vergelijk CRVB:2017:3709). Permanent toezicht valt niet binnen de eigen kracht van ouders.

3.10.4 Situatie van ouders

Opvoedingsproblemen

Bij opvoedingsproblemen gaat het om problemen van ouders bij het onderhouden, verzorgen en grootbrengen van een jeugdige, met name in sociale, emotionele, intellectuele en morele zin, die door de ouder(s) niet binnen een gebruikelijke termijn en met gebruikelijke middelen op te lossen zijn. Lukt dat niet, dan kan een vorm van opvoedondersteuning zijn aangewezen.

Opvangvraagstuk

Ook werkende ouders zijn verantwoordelijk voor de gebruikelijke hulp voor hun kinderen. Zie ook hiervoor onder het kopje werkende ouders en begeleiding. In het algemeen geldt dat het bieden van (alleen) kinderopvang niet als jeugdhulp kan worden gekwalificeerd.

Sociaal Medische Indicatie

Ouders die geen gebruik kunnen maken van de reguliere opvang kunnen mogelijk wel in aanmerking komen voor een Sociaal Medische Indicatie (SMI). Naast de wettelijke doelgroep van de Wet kinderopvang (Wko) bestaat er ook een doelgroep, die de kinderopvang nodig heeft vanwege een Sociaal Medische Indicatie (SMI). Het gaat om situaties waarin de ouder(s) door een sociale of medische situatie niet in staat zijn om voor hun kinderen te zorgen. Dit is geen vorm van jeugdhulp, maar een bijzondere regeling binnen de gemeente.

Afbakening Wmo 2015 en Jeugd

Ouders kunnen in aanmerking komen voor jeugdhulp als zij problemen ondervinden bij de opvoeding. Heeft de jeugdige echter geen problemen in de zin van de Jeugdwet, dan hoeft het college geen jeugdhulp te verlenen. Het gaat om situaties waarin alleen de ouder(s) een probleem heeft. In zulke gevallen kan bijvoorbeeld tijdelijk kindzorg worden ingezet op grond van de Wmo 2015.

3.10.5 Persoonsgebonden budget

Artikel 6.3 verordening (besteding)

Het pgb mag niet worden besteed:

•voor activiteiten die onder de eigen kracht vallen;

•aan ouders of personen uit het sociaal netwerk als blijkt dat zij overbelast zijn of dreigen te geraken.

Hoofdstuk 5 Verordening

Artikel 8.1.1 Jw Hoofdstuk 6 Verordening § 2 Nadere regels Financieel besluit

Hoofdstuk 7 Verordening

Artikel 8.1.3 Jeugdwet Artikel 4.7 Verordening Hoofdstuk 8 Verordening

Bijlage I Richtlijn beoordeling (dreigende) overbelasting

Algemeen

Overbelasting is: meer belasten dan het prestatievermogen toelaat. In medische kringen praten we over het(on)evenwicht tussen draagkracht(belastbaarheid) en draaglast (belasting). Overbelasting kan veroorzaakt worden door een combinatie van symptomen van lichamelijke of psychische aard en wordt bepaald door in- en uitwendige factoren.

Draagkracht

Het begrip draagkracht heeft betrekking op de belastbaarheid van ouders. Factoren die van invloed zijn op de draagkracht:

•lichamelijke conditie ouder(s);

•geestelijke conditie ouder(s);

•wijze van omgaan met problemen (coping);

•motivatie voor ondersteunings- en/of zorgtaak;

•hulp van het sociaal netwerk.

Draaglast

Het begrip draaglast heeft betrekking op de belasting van ouders. Factoren die van invloed zijn op de draaglast:

•de omvang en mate van (on)planbaarheid van de boven-gebruikelijke hulp;

•het inzicht van ouders in de problematiek van de jeugdige;

•de woonsituatie;

•bijkomende sociale, emotionele of relationele problemen.

Onderzoek naar de draaglast en draagkracht

Het kan soms heel duidelijk zijn dat de ouder(s) overbelast is. Is dit minder duidelijk, dan zal hier in het gesprek, maar zeker bij de beoordeling van de aanspraak (indicatie) duidelijkheid over moeten komen. De beperkingen in de belastbaarheid vanwege de gezondheid worden in principe beoordeeld door een deskundige. In voorkomende gevallen kan het opnemen van contact met de behandelende sector volstaan om hierover een oordeel te vormen. In andere gevallen zal om een extern medisch advies moeten worden gevraagd.

Symptomen die zouden kunnen wijzen op overbelasting

Diverse symptomen zijn waar te nemen bij (dreigende) overbelasting. De mate waarin ze zich manifesteren, zal van persoon tot persoon verschillen. Bedenk daarnaast dat het hierbij om veelal aspecifieke symptomen gaat die ook bij andere stoornissen kunnen passen. Dit is een van de redenen waarom de beoordeling hiervan bij een deskundige moet worden neergelegd. Het bestaan van deze symptomen moet dus als een mogelijk signaal worden opgevat.

Mogelijke symptomen van overbelasting zijn:

•Gespannen spieren, vaak in schoudergordel en rug.

•Hoge bloeddruk.

•Gewrichtspijn.

•Gevoelens van slapte.

•Slapeloosheid.

•Migraine, duizeligheid.

•Spierkrampen.

•Verminderde weerstand, ziektegevoeligheid.

•Opvliegingen.

•Ademnood en gevoelens van beklemming op de borst.

