Huidige tekst
Artikel 30 Verdrag van Athene
De Gemeenschap stort op de eerste werkdag van elke maand aan Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije, uit hoofde van de uitgaven van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen, één achtste in 2004 vanaf de datum van toetreding en één twaalfde in 2005 en 2006 van de volgende bedragen bij wijze van forfaitaire speciale cash flow-faciliteit: 2004 2005 2006 (miljoen euro – prijzen van 1999) Tsjechië 174,7 91,55 91,55 Estland 15,8 2,9 2,9 Cyprus 27,7 5,05 5,05 Letland 19,5 3,4 3,4 Litouwen 34,8 6,3 6,3 Hongarije 155,3 27,95 27,95 Malta 12,2 27,15 27,15 Polen 442,8 550,0 450,0 Slovenië 65,4 17,85 17,85 Slowakije 63,2 11,35 11,35 Een in de forfaitaire speciale cash flow-faciliteit opgenomen bedrag van 1 miljard euro voor Polen en van 100 miljoen euro voor de Tsjechische Republiek wordt in aanmerking genomen voor berekeningen betreffende de verdeling van de structuurfondsen voor de jaren 2004 tot en met 2006.