Gemeentelijke regelgeving

Ambtsinstructie Leerplicht gemeente Asten 2016

Gemeente Asten · geldt sinds 26 april 2016

Aanhef

Inleiding

De wijze waarop de leerplichtambtenaren hun taak uitvoeren dient te worden vastgelegd in een Ambtsinstructie Leerplicht (verder te noemen: ambtsinstructie). De grondslag voor deze ambtsinstructie staat in artikel 16 lid 4 van de Leerplichtwet 1969 (LPW). In dit artikel staat dat het college van burgemeester en wethouders een instructie vaststellen voor deze ambtenaren, die ten minste bevat:

1de wijze waarop de ambtenaren aan de in de artikelen 14, derde lid (vrijstelling andere gewichtige omstandigheden), 22, 23 bedoelde taken (onderzoek door de leerplichtambtenaar en kennisgeving bij overtreding arbeidsverbod) uitvoering geven;

2de wijze waarop de gevallen van schoolverzuim die ter kennis van de gemeente worden gebracht, worden behandeld;

3de wijze waarop de ambtenaren bij de uitvoering van hun taken overleg plegen en samenwerken met hun ambtsgenoten van de omliggende gemeenten;

4de aanwijzing van de diensten en instellingen waarmee de ambtenaren bij de uitvoering van hun taken dienen samen te werken;

5een meldcode waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe de ambtenaren bij de

uitvoering van hun taken omgaan met signalen van huiselijk geweld of

kindermishandeling en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden.

De functie van de leerplichtambtenaar is geen statisch geheel en ondervindt door de jaren heen wijzigingen zowel inhoudelijk binnen de functie als binnen de samenwerking met de betrokken instellingen, organisaties en de gemeenten in de regio. Daarom is het aan te bevelen de instructie regelmatig te actualiseren.

De huidige ambtsinstructie van de gemeente Asten dateert van juni 2011. Sinds juni 2011 hebben zich diverse ontwikkelingen voorgedaan die van invloed zijn op de werkwijze van de leerplichtambtenaar en die vragen om aanpassing van de huidige ambtsinstructie, zoals:

1Invoering centrale leerplichtadministratie regio Zuidoost Brabant;

2Enkele wijzigingen binnen de LPW;

3De regionale samenwerking met collega’s uit de Peelgemeenten en de gemeenten in de regio Zuidoost Brabant en

4De invoering van de transitie jeugdzorg en passend onderwijs.

Voor u ligt de nieuwe ambtsinstructie 2016. De ambtsinstructie is opgesteld om de gewenste werkwijze met betrekking tot het toezicht op de naleving van de LPW zo duidelijk mogelijk, en toegesneden op de situatie in de regio, vast te leggen.

De ambtsinstructie kent de volgende hoofdstukken:

1Ambtsinstructie en leerplichtambtenaar; 2. Missie, visie en beleidsuitgangspunten; 3. Instrumenten leerplicht; 4. Algemene informatie; 5. Wettelijke taken verzuim; 6. Wettelijke taken vrijstelling en verlof; 7. Regionale meld- en coördinatiefunctie voorkomen voortijdig schoolverlaten; 8. Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling; 9. Samenwerking regio Zuidoost Brabant; 10.Samenwerking met diensten en instellingen; 11.Jaarverslag leerplicht en beleidsontwikkeling; 12.Privacy- en klachtenprocedure;

13.Slotbepalingen.

De ambtsinstructie 2016 is met de kennis van 2015 opgesteld. Vanwege de prilheid van de grote decentralisaties kan het gewenst zijn om de instructie op basis van voortschrijdende inzichten de komende tijd verder aan te scherpen. Een frequente evaluatie voor de komende jaren wordt dan ook aanbevolen.

De 6 Peelgemeenten gaan werken met dezelfde ambtsinstructie. Hierover zijn afspraken gemaakt in het POHO Jeugd van 10 december 2015. Een eenduidige werkwijze moet bijdragen aan het realiseren van een sluitende keten rondom jeugd. De Peelgemeenten hebben immers te maken met grensoverschrijdende jongeren. Met name in het belang van de jongeren moet door alle betrokkenen ingezet worden om het afbreken van een schoolloopbaan te voorkomen.

De moderne leerplichtambtenaar is niet meer zoals voorheen alleen een procesbewaker die er op toeziet dat kinderen voldoen aan de leerplichtwet. De moderne leerplichtambtenaar is een spin in het ‘netwerk’ web, die zowel vanuit toezicht, handhaving en preventie opereert. De moderne leerplichtambtenaar draagt kennis van de nieuwe context (wet passend onderwijs, jeugdhulp etc.) en zorgt ervoor dat actoren uit onderwijs, jeugdhulp en vooral ook ouders en kinderen hun verantwoordelijkheid nemen.

Nawoord

Tekst

Zoals eerder aangegeven is het raadzaam om periodiek te bezien of de Ambtsinstructie Leerplicht geactualiseerd dient te worden. Zeker gezien alle ontwikkelingen die momenteel nog gaande zijn, onder andere binnen de samenwerking met collega’s van de gemeenten in de regio Helmond-Peelgemeenten.

Er is gedurende de afgelopen jaren een hechtere samenwerking tussen de regiogemeenten tot stand gekomen. Hierdoor is een meer uniforme en kwalitatief betere werkmethodiek naar leer- en kwalificatieplichtigen ontstaan. Toch blijven er een aantal knelpunten bestaan. Zonder volledig te willen zijn, volgen hieronder enkele knelpunten, die momenteel door de leerplichtambtenaren binnen de gemeenten van de regio Helmond-Peelgemeenten ervaren worden:

1Er bestaan kwaliteitsverschillen binnen de regio tussen de leerplichtambtenaren van de verschillende gemeenten, waardoor de gewenste kwaliteit en deskundigheid niet overal hetzelfde is. Bepalend hierbij zijn onder andere de omvang van de gemeente, de formatie, verschillen in opleidings- en ervaringsniveau, prioritering en gemeentebeleid.

2Vrijstellingen moeten aangevraagd worden bij de gemeente waar de jongere als ingezetene in de Basisregistratie personen (BRP) staat ingeschreven. Ook hier kleven praktische bezwaren aan als een jongere op een school in een andere gemeente ingeschreven staat. Momenteel is de praktijk dan ook anders. De leerplichtambtenaar die als contactpersoon aan de school verbonden is beoordeelt de vrijstellings- of verlofaanvraag en het daadwerkelijk besluit wordt genomen door of het college van de woongemeente of de leerplichtambtenaar.

Bijlage 1 t/m 7

Bijlage 1 Leerlingendossier

De leerplichtambtenaar legt slechts een leerlingendossier aan betreffende een jongere indien de leerplichtambtenaar mondelinge, telefonische, e-mail- of schriftelijke contacten heeft met de jongere of derden over diens:

1vervangende leerplicht;

2vrijstelling van inschrijving;

3vrijstelling van schoolbezoek;

4(vermoeden van) absoluut verzuim;

5(vermoeden van) relatief verzuim;

6(vermoeden van) voortijdig schoolverlaten;

7situatie die leidt tot bespreking in een (preventief) georganiseerd overleg (ZAT);

8gedrag dat leidt tot melding van maatregelen zoals schorsing;

9signalen die uiteindelijk kunnen leiden tot een van bovenstaande situaties.

In het leerlingendossier neemt de leerplichtambtenaar de volgende gegevens op:

1burgerservicenummer, onderwijsnummer of administratienummer;

2voornamen en achternaam;

3geslacht;

4geboortedatum en -plaats;

5nationaliteit;

6naam, voornamen, voorletters, titulatuur, geslacht, adres, postcode, woonplaats, telefoonnummer en soortgelijke gegevens van de ouders, voogden of verzorgers;

7school (scholen) van inschrijving, met gevolgde klassen en/of onderwijssoort;

8kennisgeving(en) van beroep op vrijstelling van inschrijfplicht;

9kennisgeving(en) van (vermoedelijk) schoolverzuim;

10aanvragen en behandeling van aanvragen voor vrijstelling van schoolbezoek;

11afschrift van correspondentie met betrekking tot de jongere;

12verslagen van gesprekken met dan wel over de jongere;

13aantekeningen en notities met betrekking tot de jongere;

14afschrift van de melding aan de Sociale Verzekeringsbank;

15afschrift van proces-verbaal van de jongere;

16eventueel behaalde diploma’s.

17persoonlijke omstandigheden die voor het halen van een startkwalificatie meegewogen moeten worden.

Het leerlingendossier voldoet aan de eisen van het Vrijstellingsbesluit Wet Bescherming Persoonsgegvens (Wbp), met name artikel 20, dat de voorwaarden regelt voor vrijstellng van de meldingsplicht van de leerplichtigen admistratie. Dit betekent dat de leerlingendossiers als zodanig niet benut kunnen worden door b.v. de sociale recherche. Het leerlingendossier wordt in het bijzonder beschermd, wat het gebruik betreft, door de bepalingen van de Wbp. Kern van de bepalingen wordt gevormd door:

1Gebruik beperkt tot de doelstellingen die de wet eraan geeft, namelijk de zorg voor een schoolloopbaan die tot (start)kwalificatie leidt;

2Recht op kennis van de inhoud van het dossier voor de betrokkene (ouders, oudere leerling);

3Recht op correctie van opgenomen gegevens.

Bijlage 2 Werkproces signaal Sociale Verzekeringsbank (SVB)

Met de invoering van de Wet tot wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet en Nabestaandenwet, bestaat er sinds 1-10-2009 voor de leerplichtambtenaar de mogelijkheid tot het doen van een melding van ongeoorloofd verzuim aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Deze melding kan gedaan worden bij absoluut en relatief schoolverzuim indien het een kwalificatieplichtige jongere betreft.