•Plotseling hevig zweten.

•Gevoelens van beklemming in de hals.

•Spiertrekkingen in het gezicht.

•Verhoogde algemene prikkelbaarheid, boosheid, (verbale) agressie, zwijgen. Ongeduld.

•Vaak huilen.

•Neerslachtigheid.

•Isolering.

•Verbittering.

•Concentratieproblemen.

•Dwangmatig denken, niet meer kunnen stoppen.

•Rusteloosheid.

•Perfectionisme.

•Geen beslissingen kunnen nemen.

•Denkblokkades.

Bijlage II Richtlijn gemiddelde tijd en frequentie van activiteiten bij persoonlijke verzorging

Deze richtlijn is gebaseerd op de CIZ Indicatiewijzer (toelichting op de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014, versie 7.1, juli 2014) en is bedoeld als richtlijn ter beoordeling of de boven-gebruikelijke hulp in het kader van de eigen kracht door ouders geboden kan worden.

Activiteiten persoonlijke verzorging

Overzicht handelingen die deel uit kunnen maken van de activiteit

Richtlijn gemiddelde tijd per keer in minuten

Richtlijn maximale frequentie per dag

1.1

Zich wassen

Delen van het lichaam

10

1x

Gehele lichaam

20

1x

1.2

Zich aankleden

Volledig aankleden/uitkleden

2Hier wordt bedoeld aan- en uitkleden bij het opstaan en het ’s avonds naar het bed gaan.

15

2x

Gedeeltelijk uitkleden

10

1x

Gedeeltelijk aankleden

10

1x

1.3

In en uit bed gaan

Hulp bij uit bed komen

3Hier wordt de hulp bedoeld bij het uit bed komen naar uiteindelijk bijvoorbeeld een stoel en vice versa.

10

1x

Hulp bij in bed gaan

10

1x

Hulp bij middagrust

10

1x

Hulp bij middagrust

10

1x

1.4

Zich verplaatsen in zit- of lighouding (hulp bij bewegen, houding)

-

20

Naar noodzaak

1.5

Naar toilet gaan en zich reinigen c.q. incontinentiemateriaal verwisselen

-

15

Naar noodzaak

1.6

Eten en drinken

Hulp bij broodmaaltijd excl. drinken

10

2x

Hulp bij warme maaltijd excl. drinken

15

1x

Hulp bij drinken

10

6x

1.7

Ondersteuning bij uitscheiding

Stomaverzorging bij lokaal intacte huid

20

Naar noodzaak

Stomazakje wisselen

10

Naar noodzaak

Katheterzaak legen /wisselen

10

Naar noodzaak

Uritip aanbrengen

15

Naar noodzaak

Klysma microlax

15

Naar noodzaak

1.8

Sondevoeding

Sondevoeding toedienen (inclusief aan-/en afkoppelen)

20

Naar noodzaak

Sondevoeding toedienen bij kinderen

40

Naar noodzaak

Sondevoeding via PEG

40

Naar noodzaak

1.9

Medicatie

Medicijnen aanreiken

4Inclusief uit de koelkast, weekdoos/baxter pakken, inschenken enzovoort.

5

Naar noodzaak

Medicijnen toedienen (oraal/via sonde)

5

5De inlooptijd van de medicatie kan in voorkomende gevallen in verband met bijvoorbeeld misselijkheid langer dan vijf minuten duren.

Naar noodzaak

Aanbrengen medicinale pleister

5

Naar noodzaak

Toedienen oog-, oor- of neusdruppels of oog- gel, medicatie toedienen (vaginaal of rectaal)

10

Naar noodzaak

Vernevelen

20

Naar noodzaak

2.1

Persoonlijke zorg voor tanden, haren, nagels, huid

Zorg voor tanden

5

2x

Zorg voor haren

5

1x

Zorg voor nagels

5

1x per week

Scheren

10

1x

Inspectie van de intacte huid op (dreigende) vervormingen, ontstekingen en/of infecties

10

Naar noodzaak

Zalven van de intacte huid

10

Naar noodzaak

Verzorging van smetplekken (roodheid en irritaties van de huid)

10

Naar noodzaak

Verzorging van de intacte huid rondom natuurlijke en onnatuurlijke lichaamsopeningen (zoals PEG-katheter, suprapubiskatheter, tracheastoma

6Bij het verwisselen van de tracheacanule (onderdeel VP) maakt de verzorging van de huid rondom de tracheastoma onderdeel uit van deze handeling. De verzorging wordt dan ook niet geïndiceerd bij het verwisselen van de tracheacanule.

, sonde)

10

Naar noodzaak

Mondverzorging in verband met risico op infecties bij cytostaticagebruik. Betreft spoelen van de mond, aanbrengen medicatie en het poetsen van de tanden

10(hiervan is de tijd voor het tandenpoetsen al vanaf getrokken)

6xper dag

2.2

Aanbrengen / verwijderen prothese

7Hiermee worden o.a. ledemaatprotheses en/of gehoorapparaten bedoeld.

Aanbrengen prothese/hulpmiddel

15

1x

Verwijderen prothese/hulpmiddel

15

1x

Aanbrengen D.P.S.

5

Naar noodzaak

Verwijderen D.P.S.

5

Naar noodzaak

Aanbrengen T.E.N.S.

5

Naar noodzaak

Verwijderen T.E.N.S.

5

Naar noodzaak

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.