Huidige tekst
Artikel V Verdrag houdende instelling van een Internationale Douaneraad
Vertegenwoordigers van Leden § 12. Op vergaderingen van de Raad, van het Permanent Technisch Comité en van de Comité's van de Raad genieten de vertegenwoordigers van zijn Leden gedurende de uitoefening van hun functies en tijdens hun reis naar en van de plaats van samenkomst de volgende voorrechten en immuniteiten: a) immuniteit van arrestatie of gevangenhouding en van inbeslagneming van hun persoonlijke bagage, alsmede vrijstelling van rechtsvervolging met betrekking tot in hun officiële hoedanigheid door hen gesproken of geschreven woorden en verrichte handelingen; b) onschendbaarheid van alle papieren en stukken; c) het recht codes te gebruiken en papieren of correspondentie te ontvangen per koerier of in verzegelde zakken; d) vrijstelling met betrekking tot hen zelf en hun echtgenoten van immigratiebeperkingen en vreemdelingenregistratie in de landen, die zij bezoeken of waar zij doorreizen in de uitoefening van hun functies; e) dezelfde faciliteiten met betrekking tot beperkingen nopens geld of het wisselen van geld worden toegestaan aan vertegenwoordigers van vreemde Regeringen, die met esn tijdelijke officiële zending zijn belast; f) dezelfde immuniteiten en faciliteiten met betrekking tot hun persoonlijke bagage als worden toegestaan aan Leden van diplomatieke zendingen met een vergelijkbare rang. § 13. Ten einde de vertegenwoordigers van Leden van de Raad op vergaderingen van de Raad, van het Permanent Technisch Comité en van de Comité's van de Raad volledige vrijheid van het woord en volledige afhankelijkheid bij het vervullen van hun taak te verzekeren, blijft de vrijstelling van rechtsvervolging met betrekking tot door hen in de uitoefening van hun taak gesproken of geschreven woorden en verrichte handelingen aan hen toegekend, ook wanneer hun mandaat is vervallen. § 14. De voorrechten en immuniteiten worden aan de vertegenwoordigers van Leden niet toegekend voor hun persoonlijk voordeel, doch met het doel de onafhankelijke uitoefening van hun functies in verband met de Raad te verzekeren. Derhalve heeft een Lid niet alleen het recht, doch tevens de plicht de immuniteit van zijn vertegenwoordiger op te heffen, telkens wanneer het van oordeel is dat de immuniteit aan de loop van de gerechtigheid in de weg staat en de immuniteit kan worden opgeheven zonder dat afbreuk wordt gedaan aan het doel, waarvoor de immuniteit is toegekend. § 15. Op de bepalingen van de paragrafen 12 en 13 kan geen beroep worden gedaan tegenover de autoriteiten van de Staat, waarvan de persoon een onderdaan is of waarvan hij een vertegenwoordiger is of is geweest.