Maatwerk

De wetswijziging biedt de mogelijkheid tot maatwerk. Voorheen werd de kinderbijslag per direct stopgezet op het moment dat niet voldaan werd aan het minimum aantal klokuren dagbesteding van een jongere. Ongeacht of dit aan ouders te wijten was of niet. Nu ligt de toetsing van het recht op kinderbijslag v.w.b. het dagbesteding criterium, bij de leerplichtambtenaar. De SVB doet geen eigen onderzoek meer en reageert alleen op signalen van de leerplichtambtenaar. Situaties, waarin sprake is van onterechte uitschrijving, wachtlijstproblematiek of door andere omstandigheden niet kunnen voldoen aan de leerplicht, komen hierdoor niet langer ten laste van de ouders.

Instrument

Met de inwerkingtreding van de gewijzigde wet op de kinderbijslag heeft de leerplichtambtenaar een nieuw instrument bij het voorkomen en bestrijden van schoolverzuim bij kwalificatieplichtige jongeren. De leerplichtambtenaar kan melden bij absoluut of relatief verzuim. De SVB besluit vervolgens, tot opschorting of schorsing van de betaling kinderbijslag. Dit instrument kan op zichzelf ingezet worden maar ook gelijktijdig met de overige beschikbare instrumenten zoals het proces-verbaal of een verwijzing naar Halt.

Hersteltermijn

Een melding bij de SVB kan een geëigend middel zijn om het schoolverzuim te beëindigen omdat dit instrument de mogelijkheid biedt tot herstel. Doordat de SVB ieder kwartaal achteraf uitbetaalt, is een zogenaamde hersteltermijn mogelijk: hebben ouders en/of de jongere vóór aanvang van het volgend kwartaal voldaan aan de voorwaarden gesteld door de leerplichtambtenaar en is er derhalve geen sprake meer van ongeoorloofd verzuim, dan meldt de leerplichtambtenaar dit aan de SVB. De SVB zal dan op advies van de leerplichtambtenaar de stopzetting van de kinderbijslag ongedaan maken. Met een melding aan de SVB tot stopzetting van de kinderbijslag kan worden gedreigd maar het kan ook daadwerkelijk worden geëffectueerd.

Relatief en absoluut verzuim: moment afgifte signaal SVB

Bij relatief verzuim: Bij verwijtbaarheid verzuim aan ouders, en niet meewerken van ouders aan afspraken (bijv. rondom zorg) signaal SVB afgegeven.

Bij absoluut verzuim: Bij verwijtbaarheid verzuim aan ouders wordt signaal SVB afgegeven en/of proces-verbaal absoluut verzuim opgemaakt.

Samenwerkingsovereenkomst

Er is een samenwerkingsovereenkomst getekend met de SVB en de gemeente Asten.

Werkhandelingen

1Tijdens eerste contact met ouders en jongere (schriftelijk dan wel mondeling) wordt SVB signaal als een van de mogelijke in te zetten instrumenten genoemd.

2De leerplichtambtenaar die voornemens is signaal SVB af te geven:

Neemt contact op met de afdeling Sociale Zaken van de gemeente om navraag te doen naar evt. uitkeringen.

Informeert bij de SVB, ingeval ouders van de betreffende jongere gescheiden wonen, wie van de ouders de Kinderbijslag ontvangt om te voorkomen dat de maatregel de niet-verwijtbare ouder treft.

1Tijdens gesprek met ouder(s) en jongere geeft leerplichtambtenaar aan dat signaal afgegeven zal gaan worden aan de SVB en wordt besproken aan welke voorwaarden voldaan moet worden om de melding ongedaan te maken en de datum waarop aan deze voorwaarden moet zijn voldaan.

2De leerplichtambtenaar zet de volgende feiten en afspraken op papier en stuurt deze naar de ouder(s) en jongere:

Het geconstateerde verzuim (minimaal 16 uur per 4 weken)

De ondernomen acties om dit verzuim te stoppen, die niet tot resultaat geleid hebben (acties van de leerplichtambtenaar, gesprek, waarschuwing, Haltmelding, melding ZAT, etc)

De datum waarop de melding naar de SVB is gedaan, de datum waarop de kinderbijslag stopgezet zal worden (de SVB werkt met kwartaaltermijnen)

De voorwaarden waar ouder(s) en/of jongere aan moeten voldoen om de melding ongedaan te maken.

Een evaluatiedatum: de datum waarop beoordeeld wordt of aan de voorwaarden voldaan is. Deze datum wordt zo gekozen dat bij het voldoen aan de voorwaarden, de melding aan de SVB nog ongedaan gemaakt kan worden zonder dat dit leidt tot stopzetting van de kinderbijslag.

Een melding doen aan de SVB is geen besluit in de zin van de Algemene wet Bestuursrecht. De brief hoeft dus niet voorzien te worden van een bezwaar- en beroepsprocedure.

De SVB stuurt na de melding van de leerplichtambtenaar een beschikking aan de ouder die bekend is als aanvrager van de kinderbijslag. De SVB stopt met betalen van de kinderbijslag per het kwartaal volgend op de datum van de melding.

Indien ouder(s) het niet eens zijn met de maatregel, kan bezwaar worden ingediend bij de SVB. De leerplichtambtenaar die de melding gedaan heeft kan in de bezwaarprocedure gevraagd worden schriftelijke informatie te leveren. Evt. kan de leerplichtambtenaar gevraagd worden zelf aanwezig te zijn bij de hoorzitting.

1Als ouder(s) en/of jongere voldaan hebben aan de gestelde voorwaarden, neemt de leerplichtambtenaar contact op met de SVB om de melding ongedaan te maken en bevestigt dit schriftelijk aan ouders en jongere.

1De SVB stuurt na de herstelmelding van de leerplichtambtenaar een beschikking aan de ouder die bekend is als aanvrager van de kinderbijslag dat betaling hervat wordt.

1Indien pv wordt of is opgemaakt, maakt de leerplichtambtenaar melding van het feit dat een signaal aan de SVB is afgegeven, met vermelding van voorwaarden, datum afgifte signaal en evaluatiedatum.

Bijlage 3 Vrijstelling wegens ‘andere gewichtige omstandigheden’

Vrijstelling van geregeld schoolbezoek, wegens ‘andere gewichtige omstandigheden’ op grond van artikel 11 onder g Leerplichtwet 1969 (LPW) kent de mogelijkheid extra verlof te verlenen wegens andere gewichtige omstandigheden. Dit onderdeel is nader uitgewerkt in artikel 14 LPW. De hier bedoelde ‘andere gewichtige omstandigheden’ verwijzen naar uitzonderlijke persoonlijke omstandigheden waarvoor de leerling extra verlof nodig heeft, zodat hiermee een kennelijk onredelijke situatie voorkomen kan worden. Onder ‘andere gewichtige omstandighede’ vallen situaties die buiten de wil van de ouders en/of de leerling liggen. Daarbij is sprake van een medische of sociale indicatie. Bij een medische of sociale indicatie is een verklaring van een (jeugd)arts van de GGD of een sociale instantie noodzakelijk.

Onder ‘andere gewichtige omstandigheden’ vallen zeker niet de volgende situaties:

1activiteiten van verenigingen, zoals scouting of voetbalkamp (zie ook bijzondere talenten);

2vakantie buiten de vastgestelde schoolvakanties (ook in geval van speciale aanbiedingen in het laagseizoen);

3eerder vertrekken of later arriveren vanwege verkeers(drukte);

4familiebezoek in het buitenland;

5het argument ‘’mijn kind is nog jong’’;

6het argument ‘’vlak voor de vakantie wordt er toch (bijna) geen les meer gegeven’’;

7meedoen aan tv-opnamen;

8verlof voor een kind omdat andere kinderen van het gezin al of nog vrij zijn;

9goedkope tickets in het laagseizoen;

10omdat er geen tickets meer zijn in de vakantieperiode;

11kroonjaren;

12sabbatical;

13wereldreis/verre reis;

14deelname aan sportieve of culturele evenementen.

Hieronder wordt aangeven welke omstandigheden in aanmerking komen voor extra verlof bij tien dagen of minder (Staatscourant nr. 14773 van 16-07-2012):

1huwelijk van bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad van het kind: maximaal 1 dag (buiten de woonplaats maximaal 2 dagen, in het buitenland maximaal 5 dagen);

212½- of 25-jarig huwelijksjubileum van ouders: maximaal één dag;

312½-, 25-, 40-, 50- of 60-jarig huwelijksjubileum van ouders of grootouders: maximaal 1dag;

425-, 40-, of 50-jarig ambtsjubileum van ouders of grootouders en het 12 ½, 25, 40, 50 en 60 jarig huwelijksjubileum van ouder(s)/verzorger(s) of grootouders: maximaal 1 dag;

5ernstige (levensbedreigende ziekte zonder uitzicht op herstel) ziekte van ouders, bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad van het kind: - maximaal 10 overleg met directeur;

6overlijden van bloed- of aanverwanten in de eerste graad: maximaal 5 dagen;

7overlijden van bloed- of aanverwanten in de tweede graad: maximaal 2 dagen;

8overlijden van bloed- of aanverwanten in de derde en vierde graad: maximaal 1 dag;

9In het buitenland: 1e t/m 4e graad maximaal 5 schooldagen;

10verhuizing: maximaal één dag;

11naar het oordeel van de directeur belangrijke redenen met uitzondering van vakantieverlof;

12voor andere naar het oordeel van het hoofd van de school/instelling gewichtige omstandigheden: maximaal 10 dagen.

