Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd

Rode Kruis Verdrag

Huidige tekst

Artikel 27 Rode Kruis Verdrag

Geldt sinds 3 februari 1955

Beschermde personen hebben, onder alle omstandigheden, recht op eerbieding van hun persoon, hun eer, hun familierechten, hun godsdienstige overtuiging en de waarneming van hun godsdienstplichten, en hun zeden en gewoonten. Zij moeten te allen tijde menslievend worden behandeld en worden beschermd, in het bijzonder tegen iedere daad van geweld of vreesaanjaging, tegen beledigingen en de nieuwsgierigheid van het publiek. Vrouwen moeten in het bijzonder worden beschermd tegen iedere aanslag op haar eer, met name tegen verkrachting, gedwongen prostitutie en iedere aanranding van haar eerbaarheid. Onverminderd de bepalingen betreffende de gezondheidstoestand, leeftijd en sekse, moeten alle beschermde personen door de Partij bij het conflict, in wier macht zij zich bevinden, gelijkelijk worden ontzien, zonder enig voor hen nadelig onderscheid, gegrond in het bijzonder op ras, godsdienst of politieke overtuiging. De Partijen bij het conflict mogen echter ten aanzien van beschermde personen die contrôle- of veiligheidsmaatregelen nemen, welke ten gevolge van de oorlog nodig mochten zijn.

Bron: wetten.overheid.nl

Jurisprudentie bij dit artikel

Er zijn nog geen uitspraken aan dit artikel gekoppeld.

Zoek op deze artikelverwijzing

Geldende tekst uit de Legal Momo-wettenbank, een kopie van het BWB-wettenregister. Raadpleeg wetten.overheid.nl voor de authentieke versie. Dit is geen juridisch advies.