Bijlage 4 Bezwaar- en beroepsprocedure verlof en vrijstellingen

Bezwaarprocedure bij onderstaande vrijstelling- en verlofaanvragen:

1Vrijstelling schoolinschrijving op grond van art. 15 LPW;

2Verlof op grond van art. 11 sub f juncto art. 13a LPW vakantieverlof;

3Verlof op grond van art. 11 sub g juncto art. 14 LPW ‘andere gewichtige omstandigheden’;

4Meer dan 10 schooldagen.

Bezwaar indienen

Als ouders/verzorgers het niet eens zijn met een besluit van het college van burgemeester en wethouders of een leerplichtambtenaar ( = bestuursorgaan). Dan kunt u hiertegen bezwaar aantekenen door een bezwaarschrift in te dienen bij het college of de leerplichtambtenaar die het eerdere besluit heeft genomen. Het college/de leerplichtambtenaar (het bestuursorgaan) bekijkt de zaak dan opnieuw en neemt een besluit op het bezwaarschrift. Dit doet zij nadat de Commissie voor bezwaarschriften hierover een advies heeft gegeven. U heeft zes weken de tijd om bezwaar te maken tegen een besluit. Deze termijn gaat in op de dag na de schriftelijke bekendmaking (meestal de verzending) van het besluit. Uiterlijk de laatste dag van deze termijn kunt u het bezwaar toesturen. De datum van de poststempel is daarvoor bepalend. Een buiten deze termijn ingediend bezwaarschrift is te laat en wordt niet behandeld.

Vereisten bezwaarschrift:

Tijdige indiening: Uw bezwaarschrift dient u in binnen zes weken na verzenddatum van het besluit, waartegen uw bezwaar zich richt;

Ondertekening: Het bezwaarschrift moet door u ondertekend zijn. U kunt ook iemand anders machtigen om namens u het bezwaar in te dienen. Zorgt u in dat geval voor een ondertekend machtigingsformulier;

Gronden: U dient altijd aan te geven waarom u het niet eens bent met het genomen besluit. Dit zijn de gronden van uw bezwaar.

Schorsing besluit

Het indienen van een bezwaarschrift betekent niet dat van het bestreden besluit geen gebruik mag worden gemaakt. Om een besluit te schorsen dient u een verzoek om voorlopige voorziening in te moeten bij de rechtbank in Den Bosch.

Beroep

Als u het niet eens bent met de beslissing van de gemeente op het bezwaarschrift dat u hebt ingediend, dan kunt u hiertegen binnen zes weken beroep instellen bij de rechtbank in Den Bosch. Uw verzoek om voorlopige voorziening en/of beroepschrift kunt u sturen naar: Rechtbank 's-Hertogenbosch, Sector Bestuursrecht, Postbus 90125, 5200 MA ’s-Hertogenbosch.

Bestuursorgaan te laat

Indien er niet binnen de wettelijke termijn beslist is op uw bezwaarschrift, kunt u een brief sturen waarin u de gemeente in gebreke stelt.

Vermeldt u in deze brief:

-de datum van het bezwaarschrift;

-ons kenmerk;

-uw naam, adres, postcode een woonplaats;

-uw telefoonnummer.

Op grond van de Algemene wet bestuursrecht is de gemeente u een dwangsom verschuldigd, als er niet binnen twee weken na uw ingebrekestelling alsnog een beslissing op het bezwaarschrift is genomen. U ontvangt dan een beslissing over de aan u te betalen dwangsom.

Tegen het uitblijven van de beslissing op uw bezwaarschrift binnen de wettelijke beslistermijn kunt u tevens schriftelijk beroep indienen bij de rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector bestuursrecht, postbus 90125, 5200 MA ’s-Hertogenbosch. Voor het indienen van een beroepsschrift bent u griffierecht verschuldigd.

Luxe verzuim

School meldt bij LPA

LPA proces verbaal relatief verzuim

Kind(eren) verzuimt/verzuimen alsnog

Gegrond verklaard

Vrijstelling/verlof alsnog toegekend

Vrijstelling /verlof wordt toegekend

Beroepschrift wordt gegrond verklaard Vrijstelling/verlof toegekend

Beroepschrift wordt niet gegrond verklaard

Luxe verzuim

School meldt bij LPA

LPA proces verbaal relatief verzuim

Kind(eren) verzuimt/verzuimen alsnog

Ouders /verzorgers accepteren besluit

Ouders/verzorgers kunnen in beroep bij de Rechtbank DB

Niet gegrond verklaard

Ouders /verzorgers moeten bezwaar in bij de LPA

Vrijstelling / verlof wordt afgewezen

Aanvraag ingediend bij het college/de leerplichtambtenaar

Bijlage 5 Diensten en instellingen waarmee wordt samengewerkt

(artikel 16 lid 4 sub d LPW)

De leerplichtambtenaar voert zo vaak als hij dit voor het uitoefenen van zijn taak nodig acht overleg o.a. met:

1Arbeidsinspectie

2Halt

3Gemeenten in de regio

4Ingrado (branchevereniging voor Leerplicht en RMC)

5Inspectie van het onderwijs

6Instellingen voor jeugdhulpverlening (BJZ: (gezins-)voogdij/jeugdreclassering)

7Instellingen voor jeugdgezondheidszorg (GGD)

8Instellingen voor geestelijke gezondheidszorg (GGZ, Herlaarhof)

9Interne diensten/afdelingen van de gemeente: b.v. CJG, communicatie, Werkplein

10Instellingen voor beroepsonderwijs (ROC, Helicon, Summa, Gilde)

11LEVgroep

12Medisch Kinderdagverblijf (MKD)

13MEE

14Ministerie OC&W

15Ministerie van Justitie en Veiligheid

16Ministerie van Binnenlandse Zaken

17ORO

18Politie

19Raad voor de Kinderbescherming

20(Arrondissements) Rechtbank

21Scholen voor primair onderwijs (PO)

22Scholen voor voortgezet onderwijs (VO)

23Scholen voor speciaal onderwijs (VSO)

24Scholen in het buitenland (meestal België)

25Sociale Verzekeringsbank

26Samenwerkingsverbanden PO en VO

27Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen/ UWV Werkbedrijf

28Veilig Thuis

Lokaal Asten:

1Centrum voor jeugd en gezin Asten – Someren

2Steunpunt Guidoasten

3Jongeren in Beeld

4Lokale partners leefbaarheid en participatie

5ONIS

Bijlage 6 Signaal aan de Inspectie van het Onderwijs bij niet voldoen aan de wettelijke bepalingen van de Leerplichtwet door een school of onderwijsinstelling

1Wanneer een leerplichtambtenaar, bij de uitoefening van zijn toezichthoudende rol op leerlingen en ouders/verzorgers, tekortkomingen waarneemt bij een school of onderwijsinstelling in de naleving van de Leerplichtwet, informeert en adviseert de leerplichtambtenaar de school of onderwijsinstelling, zodat deze zich bewust is van de geldende wettelijke bepalingen waaronder de meldplicht.

1Wanneer een leerplichtambtenaar bij een volgend bezoek in het kader van zijn toezichthoudende rol op leerlingen en ouders/verzorgers signaleert dat de school of onderwijsinstelling nog steeds niet voldoet aan de wettelijke bepalingen, dan zal de leerplichtambtenaar de school verzoeken om alsnog te voldoen en zal de leerplichtambtenaar een schriftelijk signaal afgeven aan de Inspectie van het Onderwijs.

1Het schriftelijk signaal wordt afgegeven bij het Loket Signalenbox van de Inspectie van het Onderwijs. De school of onderwijsinstelling wordt hiervan op de hoogte gesteld.

1Het schriftelijk signaal omvat een duidelijke omschrijving van de waargenomen feiten door de leerplichtambtenaar. Tevens omschrijft de leerplichtambtenaar op welke wijze hij/zij heeft gehandeld in relatie tot de signalering.

1Als de leerplichtambtenaar in het kader van toezicht op leerling en ouders/verzorgers, nadat hij/zij de Inspectie van het Onderwijs al een signaal heeft gegeven, opnieuw waarneemt dat een school of onderwijsinstelling in strijd met de Leerplichtwet handelt, doet hij/zij een melding aan de onderwijsinspectie conform de wijze waarop een schriftelijk signaal wordt gegeven zoals omschreven in lid 3 en 4 van dit artikel.

Toelichting

De leerplichtambtenaar is veel in school aanwezig, ook om gehele administratie op aan/ afwezigheid van leerlingen in te zien. Indien de leerplichtambtenaar waarneemt dat de school of onderwijsinstelling de Leerplichtwet niet naleeft, dan is dat aanleiding voor een signaal naar de Inspectie van het Onderwijs. Tevens kan dit een reden zijn tot het geven van informatie en advies aan de school of onderwijsinstelling betreffende een goede uitvoering danwel een verbetering van het verzuimbeleid van de school.

De wijze waarop de signalen aan de Inspectie van het Onderwijs worden gegeven zijn opgenomen in de ambtsinstructie. De werkwijze van de Inspectie van het Onderwijs staat omschreven in het Samenwerkingsprotocol leerplichtambtenaren en Inspectie van het Onderwijs.

Elk van de twee toezichthouders (leerplichtambtenaar en Inspectie van het Onderwijs) heeft de bevoegdheden die titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verleent aan degenen die als toezichthouder zijn aangewezen, voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van de toezichttaak nodig is (5:13 Awb). Daartoe behoren het betreden van plaatsen en de inzage van gegevens en bescheiden. Uit dit systeem volgt dat de leerplichtambtenaar toegang heeft tot de school en inzage heeft in de administratie voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van zijn eigen toezichttaak (dus jegens ouders en leerlingen) nodig is. De toezichttaak gericht tot scholen met bijbehorende bevoegdheden is bij de Inspectie van het Onderwijs belegd. De leerplichtambtenaar heeft wel een natuurlijke oog‐ en oorfunctie waar het gaat om het handelen van scholen in het kader van de LPW, de signaleringsrol.

Verstrekking van informatie aan andere overheidsorganen zoals de Inspectie van het Onderwijs, is toegestaan als gevolg van de Wet Justitiële en Strafvorderlijke Gegevens (WJSG).

Bijlage 7 Leerplichtwet 1969

Wij JULIANA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de Leerplichtwet (Stb. 1900, 111) dient te worden vervangen door een nieuwe wettelijke regeling, die is aangepast aan het huidige onderwijsbestel en een kortere procedure bevat voor de bestrijding van het onwettig schoolverzuim, en dat het wenselijk is de leerplichtige leeftijd met een jaar te verlengen en in de Arbeidswet 1919 daarmee verband houdende wijzigingen aan te brengen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

Deze wet verstaat onder:

a."Onze minister": Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald;

b."school":

1een openbare of een uit de openbare kas bekostigde bijzondere basisschool, speciale school voor basisonderwijs, school voor speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of dagschool voor voortgezet onderwijs, dan wel een openbare of een uit de openbare kas bekostigde bijzondere instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs;

2een ingevolge artikel 56 van de Wet op het voortgezet onderwijs aangewezen bijzondere dagschool voor voortgezet onderwijs;

3een andere dagschool die wat de inrichting van het onderwijs betreft, overeenkomt met de criteria, bedoeld in artikel 1a1, en wat de bevoegdheden van de leraren betreft, overeenkomt met een of meer van de onder 1 bedoelde scholen;

4een andere krachtens artikel 1a, eerste lid, voor de toepassing van deze wet als school aangewezen onderwijsinstelling;

c.«instelling»:

1instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

2beroepsopleiding ten aanzien waarvan toepassing is gegeven aan artikel 1.4.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

d."hoofd":

1hij die met de leiding van de school is belast;

2hij die met de leiding van de instelling is belast;

e."de ambtenaar": de ambtenaar, bedoeld in artikel 16;

f."startkwalificatie": een diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid onder b tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs;

g.persoonsgebonden nummer: persoonsgebonden nummer als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het onderwijstoezicht;

h.meldingsregister relatief verzuim: meldingsregister relatief verzuim als bedoeld in artikel 24h van de Wet op het onderwijstoezicht;

i.register vrijstellingen en vervangende leerplicht: register vrijstellingen en vervangende leerplicht als bedoeld in artikel 24k2 van de Wet op het onderwijstoezicht.

Artikel 1a. Aanwijzing scholen

1Bij ministeriële regeling dan wel bij beschikking van Onze minister kunnen onderwijsinstellingen dan wel groepen daarvan worden aangewezen als school als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 4. Aan de aanwijzing kunnen voorwaarden worden verbonden.

2Onze minister kan de aanwijzing intrekken indien het hoofd of het personeel van de school in strijd handelt met artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 1a1. Scholen als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 3

1Onverminderd titel I van de Wet op het primair onderwijs en titel I van de Wet op het voortgezet onderwijs, moet een school als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 3,

a.wat de inrichting van het basisonderwijs betreft, voldoen aan de criteria, bedoeld in de artikelen 8, eerste, tweede, derde, vierde, achtste lid, onderdeel a, negende en tiende lid, 9 en 10, eerste volzin, van de Wet op het primair onderwijs, en tevens heeft de school een schoolplan dat ten minste een beschrijving bevat van het beleid inzake het onderwijs, bedoeld in artikel 8, derde lid, van genoemde wet;

b.wat de inrichting van het voortgezet onderwijs betreft, voldoen aan de criteria, bedoeld in de artikelen 6a en 23a, eerste volzin van de Wet op het voortgezet onderwijs, en tevens heeft de school een schoolplan dat ten minste een beschrijving bevat van het beleid inzake het onderwijs, bedoeld in artikel 17 van genoemde wet en besteedt het onderwijs binnen de eerste twee leerjaren van het voortgezet onderwijs aantoonbaar aandacht aan de kerndoelen, bedoeld in artikel 11b van genoemde wet, en aansluitend aan de kerndoelen als onderwijsprogramma voor de eerste twee leerjaren, stelt het onderwijs de leerlingen aantoonbaar in staat om hun onderwijsloopbaan voort te zetten in het vervolgonderwijs op een niveau dat van de leerling verwacht mag worden.

2Burgemeester en wethouders volgen bij hun oordeel of een onderwijsvoorziening een school is als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 3, een door de inspectie van het onderwijs ter zake gegeven advies. Indien het een advies betreft als bedoeld in artikel 11b, zevende lid, van de Wet op het onderwijstoezicht en burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat een onderwijsvoorziening geen school is als bedoeld in de eerste volzin, zijn het vierde lid en artikel 22, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.

3Indien Onze Minister naar aanleiding van een melding als bedoeld in artikel 14 van de Wet op het onderwijstoezicht, aan burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de school is gevestigd adviseert dat de school niet langer voldoet aan de criteria die gelden voor een school als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 3, dan volgen burgemeester en wethouders dit advies en oordeelt dat de school niet langer een school is als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 3.

4Indien het advies, bedoeld in het derde lid daartoe aanleiding geeft, stellen burgemeester en wethouders de ouders van de leerlingen van de onderwijsvoorziening binnen 7 dagen schriftelijk op de hoogte van het feit dat de onderwijsvoorziening niet langer een school is als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 3, of verzekeren zij er zich van dat de onderwijsvoorziening de ouders daarvan schriftelijk op de hoogte heeft gesteld.

Artikel 1b. Meerderjarige jongeren

Indien een leerplichtige jongere of een jongere die kwalificatieplichtig is meerderjarig is rusten de verplichtingen en bevoegdheden die in deze wet zijn toebedeeld aan de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen op de jongere zelf. 1c [Vervallen per 25-03-2009]

Artikel 1d. Maatregelen

1Indien de kwaliteit van het niet uit 's Rijks kas bekostigde onderwijs ernstig of langdurig tekortschiet, kan Onze minister op verzoek van het hoofd van een school of instelling of uit eigen beweging in overeenstemming met het hoofd maatregelen treffen.

2Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, behoort de mogelijkheid het hoofd van een school of instelling te laten bijstaan door een extern deskundige. Ook kunnen onder voorwaarden extra financiële middelen aan de school of instelling ter beschikking worden gesteld.

§ 2. Leerplicht

Artikel 2. Verantwoordelijke personen

1Degene die het gezag over een jongere uitoefent, en degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, zijn verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet te zorgen, dat de jongere als leerling van een school staat ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt. Bij de inschrijving wordt een van overheidswege verstrekt document of een bewijs van uitschrijving van een andere school overgelegd waarop de gegevens van de jongere betreffende zijn geslachtsnaam, voorletters, geboortedatum, geslacht en burgerservicenummer of bij gebreke daarvan zo mogelijk zijn onderwijsnummer zijn vermeld. Indien de in de eerste volzin bedoelde personen bij de inschrijving aannemelijk hebben gemaakt dat zij geen burgerservicenummer of onderwijsnummer van de jongere kunnen overleggen, leggen zij het burgerservicenummer of onderwijsnummer van de jongere over aan de school zodra zij daarvan kennis hebben verkregen.

2De in het eerste lid bedoelde verplichtingen gelden niet voor zover de daarin bedoelde personen kunnen aantonen dat zij daarvoor niet verantwoordelijk kunnen worden geacht.

3De jongere die de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt, is verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet de school waaraan hij als leerling staat ingeschreven, geregeld te bezoeken, onverminderd het bepaalde in het eerste lid.

4Tot het tijdstip, bedoeld in artikel XIa, eerste, tweede, onderscheidenlijk derde lid, van de wet van 6 december 2001 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met de invoering van persoonsgebonden nummers in het onderwijs (Stb. 681), kan, in afwijking van de tweede volzin van het eerste lid, inschrijving van een jongere als leerling van een school plaatsvinden zonder overlegging van het onderwijsnummer en, indien de in het eerste lid bedoelde personen aannemelijk maken dat zij geen burgerservicenummer van de jongere kunnen overleggen, eveneens zonder overlegging van het burgerservicenummer. Tot dat tijdstip is de derde volzin van het eerste lid uitsluitend van toepassing met betrekking tot het burgerservicenummer.

5Het eerste lid, tweede en derde volzin, en het vierde lid zijn ten aanzien van scholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs van toepassing met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, artikel II, onderscheidenlijk artikel III, van de wet van 6 december 2001 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met de invoering van persoonsgebonden nummers in het onderwijs (Stb. 681).

Artikel 3. Begin en einde van de verplichting tot inschrijving

1De verplichting om te zorgen, dat een jongere als leerling van een school staat ingeschreven, begint op de eerste schooldag van de maand volgende op die waarin de jongere de leeftijd van vijf jaar bereikt, en eindigt:

a.aan het einde van het schooljaar na afloop waarvan de jongere ten minste twaalf volledige schooljaren een of meer scholen heeft bezocht;

b.aan het einde van het schooljaar waarin de jongere de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt.

2Een jongere die een basisschool in minder dan acht schooljaren heeft doorlopen, wordt voor de toepassing van het eerste lid onder a geacht reeds acht schooljaren een school te hebben bezocht.

Artikel 3a. Vervangende leerplicht

1Indien het betreft een jongere die tenminste de leeftijd van 14 jaar heeft bereikt en waarvan naar hun oordeel is komen vast te staan, dat hij niet geschikt is volledig dagonderwijs aan een school te volgen, kunnen burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jongere als ingezetene met een adres in de basisregistratie personen is ingeschreven, op verzoek van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen, in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school, toestaan dat gedurende een bepaald schooljaar, voor zover nodig, in afwijking van het bepaalde in de artikelen 11b, eerste lid, 11c, 11d en 11e van de Wet op het voortgezet onderwijs de jongere aan de school een programma volgt, dat naast algemeen vormend onderwijs en op het beroep gericht onderwijs tevens praktijktijd bevat, bestaande uit arbeid van lichte aard, te verrichten naast en in samenhang met het onderwijs.

2Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van:

a.een plan van aanpak dat voorziet in een begeleidingsprogramma ten behoeve van de jongere dat is opgesteld door de school en dat tenminste bevat een beschrijving van de onderwijsdoelen en van de praktijktijd; en

b.gegevens van de jongere betreffende:

1°. het persoonsgebonden nummer;

2°. de naam, de geboortedatum, het geslacht, het adres en de woonplaats, de postcode van de woonplaats; en

3°. of eerder vervangende leerplicht is toegestaan.

3Alvorens burgemeester en wethouders besluiten op het verzoek, bedoeld in het eerste lid, horen burgemeester en wethouders in elk geval:

a.degene die het verzoek heeft ingediend en de jongere zelf, en

b.het hoofd van de school waar de jongere staat ingeschreven.

4Burgemeester en wethouders besluiten binnen 4 weken na ontvangst van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, en zenden binnen 2 weken na het nemen van het besluit daarvan afschrift aan de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen.

5Indien de jongere nog steeds niet geschikt is volledig dagonderwijs als bedoeld in het eerste lid aan een school te volgen, kunnen de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen burgemeester en wethouders ten minste acht weken voor het verstrijken van de periode waarvoor toestemming is verleend, verzoeken de toestemming voor het daaropvolgend schooljaar te verlengen. Het verzoek gaat vergezeld van een verklaring van het hoofd van de school waar de jongere staat ingeschreven, waarin een overzicht is gegeven van de wijze waarop uitvoering is gegeven aan het programma en waaruit blijkt dat een terugkeer van de jongere naar het onderwijs, bedoeld in de artikelen 11a tot en met 11d van de Wet op het voortgezet onderwijs, te ontraden is, alsmede dat voortzetting van het programma bijdraagt aan de ontwikkeling van de jongere. Het tweede en derde lid zijn van toepassing.

Artikel 3b. Vervangende leerplicht laatste schooljaar

1Op verzoek van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen kunnen burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jongere als ingezetene met een adres in de basisregistratie personen is ingeschreven, toestaan dat de inschrijving van de jongere aan een school voor het laatste schooljaar, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a of b, wordt vervangen door de inschrijving als leerling van een instelling als bedoeld in paragraaf 2a.

2Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van gegevens van de jongere betreffende:

a.het persoonsgebonden nummer;

b.de naam, de geboortedatum, het geslacht, het adres en de woonplaats, de postcode van de woonplaats; en

c.of eerder vervangende leerplicht is toegestaan.

3Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van plan van aanpak dat voorziet in een begeleidingsprogramma ten behoeve van de jongere dat is opgesteld door de instelling waar de jongere ingeschreven wenst te worden. Het begeleidingsprogramma bevat ten minste een beschrijving van de onderwijs- en vormingsdoelen, waaronder algemeen vormend onderwijs en op het beroep gericht onderwijs, alsmede de wijze waarop arbeid van lichte aard zal worden verricht, naast het volgen van onderwijs aan een instelling als bedoeld in paragraaf 2a doch niet in samenhang met het onderwijs. Indien het betreft een jongere, die ten tijde van de indiening van het verzoek een programma als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, volgt, gaat het verzoek tevens vergezeld van een verklaring van het hoofd van de school waar de jongere staat ingeschreven, waarin een overzicht is gegeven van de wijze waarop uitvoering is gegeven aan het programma en waaruit blijkt dat een terugkeer van de jongere naar het onderwijs, bedoeld in de artikelen 11a tot en met 11d van de Wet op het voortgezet onderwijs, dan wel een voortgezette toepassing van artikel 3a, eerste lid, te ontraden is.

4Alvorens burgemeester en wethouder besluiten op het verzoek, bedoeld in het eerste lid, horen burgemeester en wethouder in elk geval:

a.degene die het verzoek heeft ingediend en de jongere zelf;

b.het hoofd van de school waar de jongere het laatst stond ingeschreven en het hoofd van de instelling waar de jongere ingeschreven wenst te worden, en

c.de instellingen van maatschappelijke zorg die reeds bij de begeleiding van de jongere betrokken zijn.

5Burgemeester en wethouders besluiten binnen 4 weken na ontvangst van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, en zenden binnen 2 weken na het nemen van het besluit daarvan afschrift aan de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen.

Artikel 3c. Kennisgeving vervangende leerplicht

1Indien burgemeester en wethouders besluiten tot instemming met het verzoek, bedoeld in het artikel 3a, eerste lid, of artikel 3b, eerste lid, verstrekken zij aan Onze Minister de volgende gegevens van de jongere:

a.het persoonsgebonden nummer, de postcode van de woonplaats;

b.het gegeven dat het een vervangende leerplicht betreft;

c.de begin- en einddatum van de vervangende leerplicht;

d.of eerder een vervangende leerplicht is toegestaan; en

e.indien de jongere niet eerder onderwijs binnen Nederland heeft gevolgd: de naam, het adres en de woonplaats, het geslacht en de geboortedatum.

2Onze Minister neemt de volgende op grond van het eerste lid verstrekte gegevens op in het register vrijstellingen en vervangende leerplicht:

a.het persoonsgebonden nummer;

b.de begin- en einddatum van de vervangende leerplicht;

c.of eerder vervangende leerplicht is toegestaan;

d.de woongemeente; en

e.het gegeven dat het een vervangende leerplicht betreft.

Artikel 4. Begin en einde van de verplichting tot geregeld schoolbezoek

1De verplichting om te zorgen, dat een jongere de school waar hij als leerling staat ingeschreven, geregeld bezoekt, begint op de dag waarop hij na inschrijving op die school kan plaats nemen, en eindigt tegelijk met de verplichting om te zorgen, dat hij als leerling van een school staat ingeschreven.

2Het schoolbezoek vindt geregeld plaats, zolang geen les of praktijktijd wordt verzuimd.

§ 2a. Kwalificatieplicht

Artikel 4a. Inschrijving

1De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn verplicht te zorgen dat de jongere overeenkomstig de bepalingen van deze paragraaf staat ingeschreven als leerling of deelnemer bij een school of instelling die volledig dagonderwijs, een bij de wet geregelde combinatie van leren en werken, een onderwijsprogramma als bedoeld in artikel 25a, derde lid, onderdeel d, van de Wet op het voortgezet onderwijs, dan wel een onderwijsprogramma als bedoeld in artikel 58a, derde lid, onderdeel d, van de Wet op het voortgezet onderwijs verzorgt en dat hij deze school of instelling na inschrijving geregeld bezoekt, als:

a.ten aanzien van de jongere de leerplicht, bedoeld in paragraaf 2 van deze wet is geëindigd, en

b.de jongere geen startkwalificatie heeft behaald.

2De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt niet ten aanzien van jongeren die in het bezit zijn van een getuigschrift of een schooldiploma praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 29a van de Wet op het voortgezet onderwijs en jongeren die voortgezet speciaal onderwijs in het uitstroomprofiel, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b dan wel onderdeel c, van de Wet op de expertisecentra hebben gevolgd.

3Artikel 2, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid.

4Als de inschrijving, bedoeld in het eerste lid, plaats vindt aan een andere school of instelling dan daarvoor door de jongere werd bezocht, wordt bij de inschrijving een van overheidswege verstrekt document of een bewijs van uitschrijving van een andere school of instelling overgelegd waarop de gegevens van de jongere betreffende zijn geslachtsnaam, voorletters, geboortedatum, geslacht en burgerservicenummer of bij gebreke daarvan zo mogelijk zijn onderwijsnummer zijn vermeld. Als de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen bij de inschrijving aannemelijk hebben gemaakt dat zij geen burgerservicenummer of onderwijsnummer van de jongere kunnen overleggen, leggen zij het burgerservicenummer of onderwijsnummer van de jongere over aan de school zodra zij daarvan kennis hebben verkregen.

5Tot het tijdstip, bedoeld in artikel XIa, vijfde lid, van de wet van 6 december 2001, Stb. 681, tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met de invoering van persoonsgebonden nummers in het onderwijs, kan, in afwijking van de eerste volzin van het vierde lid, inschrijving van een jongere als deelnemer aan een instelling plaatsvinden zonder overlegging van het onderwijsnummer en, indien de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen aannemelijk maken dat zij geen burgerservicenummer van de jongere kunnen overleggen, eveneens zonder overlegging van het burgerservicenummer. Tot dat tijdstip is de tweede volzin van het vierde lid uitsluitend van toepassing met betrekking tot het burgerservicenummer.

6Het vierde en vijfde lid zijn van toepassing met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel IV van de wet van 6 december 2001, Stb. 681, tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met de invoering van persoonsgebonden nummers in het onderwijs.

Artikel 4b. Begin en einde verplichting tot inschrijving

De verplichting, bedoeld in artikel 4a, eerste lid, vangt aan direct na het einde van de leerplicht, bedoeld in paragraaf 2 van deze wet, en eindigt zodra de jongere de leeftijd van 18 jaar bereikt of een startkwalificatie heeft behaald.

Artikel 4c. De invulling van de verplichting tot geregeld schoolbezoek

1De jongere die als leerling of deelnemer van een school of instelling staat ingeschreven op grond van artikel 4a, eerste lid, is verplicht het volledige onderwijsprogramma, het volledige programma van de combinatie leren en werken, het onderwijsprogramma, bedoeld in artikel 25a, derde lid, onderdeel d, van de Wet op het voortgezet onderwijs, respectievelijk het onderwijsprogramma, bedoeld in artikel 58a, derde lid, onderdeel d, van de Wet op het voortgezet onderwijs, te volgen dat door die school of instelling wordt aangeboden.

2De jongere voldoet aan de verplichting, bedoeld in artikel 4a, eerste lid, om de school of instelling na inschrijving geregeld te bezoeken, zolang hij geen les of praktijktijd verzuimt anders dan op een van de gronden, bedoeld in artikel 11.

§ 3. Vrijstellingen

Artikel 5. Gronden voor vrijstelling van inschrijving

De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn vrijgesteld van de verplichting om te zorgen, dat een jongere als leerling van een school onderscheidenlijk een instelling staat ingeschreven, zolang

a.de jongere op lichamelijke of psychische gronden niet geschikt is om tot een school onderscheidenlijk een instelling te worden toegelaten;

b.zij tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning - of, indien zij geen vaste verblijfplaats hebben, op alle binnen Nederland - gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen hebben;

c.de jongere als leerling van een inrichting van onderwijs buiten Nederland staat ingeschreven en deze inrichting geregeld bezoekt.

Artikel 5a. Trekkend bestaan

De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn vrijgesteld van de verplichting om te zorgen, dat een jongere als leerling van een school staat ingeschreven, zolang zij een bij algemene maatregel van bestuur te omschrijven trekkend bestaan leiden waarbij de jongere hen vergezelt. De algemene maatregel van bestuur kan bijzondere regelen bevatten betreffende de vrijstelling in verband met:

a.de leeftijd van de jongere waarop de verplichting ingaat om te zorgen dat een jongere als leerling van een school staat ingeschreven;

b.de omstandigheden waarin de personen bedoeld in de eerste volzin, verkeren die van invloed zijn op de bereikbaarheid van een passende school voor de jongere.

Artikel 6. Kennisgeving vrijstelling leerplicht

1De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen kunnen zich slechts beroepen op vrijstelling, indien zij aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jongere als ingezetene met een adres in de basisregistratie personen is ingeschreven, hebben kennis gegeven van:

a.de gegevens van de jongere betreffende:

1°. het persoonsgebonden nummer;

2°. de naam, de geboortedatum, het geslacht, het adres en de woonplaats, de postcode van de woonplaats; en

3°. of eerder een beroep op vrijstelling van de leerplicht is gedaan.

b.op welke grond zij een beroep op vrijstelling menen te mogen maken.

2Deze kennisgeving moet worden ingediend:

a.ten minste een maand voordat de jongere leerplichtig wordt, indien zij betrekking heeft op de aanvang van de leerplicht, en

b.zolang nadien aanspraak op vrijstelling wordt gemaakt, elk jaar opnieuw voor 1 juli.

3Het tweede lid onder b is niet van toepassing, indien uit de in artikel 7 bedoelde verklaring blijkt, dat de jongere nooit geschikt zal zijn een school onderscheidenlijk een instelling te bezoeken.

4Burgemeester en wethouders verstrekken aan Onze Minister de volgende gegevens van de jongere voor wie op grond van het eerste lid een beroep op vrijstelling wordt gedaan:

a.het persoonsgebonden nummer, de postcode van de woonplaats;

b.de begin- en einddatum van de vrijstelling;

c.of eerder beroep is gedaan op de vrijstelling van de leerplicht; en

d.indien de jongere niet eerder onderwijs binnen Nederland heeft gevolgd: de naam, adres en woonplaats, geslacht en geboortedatum.

5Onze Minister neemt de volgende op grond van het vierde lid door burgemeester en wethouders verstrekte gegevens op in het register vrijstellingen en vervangende leerplicht:

a.het persoonsgebonden nummer;

b.de begin- en einddatum van de vrijstelling;

c.of eerder een beroep op vrijstelling van de leerplicht is gedaan;

d.de woongemeente; en

e.het gegeven dat het een vrijstelling van de leerplicht betreft.

Artikel 7. Lichamelijke of psychische ongeschiktheid

Een beroep op vrijstelling op grond van artikel 5 onder a kan slechts worden gedaan, indien bij de kennisgeving een verklaring van een door burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jongere als ingezetene met een adres in de basisregistratie personen is ingeschreven, aangewezen arts - niet zijnde de behandelende arts - of van een door hen aangewezen academisch gevormde of daarmede bij ministeriële regeling gelijkgestelde pedagoog of psycholoog is overgelegd, waaruit blijkt, dat deze de jongere niet geschikt achten om tot een school onderscheidenlijk een instelling te worden toegelaten. Deze verklaring mag niet ouder zijn dan drie maanden.

Artikel 8. Bedenkingen tegen richting van school

1Een beroep op vrijstelling op grond van artikel 5 onder b kan slechts worden gedaan, indien de kennisgeving de verklaring bevat, dat tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning - of, bij het ontbreken van een vaste verblijfplaats, op alle binnen Nederland - gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen bestaan.

2Deze verklaring is niet geldig, indien de jongere in het jaar, voorafgaande aan de dagtekening van de kennisgeving, geplaatst is geweest op een school onderscheidenlijk een instelling van de richting waartegen bedenkingen worden geuit.

Artikel 9. Bezoeken van school in buitenland

Een beroep op vrijstelling op grond van artikel 5 onder c kan slechts worden gedaan, indien bij de kennisgeving een verklaring is overgelegd van het hoofd van de inrichting van onderwijs waaruit blijkt, dat de jongere als leerling van deze inrichting staat ingeschreven en haar geregeld bezoekt.

Artikel 10. Afschrijving

Op verzoek van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen wordt een jongere binnen de in artikel 3, eerste lid, en artikel 4b omschreven tijdvakken door het hoofd slechts van de lijst der leerlingen of deelnemers afgevoerd

a.wegens inschrijving van de jongere op een andere school of instelling;

b.wegens vrijstelling op een der gronden, genoemd in artikel 5, nadat aan het hoofd gebleken is, dat aan de artikelen 6 tot en met 9 is voldaan;

c.wegens de vrijstelling, bedoeld in artikel 5a of artikel 15.

Artikel 11. Gronden voor vrijstelling van geregeld schoolbezoek

De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn vrijgesteld van de verplichting te zorgen dat de jongere de school waarop hij staat ingeschreven, geregeld bezoekt, en de leerplichtige jongere die de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt alsmede de jongere die kwalificatieplichtig is, zijn vrijgesteld van de verplichting de school of de instelling geregeld te bezoeken, indien

a.de school onderscheidenlijk de instelling is gesloten of het onderwijs is geschorst;

b.bij of op grond van algemeen verbindende voorschriften het bezoeken van de school onderscheidenlijk de instelling is verboden;

c.de jongere bij wijze van tuchtmaatregel tijdelijk de toegang tot de school onderscheidenlijk de instelling is ontzegd;

d.de jongere wegens ziekte verhinderd is de school onderscheidenlijk de instelling te bezoeken;

e.de jongere wegens vervulling van plichten voortvloeiend uit godsdienst of levensovertuiging verhinderd is de school onderscheidenlijk de instelling te bezoeken;

f.de jongere vanwege de specifieke aard van het beroep van één van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen slechts buiten de schoolvakanties met hen op vakantie kan gaan;

g.de jongere door andere gewichtige omstandigheden verhinderd is de school onderscheidenlijk de instelling te bezoeken.

Artikel 11a. Leeftijd leerling

1De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn met betrekking tot de jongere die nog niet de leeftijd van zes jaar heeft bereikt, voor ten hoogste 5 uren per week vrijgesteld van de verplichting om te zorgen dat deze de school waarop hij staat ingeschreven, geregeld bezoekt. Van een beroep op deze vrijstelling wordt mededeling gedaan aan het hoofd.

2Naast de vrijstelling bedoeld in het eerste lid, kan het hoofd op verzoek van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen ten behoeve van de jongere bedoeld in het eerste lid, tot ten hoogste 5 uren per week vrijstelling verlenen van de verplichting om te zorgen dat deze de school waarop hij staat ingeschreven, geregeld bezoekt.

Artikel 12. Ziekte van leerling

Een beroep op vrijstelling wegens ziekte van de jongere kan slechts worden gedaan, indien daarvan binnen twee dagen na het ontstaan van de verhindering aan het hoofd kennis is gegeven, zo mogelijk met opgave van de aard van de ziekte.

Artikel 13. Plichten voortvloeiend uit godsdienst of levensovertuiging

Een beroep op vrijstelling wegens vervulling van plichten voortvloeiend uit godsdienst of levensovertuiging kan slechts worden gedaan indien daarvan uiterlijk twee dagen vóór de verhindering aan het hoofd kennis is gegeven.

Artikel 13a. Vakantie

1Een beroep op vrijstelling wegens vakantie van de jongere, bedoeld in artikel 11, onder f, kan slechts worden gedaan indien het hoofd op verzoek van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen verlof heeft verleend dat de jongere voor de duur van het verlof de school onderscheidenlijk de instelling niet bezoekt.

2Verlof als bedoeld in het eerste lid kan door het hoofd slechts eenmaal voor ten hoogste tien dagen per schooljaar worden verleend en kan geen betrekking hebben op de eerste twee lesweken van het schooljaar. Het verlof, bedoeld in de eerste volzin, kan aan de jongere die kwalificatieplichtig is slechts worden verleend tot een evenredig deel van het aantal dagen dat hij op grond van artikel 4c verplicht is onderwijs te volgen.

Artikel 13b. Kennisgeving bij beroep op vrijstelling

Een beroep op vrijstelling wegens ziekte van de jongere, wegens vervulling van plichten voortvloeiend uit godsdienst of levensovertuiging wordt gedaan door middel van kennisgeving aan het hoofd door de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen, tenzij de leerplichtige jongere of de jongere die kwalificatieplichtig is niet meer woonachtig is bij deze personen, in welk geval de kennisgeving wordt gedaan door de jongere zelf.

Artikel 14. Andere gewichtige omstandigheden

1Een beroep op vrijstelling wegens andere gewichtige omstandigheden bedoeld in artikel 11 onder g kan slechts worden gedaan, indien het hoofd op verzoek van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen verlof heeft verleend, dat de jongere de school onderscheidenlijk de instelling tijdelijk niet bezoekt.

2Indien geen verlof is gevraagd, kan het hoofd alsnog verlof verlenen, indien hem binnen twee dagen na het ontstaan van de verhindering de redenen daarvan worden medegedeeld.

3Het hoofd kan ten aanzien van dezelfde jongere wegens de in het eerste lid bedoelde omstandigheden voor ten hoogste tien dagen per schooljaar verlof als bedoeld in dat lid verlenen. Indien het verlof ten aanzien van dezelfde jongere wordt gevraagd voor meer dan tien dagen per schooljaar, besluit de ambtenaar van de woongemeente van de jongere, het hoofd gehoord. Het verlof, bedoeld in de eerste volzin, kan aan de jongere die kwalificatieplichtig is slechts worden verleend tot een evenredig deel van het aantal dagen dat hij op grond van artikel 4c verplicht is onderwijs te volgen.

Artikel 15. Vrijstelling wegens het volgen van ander onderwijs

1In andere gevallen dan genoemd in artikel 5 kunnen burgemeester en wethouders op grond van bijzondere omstandigheden vrijstelling verlenen van de in artikel 4a opgelegde verplichtingen, indien wordt aangetoond, dat de jongere op andere wijze voldoende onderwijs geniet.

2De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, kan alleen worden verleend indien de volgende gegevens van de jongere worden overlegd:

a.de naam, de geboortedatum, het geslacht, het adres en de woonplaats, de postcode van de woonplaats;

b.begin- en einddatum van de vrijstelling van de leerplicht; en

c.of eerder een beroep is gedaan op vrijstelling van de leerplicht.

3Indien burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen op grond van het eerste lid, verstrekken zij aan Onze Minister de volgende gegevens van de jongere:

a.het persoonsgebonden nummer en de postcode van de woonplaats;

b.de begin- en einddatum van de vrijstelling;

c.of eerder beroep is gedaan op vrijstelling van de leerplicht;

d.dat het een vrijstelling van de leerplicht betreft; en

e.indien de jongere niet eerder onderwijs binnen Nederland heeft gevolgd: de naam, het adres en de woonplaats, het geslacht en de geboortedatum.

4Onze Minister neemt de volgende op grond van het eerste lid verstrekte gegevens op in het register vrijstellingen en vervangende leerplicht:

a.het persoonsgebonden nummer;

b.de begin- en einddatum van de vrijstelling;

c.of eerder beroep is gedaan op vrijstelling van de leerplicht;

d.de woongemeente; en

e.het gegeven dat het een vrijstelling van de leerplicht betreft.

§ 4. Toezicht op de naleving van de wet

Artikel 16. Leerplichtambtenaren

1Het toezicht op de naleving van deze wet anders dan door de hoofden is opgedragen aan burgemeester en wethouders. Zij wijzen daartoe een of meer ambtenaren aan.

2Alvorens hun ambt te aanvaarden, leggen deze ambtenaren in handen van de burgemeester de eed of de belofte af, waarvan het formulier bij ministeriële regeling wordt vastgesteld.

3Deze ambtenaren zijn bevoegd hun taak uit te oefenen ten aanzien van leerlingen die in Nederland woon- of verblijfplaats hebben.

4Burgemeester en wethouders stellen een instructie vast voor deze ambtenaren, die ten minste bevat:

a.de wijze waarop de ambtenaren aan de in de artikelen 14, derde lid, 22 en 23 bedoelde taken uitvoering geven;

b.de wijze waarop de gevallen van schoolverzuim die ter kennis van de gemeente worden gebracht, worden behandeld;

c.de wijze waarop de ambtenaren bij de uitvoering van hun taken overleg plegen en samenwerken met hun ambtgenoten van de omliggende gemeenten;

d.de aanwijzing van de diensten en instellingen waarmee de ambtenaren bij de uitvoering van hun taken dienen samen te werken;

e.een meldcode waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe de ambtenaren bij de uitvoering van hun taken omgaan met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden.

5De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, zijn belast met de opsporing van de bij deze wet strafbaar gestelde feiten, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering.

6Onder huiselijk geweld wordt verstaan: huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

7Onder kindermishandeling wordt verstaan: kindermishandeling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

8Het college van burgemeester en wethouders bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode onder deze ambtenaren.

9Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat.

Artikel 16a. Inspectie van het onderwijs

Het toezicht op de naleving van deze wet door de hoofden is opgedragen aan de Inspectie van het onderwijs.

Artikel 17. Gemeenschappelijke regeling betreffende toezicht

Gemeenschappelijke regelingen betreffende het toezicht op de naleving van deze wet, alsmede wijziging of intrekking daarvan, worden mede ter kennis gebracht van Onze minister en van de hoofden in de gemeenten die bij de regeling zijn aangesloten.

Artikel 18. Kennisgeving in- en afschrijvingen

1De hoofden geven aan burgemeester en wethouders binnen zeven dagen kennis van de in- en afschrijving van leerlingen ten aanzien van wie deze wet van toepassing is. Een beslissing tot verwijdering van een leerling wordt terstond gemeld.

2Indien de jongere geen volledig onderwijsprogramma volgt, geeft het hoofd van een instelling aan burgemeester en wethouders bericht van het programma van de combinatie leren en werken, bedoeld in artikel 4c, eerste lid, dat door de jongere wordt gevolgd.

3De hoofden geven aan burgemeester en wethouders en aan de ambtenaar alle inlichtingen die deze in verband met de uitvoering van deze wet verlangen.

4In de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, en in de mededeling, bedoeld in het tweede lid, vermeldt het hoofd zo mogelijk mede het burgerservicenummer of onderwijsnummer van de jongere.

5Het eerste lid, eerste volzin, geldt niet voor een school als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdelen 1 of 2, of een instelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel c.

6Indien burgemeester en wethouders van de gemeente waar de leerling woon- of verblijfplaats heeft hun bevoegdheden op grond van deze wet hebben ondergebracht in een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, vindt de informatieverstrekking door de hoofden, bedoeld in dit artikel, plaats aan het orgaan dat daartoe volgens die gemeenschappelijke regeling is aangewezen.

Artikel 18a. Overgangsbepaling kennisgeving in- en afschrijvingen primair onderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]

Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip wordt in artikel 18, vijfde lid, voor «school als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 1,» gelezen: dagschool voor voortgezet onderwijs.

Artikel 19. Controle absoluut schoolverzuim door burgemeester en wethouders

Burgemeester en wethouders controleren, of de jongeren die als ingezetene in de basisregistratie personen zijn ingeschreven en nog leerplichtig of kwalificatieplichtig zijn, overeenkomstig de bepalingen van deze wet als leerling of deelnemer staan ingeschreven. 20 [Vervallen per 01-10-1994]

Artikel 21. Decentrale kennisgeving relatief verzuim

1Indien een ingeschreven leerling van een school ten aanzien van wie deze wet van toepassing is, niet zijnde een dagschool voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdelen 1 en 2, zonder geldige reden les- of praktijktijd heeft verzuimd en dit verzuim gedurende een periode van vier opeenvolgende lesweken in totaal zestien uren les- of praktijktijd bedraagt, geeft het hoofd van de school hiervan onverwijld kennis aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar de leerling woon- of verblijfplaats heeft.

2In de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, vermeldt het hoofd zo mogelijk mede het burgerservicenummer of onderwijsnummer van de jongere.

3Indien burgemeester en wethouders van de gemeente waar de leerling woon- of verblijfplaats heeft hun bevoegdheden op grond van deze wet hebben ondergebracht in een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, vindt de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, plaats aan het orgaan dat daartoe volgens die gemeenschappelijke regeling is aangewezen.

Artikel 21a. Centrale kennisgeving relatief verzuim

1Indien een ingeschreven leerling van een dagschool voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdelen 1 en 2, zonder geldige reden les- of praktijktijd heeft verzuimd en dit verzuim gedurende een periode van vier opeenvolgende lesweken in totaal zestien uren les- of praktijktijd bedraagt, geeft het hoofd van de school hiervan onverwijld kennis aan Onze minister, zo mogelijk onder opgave van de reden die naar zijn oordeel ten grondslag ligt aan het verzuim.

2Indien een ingeschreven leerling van een instelling als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, zonder geldige reden gedurende een periode van vier opeenvolgende lesweken in totaal zestien uren van de lestijd heeft verzuimd, geeft het hoofd van de instelling hiervan onverwijld kennis aan Onze minister, zo mogelijk onder opgave van de reden die naar zijn oordeel ten grondslag ligt aan het verzuim.

3Onze minister neemt de op grond van dit artikel door het hoofd verstrekte gegevens van de betrokken leerling op in het meldingsregister relatief verzuim.

4Onze minister bericht burgemeester en wethouders van de gemeente waar de betrokken leerling woon- of verblijfplaats heeft onverwijld na de kennisgeving, bedoeld in het eerste en tweede lid, dat een zodanige kennisgeving heeft plaatsgevonden.

5Onze minister verstrekt uit het meldingsregister relatief verzuim aan het betrokken hoofd van de school en aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar de betrokken leerling woon- of verblijfplaats heeft de ter zake van die leerling geregistreerde gegevens.

6Burgemeester en wethouders van de gemeente waar de betrokken leerling woon- of verblijfplaats heeft melden aan Onze minister telkens de status van de behandeling van het ter zake van die leerling gemelde verzuim.

7Onze minister neemt de op grond van dit artikel door burgemeester en wethouders verstrekte gegevens op in het meldingsregister relatief verzuim.

8Het betrokken hoofd van de school en burgemeester en wethouders van de gemeente waar de betrokken leerling woon- of verblijfplaats heeft, zijn bevoegd het meldingsregister relatief verzuim te raadplegen voor zover het betreft de ter zake van die leerling geregistreerde gegevens.

9Het hoofd kan de gegevens, bedoeld in het derde lid, verstrekken aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar de betrokken leerling woon- of verblijfplaats heeft.

10.Bij de verwerking van gegevens, bedoeld in dit artikel, wordt het persoonsgebonden nummer van de betrokken leerling gebruikt.

11.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze van de verstrekking van gegevens op grond van het eerste, tweede en zesde lid en wordt een nadere specificatie gegeven van de gegevens die op grond van het eerste, tweede en zesde lid worden verstrekt.

12.De gegevens die worden verstrekt op grond van het eerste en tweede lid kunnen persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens omvatten, met uitzondering van gegevens over ras, politieke gezindheid, seksueel leven of het lidmaatschap van een vakvereniging, voor zover deze persoonsgegevens noodzakelijk zijn met het oog op de informatieverstrekking over de achtergronden van het relatief verzuim.

13.Indien burgemeester en wethouders van de gemeente waar de leerling woon- of verblijfplaats heeft hun bevoegdheden op grond van deze wet hebben ondergebracht in een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen en daarvan mededeling hebben gedaan aan Onze minister, komen hun rechten en verplichtingen als bedoeld in dit artikel toe aan het orgaan dat daartoe volgens die gemeenschappelijke regeling is aangewezen.

Artikel 21b. Overgangsbepaling kennisgeving relatief verzuim primair onderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs

Tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip wordt in artikel 21, eerste lid, voor «niet zijnde een school als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdelen 1 en 2» gelezen «niet zijnde een dagschool voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 1, of een school als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 2» en wordt in artikel 21a, eerste lid, voor «een ingeschreven leerling van een school als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdelen 1 en 2» gelezen: een ingeschreven leerling van een dagschool voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 1, of een school als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 2.

Artikel 22. Onderzoek door leerplichtambtenaar

1Indien blijkt, dat een leerplichtige of kwalificatieplichtige jongere niet als leerling of deelnemer staat ingeschreven, zonder dat een grond voor vrijstelling aanwezig is, of indien een kennisgeving is ontvangen, als bedoeld in artikel 21, of bericht van een kennisgeving is ontvangen als bedoeld in artikel 21a, vierde lid, stelt de ambtenaar vanwege burgemeester en wethouders een onderzoek in. Hij hoort de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen en tracht hen ertoe te bewegen hun verplichtingen na te komen.

2Blijkt aan de ambtenaar dat de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen weigeren de jongere als leerling van een school onderscheidenlijk als deelnemer bij een instelling te laten inschrijven, zonder dat zij op grond van artikel 5, 5a of 15 van deze verplichting zijn vrijgesteld, of dat zij niet zorgen, dat de leerplichtige jongere de school of de jongere die kwalificatieplichtig is de school of instelling geregeld bezoekt, zonder dat zij op grond van artikel 11 van deze verplichting zijn vrijgesteld, dan zendt hij proces-verbaal van zijn bevindingen aan de officier van justitie.

3Blijkt aan de ambtenaar, dat de leerplichtige jongere die de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt of de jongere die kwalificatieplichtig is het onderwijs aan de school of aan de instelling niet geregeld volgt zonder dat de jongere op grond van artikel 11 van deze verplichting is vrijgesteld, dan hoort hij de jongere en tracht hem ertoe te bewegen zijn verplichtingen na te komen. Indien blijkt dat de leerplichtige jongere die de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt, of de jongere die kwalificatieplichtig is, weigert deze verplichtingen na te komen, zendt de ambtenaar proces-verbaal van zijn bevindingen aan de officier van justitie.

4Indien een onderwijsvoorziening niet langer een school is als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 3, onderzoekt de ambtenaar binnen vier weken nadat de ouders hiervan op de hoogte zijn gesteld, of de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen de jongere bij een school hebben ingeschreven dan wel of een grond voor vrijstelling aanwezig is. Indien geen sprake is van een inschrijving bij een school dan wel een vrijstelling als bedoeld in artikel 5, 5a of 15, wijst hij onverwijld de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen op de verplichting, bedoeld in dat artikel. Indien de jongere niet binnen vier weken nadat de ambtenaar de in de vorige volzin bedoelde personen op hun verplichting heeft gewezen op een school staat ingeschreven en geen sprake is van een vrijstelling als bedoeld in artikel 5, 5a of 15, zendt de ambtenaar proces-verbaal van zijn bevindingen aan de officier van justitie.

5Indien de in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen reeds eerder zijn veroordeeld wegens het niet nakomen van de verplichtingen, opgelegd in artikel 2, eerste lid, of artikel 4a, zendt de ambtenaar een afschrift van het proces-verbaal aan de raad voor de kinderbescherming.

Artikel 23. Overtreding arbeidsverbod

Indien aan het hoofd of aan de ambtenaar blijkt, dat een jongere in strijd met de terzake geldende voorschriften arbeid verricht, geven zij hiervan terstond kennis aan een daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen onder hem ressorterende ambtenaar.

Artikel 24. Bevoegdheden politie

Ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, zijn bevoegd een jongere die zij onder schooltijd op een voor het publiek toegankelijke plaats aantreffen, te brengen naar het hoofd van de school waarop de jongere als leerling staat ingeschreven. Afdeling 5.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Artikel 25. Jaarverslag gemeente en verstrekking statistische gegevens

1Burgemeester en wethouders brengen jaarlijks vóór 1 oktober verslag uit aan de raad over het in het laatst afgesloten school- of cursusjaar in de gemeente gevoerde beleid inzake de handhaving van de leerplicht en de kwalificatieplicht en de resultaten daarvan.

2Burgemeester en wethouders doen jaarlijks een opgave aan Onze minister van de omvang en behandeling van het aan hen gemelde schoolverzuim in hun gemeente.

3Het hoofd doet jaarlijks een opgave aan Onze minister van de omvang van het schoolverzuim aan zijn school of instelling.

§ 5. Sanctiebepalingen

Artikel 26. Strafbedreiging verantwoordelijke personen

1De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen die de in artikel 2, eerste lid, of artikel 4a opgelegde verplichtingen niet nakomen, worden gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie.

2De leerplichtige jongere die de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt of de jongere die kwalificatieplichtig is, die de verplichting tot geregeld volgen van het onderwijs niet nakomt, wordt gestraft met een hoofdstraf als genoemd in artikel 77h, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafrecht, met dien verstande dat de geldboete een geldboete van de tweede categorie is.

Artikel 27. Bestuurlijke boete hoofd

Onze minister dan wel, voor zover het betreft het onderwijs op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, kan een bestuurlijke boete van ten hoogste 1 000 euro per overtreding, met een maximum van 100 000 euro per schooljaar, opleggen aan het hoofd dat:

a.in strijd handelt met artikel 13a, tweede lid, of artikel 14, derde lid, eerste volzin,

b.niet voldoet aan een der verplichtingen, opgelegd in de artikelen 18, 21 en 21a, of

c.bij de uitvoering van deze wet onjuiste of onvolledige inlichtingen verstrekt.

Artikel 28. Overtreding

De bij deze wet strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als overtredingen.

§ 6. Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 29. Nadere voorschriften

1Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften gegeven voor de uitvoering van deze wet en worden de modellen vastgesteld van de kennisgevingen en mededelingen, bedoeld in de artikelen 6, 18, 21 en 25, tweede en derde lid. Bij deze regeling kan tevens worden bepaald dat de in artikel 25, tweede of derde lid, bedoelde opgave niet wordt gedaan aan Onze minister maar aan het Centraal Bureau voor de Statistiek.

2De formulieren van de kennisgevingen en mededelingen, bedoeld in de artikelen 6, 18 en 21 zijn voor de belanghebbenden kosteloos ter gemeentesecretarie verkrijgbaar. De formulieren voor de opgaven van gegevens ten behoeve van statistisch onderzoek als bedoeld in artikel 25, tweede en derde lid, worden door het Rijk verstrekt.

Artikel 30. Citeertitel

Deze wet kan worden aangehaald als "Leerplichtwet 1969". Zij treedt in werking op 1 januari 1969. 31 [Vervallen per 01-08-1994]

Artikel 32 [Vervallen per 01-08-1994]

Artikel 32a [Vervallen per 01-08-1994]

Artikel 32b [Vervallen per 01-08-1994]

Artikel 32c [Vervallen per 01-08-1994]

Artikel 33 [Vervallen per 01-08-1994]

Artikel 34 [Vervallen per 01-08-1994]

Artikel 35 [Vervallen per 01-08-1971]

Artikel 36 [Vervallen per 01-08-1971]

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven ten Paleize Soestdijk, 30 mei 1968

JULIANA.

De staatssecretaris van onderwijs en wetenschappen, GROSHEIDE.

De minister van sociale zaken en volksgezondheid, B. ROOLVINK.

De minister van landbouw en visserij, P. J. LARDINOIS.

Uitgegeven de twintigste juni 1968.

De Minister van Justitie,

C. H. F. POLAK.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.